© EPA/RICCARDO ANTIMIANI

Geen witte rook, maar een witte vlag uit Rome

    In de ruzie tussen Rome en Brussel over de Italiaanse begroting voor 2019 lijkt Rome door de knieën te gaan. Hoewel het er op eerste gezicht uitziet alsof dat komt door de harde opstelling van Brussel, is er een andere kracht die voor de Italiaanse knieval gezorgd heeft. Edin Mujagic analyseert de situatie.

    Niet dat de spanningen tussen Rome en Brussel snel voorbij zullen zijn, maar de laatste tijd zijn er ontwikkelingen te spotten die een escalatie onwaarschijnlijk maken. Dat is goed nieuws voor de eurozone, en voor de munt zelf. Het laatste wat de muntunie nodig heeft is een crisis zoals die van een paar jaar geleden.

    Even snel de achtergrond van de spanningen. In het voorjaar kozen de Italianen een nieuw parlement. Twee anti-EU en anti-euro partijen — Lega Nord en de Vijfsterrenbeweging — scoorden goed bij de stembusgang. Zó goed zelfs, dat de twee partijen samen een meerderheid in het parlement hadden. 

    Samen een regering vormen was echter makkelijker gezegd dan gedaan. De verschillen tussen twee partijen waren, op anti-EU en anti-euro standpunten na, zeer groot. Toch lukte het de leiders van de twee partijen uiteindelijk een ministersploeg te smeden die de Italiaanse president goedkeurde en door het parlement kon. 

    Maar daarna was het snel gedaan met de honeymoon. De twee partijen moesten aan de slag, en onder de regeringstaken valt ook het opstellen van een begroting voor 2019. Het probleem daarbij was dat de financiële ruimte voor Italië klein was: het land dat heeft na Griekenland de hoogste staatsschuld in de eurozone én bezit een economie die zelfs in de economische voorspoed van de afgelopen jaren nauwelijks groeide.

    En dat terwijl het wensenlijstje omvangrijk was: van belastingverlagingen en het ongedaan maken van pensioenhervormingen (lees: de pensioenleeftijd omlaag) tot een basisinkomen, alles stond erop. Allemaal zaken die de twee partijen hun kiezers tijdens de campagne in het vooruitzicht hadden gesteld. Nu niet leveren, zou die partijen gelijk stellen aan de gevestigde orde: hét verwijt aan die laatste was immers dat ze te weinig doet voor de burger en zich niet houdt aan eigen beloftes. 

    Na het geschreeuw volgde schieten met scherp

    Maar ja, die financiële ruimte, die was er niet. En dat dreigde roet in het eten van de nieuwe regering te gooien. Rome loste dat probleem op op een typisch Italiaanse manier: door te doen alsof de financiële ruime er gewoon wél is. En dus werden alle mooie maar dure plannen van beide partijen gewoon in de begroting opgenomen. 

    In cijfers uitgedrukt kwam het erop neer dat waar het begrotingstekort in 2019 uit moest komen op 0,8 procent van de Italiaanse economie, de gelegenheidscoalitie een begroting naar Brussel stuurde waarop een tekort van 2,4 procent prijkte: drie keer zo hoog als wat Brussel zou accepteren. 

    Zelfs voor de doorgaans op begrotingsgebied lakse Europese Commissie, was dat een brug te ver. Rome kreeg een vriendelijk doch dringend verzoek een nieuwe begroting op te stellen en in te dienen bij de EU, want wat er op dat moment op de Commissieburelen lag, zou meteen afgekeurd worden.

    Het antwoord uit de heilige stad: ‘Doe maar.’ En zo groeven de politieke troepen zich, 100 jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, net zo diep in als de soldaten van weleer. Italië schreeuwde naar de Commissie geen compromis te willen, waarop Brussel terug schreeuwde dat dat goed uitkwam want zelfs práten over een compromis was al niet aan de orde. Dat Italië zijn staatsfinanciën moest verbeteren, was een niet-onderhandelbaar punt voor de EU.

    Na het geschreeuw volgde schieten met scherp. Brussel begon het zogeheten ‘buitensporig tekortprocedure’ tegen Italië, die uiteindelijk tot een boete van enkele miljarden euro kan leiden. Sinds de komst van de euro en de bijbehorende begrotingsregels, heeft Brussel nooit zo’n boete opgelegd — hoewel schendingen van die regels eerder de regel dan uitzondering zijn geweest.

    Het is niet Brussel waardoor Rome inbindt, maar de obligatiemarkt

    En toen kwam er uit Rome voor de verandering geen witte rook, maar was er een witte vlag te zien. De Italiaanse regering kon ook wel met een tekort van 2 procent leven. Niet wat de Commissie wil, maar het was Italië dat als eerste blinkte. Dat geeft Brussel ruimte om zonder gezichtsverlies te gaan praten. En volgens een oude EU-traditie leidt dat ongetwijfeld tot iets wat beide partijen nog niet zo lang geleden categorisch afwezen: een compromis waarbij niemand met de staart tussen de benen naar huis hoeft.

