• Mooi woord

‘Kuhn noemde in 1970 als voorbeeld van protowetenschap de studie van erfelijkheid en evolutie voor het midden van de negentiende eeuw,’ zo eindigde Niko Roorda vorige week. ‘Dat is een mooi aanknopingspunt om eigenschap nummer 1 van protowetenschap te onderzoeken: het bestaan van scholen.’ Hier is het resultaat van dat onderzoek.

Economie lijkt eerder op een slimme variant van Astrologie”, schreef Marla Singer naar aanleiding van de aflevering van vorige week. Inderdaad, dat gevoel heb ik ook. Of misschien is ‘koffiedikkijken’ een nog betere aanduiding, om diverse redenen. Enkele daarvan gaf ik je de vorige keer, een andere reden volgt vandaag: Scholen. Het bestaan van tal van economische scholen vormt een cruciale stap in mijn bewijs dat economie geen wetenschap is maar protowetenschap: een “nog onvolwassen soort wetenschap”, zoals Nick kernachtig samenvatte.

Er waren veel commentaren van hoge kwaliteit, op mijn vorige stuk. Zo wees Tedje van Asseldonk mij er terecht op dat mijn kwalificatie van homeopathie en creationisme als pseudowetenschap te kort door de bocht is, aangezien ik er geen toelichting bij heb staan. Ik ga daar iets mee doen, ik heb alleen nog niet besloten wat. 

Otto B. Wiersma stelde dat filosofie een protowetenschap is. Maar dat zie ik anders, want filosofie behoort traditioneel niet tot de wetenschappen, het is een aparte discipline naast de wetenschap. In mijn reactie op Otto’s commentaar geef ik aan waarom.

Ik beschreef een reeks van impetuswoorden in verschillende vakgebieden. Daarna, bij de bespreking van een aantal (nogal beperkte) definities van ‘protowetenschap’ kwam ik uit bij de belangrijke wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn. “Kuhn noemde in 1970 als voorbeeld van protowetenschap de studie van erfelijkheid en evolutie voor het midden van de negentiende eeuw”, zo eindigde ik vorige week. “Dat is een mooi aanknopingspunt om eigenschap nummer 1 van protowetenschap te onderzoeken: het bestaan van scholen.” Wel, hier is het resultaat van dat onderzoek.

2.2. Scholen

Scholen in de biologie

In de 19e-eeuwse biologie speelde naast de vraag naar de mysterieuze levenskracht (waarover ik vorige week schreef) nog een andere belangrijke kwestie. Naarmate meer fossielen gevonden werden van planten en dieren die nergens levend werden gezien, werd de vraag steeds dringender, waar de natuurlijke soortenrijkdom vandaan komt. Vanzelfsprekend ontstonden er verschillende ‘scholen’. Als voorbereiding op het verhaal over de schoolvorming in de economie is dit een belangrijk onderwerp, dus ik geef het ruime aandacht.

Zo lanceerde Joseph Gottlieb Kölreuter (1733–1806) de gedachte dat soorten veranderen dankzij een proces dat ‘transmutatie’ genoemd werd, als gevolg van hybridisatie, dat wil zeggen door vermenging van soorten. De transmutationistische school werd behoorlijk populair onder protobiologen.

Een andere befaamde natuurvorser, Jean Baptiste Lamarck, gebruikte in 1809 een iets andere term: ‘transformatie’. Volgens hem en zijn navolgers in de ‘Lamarckistische’ of ‘transformationistische school’ ontstaan simpele levensvormen uit levenloze materie door ‘generatio spontanea’, spontane voortbrenging, waarna een vitalistische levenskracht de soorten ‘omhoog’ stuwt in de richting van een toenemende complexiteit. Eigenschappen die door individuele exemplaren van een soort worden verkregen als gevolg van aanpassing aan de omgeving, kunnen direct worden doorgegeven aan het nageslacht – aldus de Lamarckisten. Voortbouwend op de transformationistische school, ontwikkelden Robert Knox en Robert Grant hun eigen ‘Edinburgh school’, die nadruk legde op overeenkomsten in lichaamsvorm of -structuur tussen soorten (‘homologie’) als aanwijzing dat ze gemeenschappelijke voorouders hadden. Hun opvatting was iets te simpel maar wel ‘warm’.

In 1837 verkondigde Charles Babbage een andere hypothese. God heeft met behulp van Zijn almacht en alwetendheid tijdens de schepping natuurlijke wetten gecreëerd die maken dat in de loop van de wereldgeschiedenis nieuwe soorten op de gepaste momenten ontstaan. 

Aan Robert Chambers danken we sinds 1844 de orthogenistische of teleologische school, die vermoedt dat soorten ontstaan volgens een ‘orthogenetisch’ (vanaf het begin recht op het doel afgaand) plan dat als einddoel het ontstaan van de mens heeft.

Geoloog Charles Lyell meende in 1832 eveneens dat soorten onveranderlijk zijn maar geloofde in een soort continu voortschrijdend scheppingsproces van verdwijnende en verschijnende soorten, niet op grond van een goddelijk plan maar doordat leefomgevingen veranderen. Ook Georges Cuvier hield vol dat soorten onveranderlijk zijn; volgens hem is dat omdat hun onderdelen te fijn onderling zijn afgestemd, elke kleine verandering zou desastreus uitpakken. Dit misverstand treffen we zelfs nu nog aan bij creationisten.

En er was nog een groep die zich verzette tegen de transmutatieleer. Dat waren de naturalisten, beïnvloed door Duitse aanhangers van de filosofische stroming genaamd idealisme waartoe Goethe en Hegel behoorden. Naturalisten Louis Agassiz en Richard Owen waren ervan overtuigd dat soorten niet konden veranderen omdat iedere soort de belichaming is van een ‘idee’ in de geest van de Schepper.

Al deze scholen mengden vrolijk gedachten van wetenschappelijke, filosofische en religieuze aard en trokken conclusies die niet empirisch te verifiëren waren. Totdat in de loop van de 19e eeuw het bewijsmateriaal zich opstapelde dat soorten echt veranderen; sterker nog: dat de geschiedenis van onze planeet een komen en gaan van evoluerende soorten is. Enfin, je weet hoe dat afliep. Charles Darwin publiceerde in 1859 zijn beroemde boekOn the Origin of Species’, gevolgd door nog enkele andere belangrijke werken, die gezamenlijk de biologie in de volwassen wetenschappelijke fase brachten. Daarin is evolutie het grote verbindende thema van het gehele vakgebied geworden. De impetuswoorden odyle, transmutatie en orthogenese zijn door de zijdeur verdwenen.

Geneeskunde: hysterie. Geologie: geosynclinaal

Voor de volledigheid wil ik de geneeskunde niet overslaan. Want de natuur- en sterrenkunde werd als wetenschap volwassen in de 17e eeuw, de scheikunde in de 18e en de biologie in de 19e eeuw. Een leuk rijtje, waaraan je in de 20e eeuw de geneeskunde kunt toevoegen. Een fantastisch impetuswoord uit de protofase is ‘hysterie’, een woord dat al een paar duizend jaar meeging, maar tegen het eind van de 19e eeuw gezien werd als een kwaal bij vrouwen die als symptoom vooral onrust had. De ziekte werd bestreden met behulp van genitale massage, eerst door artsen en vroedvrouwen met de hand, later met een elektrisch apparaat. Zoals de intrigerende speelfilm ‘Hysteria’ uit 2011 laat zien bleek die elektrische ontwikkeling later de uitvinding van de vibrator te zijn. Sinds de medische wetenschap het vrouwelijk orgasme erkent is hysterie in de bovengenoemde betekenis afgeschaft.

Ook de geologie werd in de 20e eeuw een volwassen wetenschap, nadat een belangrijk fundament gelegd werd op basis van het werk van Alfred Wegener in 1915 en zijn voorgangers, in de vorm van de continentale drift die verklaard wordt door de platentektoniek, de grote schollen die over het aardoppervlak schuiven met medeneming van de continenten. Voordat de oorzaken duidelijk werden was er een aardig impetuswoord, ‘geosynclinaal’, samen met zijn tegenhanger ‘geanticlinaal’, gebaseerd op theorieën van Leopold von Buch en James Dwight Dana over een krimpende planeet Aarde, waardoor rimpels (als op een uitdrogende appel) tot gebergtevorming zouden leiden. Ik licht dit verder niet toe, als je er meer van wilt weten zijn er op het internet ruimschoots bronnen te vinden.

Neuropsychologie: vrije wil, ik

En dan is er een nieuwe volwassen wetenschap in aantocht! Tenminste, dat vermoed ik. Die wordt momenteel geboren uit de fusie van twee gebieden: de psychologie en de neurologie. Ik verwacht dat de neuropsychologie ons een beter begrip gaat geven van wat het is om een mens te zijn. Dat gaat onder meer een einde maken aan het impetuswoord ‘vrije wil’. Die term levert namelijk een merkwaardige paradox op: enerzijds slagen neurologen erin om te ‘bewijzen’ dat mensen geen vrije wil hebben: ons gedrag vloeit voort uit automatische neurologische processen, onze beslissingen zijn al genomen voordat onze wil eraan te pas komt. Anderzijds hechten enorm veel mensen, waaronder psychologen en juristen, eraan dat we wel degelijk een vrije zelfbeschikking hebben; zo niet, hoe kun je dan ooit iemand toerekeningsvatbaar verklaren? 

Eigenlijk gaat het natuurlijk ook om een eeuwenoude filosofische en theologische kwestie over de vraag naar predestinatie, voorbeschikking: als alles van tevoren vaststaat, dan hebben we nooit iets te kiezen. Is het dan rechtvaardig dat sommigen tot de Hel veroordeeld worden terwijl anderen in de Hemel komen? (Maar als niet alles vooraf vaststaat, hoe kan God dan almachtig en alwetend zijn?)

Mijn vermoeden is dat de neuropsychologie in de loop van de 21e eeuw de kwestie oplost door de term ‘vrije wil’ af te schaffen en in de plaats daarvan nieuwe, betere woorden te ontwerpen die een verhaal zonder dit soort paradoxen vertellen.

Datzelfde geldt dan vermoedelijk ook voor woorden zoals bewustzijn, onder- en onbewuste en voor Sigmund Freuds drietalid, ego en superego: ook voor hen zullen nieuwe woordensets in de plaats komen. Vraag me niet welke: ze moeten immers nog bedacht worden. Of zijn ze het al?

Zelfs het woord ik zal uit het wetenschappelijk taalgebruik verdwijnen, aangezien het geen recht doet aan de complexiteit van neurologische en mentale processen in onze hoofden. Hoewel ik vast en zeker in het dagelijkse spraakgebruik zal blijven bestaan, is het wetenschappelijk gezien een impetuswoord.

Ben je het daar niet mee eens, dan heb je pech: ik ga dat standpunt hier niet verdedigen, het is slechts een vermoeden. In plaats daarvan ga ik nu naar de economie.

Scholen in de economie

Het zou een aardige oefening zijn om de scholen in de protobiologie te tellen die ik genoemd heb. Ik heb dat niet gedaan, maar ik weet zeker dat dit aantal in het niet valt in vergelijking met het aantal scholen in de proto-economie. En dan heb ik het niet over de economie van de 18e of de 19e eeuw. Ik heb het over nu.

Het zijn er tientallen. Ik heb een poging gedaan om er een grafisch overzicht van te maken. Het resultaat zie je in Figuur 2.2. Voor dat doel heb ik gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen. Maar dat viel niet mee, omdat de diverse bronnen het niet heel erg met elkaar eens zijn. In de eerste plaats over wat nu precies een economische school is en wat niet; en in de tweede plaats, welke school ontstaan is uit welke eerdere, of uit combinaties of een synthese van meerdere scholen. Figuur 2.2 is dan ook een subjectieve interpretatie van mij. Beschouw daarom de figuur niet als een absolute waarheid maar als een ruwe schets van de economische theoretische realiteit. 

Ik kan het niet helpen: als ik Figuur 2.2 bekijk dringt zich de vergelijking op met de geschiedenis van de kerkgenootschappen in en buiten Nederland. Daarvan zou je een vergelijkbaar schema kunnen maken – dat al evenzeer subjectief zou zijn – waarin Rooms-Katholiek, hervormd en gereformeerd tot de kernscholen behoren, die vervolgens splitsen in een massa aan grote en kleine kerken en splinters. Ook dat schema kent zijn synthesen, bijvoorbeeld de Protestantse Kerk in Nederland. Je weet wat er gebeurt als twee kerken samengaan? Dan heb je er even later drie. Iets dergelijks lijkt te gebeuren met de scholen in de economie.

Je ziet in de figuur een verzameling van acht vormen van de Nieuw-Institutionele school: van normatief tot en met feministisch. Dat rijtje kun je zien als illustratief; ik had vergelijkbare rijtjes aan andere scholen kunnen hangen. Als je de Nieuwe Institutionalisten vergelijkt met de Gereformeerden, dan mag je de acht subscholen vergelijken met de Gereformeerden in Hersteld Verband, de Gereformeerden Artikel 31 (de ‘vrijgemaakten’), de Nederlands Gereformeerde Kerken (de ‘vrijgemaakten buiten verband’), de Gereformeerde Kerken in Nederland Hersteld (de ‘nieuwe vrijgemaakten’) en de in 2009 afgesplitste vrijgemaakten van de Gereformeerde Kerken Nederland.

Ieder kerkgenootschap en iedere school heeft zijn eigen verhaal. Met hulp van Durden en Chang vat ik enkele economische verhalen samen.

Korte verhalen van enkele scholen

Volgens het neoklassieke verhaal bestaat de economie uit individuen, die volledig egoïstisch zijn en altijd rationeel handelen. Economie gaat vooral over handel en consumptie, en verandert voornamelijk als gevolg van individuele beslissingen. Aanbeveling: vrije markt met bescheiden overheidsinvloed.

Het verhaal van de Oostenrijkse school lijkt daarop, maar legt meer nadruk op traditie als bron van menselijk handelen. Aanbeveling: geef de vrije markt alle ruimte!

Het marxistische verhaal vertelt echter dat de economie is opgebouwd uit klassen. Mensen zijn egoïstisch en rationeel, behalve wanneer arbeiders strijden voor socialisme. Economie gaat vooral over productie; veranderingen komen voort uit klassenstrijd, kapitaalgroei en technologische vooruitgang. Aanbeveling: socialistische revolutie gevolgd door centrale planning.

Ook in de Keynesiaanse school legt men de nadruk op klassen. Mensen zijn niet heel rationeel, ze worden gedreven door gewoonten en instincten. De keynesianen zijn het onderling niet eens over de rol van egoïsme, over wat het hoofdonderwerp is van de economie (productie, volgens sommigen) en over economische ontwikkeling. Aanbeveling: actief fiscaal beleid gericht op herverdeling ten behoeve van armoedebestrijding.

Volgens het verhaal van de institutionele school bestaat de economie – niet verrassend – uit instituten, en bovendien uit individuen. Het menselijk gedrag komt voort uit diverse mentale lagen: instinct, gewoonte, geloof, ratio. Meer dan de neoklassieken wordt nadruk gelegd op productie. Economische veranderingen komen (uiteraard) voort uit wisselwerkingen tussen individuen en instituties. Over aanbevelingen voor beleid zijn de institutionalisten het onderling niet eens.

