© JanJaap Rypkema

Scientology versus internet, deel 1: Doom

In 1995 brak een internationaal conflict uit op het toen nog prille internet. De inzet: wie is aansprakelijk voor wat gebruikers online doen? In Nederland hielp Karin Spaink die kwestie te definiëren. De tien jaar durende rechtszaak die Scientology tegen haar en XS4all voerde over wat zij op internet publiceerde, heeft grote invloed gehad op het internetrecht in Nederland. Vijfentwintig jaar na dato doet Spaink verslag van de zaak. In dit deel: kan een machtige tegenstander je zomaar de mond snoeren op internet, of heb je er rechten?

In 1994 en ’95 speelde ik graag Doom, een computerspel waarbij je jezelf een weg langs steeds imposanter monsters moest banen, meestal schietend. Je kon Doom in je eentje spelen – jij tegen je computer – maar op internet kon je met wildvreemden een team vormen en samen tegen de monsters optrekken. Of, nog spannender: je kon met een ander team concurreren en kijken wie zich het beste kon handhaven.

Ergens in 1995, toen KPN net zijn eigen internet service provider had opgezet (ze noemden ’m Planet Internet), werd Francisco van Jole er aangesteld om een dagelijkse internetkrant te maken: The Daily Planet. Francisco kende ik goed, we hadden vaak Doom gespeeld, en hij speelde dat op zijn beurt geregeld met schrijver Marcel Möring. Gedrieën gaven we ooit een demonstratie op een avond over internet in Rotterdam. We schoten er lustig op los, terwijl het publiek op een groot scherm kon meekijken. Ik geloof niet dat ze snapten wat ze zagen.

Kort nadat Francisco bij Planet Internet kwam werken, daagden zijn collega’s hem uit voor een potje Doom. Leuk hoor, al zijn meta-verhalen over dat internet, but let’s cut to the chase. Zo kwam het dat Marcel Möring, Francisco van Jole en ik – team ‘schrijvers’ – op een avond in het hoofdkantoor van Planet Internet ten strijde trokken tegen een team van systeembeheerders, codekloppers en andere techies, onder leiding van de baas van Planet Internet: Michiel Frackers.

We hakten ze in de pan: team schrijvers won met vlag en wimpel. Zonder dat potje Doom had het Nederlandse internetrecht er mogelijk heel anders uitgezien.

Waarom deze serie?
  • Toen internet begin jaren ’90 opkwam – in Nederland mede dankzij XS4all, de eerste publieke internetprovider in Nederland – drong al snel tot me door dat dit medium de boel stevig op zijn kop zou zetten. Het kon zelfs onze grondwettelijke rechten raken.
  • Neem het briefgeheim: dat is grondwettelijk gewaarborgd. Maar wat nu als we elkaar voortaan zouden mailen? Het briefgeheim was gebonden aan ouderwetse communicatiemiddelen – een papiertje met een envelop eromheen – en niet onafhankelijk van het medium geformuleerd. Zodoende gold: geen brief, geen grondwettelijk gewaarborgd geheim.
  • Om die reden heb ik me ingezet voor de bescherming van digitale rechten, die wat mij betreft onlosmakelijk verbonden zijn met onze andere grondrechten. Zo heb ik, samen met anderen, in 2000 Bits of Freedom opgericht, de Nederlandse digitale burgerrechtenorganisatie.
  • Om de vrijheid van meningsuiting op internet te verdedigen, heb ik me in 1995 doelbewust gemengd in het gevecht dat de Scientology-sekte op internet voerde. Dat leidde tot een serie rechtszaken van de sekte tegen mij en XS4all. Die duurde tien jaar. Scientology verloor keer op keer, maar ging telkens in beroep, tot aan de Hoge Raad toe.
  • Dit is mijn tweede serie verhalen bij Follow the Money over het ontstaan van het publieke internet, en hoe dat in Nederland vorm kreeg. In 2019 schreef ik over hackers: ze zijn een geliefde vijand van wetgevers en handhavers, maar juist van hen heb ik geleerd dat technologie vaak minder efficiënt en betrouwbaar is dan beleidsmakers en softwarebedrijven zeggen. Die serie kun je hier lezen.
Lees verder

Toen internet nog nieuw was

Internet was krap anderhalf jaar eerder doorgebroken: het had de stap gemaakt van universiteiten, onderzoeksinstituten en grote bedrijven naar gewone mensen. Zelf had ik sinds najaar 1994 een account bij XS4all, de eerste internet service provider (isp) waar je als privépersoon een ‘abonnement’ op internet kon nemen. Ik werd kspaink@xs4all.nl.