    Als je dat alles aanschouwt, dan zou je bijna denken dat de harde Brusselse opstelling dus gewerkt heeft. Ik denk dat dat een verkeerde conclusie is. Dat Italië water bij de wijn wil doen, heeft niets te maken met hoe Brussel het spel gespeeld heeft.

    James Carville, voormalig adviseur van de Amerikaanse president Bill Clinton, zei ooit: ‘Ik dacht altijd dat als ik zou kunnen reïncarneren, ik terug zou willen komen als de president of de paus. Maar nu denk ik dat ik terug zou willen komen als de obligatiemarkt: je kunt dan iedereen intimideren.’ Het is niet Brussel waardoor Rome inbindt, maar de obligatiemarkt voor het Italiaans schatkistpapier.

    Toen de Italianen begin maart dit jaar naar de stembus togen, bedroeg de toonaangevende tienjarige rente in Italië minder dan 2 procent. Nadat duidelijk werd dat de nieuwe regering zeer waarschijnlijk door twee anti-euro en anti-EU partijen gevormd gaat worden, klom die rente naar 2,75 procent. Een hogere rente doet pijn bij de overheid, maar ook bij Italiaanse bedrijven en huishoudens.

    Toen de twee genoemde partijen inderdaad een regeringsploeg vormden en die voor ramkoers met Brussel koos, verergerde de situatie verder. Kredietbeoordelaar Moody’s verlaagde de toch al belabberde Italiaanse kredietwaardigheid. De andere twee belangrijkste kredietbeoordelaars, S&P en Fitch verlaagden hun verwachtingen, het equivalent van tegen Rome zeggen: ‘Als je je plannen niet wijzigt, doen wij hetzelfde als Moody’s.’

    Hoe lager de kredietwaardigheid, des te hoger de rente die je als, in dit geval land, moet betalen om geld te lenen omdat het risico van wanbetalen hoger is. De Italiaanse tienjarige rente spoot omhoog, naar 3,5 procent. 

    Die flink gestegen rente is om meer dan één reden een potentieel enorm probleem voor Italië. In de eerste plaats merken de Italiaanse huishoudens dat, bijvoorbeeld in de rente op hun leningen. Maar ze merken het ook omdat de waarde van de Italiaanse staatsobligaties daardoor daalt. Italiaanse huishoudens hebben, direct en indirect, een zeer groot deel van alle uitstaande Italiaanse staatsobligaties in handen.

    Een andere manier waarop de gestegen rente — laat staan een verdere stijging — voor pijn kan zorgen, loopt via ’s lands banken. Samen hebben die zo’n 30 procent van al het Italiaans schatkistpapier in hun boeken. Bij stijgende rentes daalt de waarde van obligaties. Gezien het feit dat de Italiaanse banken er al slecht voor staan, kan die waardedaling sommige banken over de rand van het financiële ravijn duwen. Met als gevolg óf een faillissement, óf dat Rome financieel bij moet springen, waardoor het nog dieper in het rood komt te staan, waardoor de rente verder stijgt, banken nog verder in problemen komen, etc. Een uiterst giftige negatieve spiraal is dan een feit.

    Volgens schattingen wordt de situatie precair bij 4 procent rente op de Italiaanse tienjarige leningen. Nog een ronde spanningen met Brussel, en dat percentage kan zomaar bereikt worden — zeker nu de Europese Centrale Bank per 31 december van dit jaar stopt met het opkopen van staatsobligaties. Dat opkopen, beter bekend als quantitative easing (QE), drukte de langetermijnrentes in de hele muntunie omlaag. Als die neerwaartse kracht grotendeels weg komt te vallen, zou de Italiaanse tienjarige rente zomaar naar 4 procent en vervolgens verder kunnen stijgen wanner Rome de ruzie op het spits drijft.

    Politiek zou er ook veel te verliezen zijn voor de regeringspartijen. Uit een recente enquête blijkt dat bijna 6 op de 10 Italianen de euro een goede zaak vindt. Ter vergelijking: aan de vooravond van de laatste verkiezingen was dat minder dan de helft. Blijkbaar zijn de Italianen er ook achter gekomen dat anti-euro leuzen roepen en het uittreden uit de muntunie misschien leuk klinkt, maar dat als het werkelijkheid wordt, zijzelf daar dupe van zouden worden.

    De regering in Rome moet er daarom rekening mee houden dat wanneer de verwachting ontstaat dat Italië uit de euro kan stappen, de kiezer ze dat niet in dank af zal nemen. En nee, ik denk niet dat de regeringspartijen verwachten dat de Italiaanse kiezer het hele debacle wel vergeten zal zijn wanneer zij weer gaat stemmen: de gemiddelde zittingsduur van de Italiaanse regering sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog bedraagt ongeveer één jaar.

    En ziedaar: het lijkt erop dat niet de Brusselse politiek, maar de door velen verguisde marktwerking het onverantwoorde gedrag van de Italiaanse regering een halt toeroept.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 814 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren