Hoofdkantoor van de Bataafsche Petroleum Maatschappij in Den Haag

Shell begin vorige eeuw: de foefjes van een ‘zakkenroller’

3 Connecties
17 Bijdragen

Shell kwam meermalen in opspraak vanwege constructies om belasting te ontwijken. Zo keerde het olieconcern in de periode 2005-2017 dividend uit via het belastingparadijs Jersey, waardoor de Nederlandse fiscus naar schatting ruim 7 miljard belastinginkomsten mis liep. In 2018 bleek dat de multinational door handig gebruik van aftrekposten al jaren geen winstbelasting afdraagt in Nederland. Dat gedrag is niet nieuw: Shell probeert al sinds zijn vroegste jaren belastingen te mijden. In deze driedelige serie komen een paar affaires uit de vorige eeuw voorbij: in Nederland, in Nederlands-Indië en op Curaçao.

Dit stuk in 1 minuut
  • Na de fusie tussen de Koninklijke in Nederland en het Britse Shell in 1907 ontstond een nieuw concern, dat in twee landen gehuisvest was: de Koninklijke Shell Groep. Belastingtechnisch leverde dat interessante kansen op voor het olieconcern.

  • Om die ten volle te benutten, bedacht de Koninklijke Shell een ingewikkelde constructie die eind 1917 statutair werd doorgevoerd, waarmee zij op grond van de wet op de Dividend- en Tantièmebelasting (DTB) grote vrijstellingen trachtte te verkrijgen. De vrijstelling was zo groot dat de Koninklijke in Nederland geen belasting meer hoefde te betalen.

  • De Hoge Raad stak een stokje voor de constructie. Ogenblikkelijk kwam de Koninklijke in het geweer, en koos de route van de politieke lobby.

  • Dit is het eerste deel van een driedelige serie. De volgende afleveringen gaan over Shell in Nederlands-Indië en Shell op Curaçao.

Lees verder

De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië (hierna: de Koninklijke) fuseerde in 1907 met het Britse Shell Transport and Trading (kortweg Shell). Sindsdien vormden ze de Koninklijke/Shell Groep. De twee partners waren holding companies, wat wil zeggen dat ze feitelijk geen eigen bedrijf hadden, maar slechts aandelen in verscheidene binnen- en buitenlandse maatschappijen, waarvan ze dividend ontvingen. De Koninklijke Shell probeerde per december 1917 via een statutenwijziging belastingen te ontwijken.

De Koninklijke Shell richtte na de fusie twee nieuwe werkmaatschappijen op: in Nederland de Bataafsche Petroleum Maatschappij (hierna: de Bataafsche) en in Engeland Anglo-Saxon, die naast de bestaande verkoopmaatschappij Asiatic Petroleum Company (afgekort: Asiatic) kwamen te staan. De aandelen van deze werkmaatschappijen waren voor 60 procent in handen van de Koninklijke en voor 40 procent in die van Shell. De dividenden van die werkmaatschappijen werden volgens dezelfde verdeelsleutel gesplitst.

Het olieconcern probeerde de DTB-bepalingen te omzeilen, via een ingewikkelde constructie

De belasting die de Koninklijke jaarlijks moest betalen aan de Nederlandse fiscus was grotendeels gebaseerd op de dividenden die zij van de Bataafsche en Anglo-Saxon ontving. Omdat de Bataafsche in Nederland al belasting had betaald over haar inkomsten, hoefde de Koninklijke op grond van de wet op de Dividend- en Tantièmebelasting (DTB) over die uitgekeerde 60 procent van de Bataafsche geen belasting te betalen (de zogeheten deelnemingsvrijstelling). Over de 60 procent dividenduitkering van Anglo-Saxon moest de Koninklijke in Nederland wél belasting betalen, ook al was de winst van Anglo-Saxon al in Engeland belast.

Op grond van de DTB had de Koninklijke 50 procent vrijstelling kunnen krijgen van de uit Engeland afkomstige dividenden, indien zij over minstens 90 procent van Anglo-Saxon aandelen had beschikt. Dat was met 60 procent duidelijk niet het geval. En dus probeerde het olieconcern de DTB-bepalingen te omzeilen, via een ingewikkelde constructie.

Wijziging statuten

Eind december 1917 voerde de Koninklijke een statutenwijziging van de Bataafsche door, die gepaard ging met een statutenwijziging van Anglo-Saxon plus een overeenkomst met Shell. Volgens deze wijzigingen ontving de Koninklijke voortaan 95 (in plaats van 60) procent van de dividenden van de Bataafsche en maar 5 (in plaats van 60) procent van Anglo-Saxons dividenden. Voor Shell gold het omgekeerde: dat kreeg voortaan 95 procent van Anglo-Saxons dividenden en 5 procent van die van de Bataafsche. De overeenkomst tussen de Koninklijke en Shell moest ervoor zorgen dat er in de uiteindelijke financiële verhoudingen niets veranderde, zodat ieder kreeg waar hij recht op had: de Koninklijke 60 en Shell 40 procent. Zou de Koninklijke meer ontvangen, dan volgde een afdracht aan Shell; ontving zij minder, dan moest Shell afdragen.

Shell en de belastingen

Op 4 juli 2020 dreigde Ben van Beurden, de ceo van Shell, dat het bedrijf uit Nederland zou vertrekken indien de dividendbelasting niet zou worden afgeschaft. Zulke dreigementen zijn Shell niet vreemd. In deze driedelige serie beschrijft Tijn van Beurden (geen familie) eerdere belastingaffaires van de oliereus.

Lees verder Inklappen
Volg deze serie

De Koninklijke vond nu dat zij voor 1918 geen dividend- en tantièmebelasting meer hoefde te betalen over het aan aandeelhouders, tantièmes en salarissen uitgekeerde bedrag van ruim 72 miljoen gulden. Zij stelde dat ze recht had op een aftrek van wat de Bataafsche haar op grond van de nieuwe statuten uitkeerde: 95 procent van 90 miljoen = 85,5 miljoen gulden (deelnemingsvrijstelling voor binnenlandse dividenduitkeringen). Die vrijstelling was groter dan de uitkering, zodat niets meer te belasten viel.

De zaak trok in 1919 de aandacht van de Nederlandse en Nederlands-Indische pers. In de kranten vielen termen als vernuftige statutenwijziging, foefje, handigheid, onware voorstelling, niet ‘Koninklijk’, manipulatie, dief, truc, ontduikingen en zakkenrollers.

De fiscus en de Hoge Raad accepteren de ‘truc’ niet 

De opzet van de Koninklijke mislukte. De belastingdienst baseerde de aanslag over 1918 op de 60/40-verdeling van het aandelenbezit en de daaruit voortvloeiende dividendverdeling. Daardoor moest de Koninklijke naar schatting circa 1,1 miljoen belasting aan het Rijk betalen en ruim 4 ton gemeentelijke opcenten aan Den Haag, waar de Koninklijke was gevestigd. Bij elkaar ging het zo om 1,5 miljoen gulden.

Dossier: de #Lobbycratie

De lobbywereld is een zeer invloedrijke factor in ons politiek bestel, maar beschrijvingen ervan komen doorgaans niet verder dan het woord ‘schimmig’. Follow the Money wil daar verandering in brengen. We duiken in de achterkamertjes om te zien hoe de worst écht gedraaid wordt.

Lees verder Inklappen
Inschrijven

De Koninklijke procedeerde tot aan de Hoge Raad. Dat college stelde eind januari 1923 de belastingdienst in het gelijk. Op 11 maart 1923 werd op de voorpagina van de Nieuwe Rotterdamsche Courant het arrest van de Hoge Raad en de houding van de ‘Koninklijke’ besproken. Volgens het artikel wilde de Koninklijke met een schijnovereenkomst misbruik maken van de regelgeving. Verder werd betreurd dat de Koninklijke de ‘zaak zoo op de spits gedreven heeft’. Het Algemeen Handelsblad nam het artikel de volgende dag integraal over.

Beide publicaties moeten behoorlijk wat indruk hebben gemaakt, zeker in politieke kringen, want al twee dagen later, op 13 maart 1923, kwam de zaak in de Eerste Kamer aan de orde, tijdens de vaststelling van de begroting van Nederlands-Indië. Eerste Kamerlid A.W.F. Idenburg (ARP) stelde dat de uitspraak van de Hoge Raad hem ‘voldoening gaf’. Hij betoogde dat ‘de Hooge Raad uitgaat van de gedachte: wij hebben niet met uitgedachte constructies te maken, maar met de zaak zoals zij werkelijk is. [..] de fiscus behoeft zich geen rad voor de oogen te laten draaien, indien dit mocht worden beproefd.’