De behavioristen beschikken over de rijkst gevulde economie, want voor hen bestaat die niet alleen uit individuen en instituties maar ook uit organisaties. De gelaagdheid van het menselijk gedrag die de institutionalisten beschrijven, erkennen de behavioristen slechts in beperkte mate. Aanbeveling: niet per se tegen overheidsingrijpen.

De Schumpeteriaans georiënteerde school vertelt graag over niet-rationeel ondernemerschap als drijfveer voor menselijk gedrag. Economie gaat volgens hen over productie, ontwikkeling is het gevolg van technologische innovatie. Aanbeveling: geen, aangezien het kapitalisme sowieso gedoemd is om weg te teren.

Ik heb je al verteld over de verbijsterende verschillen van mening over kwesties zoals: moet een overheid in tijden van economische crisis bezuinigen of juist meer uitgeven? (Moet een raket naar de Maan naar boven of naar onderen vertrekken?) Is het verstandig om financiële derivaten door wetgeving te beperken (EU) of is dat juist dom (IMF), zoals ik liet zien in de aflevering van 23 januari? Echter: als je het bovenstaande rijtje aan scholen bekijkt, wordt het minder vreemd dat dit soort tegengestelde opvattingen naast elkaar bestaan. Bizar blijft wel dat een prettige selectie van de standpunten door regeringen en bestuurders zonder een zichtbaar spoor van twijfel omarmd worden. Het lijkt erop dat zowel praktijkmensen als economische theoretici éérst kiezen welke uitkomsten zij wensen, om vervolgens een theorie te ontwerpen of te kiezen die deze uitkomst oplevert.

Ik ben niet de enige die verbijsterd is over dit proces. Ik ben ook niet de enige die de economie met de natuurkunde vergelijkt. Zo schrijft Justin Fox:

“Het valt niet mee om je een Nobelprijs in de Natuurkunde voor te stellen die wordt gedeeld door (1) een man die bekend is vanwege het bevorderen van een bepaalde hypothese en (2) een man die bekend staat om het meedogenloos aanvallen van die hypothese. Dit is natuurlijk wat het Nobelcomité dit jaar heeft gedaan met de prijs voor de economie, en dan ook nog eens met de toegevoegde Hegeliaanse kronkel van het toekennen van een derde gedeelte van de prijs aan een man die ergens in het midden uitkwam. These: Gene Fama! Antithese: Bob Shiller! Synthese: Lars Peter Hansen!”

Tenslotte

De brede spreiding van scholen, theorieën en overtuigingen komt op allerlei manieren tot uiting. Neem nu de opmerking van hoogleraar en voormalig directeur van de Nederlandsche Bank Lex Hoogduin, geïnterviewd door Peter de Waard in de Volkskrant van woensdag 6 maart 2019: vandaag, voor mij, want op die datum stuur ik mijn aflevering naar de redactie van FTM. Op de vraag “Waarom lukt het niet meer inflatie te bewerkstelligen?” antwoordt de Groningse professor: “De economische wetenschap weet dat eigenlijk zelf niet.” De interviewer voegt er in zijn commentaar aan toe: “Daar worden door economen – en inmiddels ook psychologen – veel redenen voor genoemd.” Herkenbaar…

Dit was stap 1 in mijn bewijsvoering dat economie een protowetenschap is. De volgende keer bereid ik de rest van de bewijsvoering voor, door te kijken naar een belangrijke wetenschappelijke methode: patroonherkenning. Als je wetenschappelijke theorieën wilt ontwerpen, dan begin je met een zoektocht naar regelmatigheden, herhalingen, patronen. Dat gebeurde in oude protowetenschappen, zoals ik je ga laten zien. Het gebeurt in elke tak van wetenschap nog steeds. Ook in de economie, en daarvan ga ik een prachtig voorbeeld tonen: golfbewegingen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 670 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1138 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier