© ANP/REMKO DE WAAL

Het ongebreidelde optimisme van Mark Rutte

    Optimisme is het handelsmerk van Mark Rutte, de man die ieder idee kan verkopen. Zijn zonnige blik op de toekomst hangt direct samen met zijn economische opvattingen en stelt hem lijnrecht tegenover een groep kiezers die de zaken minder positief inziet.

    Mark Rutte kan met bijna iedereen zakendoen. Hij zat als staatssecretaris in regeringen met het CDA, de LPF en D66. Als premier regeerde hij met het CDA — met gedoogsteun van de PVV — en met de PvdA. Om zijn regeringen overeind te houden sloot hij akkoorden met GroenLinks, wederom D66, de ChristenUnie en de SGP. Van de grotere partijen bleef alleen de SP buiten de omhelzing van Rutte.

    Deze politieke lenigheid is een van de redenen dat Rutte geldt als een pragmaticus en Realpolitiker, die zonder uitgesproken standpunten steeds op zoek gaat naar het mogelijke. ‘Geef hem een idee en hij verkoopt het,’ zei een vriend over hem in de biografie Mark van Sheila Sitalsing. Een opmerking met meerdere dubbele bodems.

    Rutte is een pragmaticus, op zoek naar het mogelijke zonder uitgesproken standpunten

    De economische invalshoek, het verkopen, bleek ook toen Rutte de VVD in het begin van zijn politieke carrière een ‘sleets merk’ noemde. Het kwam hem op een reprimande van oudgediende Frits Bolkestein te staan.

    Optimisme loopt als een rode draad door zijn politieke carrière, zelfs door zijn leven. Tijdens een lezing vertrouwde hij het publiek toe dat hij zijn optimistische inslag van zijn moeder had. En die inslag komt regelmatig expliciet terug. Zo schreef hij in 2008 als fractievoorzitter het ‘Manifest van een optimist’ met een pleidooi voor een ‘positieve, groen rechtse wind.’ Van dat groene deel hebben we de afgelopen jaren niet meer zoveel gehoord, maar met het optimisme werden we om de oren geslagen. In het meest recente verkiezingsprogramma heet Nederland een land van ‘humor, optimisme en gezelligheid’. In het diepst van de crisis moedigde hij Nederlanders om te stoppen met ‘somberen’ en ‘die auto’ of ‘dat huis’ te kopen en dat beetje risico te nemen.

    Friedrich Hayek en de vrije markt

    Optimisme wordt hier direct verbonden aan economie en consumptie, aan het aanjagen van de economie door uitgaven. In de liberale visie is vooruitgang van de samenleving, maar ook van het individu, te bereiken door individuele keuzes van mensen — vooral over hoe ze hun geld besteden — en door een steeds verdere specialisatie van arbeid. Evolutiebioloog Matt Ridley beschrijft dat mechanisme in zijn boek De rationele optimist (2010) en haalt ter onderbouwing van zijn argument de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek aan. Volgens Hayek ontstaat spontaan een orde van onderaf door uitwisseling van goederen en specialisering van werk. Het bestaan wordt steeds beter door de vrije markt en die vooruitgang zal blijven bestaan zolang deze markt niet ingeperkt wordt.


    "Optimisme wordt door Rutte direct verbonden aan economie en consumptie, aan het aanjagen van de economie door uitgaven"

    Of Mark Rutte de ideeën van Ridley omarmt, is onbekend. Maar hij schreef in 2007 in Elsevier wel dat fan hij was van Hayek, die als een van de grondleggers van het neoliberalisme geldt. ‘Als we het menselijk gedrag en de alledaagse behoeftes in acht nemen, dan heerst het welbegrepen eigenbelang als primaat voor alle vooruitgang,’ schreef hij.

    Op deze manier is het optimisme van Rutte verbonden met een van de belangrijkste, maar ook met de meest omstreden opvattingen van de afgelopen decennia: het neoliberalisme. Zo omstreden zelfs, dat volgens sommigen, vaak uit VVD-kring, het neoliberalisme niet bestaat. ‘Ik ken niemand die zich neoliberaal noemt,’ zei Bolkestein, en daarmee was voor hem de discussie gesloten.