De manipulatie der Koninklijke kan moeilijk anders dan als belastingontduiking worden gequalificeerd’

Ook andere kranten konden zich in de uitspraak van de Hoge Raad vinden. Zo stelde de Nieuwe Venlosche Courant van 17 maart 1923: ‘Wij meenen wel te mogen zeggen dat deze uitspraak het algemeen rechtsgevoel bevredigt, want de manipulatie der Koninklijke kan moeilijk anders dan als belastingontduiking worden gequalificeerd.’

De enige, voor zover bekend, die het openlijk voor de Koninklijke opnam, was A.S. Oppenheim. In de Economisch-Statistische Berichten van maart 1923 betoogde hij onder meer dat ‘belastingen steeds meer en meer [..] de factor werden waarop de naamlooze vennootschap [..] vóór alles heeft te letten’. Hij meende dat de Hoge Raad ‘de zaak niet voldoende heeft doorzien’ en de ‘waarlijk niet eenvoudige figuur niet volkomen helder voor ogen had’. Hij sloot af met de opmerking dat het hem niet zou verwonderen als de Koninklijke ‘op middelen zon’ om langs een andere weg te ontkomen aan de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.

Dat Oppenheim de Koninklijke zo verdedigde, is niet verwonderlijk: hij had eind 1922 ontslag genomen als hoogleraar aan de juridische faculteit in Leiden om als juridisch adviseur in dienst te treden van de Koninklijke. Zijn carrière daar verliep voorspoedig. Zo was hij in 1928 hoofdvertegenwoordiger van de Bataafsche en lid van de Volksraad in Nederlands-Indië. Een paar jaar later werd hij hoofd van de juridische afdeling van de Koninklijke.

J. Takken diende Oppenheim, op verzoek van de redactie, in de Economisch-Statistische Berichten van mei 1923 van repliek. ‘Gelukkig,’ zo schreef hij, dacht de Hoge Raad er niet zo over ‘als Prof. Oppenheim, anders zou de deur voor belastingontduiking wagenwijd openstaan’. Oppenheim antwoordde een week later dat een holding company als de Koninklijke het recht heeft de structuur te veranderen van de groep waartoe zij behoort, ‘al naar gelang de ene dan wel de andere opstelling haar voordeliger en beter uitkomt’. Dat was volgens Oppenheim zelfs haar dure plicht jegens de aandeelhouders. Het moge duidelijk zijn: de Koninklijke zocht naarstig naar wegen om haar Nederlandse belastingafdracht hoe dan ook sterk te beperken.

Maar eerst vocht de Koninklijke ook de belastingaanslagen over 1919, 1920 en 1921 aan. Het ging feitelijk over dezelfde kwestie, alleen waren de bedragen elk jaar anders. Toen de Hoge Raad naar de zin van de Koninklijke niet snel genoeg tot een oordeel kwam, verzocht de onderneming per brief op 17 december 1923 om een zo ‘spoedig mogelijke’ behandeling, omdat anders de boeken over die jaren niet konden worden afgesloten, ‘hetgeen voor een groot lichaam als de Koninklijke is, zeer bezwarend is’. Kennelijk gevoelig voor deze druk kwam de Hoge Raad op 28 mei 1924 met haar oordeel: de belastingdienst werd weer in het gelijk gesteld. Nu de juridische weg was afgesloten, nam de Koninklijke haar toevlucht tot de politieke route.

Die had snel succes, want op 27 augustus 1925 diende minister-president Hendrikus Colijn een wetsontwerp in waardoor de Koninklijke alsnog haar zin kreeg. Het was een van de eerste voorstellen die het op 4 augustus 1925 tot stand gekomen kabinet-Colijn I indiende; Colijn was in die regering tevens minister van Financiën.

Het betrof een wijziging van de wet op de Dividend- en Tantièmebelasting (DTB). Op grond van de DTB konden ondernemingen 50 procent vrijstelling krijgen voor hun buitenlandse deelnemingsdividenden; ze moesten dan wel 90 procent van de aandelen bezitten. In het ontwerp verviel de 90 procent-eis en werd de vrijstelling verhoogd naar tweederde. De Eerste Kamer stemde in november 1927 voor het wetsvoorstel. De Koninklijke, die 60 procent van de aandelen in de Bataafsche bezat, kreeg eerder geen vrijstelling, maar door de wijziging wel. Dat alles mede dankzij ‘olieman’ Colijn, die van maart 1914 tot en met maart 1922 directeur van de Bataafsche was geweest.

Tijn van Beurden
Tijn van Beurden promoveerde in juni 2018 op een proefschrift over het belastingparadijs Curaçao.
Gevolgd door 271 leden