Mijn eerste ontdekking op dat prille internet: het stikte er van de niches, die verdomd solide informatie bleken te bieden. Ik hield van obscure muziek – industrieel, metal en post punk – en ontdekte al snel The Ultimate Band List. Tot mijn verbazing bevatte die locatie zowat elke groep die me lief was, en de informatie over hen was daar bovendien vollediger dan elders. Deze site haalde de indertijd gelauwerde Popencyclopedie van Oor links en rechts in.

De tweede ontdekking: e-mail was helemaal mijn ding. Telefoons heb ik altijd gehaat, brieven sturen voelde vaak te gewichtig, en dit medium gaf me de gelegenheid om kattenbelletjes te sturen. Ik kon die conversaties nu bovendien – nerd alert – in een ommezien archiveren.

De derde ontdekking: Usenet.

Vier of vijf jaar eerder had ik rondgehangen op bulletin boards (bbs’en), digitale prikborden waarop je via een modem kon inbellen. Die bbs’en richtten zich meestal op specifieke onderwerpen, bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie, schaken of hacken. Maar alle bbs’en met hetzelfde onderwerp leken op elkaar. Bovendien waren ze nogal hiërarchisch: je moest credentials binnen de groep hebben opgebouwd wilde je vraag of bijdrage er serieus worden genomen. Na een jaar fanatiek inbellen haakte ik af.

Usenet was anders: een immense verzameling van nieuwsgroepen, op heldere wijze georganiseerd naar discipline, onderwerp en land of taal. Het was voor iedereen toegankelijk, vrijwel ongemodereerd, en elk onderwerp was er vertegenwoordigd. Je kon op Usenet groepen vinden over whisky (en over whiskey), over films, gemeentepolitiek, feminisme, internet zelf, economische theorie, het buitenlandbeleid van de VS of de ins and outs van microchips.

Elke groep kende vaste bezoekers: mensen die uitgebreide analyses en opinies posten, mensen die links naar relevant nieuws deelden, en mensen die daarop reageerden – de een wat doordachter dan de ander.

Het was alsof je stamkroeg werd overvallen door een horde vreemdelingen

En er was nl.eeuwig.september.

Die groep dankte haar naam aan het feit dat elk jaar in september een nieuw cohort studenten via hun universiteit voor het eerst internettoegang kreeg, en Usenet dan werd overstelpt door newbies. Deze novices vielen geregeld ergens enthousiast binnen zonder de lokale mores te kennen of te respecteren. Het was alsof je stamkroeg werd overvallen door een horde vreemdelingen. Nu internet gemeengoed begon te worden, deed dat fenomeen zich vaker voor. Sterker: het hield niet meer op. Het was op Usenet ineens altijd september.

Van nl.eeuwig.september – nes voor intimi – was ik lid vanaf het prille begin. Ik leerde daar dat je mensen die je nog nooit in het echt (in real life – irl) had gezien, soms toch op het bot kon vertrouwen, en dat de gemeenschapszin die er zich ontvouwde, serieus was. Nes organiseerde geregeld irl-meetings, die altijd hilarisch verliepen: ‘O, jij bent Pietje? Echt?’ De groep bracht hechte vriendschappen voort, en er ontsproten tal van relaties die online waren begonnen.

Toen ik in juli 1995 na een hersenbloeding een paar weken in het ziekenhuis belandde, deed ik daarvan verslag in nes. Tot mijn ontroering zochten mensen van nes me in het ziekenhuis op en stuurden ze bloemen, cadeautjes en tientallen kaartjes. Hun medeleven was zo massaal en oprecht dat ik me daar geen raad mee wist. Ik dacht, waarschijnlijk net als veel anderen, stiekem dat ‘online’ verbleekte bij the real deal: de betrokkenheid van mensen die je analoog had ontmoet.

De implicaties van internet

Mede dankzij de mensen die ik op Usenet sprak, en de discussies daar, realiseerde ik me dat internet best wel eens een ‘ding’ kon worden. Ik was opgetogen toen in een Nederlandse krant, in het wetenschapskatern, voor het eerst naar een website werd verwezen: ‘Heeft u internet? Dan kunt u het besproken onderzoek hier nalezen,’ of iets dergelijks.

Ik realiseerde me dat double blind medisch onderzoek nooit meer hetzelfde zou zijn. Zulk onderzoek gaat ervan uit dat patiënten onderling geen enkel contact hebben en de onderzoekers als enigen over alle relevante informatie beschikken. Maar op Usenet zag ik patiënten onderling informatie uitwisselen, en zoeken naar lotgenoten die meededen aan dezelfde test als zij. Dat was het einde van de formele double blind-opzet, leek me: een probleem voor onderzoekers. En wat zou internet betekenen voor de informatieachterstand van patiënten ten opzichte van hun behandelaars?

Niet alleen dokters, ook politici, ambtenaren, wetenschappers en journalisten waren ineens benaderbaar: wanneer je hun e-mailadres had, kon je ze aanschrijven. Sommigen van hen zaten inmiddels zelf op Usenet. Gemeenten en overheden begonnen via internet beleidsstukken met burgers te delen, of vroegen er om inspraak op plannen. Ik postte mijn columns uit Het Parool voortaan op Usenet en kreeg daar meer reacties, waaronder veel zinnig commentaar, dan ik ooit via de krant had ontvangen.

Vrijheid van meningsuiting is een verticaal recht: de overheid mag burgers niet censureren. Maar geldt dat recht ook horizontaal?

Veel mensen deden internet toen af als onzin, hooguit een hype. Ik schatte dat anders in. En ik vroeg me af: het briefgeheim is in de grondwet vastgelegd, maar wat als we elkaar over een paar jaar geen papieren post meer zouden sturen, maar e-mails? Vallen die ook onder dat briefgeheim?

En hoe zit het met de vrijheid van meningsuiting op internet? Die vrijheid is een verticaal recht, van de burger tegenover de overheid: de overheid mag burgers niet censureren. Maar werkt dat recht ook horizontaal? Mag een internet service provider (isp) je wel censureren, en zo ja, wanneer, en op welke gronden? En kun je je daar dan tegen verzetten, anders dan door elders een abonnement af te sluiten?

Eind 1994 besloot ik in mijn columns in Het Parool een jaar lang over niets anders dan internet te schrijven: deels om dat nieuwe terrein voor mezelf te verkennen, deels om anderen er vertrouwder mee te maken. En inmiddels bestonden er browsers, zodat je je artikelen beter kon presenteren, dus ik leerde mezelf html en begon mijn ‘eigen’ website, waarop ik al mijn stukjes bundelde.

Februari 1995: anon.penet.fi

Op nl.eeuwig.september had ik M. leren kennen. Toen hij een avondje langs kwam, vertelde hij over iets dat hem zorgen baarde. M. gebruikte regelmatig een pseudonymous remailer, een dienst die anonieme communicatie op internet mogelijk maakt. Het ging om anon.penet.fi: een Finse dienst, gerund door Julf Helsingius. Maar de integriteit van de dienst was in gevaar.

Dat zat zo: ene -AB- had via de remailer van Helsingius regelmatig stukken op de nieuwsgroep alt.religion.scientology gepost. Recent had -AB- er een intern document van de sekte gepost dat verband hield met een politiezaak, en nu wilde de sekte weten wie -AB- was. Scientology vroeg Helsingius om de gegevens van de gebruiker. Helsingius weigerde: hij wilde de privacy van zijn gebruikers beschermen.

Nu moest Helsingius de gegevens van al zijn gebruikers – indertijd zo’n 300 duizend mensen – aan de sekte overhandigen

Scientology nam contact op met Interpol, die weer schakelde met de Finse politie, die vervolgens bij de rechter aanklopte. Uiteindelijk kwam Scientology langs die weg met een opsporingsbevel op de proppen. Nu moest Helsingius de gegevens van al zijn gebruikers – indertijd zo’n 300 duizend mensen – aan de sekte overhandigen.

M. zat in de piepzak. Niet dat hij -AB- was, maar M. had een seksuele voorliefde die hij liever niet zag uitlekken: hij wisselde via anon.penet.fi met andere afficionado’s plaatjes en verhalen over spanking uit, zowel per e-mail als in een nieuwsgroep. M. was als de dood dat ook zijn identiteit bekend zou worden.

Het was de eerste keer dat ik hoorde over de strapatsen van Scientology op internet. Veel wist ik niet van de sekte. Eigenlijk wist ik alleen dat L. Ron Hubbard, de oprichter ervan, slechte science fiction had geschreven – mijn vader is een groot sf-kenner, en had een riante bibliotheek verzameld. Ook wist ik dat aanhangers van de sekte in de Kalverstraat in Amsterdam mensen aanklampten om ze een gratis ‘persoonlijkheidstest’ te laten invullen, en ze daarvoor meetroonden naar hun hoofdkwartier aan de Nieuwezijds Voorburgwal.

alt.religion.scientology

Wat ik niet wist: Scientology had al herhaaldelijk geprobeerd om alt.religion.scientology, een nieuwsgroep waar critici en oud-leden van de sekte zich hadden verzameld en onderling informatie uitwisselden, rigoureus de nek om te draaien.

Voordat internet bestond, was er eigenlijk nooit een plaats geweest waar critici van de sekte elkaar konden ontmoeten – laat staan dat ex-leden dat konden. Scientology beheerst het spel van ‘verdeel en heers’ tot in de puntjes: de hele organisatie is op die leest geschoeid. Oud-leden die bij de rechter hun beklag deden over hoe ze waren behandeld, wonnen vaak, maar moesten vrijwel altijd een non-disclosure agreement tekenen. Die verhinderde hen tot in lengte der dagen om hun kritiek, hun wedervaren en hun kennis over de sekte wereldkundig te maken – inclusief de details van hun eigen rechtszaak.

De consequentie daarvan – of nee: het oogmerk ervan – was dat anderen, die in exact hetzelfde schuitje zaten, geen toegang hadden tot eerdere rechtszaken. Niet tot de feiten die daarin waren vastgesteld, noch tot de gerechtelijke uitspraken zelf. Iedereen die een gevecht met de sekte aanging, moest zodoende weer helemaal op nul beginnen.

Voor het eerst in de geschiedenis van de sekte hadden oud-leden en critici een plek waar ze publiekelijk informatie konden delen

Usenet veranderde dat, en deed dat tamelijk radicaal. Voor het eerst in de geschiedenis van de sekte hadden oud-leden, via deze ene nieuwsgroep, een plek waar ze publiekelijk informatie konden delen, elkaar op de hoogte konden houden van hun rechtszaken, en vooral: waar ze onderling contact konden leggen en ervaringen konden uitwisselen. Voor het eerst wisten ze dat ze er niet alleen voor stonden, en konden ze elkaar helpen.

Dat beviel Scientology niet. De sekte was gewend haar zin door te drijven, en is er hoogst bedreven in om kritiek in de kiem te smoren. Ze kent een uitgebreide geschiedenis van censuur, rechtszaken over publicaties, infiltratie van kritische organisaties (en zelfs van overheidsinstellingen), van intimidatie en belastering van journalisten, en van net zo lang procederen totdat ze iemand er eindelijk onder hadden – al was het maar door ze failliet te krijgen.

-rm group

De sekte dacht ook op Usenet met zulk gedrag weg te kunnen komen. Dus stuurden leden van Scientology vervalste cancel messages voor hen onwelgevallige berichten van critici en ex-leden. Maar zo werkt Usenet niet: je kunt je eigen berichten wissen, niet die van een ander. Dat laatste kan alleen een super user doen, iemand die door de gemeenschap is aangewezen. Aan dat laatste gaat (meestal) een democratisch proces vooraf, met regels, debat, beroep en transparantie.

Omdat Usenet een publiek medium was, gebaseerd op openheid, trok Scientology daarmee de aandacht. Mensen die zich druk maakten over de vrijheid van meningsuiting kregen ineens grote interesse in de sekte, zuiver vanwege Scientology’s – voor Usenet – ronduit bizarre gedrag.

De advocaat van Scientology stelde dat de nieuwsgroep alleen al door haar naam de handelsrechten van Scientology schond

Het werd een heuse rel toen Scientology in januari 1995 probeerde om via een cancel message de complete nieuwsgroep alt.religion.scientology te wissen. De afzender: Scientology-advocaat Helena Kobrin. In de toelichting op haar cancelbericht stelde Kobrin dat de nieuwsgroep alleen al door haar naam de handelsrechten van Scientology schond. Ook zouden er auteursrechtelijk beschermde teksten van de sekte in de groep zijn gepost.

Een poging om een nieuwsgroep te wissen betekende in internet-termen weinig minder dan censuur. En een sekte die inbreuk op haar handelsrechten claimde? Er ging een schokgolf door Usenet. Als je nieuwsgroepen over de producten van Microsoft kon hebben en het bedrijf in de naam van de groep kon vermelden, moest je toch zeker een nieuwsgroep kunnen voeren die vernoemd was naar een omstreden sekte? Zou je Kobrins argument tolereren, dan betekende dat de facto dat je in de naam van een nieuwsgroep nooit meer naar een merk of een bedrijf kon verwijzen, zelfs niet als dat het onderwerp ervan was.

Het netto-effect: allerlei mensen en organisaties die zich nooit eerder om Scientology hadden bekommerd, raakten door het wangedrag van de sekte op Usenet buitengewoon in hen geïnteresseerd en wilden weten wat voor een club dat eigenlijk was. Niet per se omdat ze Scientology zelf op de korrel wilden nemen, maar zuiver omdat ze bezorgd raakten dat Scientology met haar optreden een onwelkom precedent op internet zou scheppen.

Scientology stuitte kortom op een nieuw cohort opponenten – een dat ze eigenhandig in het leven had geroepen.