Achter het raam van een woonhuis aan de Keizersgracht refereert deze poster aan eerdere Joodse bewoners. In 2011 namen het Amsterdams 4 en 5 mei comité en het Joods Historisch Museum het initiatief hiertoe.
© Erik van 't Woud / ANP

Roof van Joods vastgoed was dankzij Amsterdamse notarissen één grote witwasoperatie

Nederlandse notarissen maakten met hun ‘lijdelijke’ houding in de Tweede Wereldoorlog de weg vrij voor grootschalige roof van Joods vastgoed. Onderzoek van Follow the Money en Pointer wijst uit dat ruim 42 procent van het verhandelde vastgoed in Amsterdam in één dag twee keer van eigenaar wisselde. Zo werd de waarde flink opgestuwd, net als de verdiensten voor de betrokkenen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden notarissen een ‘lijdelijk’ beroep: zij stelden alleen maar aktes op in opdracht van cliënten - niets meer en niets minder. Lastige vragen over de herkomst van geld of bezittingen vielen buiten hun takenpakket. Ethische codes waren er al helemaal niet. Wel hadden notarissen de zogeheten ministerieplicht: ze mochten alleen dienst weigeren als daar een formele, wettelijke grond voor was. 

Deze passieve houding maakte de weg vrij voor de roof van duizenden panden van Joodse eigenaren, schreef Follow the Money gisteren. Zo lieten we zien hoe jeneverproducent Lucas Bols in 1943 een pakhuis overnam van de Joodse kaashandelaar Mozes Poppelhouwer, die werd omgebracht in Auschwitz.

Een databestand, dat historicus Raymund Schütz deelde met Follow the Money en datajournalistiek onderzoeksplatform Pointer (KRO-NCRV), laat zien hoe die ‘lijdelijke’ houding van notarissen tijdens de Tweede Wereldoorlog precies werkte. In het onderzochte databestand is een groot deel van de verkoopakten opgenomen die Amsterdamse notarissen tijdens de Tweede Wereldoorlog lieten passeren. In totaal zijn dat 2563 akten, opgesteld in de periode van 21 april 1941 tot en met 16 mei 1945. In deze akten komen 1480 verschillende percelen voor. 

Dubbeltransport via een stroman

Omdat de ‘gewone’ huizenmarkt tijdens de oorlog nauwelijks functioneerde, moet het bij het overgrote deel van deze transacties gaan om geroofd Joods vastgoed. Uit de Verkaufsbücher die de Duitsers bijhielden, weten we bovendien dat in Amsterdam een vergelijkbaar aantal panden van Joden geroofd werd.

Bij 630 percelen, ruim 42 procent van het tijdens de oorlog verhandelde vastgoed in Amsterdam, was sprake van een zogeheten ‘dubbeltransport’. Deze panden wisselden binnen één dag twee keer van eigenaar. Eerst werd het pand op papier verkocht aan een tussenhandelaar, een anonieme stroman. Daarna kwam het, via een tweede akte, in handen van de uiteindelijke koper.

‘De truc die daar werd toegepast, is dat het twee keer in korte tijd werd overgedragen,’ zegt historicus Schütz. ‘Alleen de laatste eigenaar kwam in het Kadaster te staan. Daarmee bleef de tussenpersoon onzichtbaar, maar daar werd wel de winst gemaakt.’

De vastgoedboeken van de bezetter

Dit artikel komt voort uit onderzoek door Follow the Money en datajournalistiek onderzoeksplatform Pointer (KRO-NCRV) in de zogeheten Verkaufsbücher. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland naar schatting 10.000 woningen en bedrijfspanden geroofd van Joodse eigenaren. Malafide handelaren verkochten het vastgoed met toestemming van de Duitse bezetter aan geïnteresseerde kopers - vermogende Nederlanders, bedrijven, gemeenten. Het is een zwarte bladzijde in onze nationale oorlogsgeschiedenis. 

In de Verkaufsbücher hielden de Duitsers nauwkeurig bij welke panden verkocht werden, wie de oorspronkelijke eigenaar was, wie de koper en voor welke prijs het vastgoed van de hand ging. Van ruim zevenduizend transacties is deze administratie bewaard gebleven. De stukken liggen opgeslagen in het Nationaal Archief in Den Haag.

Het afgelopen jaar heeft het Nationaal Archief (in samenwerking met het Kadaster) de vastgoedboeken gedigitaliseerd. Follow the Money en Pointer kregen toegang tot deze digitale versie. Het onderzoek in deze boeken levert nieuwe inzichten op over hoe de roof van het Joodse vastgoed precies in zijn werk ging, en welke partijen hier zoal van profiteerden. Lang niet alle betrokkenen legden na de oorlog verantwoording af, zo blijkt. 

Zie ook het dossier van Pointer

Lees verder Inklappen

De rol van de notaris was bij deze dubbeltransporten cruciaal. Eerst werkte de notaris mee aan een verkooptransactie waarbij de (Joodse) eigenaar niet aanwezig was – het Joodse vastgoed was vanaf 1941 ondergebracht bij de zogeheten Niederländische Grundstücksverwaltung. Het beheer over deze panden besteedden de Duitsers uit aan een klein aantal NSB-makelaars. 

Bij de eerste akte werd het pand doorgaans ver onder de marktwaarde verkocht: gemiddeld 30 tot 40 procent. Makelaar en tussenhandelaar profiteerden van het feit dat de nazi’s weinig verstand hadden van de Nederlandse vastgoedmarkt. Voor de Duitsers was elke opbrengst winst: deze ging naar de Vermögungsverwaltungs- und Renteanstalt en werd onder meer gebruikt voor de bouw van kamp Westerbork. 

Vervolgens werkte de betrokken notaris eraan mee dat het pand korte tijd later – vaak nog dezelfde dag – werd doorverkocht bóven de marktprijs. De uiteindelijke koper betaalde rond de 110 procent van de marktwaarde. Volgens historicus Eric Slot betaalden de meeste kopers zwart; die 10 procent extra was in feite een provisie voor het witwassen. 

De naam van de oorspronkelijke Joodse eigenaar en de tussenhandelaar waren uiteraard bij de notaris bekend. Maar in de tweede verkoopakte liet de notaris deze namen achterwege.

‘Op deze manier legaliseerde de notaris de roof van Joods vastgoed. Er werd met stromannen en tussenhandelaren gewerkt en met verklaringen die de werkelijkheid niet geheel dekten’, aldus Raymund Schütz. En dat dus bij 42 procent van alle tijdens de oorlog verhandelde panden in onze hoofdstad.

Door aan de dubbeltransporten mee te werken, maakten de notarissen bovendien een enorme waardevermeerdering van het vastgoed mogelijk. Uit de data blijkt dat de Amsterdamse panden via dubbeltransporten in totaal 4.986.518 gulden in waarde stegen. Omgerekend naar nu is dat ruim 29 miljoen euro – een gigantische witwasoperatie, waarbij individuele kopers en bedrijven hun zwarte geld inwisselden voor stenen. 

Uit ons databestand blijkt dat het kantoor van notaris A.A. Rambonnet (1899-1977) hierbij de absolute koploper was. In totaal werden via deze notaris 146 percelen via dubbeltransport verkocht, die in één dag 1.111.750 gulden meer waard werden (omgerekend naar nu bijna 6,5 miljoen euro). Na de oorlog zou deze Rambonnet uit zijn ambt worden gezet, maar dat gold niet voor al zijn kantoorgenoten. 

‘Dat er personen zijn die Jodengoed willen kopen, moeten ze zelf maar weten’, zei een jonge kandidaat-notaris na de bevrijding

Een van zijn jonge medewerkers zei na de bevrijding over de medewerking aan de roof van Joodse panden: ‘De huizen blijven waar ze zijn. Dat er personen zijn die Jodengoed willen kopen, moeten ze zelf maar weten. Dat er akten van gemaakt worden kan later alleen maar nuttig zijn.’ Bij deze kandidaat-notaris werden zijn jeugdigheid en onervarenheid bij de zuivering geaccepteerd als verzachtende omstandigheid, schreef Raymund Schütz eerder.

Notaris F.H. Charbon, die het pand van de Joodse kaashandelaar Mozes Poppelhouwer in handen van jeneverproducent Lucas Bols bracht, was betrokken bij minder dubbeltransporten. In totaal ging het om acht percelen, maar de waardevermeerdering was hierbij wel behoorlijk groot: 186.683 gulden (omgerekend naar nu ruim 1 miljoen euro). 

De verklaring hiervoor is dat het in bijna alle gevallen om flinke bedrijfspanden ging, die voor hoge bedragen doorverkocht werden. Als vice-voorzitter van notariële Broederschap BNN rekende Charbon vooraanstaande Amsterdamse personen en bedrijven tot zijn klantenkring. 

De waardevermeerdering van 21.600 euro bij de doorverkoop van het pakhuis aan de De Ruijterkade – tegenwoordig ruim 126.000 euro – is de grootste waardestijging in één dag die bij de Joodse pandenroof heeft plaatsgevonden. Charbon staat op de zesde plaats van notarissen die de grootste waardevermeerdering mogelijk maakten. 

Criminele huizenhandelaar

Amsterdamse notarissen werkten volop mee aan constructies waarbij de naam van de Joodse eigenaar uit de aktes werd weggepoetst en hielpen panden binnen één dag gigantisch in waarde stijgen. Daarbij was de directe opdrachtgever vrijwel altijd een criminele huizenhandelaar. Het Joodse vastgoed was onder beheer gebracht van het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen in Den Haag, kortweg de ANBO. Die besteedde het verzilveren van de panden uit aan lokale makelaars, vrijwel altijd NSB’ers.

De beruchtste makelaar in Amsterdam heette Johan Everout. Historicus Eric Slot schreef eerder dat onder zijn verantwoordelijkheid ongeveer 2200 Joodse panden werden verkocht, die in totaal rond de 40 miljoen gulden opbrachten (nu 230 miljoen euro). Na de oorlog werd berekend dat Everout ruim 1 miljoen gulden aan de roof had verdiend (nu ruim 5,5 miljoen euro). Tegen het eind van de oorlog woonde hij in een kapitale villa in Amsterdam-Zuid.

Johan Everout werkte bij de roof meestal samen met de NSB-advocaat Emile Hermans, die in veel gevallen als de hierboven omschreven anonieme tussenhandelaar optrad - de stroman die op papier als eerste het pand van de Joodse eigenaar kocht, en wiens naam daarna meteen weer uit de boeken verdween. Omdat Hermans bij een vechtpartij in 1933 een oog kwijtraakte, stond hij in Amsterdam bekend als ‘Meester Eenoog’. Tijdens de vechtpartij had hij het zwarte uniform van de Weerafdeling van de NSB gedragen, de paramilitaire tak van de Nederlandse nazibeweging. 

Ook Hermans verdiende vermoedelijk miljoenen aan zijn betrokkenheid bij de roof van Joodse panden. Zowel hij als Everout ging na de oorlog voor langere tijd de cel in. 

Meewerken moest wel

Volgens de normen van die tijd moesten notarissen hier wel aan meewerken: ze voerden immers slechts uit wat hen gevraagd werd. Maar het feit blijft dat ze hierbij wel héél veel door de vingers moesten zien om vast te houden aan hun ‘lijdelijke’ rol. Ze moesten bewust wegkijken van zeer ongemakkelijke feiten, bijvoorbeeld dat ze met hun aktes criminelen hielpen het vastgoed van Joodse eigenaren te stelen. 

De huidige voorman van het Nederlandse notariaat, KNB-voorzitter Nick van Buitenen, noemde de opstelling van de notarissen eerder bij Follow the Money ‘onthutsend en beschamend’. Van Buitenen: ‘Maar dit was wel in lijn met hoe men destijds over de rol van het notariaat dacht. Een lijdelijke rol, zonder ruimte voor het eigen geweten. We kunnen ons dat nu moeilijk voorstellen, maar dat was toen geen echte discussie.’

Volgens Raymund Schütz is dat te makkelijk. Hij wijst erop dat er wel degelijk discussie was: zo was er een klein aantal ‘ethische’ notarissen, die de dubbeltransporten weigerden uit te voeren en waren er ook notarissen betrokken bij het verzet. Daarnaast zagen meer ondernemende notarissen in de lijdelijkheid een excuus om geld te verdienen. En je had het bestuur van de Broederschap, dat haar leden opriep een lijdelijke houding aan te nemen en aktes te laten passeren zonder vragen te stellen. ‘In 1941 waren er al notarissen die protesteerden en na de oorlog is er ook zeker wel discussie over geweest.’

Na de bevrijding werd slechts een heel klein deel van de Nederlandse notarissen uit het ambt gezet. Via een vrijwillige regeling met het ministerie van Justitie betaalden de betrokken notarissen 60 procent van hun genoten inkomsten terug (ze verdienden 60 gulden per opgemaakte akte). Dat leverde 456.000 gulden op, nu ruim 2,5 miljoen euro.

Stefan Vermeulen
Bijt zich voor FTM vast in schimmige dealtjes, foute gedragingen en geldstromen die het daglicht niet kunnen verdragen.
Gevolgd door 880 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren