Auto bij een benzinepomp van de BPM Shell in Kalosi / Celebes
© Collectie Tropenmuseum

Shell in Nederlands-Indië: de Bataafsche klaagt over ‘duizelingwekkende’ belastingen

Shell kwam de laatste jaren meermalen in opspraak vanwege allerlei belastingontwijkende constructies. Dat gedrag is niet nieuw: Shell probeert al sinds zijn vroege jaren belastingen te vermijden en heffingen te ontlopen of te bestrijden. In deze serie komen een paar affaires uit de vorige eeuw voorbij. Ditmaal: hoe de Bataafsche Petroleum Maatschappij – een dochteronderneming van Shell – in Nederlands-Indië te werk ging en hier in Nederland de Tweede Kamer handig bespeelde.

Dit stuk in 1 minuut
  • Shell heeft een rijke historie op het gebied van belastingontwijking en -vermijding, zette vaak lobby’s in om belastingmaatregelen te  voorkomen, oefende in geval van nood ook publieke druk uit, en schuwde daarbij de dreigementen niet. In deze driedelige serie neemt Tijn van Beurden een aantal affaires uit de vorige eeuw onder de loep.
  • Deel een handelde over de periode kort na de samenvoeging van de Koninklijke en de Shell, en beschrijft hoe het concern die dubbele nationaliteit benutte. Deze aflevering beschrijft de verhouding tussen Shell en Nederlands-Indië.
  • Opmerkelijk is de sterke verwevenheid van de Nederlandse regering met de top van Shell. Shell doet een beroep op minister-president Hendrikus Coliijn, teneinde belastingheffing in Nederlands-Indië te voorkomen. Diezelfde Colijn was eerder directeur van Shell geweest, en droeg de bijnaam ‘de olieman’.
Lees verder

In Nederlands-Indië ondernam de Koninklijke Shell meerdere pogingen om de belastingafdracht te beperken door schijnconstructies, campagnes, lobby’s en beïnvloeding van het wetgevingsproces. Zo stelde de Bataafsche Petroleum Maatschappij in Nederlands-Indië overeenkomsten op om de heffing voor de extra-winstbelasting fors te verlagen. In 1921 ging het om 10 tot 15 miljoen gulden.

Die extra-winstbelasting was in de zomer van 1921 in Nederlands-Indië ingevoerd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1920. Ze verving de Oorlogswinstbelasting, en moest de zeer hoge winsten van kapitaalkrachtige en winstgevende nv’s extra belasten. De terugwerkende kracht van de maatregel was noodzakelijk, omdat men in Indië pas nieuwe belastingwetten mocht invoeren nadat de Indische begroting was goedgekeurd. Dat laatste gebeurde meestal pas na afloop van het belastingjaar, mede omdat Nederland die begroting via een parlementaire behandeling moest accorderen. De extra-winstbelasting had vier heffingspercentages: 6, 8, 10 en 12 procent. De heffingsklasse werd hoger naarmate de winst toenam in verhouding tot het kapitaal.

De Bataafsche Petroleum Maatschappij was een werkmaatschappij van Shell en de Koninklijke. De Bataafsche had op haar beurt twee dochters in Indië, de Nederlandsch-Indische Industrie en Handel Maatschappij (NIIHM) en de Dordtsche Petroleummaatschappij (kortweg de Dordtsche). Via de fusie met Shell en door eigen aankopen was de Bataafsche eigenaar geworden van alle aandelen van de NIIHM en de Dordtsche, maar besloot – waarschijnlijk om fiscale redenen – de dochters te laten voortbestaan. De NIIHM ontplooide geen zelfstandige activiteiten, er werd zelfs geen boekhouding gevoerd; er werd alleen elk jaar een pro-forma balans voor de fiscus opgesteld. De Dordtsche voerde nog wel een afzonderlijke administratie.

Shell en de belastingen

Op 4 juli 2020 dreigde Ben van Beurden, de ceo van Shell, dat het bedrijf uit Nederland zou vertrekken indien de dividendbelasting niet zou worden afgeschaft. Zulke dreigementen zijn Shell niet vreemd. In deze driedelige serie beschrijft Tijn van Beurden (geen familie) eerdere belastingaffaires van de oliereus.

Lees verder Inklappen
Volg deze serie

Volgens de gegevens die Koninklijke zelf verstrekte, had de Bataafsche in 1919 een kapitaal van 300 miljoen gulden met een winst van 59 miljoen, de NIIHM een kapitaal van 20 miljoen met een winst van 39 miljoen, en de Dordtsche een kapitaal van 2 miljoen met een winst van 16 miljoen. De dochters van de Bataafsche kenden dus een zeer hoge winst tegenover een klein kapitaal. Daarom zouden zij – in vergelijking met de Bataafsche, waar die verhouding gunstiger lag – relatief veel extra-winstbelasting moeten betalen.

Pogingen de extra-winstbelasting voor te zijn

Zodra de Bataafsche de extra-winstbelasting zag aankomen, bedacht ze constructies om die grotendeels te ontlopen. Via een akte van 28 december 1920 werd geprobeerd een gedeelte van de NIIHM-winst naar de Bataafsche te verschuiven. De Indische fiscus erkende de constructie niet; de poging mislukte.

De Indische regering vond de overeenkomsten ‘irreëel’ en stelde dat ze gericht waren op een ‘ontoelaatbare belastingverlaging’

Bij de tweede poging, op 10 mei 1922, werden alle eigendommen van de NIIHM en de Dordtsche via een serie overeenkomsten aan de Bataafsche overgedragen, en wel met terugwerkende kracht (tot 1 januari 1921). Daarmee was de verhouding tussen winst en kapitaal voor de Bataafsche ineens veel gunstiger geworden. Dat scheelde volgens de berichtgeving 10 tot 15 miljoen gulden aan extra-winstbelasting.

De Indische regering noemde de overeenkomsten ‘irreëel’ en stelde dat ze gericht waren op een ‘ontoelaatbare belastingverlaging’. Ook de Nederlandse minister van Koloniën, Simon de Graaff, gebruikte de term ‘irreëel’. Hij stelde bovendien dat de Bataafsche haar dochters opzettelijk niet had geliquideerd, om zo in Indië liquidatiebelasting te ontlopen over de gereserveerde winsten en de winst uit de ‘goodwill’ van het bedrijf. De Bataafsche ontliep zo dus twee soorten belastingen geheel of gedeeltelijk: de extra-winstbelasting en de liquidatiebelasting.

Begin 1924 werd bekend dat de Indische fiscus een definitief besluit over de kwestie had genomen. De overeenkomst met de NIIHM, die al lang niet meer actief was, werd voor de berekening van de extra-winstbelasting erkend; die met de Dordtsche niet, omdat die wel actief was. Verdere details ontbreken, zodat niet bekend is hoeveel de belastingheffing uiteindelijk bedroeg. Aangezien het conflict tussen de Indische fiscus en de Bataafsche een bedrag tussen de 10 en 15 miljoen betrof, zal de belastingbesparing (en -heffing) vermoedelijk rond de helft liggen: 5 tot 7,5 miljoen. Die slag had de Bataafsche dus voor een belangrijk deel gewonnen.

Campagne tegen uitvoerrechten

Een tweede conflict handelde over de uitvoerrechten op aardolie in Indië. Op 18 mei 1921 werd een verhoging van kracht: in plaats van 3 gulden per 1000 kg werd die 7,50 gulden, een opslag met 150 procent. De verhoging was onderdeel van een pakket maatregelen die de Indische regering invoerde, aangezien zij grote twijfels had over de opbrengsten van de extra-winstbelasting. Bedrijven mochten voor de extra-winstbelasting namelijk een hoger bedrag aan kapitaal opvoeren dan het gestorte aandelenkapitaal; ook reserves en de afschrijvingen die tot 1 januari 1920 waren vastgelegd, telden mee. Zo daalde hun winst in verhouding tot hun kapitaal, en vielen ze in een lagere heffingsklasse.

De Indische regering had zich tegen die rekenwijze verzet, deels uit bezorgdheid dat zo de belastingopbrengst lager werd, en deels omdat de belastingdienst te weinig gekwalificeerd personeel had om in korte tijd alles te kunnen beoordelen. Maar minister De Graaff besliste anders. De vrees van de Indische regering werd bewaarheid, zoals de constructies van de Bataafsche rond de extra-winstbelasting lieten zien.

In augustus 1921 startte de Koninklijke een grote perscampagne tegen verhoging van de uitvoerrechten op aardolie. Het bedrijf schreef een open brief aan minister De Graaff, die in vrijwel alle kranten werd gepubliceerd. De brief werd voorts naar grote bedrijven in Nederland en Indië gestuurd, aan de leden van de Staten-Generaal, de Raad van State en de ministerraad. Ook de pers in Engeland en Frankrijk werd ingeschakeld. De brief was onder meer ondertekend door Henri Deterding, president-directeur van de Koninklijke, door Hendrikus Colijn, directeur van de Koninklijke, en door Bonne de Jonge, die van 1917-1918 minister van Oorlog was, en later directeur van Koninklijke en in 1931 gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië werd. Met andere woorden: mannen met fikse politieke invloed. Vooral de ondertekening van ‘olieman’ Colijn was opmerkelijk: hij was op dat moment leider van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), die in de regering zat.

In de open brief stelde de Koninklijke dat zij door de exportheffingen niet meer rendabel kon produceren en daarom al een deel van haar bedrijven in Indië had moeten sluiten. Ze eiste afschaffing van de exportheffingen en elke andere vorm van belasting die uitsluitend aardolie belastte; anders was verdere inkrimping onafwendbaar. Het bedrijf zette zodoende hoog in: niet alleen de verhoging van de exportheffing moest van tafel, ook de heffing zelf. Die eisen ontlokte de sociaal-democratische pers het commentaar: ‘De heeren hebben het maar voor het zeggen.’ Men verwees daarbij smalend naar het ‘Het straatje van Vermeer’ van de ‘Koninklijke [..] de nationale weldoenster.’

Die verwijzing sloeg op het beroemde schilderij van Vermeer, dat Deterding medio 1921 aan de Nederlandse staat had geschonken. Hij deed dat ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als directeur bij de Koninklijke. Aan de schenking verbond Deterding twee nogal bizarre voorwaarden, omdat hij zijn zin niet kreeg met betrekking tot de uitvoerrechten. Ten eerste mocht het schilderij niet naar het Mauritshuis gaan; dat stond voor hem kennelijk te dicht bij het Haagse politieke centrum. Zo belandde het in het Rijksmuseum. Ten tweede wilde hij het terughebben als hij een lintje zou krijgen bij zijn jubileum, zo groot was zijn aversie tegen de Nederlandse politiek inzake de uitvoerrechten.

De Koninklijke krijgt steun

De campagne van de Koninklijke werd gesteund door het personeel, dat werkloos dreigde te worden door de bedrijfsinkrimpingen van de Bataafsche in Indië. Via een open brief aan de minister van Koloniën, De Graaff, vroegen zij om intrekking van de heffingen. Toen de Bataafsche tal van orders bij Nederlandse bedrijven begon te annuleren, werd dat in een artikel in het Algemeen Handelsblad vrij voorzichtig getypeerd als ‘een zekere mate van intimidatie’.

Het liberale Tweede Kamerlid Hendrik Coenraad Dresselhuys steunde de Koninklijke. Hij wees de minister van Landbouw, Nijverheid en Handel op de annuleringen van de Bataafsche bij Nederlandse bedrijven en verzocht hem druk uit te oefenen op minister De Graaff om de gewraakte uitvoerrechten af te schaffen. Ook het hoofdbestuur van de personeelsvereniging van de Bataafsche in Indië protesteerde in september 1921 bij De Graaff tegen de heffingen. Diezelfde maand volgden protesten van grote Nederlandse industriële ondernemingen, waaronder Stokvis, Werkspoor, Stork, Philips en De Vries Robbé & Co. Ze betoogden dat het Nederlandse bedrijfsleven al met een zware crisis kampte en veel fabrieken hun productie hadden beperkt, of tot sluiting waren overgegaan. Het uitblijven van bestellingen van de Koninklijke zou volgens hen nog meer werkloosheid bij een groot deel van de industrie betekenen.

‘Duizelingwekkende’ tarieven

Eind november 1921 voerde Deterding de druk verder op. Hij deed dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van de Koninklijke: in zijn redevoering stelde hij dat de olie-industrie in Indië ten dode was opgeschreven als deze plannen werden doorgevoerd. De voorgestelde heffingen op de export van aardolieproducten, in totaal ter waarde van 53,9 miljoen gulden, noemde hij ‘duizelingwekkend’. Hij hekelde voorts de ‘naïeve misvatting’ van de Indische Volksraad dat de winst van de Koninklijke/Shell Groep ‘overwegend’ uit Nederlandsch-Indië kwam.

Was men daar in Indië echt zo onbezonnen, en waar was dat bedrag van 53,9 miljoen op gebaseerd?

Officiële opening van de Volksraad te Batavia door gouverneur-generaal J.P. van Limburg Stirum (midden op het podium), 18 mei 1918 (bron).

De Volksraad had in april 1921 een motie aangenomen om de uitvoerrechten op aardolieproducten te verhogen. Th. Vreede, de indiener ervan, vond dat een heffing van zo’n 20 procent van de nettowinst billijk was. Hij gaf een overzicht waarin de nettowinst per liter van allerlei olieproducten werd berekend. Zo kwam hij uit op een exporttarief van 5 cent per liter voor benzine, 4 cent voor kerosine en 2 cent voor smeerolie. De totale geschatte opbrengst aan uitvoerrechten kwam volgens Vreede dan uit op 53,9 miljoen gulden. De Indische regering legde deze motie naast zich neer, en voerde op 18 mei 1921 lagere heffingen in.

Om een beeld te krijgen van de tariefsverhoging gaan we even na wat die in de praktijk voor benzine betekende. Het per 18 mei ingevoerde tarief was 7,50 gulden per 1000 kg, ofwel 0,75 cent per kg. Per liter was dat 0,54 cent (benzine heeft een soortelijke massa van 0,72 kg/dm3). De Volksraad stond een tarief van 5 cent voor. De doorgevoerde verhoging bedroeg dus ongeveer een tiende van wat de Volksraad wilde. Was dit nu echt een ‘duizelingwekkende’ verhoging, zoals Deterding claimde?

Het was duidelijk dat de Koninklijke/Shell een rookgordijn optrok rond de winsten die ze maakte

Bijkomend probleem was dat niet bekend was hoeveel winst de Koninklijke in Indië maakte. De Koninklijke zelf verstrekte daarover geen gegevens. Op de jaarrekeningen na 1918 werd alleen een verzamelpost opgenomen van alle dividenden van de werkmaatschappijen samen. Deterding beweerde dat het Indische aandeel in de winst van de Koninklijke niet zo groot was. Dat stond echter haaks op een uitlating van Sir Marcus Samuel, een directeur van Shell, die tijdens een redevoering stelde dat de winsten van de Koninklijke/Shell Groep voor 95 procent te danken waren aan haar Indische activiteiten. Nu moet die bewering wellicht met een korrel zout worden genomen, want die werd gedaan in een conflict met de Engelse regering. Hoe dan ook, het was duidelijk dat de Koninklijke/Shell een rookgordijn optrok rond de winsten die ze maakte.

Dossier: de #Lobbycratie

De lobbywereld is een zeer invloedrijke factor in ons politiek bestel, maar beschrijvingen ervan komen doorgaans niet verder dan het woord ‘schimmig’. Follow the Money wil daar verandering in brengen. We duiken in de achterkamertjes om te zien hoe de worst écht gedraaid wordt.

Lees verder Inklappen
Inschrijven

Dat rookgordijn diende om de torenhoge winsten van het olieconcern aan het zicht te onttrekken, en zo hogere belastingheffingen te voorkomen. In mei 1921 stelden Shell-directeur Frederick Lane en Deterding de volgende sleutel voor: van de behaalde winsten zouden ze jaarlijks 60 procent in de bedrijven houden en 40 procent aan dividend uitkeren. Een dividend van meer dan 40 procent zou hoge heffingen uitlokken, en dat konden ze langs deze weg voorkomen.

Aangenomen dat die lijn inderdaad werd aangehouden, dan zou dat betekenen dat de Koninklijke/Shell Groep bij een dividenduitkering van 163 miljoen gulden in 1921, in dat jaar een winst had geboekt van 407,5 miljoen (163 miljoen / 40 procent = 407,5 miljoen ). Hoeveel zou daarvan zijn toe te schrijven aan de Indische activiteiten? De eerdergenoemde 95 procent is wat hoog, maar 75 procent lijkt aannemelijk. In Indië zou dan in 1921 een winst gemaakt zijn van circa 306 miljoen gulden. De door de Volksraad voorgestelde exportheffing van 53,9 miljoen komt dan neer op een heffing van 18 procent van de winst. De Volksraad kwam dus met een vrij redelijke heffing, niet met ‘duizelingwekkende’ tarieven.

Van de 53,9 miljoen die de Volksraad had willen heffen, bleef zo maar een schijntje over

De Graaff, die zwaar onder druk stond van Koninklijke, volgde de voorstellen van de Volksraad niet. Hij stuurde wel een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer om de uitvoerrechten voor 1922 tijdelijk en beperkt te verhogen, namelijk met maximaal 25 procent. Deterding wees dat wetsvoorstel met klem af, en betitelde die 25 procent als een ‘zwaar drukkende last’.

De Eerste Kamer verwierp de verhoging in april 1922. Die nam toen ook een motie aan waarin ze de wens uitsprak dat de uitvoerrechten na 1922 zouden verdwijnen. De Koninklijke had met de protesten de verhogingen weten te verijdelen, maar de heffing bleef zoals hij was, en bedroeg 6 miljoen gulden in 1922. Van de 53,9 miljoen die de Volksraad had willen heffen, bleef maar een schijntje over.

‘Deterding op oorlogspad’

Het olieconcern kwam opnieuw in het geweer toen de Indische en Nederlandse regering een aardoliebelasting wilden invoeren. Die belasting mocht worden verrekend met de extra-winstbelasting, en tegelijkertijd zouden de uitvoerheffingen worden afgeschaft. Bij de nieuwe belasting ging het volgens De Graaff om ‘het stoppen van een lek [..] bij een wereldbedrijf’. Hij doelde onder meer op de overeenkomsten die de Bataafsche met haar dochters had, en die bedoeld waren om de extra-winstbelasting grotendeels te ontlopen. Verder wees hij op de mogelijkheden die het wereldconcern had om de lagere winstpercentages die het buiten Indië behaalde, te laten meewegen voor het winstpercentage in Indië. De aardoliebelasting zou de nettowinst belasten met een progressief tarief dat opliep tot maximaal 20 procent, en zou alleen voor het fiscale jaar 1923 gelden. De Graaff legde het wetsvoorstel in mei 1923 aan de Tweede Kamer voor.

Toen de Koninklijke van de plannen vernam, begon zij weer een campagne. Al in november 1921 stelde president-directeur Henri Deterding tijdens een redevoering op de aandeelhoudersvergadering van de Koninklijke dat een speciale belasting op aardolie ‘verkeerd’ was. Nadat bekend werd dat De Graaff de wetgeving wilde indienen bij de Tweede Kamer, stuurde de Koninklijke hem in januari 1923 een lange open brief:

In de brief, die door alle directeuren en commissarissen van de onderneming was getekend, dreigde de Koninklijke met aanzienlijke productievermindering in Indië. De brief eindigde met een nogal pathetische, van Deterding afkomstige frase: ‘Daar kan in Indië wat grootsch vernietigd worden.’ In januari en februari volgden protesten van Nederlandse bedrijven bij De Graaff en de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, Piet Aalberse. Het ging om onder andere de Noris- en Verffabriek, Werkspoor, de NV Werf Conrad en de Haarlemse Machinefabriek. Ze wezen op de betekenis van de Koninklijke voor hun orderportefeuille en de werkloosheid die dreigde als de wetgeving werd aangenomen. Protesten van het personeel van de Koninklijke bleven achterwege, die lieten zich dit keer niet voor het karretje van de oliegigant spannen.

Het personeel van de Bataafsche protesteerde wel, al was dat in zeer schuchtere bewoordingen, tegen het feit dat de Bataafsche hun personeelsvereniging had genegeerd bij ontslagen. Toen het personeel vroeg om tegemoetkomingen voor hun ontslagen collega’s, kreeg het ten antwoord dat de ontslagen waren toe te schrijven aan het belastingbeleid van de Indische regering.

Ondanks het felle verzet van de Koninklijke keurde de Tweede Kamer in januari 1924 de aardoliebelasting met een ruime meerderheid goed

De Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië stuurde in oktober 1923 een brief aan de Tweede Kamer waarin men opriep niet akkoord te gaan met invoering van de aardoliebelasting. Die raad was in augustus 1921 opgericht tijdens een door Deterding geleide vergadering. Tot de oprichters behoorden onder meer de Bataafsche, de Nederlandsche Handel-Maatschappij en Internatio. Deze belangengroep had direct toegang tot hoge ambtenaren van het ministerie van Koloniën en tot de minister zelf. Door hun goede contacten met Kamerleden kon ze de regering onder druk zetten. De voorzitter was oud-minister Willem Treub. Via Jan Gerritzen, oud-directeur van de Javasche Bank, had de Ondernemersraad een vertegenwoordiger in de Tweede Kamer. Gerritzen opende daar de aanval op de voorgenomen aardoliebelasting. Eind december 1922 hield hij een vurig betoog in de Kamer en diende een motie in om de heffing af te keuren. Omdat hij kennelijk aanvoelde dat de motie het niet ging halen, trok hij die twee dagen later in.

Ondanks het felle verzet van de Koninklijke keurde de Tweede Kamer in januari 1924 de aardoliebelasting met een ruime meerderheid goed (52 tegen 13 stemmen). In maart loodste De Graaff het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer met 24 tegen 14 stemmen: de sociaal-democratische oppositie steunde het voorstel, de liberalen waren tegen. Een verlies voor de Koninklijke, zou je zeggen; De Indische Courant publiceerde zelfs twee artikelen onder het kopje ‘De “Koninklijke” Nederlaag’.

De nederlaag die een meevaller was 

Maar was het wel een nederlaag? Aanvankelijk wilde Volksraad uitvoerrechten op olie heffen die 53,9 miljoen gulden zouden opbrengen. Dat was mislukt. Daarna had de Volksraad een motie aangenomen om te streven naar een opbrengst van 26 miljoen. Op grond van gegevens van de Indische regering zou het wetsvoorstel dat De Graaff in mei 1923 aan de Tweede Kamer voorlegde, naar schatting 13 miljoen opbrengen. Dat was ongeveer de helft van wat de Indische Volksraad wilde. Daar kwam bij dat de Koninklijke de oliebelasting mocht verrekenen met de extra-winstbelasting, terwijl de uitvoerrechten werden afgeschaft.

Resultaat: de Koninklijke hoefde 4 miljoen minder te betalen. Dat valt slecht als nederlaag te betitelen

Aan de hand van enkele gegevens en schattingen is een schatting te maken hoe de nieuwe heffing voor Koninklijke uitpakte. Uitgangspunt is dat de aardoliebelasting over 1923 ongeveer 10 miljoen opbracht; de vervallen uitvoerrechten voor 1923 beliepen een krappe 8 miljoen. Over de extra-winstbelasting over 1923 zijn geen gegevens, maar die waren eerder geschat op vijf tot ruim zeven miljoen gulden; we middelen dat tot zes miljoen. Dat levert de volgende som op: 10 miljoen aardoliebelasting min 8 miljoen aan vervallen uitvoerrechten is 2 miljoen. Dan volgt nog de verrekening met de extra-winstbelasting: 2 miljoen minus 6 miljoen. Resultaat: de Koninklijke hoefde 4 miljoen minder te betalen. Dat valt slecht als nederlaag te betitelen. De campagne en de politieke lobby van de Koninklijke had geloond.

Desondanks kon de Koninklijke het niet laten openlijk te klagen over de aardoliebelasting. Het jaarverslag over 1925 meldt: ‘[de heffing] baart ons nog steeds veel zorg en kost veel tijd en moeite aan verscheidenen onzer ambtenaren.’ Ook kloeg men dat de Indische autoriteiten de ingewikkelde bepalingen anders interpreteerden dan de Bataafsche. Met andere woorden: het olieconcern maakte zich op voor een nieuw gevecht met de Indische fiscus, teneinde te beknibbelen op de belastingafdracht over 1923.

Tijn van Beurden
Tijn van Beurden promoveerde in juni 2018 op een proefschrift over het belastingparadijs Curaçao.
Gevolgd door 269 leden