    Tegenover Bolkesteins visie staan analytici en politici die neoliberalisme zien als de allesoverheersende ideologie die het Westen en misschien wel de hele wereld in zijn greep heeft, in elk geval sinds het einde van de Koude Oorlog. Van zo’n omstreden begrip bestaat uiteraard geen algemeen aanvaarde definitie, maar het neoliberalisme streeft in ieder geval naar een grote rol voor de vrije markt en een beperkte rol voor de staat. De overheid moet de mogelijkheden voor de markt scheppen, maar zich verder zo min mogelijk met de economie inlaten. Hayek was ervan overtuigd dat collectieve regelingen, hoe bescheiden ook, vroeg of laat tot een totalitaire staat zouden leiden.

    Maatschappelijk initiatief

    Rutte horen we zelden over de gevaren van een totalitaire staat. Maar dat de overheid niet te veel pretentie moet hebben, daar is hij van overtuigd. In zijn H.J. Schoo-lezing van 2013 verwees hij naar een oude publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau, die stelde dat de overheid zich te veel was gaan opstellen als ‘producent en regisseur van het geluk van de individuele burger’. Dat leverde vooral ‘bureaucratisering en verstatelijking van maatschappelijk initiatief’ op. Daarin klinkt de echo door van het negatieve oordeel van Hayek over collectieve regelingen. Dat betekent niet dat Rutte de vrije markt volledig vrij baan wil geven — dat zou in strijd zijn met zijn pragmatisme — maar het maakt wel duidelijk waar zijn inspiratie vandaan komt.

    Het optimisme van Rutte past binnen een economisch wereldbeeld waarin individuele burgers beslissingen nemen die gezamenlijk tot gunstige gevolgen en vooruitgang leiden. De uitkomsten hoeven niet voor iedereen gelijk te zijn en de staat hoeft ook niet te proberen om iedereen in dezelfde mate mee te laten genieten van de ontstane welvaart. De schouders eronder en dan kan iedereen er bovenop komen, dat is de instelling.

    De schouders eronder en dan kan iedereen er bovenop komen, dat is de instelling

    Optimisme versus pessisme

    Het optimisme heeft ook een sterke samenhang met partijpolitieke voorkeuren. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat de aanhang van de VVD het meest optimistisch en het gelukkigst is. Daartegenover zijn PVV-stemmers het meest pessimistisch en het ongelukkigst. Het pessimisme van de PVV’ers strekt zich uit van de eigen financiële situatie via de economie tot de samenleving als geheel. Lijsttrekker Rutte past met zijn opgewekte instelling bij zijn kiezers, maar zijn houding staat ver af van de zorgen van PVV-stemmers.

    Rutte ziet dat pessimisme als een keuze. ’Als we een keer besluiten om die deken van negativiteit weg te trekken, dan kunnen we de sombere economische prognoses van het Centraal Planbureau verslaan,’ zei hij toen de economische crisis al jaren gaande was. ‘Als mensen bereid én in staat zijn zelf het maximale te doen om te slagen, dan is er straks voor iedereen zicht op een baan, een huis en een fatsoenlijk pensioen,’ zo hield hij zijn publiek in de Schoo-lezing voor. Het is dus vooral aan de mensen zelf om hun toestand te verbeteren, want de mogelijkheden van de overheid om daar iets aan te veranderen zijn beperkt. De politicus treedt op als een soort mental coach die aanmoedigende teksten roept.

    Deze optimistische visie van eigen kracht miskent echter dat de gevoelens en overtuigingen van de PVV-aanhang en andere somberaars veel verder kunnen gaan dan een dipje waartegen de opgestoken duim van een premier-lijsttrekker een adequaat middel is. De somberheid gaat niet alleen over migratie en de kans op een loonsverhoging volgend jaar of de stijging van het eigen risico, maar heeft een veel bredere strekking. PVV-kiezers geloven niet dat Nederland ‘een ontzettend fijn land om te leven’ is, zoals het in VVD-verkiezingsprogramma wordt voorgesteld. En ze geloven nog minder dat het zo blijft en dat er een nog betere toekomst gloort. Ze geloven niet in de vooruitgang, in de belofte van een steeds verder opgaande lijn.

    Afgedwaalde zoon

    De verschillen tussen de VVD en de PVV lijken soms niet zo groot. Geert Wilders stelde als eerste dat ‘Nederland Nederland’ moet blijven. Nu doet dat de VVD dat ook. En dat is maar één voorbeeld. Wel gaat de PVV wezenlijk verder in de voorstellen voor het afbreken van grondrechten, in zijn strijd voor de-islamisering.

    "Als we besluiten die deken van negativiteit weg te trekken, dan kunnen we sombere economische prognoses verslaan"

    In economisch en financieel opzicht lijken de verschillen groot.  De breuk tussen gedoogpartij PVV en regeringspartij VVD in 2012 kwam toen Wilders verdere bezuinigingen niet voor zijn rekening wilde nemen. Het summiere programma van de PVV belooft lagere huren, afschaffing van het eigen risico in de zorg en het terugdraaien van bezuinigingen in de ouderen- en thuiszorg. Dat zijn verhogingen van de collectieve uitgaven, hoewel de PVV met een magische rekensom uiteindelijk denkt niet meer uit te zullen geven.

    Zo stelt de PVV voor om 10 miljard euro te bezuinigen door geen geld meer te besteden aan ‘ontwikkelingssamenwerking, windmolens, kunst, innovatie, omroep enz.,’ zodat op die terreinen blijkbaar de vrije markt vrij spel krijgt. De rol van de staat wordt sterk teruggedrongen. De PVV wil ook lagere inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting, iets waar de VVD zich in kan vinden. Geen enkel idee van de PVV gaat lijnrecht in tegen de fundamenten van de marktwerking. En daarmee blijft de PVV in veel opzichten de afgedwaalde zoon van de VVD.

    De PVV blijft in veel opzichten de afgedwaalde zoon van de VVD

    Groot contrast

    Maar dat verschil tussen optimisme en pessimisme blijft overeind. De joviale lach van de premier-lijsttrekker tegenover de verbeten grijns van de uitdager. Het gevoel van ‘er is een wereld te winnen’ tegenover ‘we staan op het punt onze wereld te verliezen’. Het idee van vooruitgang, waarvoor je ‘keihard’ moet werken, maar die eigenlijk de natuurlijke gang van zaken is en die dan materiële en immateriële beloningen brengt. Dat staat tegenover het idee van een zeer reële kans op achteruitgang, die al zichtbaar is en nog erger kan worden. Het is een dreiging van verlies die tot een defensieve houding leidt, en tot het afhouden van veranderingen. Overheidsgeld voor innovatie is volgens Wilders verspilling. De impliciete of expliciete beloften dat iedereen die zijn talenten gebruikt zichzelf vooruit helpt worden niet meer geloofd. Nieuwsuur liet het contrast tussen beide partijen en hun aanhang onlangs fraai zien in reportages uit de voedselbank van Oldambt (PVV-stemmers) en een ondernemersreceptie in Eindhoven (VVD).

    Rutte en Wilders zijn tegenpolen die beide in een lange traditie staan: Rutte in die van het geloof in vooruitgang, waarbij handel en wereldwijde activiteit elkaar versterken en de individuele wil niet alleen het individu, maar de hele mensheid voortstuwt naar steeds grotere hoogten. Wilders staat in de traditie van het ongeloof in de constante verbetering van de samenleving, van geloof in de bescherming van de kleine, afgeschermde gemeenschap en het behoud van vertrouwde waarden. Dat wereldbeeld is bezig aan een verrassende comeback, met de verkiezingsoverwinning van Donald Trump en het Brexit-referendum als duidelijkste voorbeelden. Het idee dat we er allemaal op vooruitgaan als we meer en meer economisch integreren en specialiseren is in het defensief gedrongen. We leven in een tijdperk van woede die niet verklaard kan worden met een beroep op de economische ratio van individuen, zo schrijft bijvoorbeeld ook Pankaj Mishra in zijn boek Age of Anger.

    Het optimisme van Rutte is meer dan alleen een glimlach en een verkooppraatje. Er gaat een wereldbeeld achter schuil dat nu meer dan in de afgelopen decennia onder druk staat. Maar dat is waarschijnlijk een te sombere gedachte volgens Rutte.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Addie Schulte

    Sinds november 2015 werkzaam als freelance journalist met publicaties in o.a. De Correspondent, Folia, Trouw en Het Parool.

    Volg Addie Schulte
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Tweede Kamerverkiezingen 2017

    Gevolgd door 153 leden

    Op 15 maart 2017 ging Nederland naar de stembus. In aanloop naar deze belangrijke verkiezingen volgde FTM de politieke partij...

    Volg dossier