In het geheim door Shell gefinancierd onderzoek van de Erasmus 
Universiteit diende als fundament voor de afschaffing van de dividendbelasting. Andere wetenschappers bekritiseren de methodologie van het onderzoek en wijzen op het risico van vooringenomenheid.

    ‘Normaal gesproken worden er dikke rapporten geschreven voorafgaand aan een ingrijpende belastingherziening. In dit geval ontbreken die, en daarmee ook inzicht in de gemaakte keuzes.’ Dat zei hoogleraar belastingrecht Jan van de Streek op 24 april tegen Nieuwsuur over het kabinetsbesluit om de dividendbelasting af te schaffen. Van de Streek diende daarom een Wob-verzoek in om de memo's achter het besluit openbaar te krijgen — memo’s waarvan de bestuurders van ons land het bestaan ontkenden. 

    Premier Mark Rutte zei alleen het ‘VVD-partijstuk' te kennen en wist niets van memo's. De titel van het interne partijstuk luidde echter gewoon ‘memo belastingontwijking en vestigingsklimaat’. Ook VVD-minister Eric Wiebes, die het partijstuk schreef op basis van de andere memo’, was even vergeten dat de bewuste stukken bestonden.

    Tijdens het Kamerdebat dat op 25 april over de kwestie plaatsvond, hadden oppositie en media vooral aandacht voor het collectieve geheugenverlies van de regering. Hierdoor bleef de inhoud van de hervonden documenten onbesproken.

    En dat is een gemiste kans: de memo’s uit de kabinetsformatie werpen nieuw licht op de manier waarop multinationals de politiek bespelen. Uit het partijstuk van Rutte blijkt dat één specifiek onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een belangrijke rol speelde in de wetenschappelijke legitimatie van het kabinetsbesluit. Een onderzoek dat, zo bleek al uit eerdere artikelen van Follow the Money, in het geheim gefinancierd werd door Shell.

    Een onderzoek bovendien, waarvan de wetenschappelijke deugdelijkheid ter discussie staat: ‘Het is een gotspe dat beleidsmakers en politici de afschaffing van de dividendbelasting op basis van dit rapport durven te bepleiten,’ aldus hoogleraar economie aan de Erasmus School of Economics Bas Jacobs tegen FTM.

    "Wientjes zegt in de DTIB ‘zich zorgen te maken om het vestigingsklimaat in Nederland’"

    Vestigingsklimaat

    ‘De dividendbelasting werkt marktverstorend en dat is nadelig voor de concurrentiepositie van Nederland als vestigingsland ten opzichte van andere landen.’ Dat schrijft Shell in zijn verkiezingsmanifest voor de Tweede Kamerverkiezing van vorig jaar. Het is geen nieuwe boodschap: Shell, Unilever en werkgeversorganisatie VNO-NCW lobbyen al jaren voor lastenverlichting voor het grootbedrijf. 

    Uit onderzoek dat het Platform Authentieke Journalistiek voor FTM uitvoert, blijkt dat voormalig VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes in 2014 een speciale ‘werkgroep Vestigingsklimaat’ heeft ingesteld bij de exclusieve Dutch Trade and Investment Board (DTIB). Daar bespreken invloedrijke lobby-organisaties de ‘relevante knelpunten’ in het Nederlandse vestigingsklimaat met vijf ministeries van de overheid. Wientjes zegt in de DTIB ‘zich zorgen te maken om het vestigingsklimaat in Nederland, onder meer het belastingklimaat’.

    Het schrikbeeld dat multinationals massaal uit Nederland zullen vertrekken als bepaalde belastingmaatregelen niet worden doorgevoerd, doemt ook op in overheidsdocumenten. Zo lezen we in het memo dat volgens Rutte geen memo was: ‘ons vestigingsklimaat voor ‘topholdings’ staat in toenemende mate onder druk.’ Er wordt in het memo voor waar aangenomen dat het Nederlandse vestigingsklimaat ‘verslechtert’ en dat ‘fiscaliteit’ daarin een ‘voorname factor’ is. De afschaffing van de dividendbelasting zou daarom noodzakelijk zijn om de hoofdkantoren van Shell, Unilever en Akzo Nobel in Nederland te houden en andere multinational-hoofdkantoren aan te trekken. Dat zou vervolgens weer voor werkgelegenheid zorgen. Deze conclusies zijn echter gestoeld op een reeks aannames waarvoor de cijfermatige onderbouwingontbreekt

    De oorspronkelijke bron

    In het partijstuk van Rutte wordt het vestigingsklimaat-narratief kracht bijgezet met een verwijzing naar een ‘onderzoek uit 2009 van de Rotterdam School of Management (RSM)’, een faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR).

    De opdrachtbevestiging stond op Shell-briefpapier

    Het onderzoek verschaft de afschaffing van de dividendbelasting van wetenschappelijke legitimiteit; niet langer is het plan slechts een belastingwens van Shell, Unilever of VNO-NCW: ook ‘onafhankelijke’ wetenschappers van de vooraanstaande Erasmus Universiteit constateren hier dat de dividendbelasting een gezond vestigingsklimaat in de weg staat. Een belangrijke bijdrage, want het RSM-onderzoek is de enige bron in het hele partijstuk. In de andere memo’s staan überhaupt geen wetenschappelijk referenties: we vinden slechts verwijzingen naar consultancy-rapporten. 

    Het onderzoek waarover het gaat is het rapport ‘Wederzijds Profijt: de strategische waarde van de top 100 concernhoofdkantoren voor Nederland en van Nederland voor deze top 100’ (hierna: Wederzijds Profijtrapport). De titel van het onderzoek dekt de lading: het is de ‘wetenschappelijke’ bakermat van het narratief dat hoofdkantoren goed zijn voor Nederland.

    Het onderzoek werd uitgevoerd door RSM-hoogleraar strategisch management Henk Volberda en zijn collega’s Marc Baaij, Frans van den Bosch en Tom Mom. Op het onderzoeksrapport staat verder officieel vermeld dat het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van VNO-NCW. In werkelijkheid waren er naast VNO-NCW echter nog meer directe opdrachtgevers: Shell, Unilever, AkzoNobel, DSM en Philips.

    Shell ontkende vorig jaar tegenover FTM mede-opdrachtgever van het onderzoek te zijn. Dit terwijl de opdrachtbevestiging (in handen van FTM) gedrukt is op Shell-briefpapier. Shell financierde ook het onderzoek: in drie etappes maakte het oliebedrijf ruim 300 duizend euro over aan de RSM. Dat blijkt uit bonnetjes die naar boven kwamen uit het onderzoek dat Vatan Hüzeir, promovendus aan de EUR en milieuactivist, met zijn duurzaamheidsdenktank Changerism uitvoerde naar de banden tussen de RSM en de fossiele industrie. Het niet bij naam vermelden van opdrachtgevers en externe financiers is in tegenspraak met de Gedragscode Wetenschapsbeoefening. 

    Het bonnetje van Shell.

    Lobbyrapport voor belastingmaatregelen

    Volberda benadrukte vorig jaar tegenover Follow the Money dat het Wederzijds Profijtrapport absoluut ‘geen lobbyrapport voor lastenverlichting’ is. Toch is dat precies waar het voor gebruikt wordt. Het Wederzijds Profijtrapport van Volberda vormde de wetenschappelijke bron voor het adviesrapport ‘Met hoofdkantoren naar de top’ van het topteam Hoofdkantoren. Volberda was in 2011/2012 zelf de enige afgevaardigde van de wetenschap in die adviesgroep van de overheid. 

    Het bekende vestigingsklimaat-narratief werd ook hier gebruikt om de omstreden Research and Development-aftrek (RDA) te verantwoorden. Deze belastingregeling heeft als gevolg gehad dat een subsidie van 500 miljoen euro, bestemd voor innovatie- en ondernemerschapssubsidies, werd omgezet in een lastenverlichting van 500 miljoen euro. Ambtenaren van het ministerie van Financiën schaarden deze maatregel voor invoering onder ‘agressief fiscaal beleid’; toch werd de RDA in 2012 ingevoerd.

    Nu duikt het onderzoek van Volberda en co opnieuw op als wetenschappelijke referentie in het partijstuk van Rutte. Saillant detail: dit memo werd opgesteld in augustus 2017, enkele maanden nadat de deugdelijkheid van het Wederzijds Profijtrapport al ter discussie stond vanwege de onthullingen van Changerism en FTM. Er liep ook al een onafhankelijk onderzoek dat de EUR instelde naar de banden tussen de RSM en het bedrijfsleven, en er was een Kamerdebat aangekondigd over ‘de banden tussen de fossiele industrie en universiteiten’, dat plaatsvond op 7 september.

    De opdrachtbevestiging

    Auteur Henk Volberda is zelf ook niet meer zo zeker — laat staan consistent — over de status van zijn onderzoek. Hij vindt het geen lobbyrapport, maar aarzelt als hij telefonisch wordt gevraagd of het onderzoek nog steeds gezien kan worden als een wetenschappelijk onderzoek. ‘Het is een onderzoeksrapport voor VNO-NCW,’ luidt uiteindelijk zijn antwoord. De RSM vermeldt het onderzoek echter nog altijd als een wetenschappelijke publicatie: het is te vinden onder het kopje ‘scholarly publications’ op de universiteitswebsite

    Volberda herhaalt wat hij vorig jaar tegen FTM zei: ‘Bij ons is altijd gezegd dat VNO-NCW de opdrachtgever is en daar hebben wij ook aan gerapporteerd.’ Dit is in tegenspraak met wat hij in april 2017 in het NRC schreef: in zijn betoog ‘Red ook eens een hoofdkantoor’ noemde hij Shell, Unilever, Akzo, DSM en Philips wél als opdrachtgevers. In november vorig jaar zei hij tegen diezelfde krant dat ‘met de kennis van nu’ het niet melden van de vijf grote bedrijven ‘een absolute schoonheidsfout’ was. Toch vindt Volberda niet dat hij verkeerd gehandeld heeft. 

    De opdrachtbevestiging

    Dat is bijzonder, want de vijf namen op de opdrachtbevestiging — die de RSM vorig jaar zelf met FTM gedeeld heeft — laten er geen twijfel over bestaan: naast VNO-NCW waren ook Shell, Unilever, AkzoNobel, DSM en Philips directe opdrachtgevers.

    ‘Dit was inderdaad een merkwaardige brief’, zegt Volberda daar nu over, ‘want er stond ook bij dat als we wilden publiceren, we het eerst moesten laten zien. Nou, dat hebben we echt nooit gedaan dus daar kan geen sprake van zijn. [...] Wij hebben ons gehouden aan ons onderzoeksvoorstel en deze brief hebben we totaal niet meegenomen.’ 

    Volberda refereert aan de volgende zinnen in de opdrachtbevestiging: ‘U zult het onderzoek uitvoeren in overeenstemming met onderzoeksplan (sic) zoals door ons goedgekeurd.’ En ook: ‘Uiteraard verdient het aanbeveling om het recent verschenen onderzoeksrapport van de Boston Consulting Group inzake Hoofdkantorenbeleid in uw beschouwingen te betrekken.’  Die laatste aanbeveling gaat over een consultancy-rapport van Boston Consulting Group (BCG) uit 2008, getiteld ‘Hoofdkantoren een hoofdzaak’. 

    Volberda: ‘Volledig onafhankelijk waren wij, zijn wij; zijn we altijd geweest. Op de onderzoekscriteria hebben die vijf geen enkele invloed gehad.’ Desalniettemin betrok hij het rapport van Boston Consulting Group in zijn onderzoek. Volberda: ‘Als u het BCG rapport leest, dan zit er toch echt een significant verschil tussen onze inschattingen. Zij kwamen met veel hogere schattingen; wij hebben het echt serieus benaderd.’ Of het BCG-rapport te negatief was over het vestigingsklimaat en de voordelen van hoofdkantoren voor Nederland overdreef, wil Volberda niet zeggen: ‘Ik wil niet over anderen oordelen.’ 

    Ook het BCG-rapport zal later meermaals opduiken in overheidsstukken. Het wordt genoemd in de adviezen van het topteam hoofdkantoren voor de RDA-aftrek en het is ook de bron voor een van de dividendbelastingmemo’s van Wiebes, getiteld ‘Economische belang van hoofdkantoren’.

    Spreekverbod

    Volberda zegt nu ineens dat de opdrachtbevestiging op Shell-briefpapier die de RSM met FTM deelde, niet de meeste recente was. ‘Later ziet u dan een brief van VNO-NCW die stelt dat zij de opdrachtgever zijn en wij het met hen moeten afhandelen.’ Volberda wil deze latere brief — die hem vrij zou moeten pleiten van het niet vermelden van de vijf grootbedrijven als opdrachtgever — niet met FTM delen. Hij verwijst ons daarvoor door naar VNO-NCW en zijn collega Marc Baaij, volgens hem de eerste auteur van het rapport. ‘Als goed onderzoeker moet je meerdere bronnen raadplegen,’ adviseert Volberda ons nog.

    ‘Ik heb een e-mail van de decaan gekregen, dus ik kan er niets over zeggen’

    VNO-NCW wil echter geen informatie met FTM delen, ‘gezien de verjaringstermijnen’. Ook Marc Baaij wil, ondanks de aanbevelingen van zijn collega, niet met ons praten: ‘Ik heb een e-mail van de decaan in mijn inbox gekregen, dus ik kan er niets over zeggen. Ik ben gebonden aan wat mijn werkgever mij oplegt en moet verwijzen naar de afdeling communicatie.’ 

    Ondanks dit spreekverbod kan Baaij het niet laten om te reageren als ik vertel dat Volberda erop aandrong om met hem — als eerste auteur van het rapport — te spreken: ‘Nee, het was gewoon een team-effort,’ zegt hij. ‘Dus het is gebruikelijk dat een alfabetische volgorde wordt gebruikt [bij het vermelden van de auteurs op het eindrapport, red].’ 

    De onderzoekers zijn er niet happig op om de merites voor het Wederzijds Profijtrapport op te eisen. Er loopt dan ook sinds november een tuchtklacht bij de EUR vanwege vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit: die werd tegen Volberda ingediend door Changerism-onderzoeker Hüzeir. RSM-woordvoerster Marianne Schouten voert die lopende tuchtzaak en het interne EUR-onderzoek aan als reden om geen enkele vraag van ons te beantwoorden of documenten te delen. Ze ontkent overigens dat er sprake is van een ‘spreekverbod’ voor Baaij of dat de e-mail aan Baaij iets te maken had met ons gesprek met Volberda daags ervoor. Het gaat volgens haar om ‘standaard richtlijnen’ voor externe communicatie.  

    Banden met Shell

    Volgens Hüzeir is er meer aan de hand dan alleen het niet vermelden van de financiers en opdrachtgevers: ‘Het Wederzijds Profijtrapport vormde de basis voor latere publicaties van Volberda. Ook daarbij wordt de betrokkenheid van Shell en de andere bedrijven niet vermeld.’ Hüzeir stelt verder dat Volberda niet transparant is geweest over zijn adviseurschappen en eerdere verbindingen met Shell. 


    Henk Volberda

    "De Shell-cultuur is heel sterk. Iedereen voelt een sterke gemeenschappelijkheid, die verdwijnt niet als je het bedrijf verlaat"

    Het olie- en gasbedrijf komt voor op het cv van Volberda en zijn mede-auteurs. In 1998 ontvangen Volberda en Van den Bosch van Shell de ‘Payment to Centre of Excellence Grant’ als ‘specifieke projectleiders met wie Shell een relatie wil ontwikkelen’. In de tien jaar die volgen zijn ze volgens hun eigen cv’s betrokken bij talloze onderzoeken naar, maar ook vóór Shell.

    Volberda spreekt in de periode dat hij het Wederzijds Profijt-onderzoek uitvoert met MT-Magazine in lovende woorden over het olie- en gasbedrijf: ‘De Shell-cultuur is heel sterk. Je herkent Shell’ers meteen aan hun brede focus en wereldwijsheid. Daarnaast voelt iedereen een sterke gemeenschappelijkheid. En die verdwijnt niet als je het bedrijf verlaat.’

    Methodologie

    Volgens Hüzeir zijn de nauwe banden tussen Volberda en Shell ‘slechts het topje van de ijsberg’; een verwijzing naar het plaatje op de voorkant van het Wederzijds Profijtrapport van Volberda. Daarop zien we een ijsberg die voor het grootste deel onder water zit. Het is een metafoor, blijkt uit de tekst in het rapport: ‘de strategische waarde van de top 100 concernhoofdkantoren voor Nederland is als een ijsberg: het direct zichtbare en te kwantificeren deel vormt slechts het topje.’ 

    Hüzeir trekt de wetenschappelijke integriteit en methodologie van het onderzoek in twijfel. Vorig jaar constateerde FTM, samen met onze lezers, ook al dat het rapport vol staat met aannames die niet worden onderbouwd. We legden het rapport daarom voor aan enkele experts voor een second opinion.

    Bernard Veldkamp, hoogleraar onderzoeksmethodologie aan de Universiteit Twente, over de ijsberg: ‘Door de ijsberg-metafoor te gebruiken, wordt gesuggereerd dat de niet-zichtbare bijdrage vele malen groter is dan de zichtbare, terwijl dit kwalitatief noch kwantitatief wordt onderbouwd. Ook de kwalificatie als “unieke bijdrage van de Top 100” brengt een suggestie met zich mee die niet verder wordt onderbouwd. De woordkeuze is niet waardevrij.’

    ‘Een groot deel van het onderzoek lijkt netjes te zijn uitgevoerd,’ vervolgt hij. ‘Toch kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij de aanpak en de manier waarop het is gerapporteerd.’ Veldkamp benoemt een aantal methodologische missers, zoals het vergelijken van twee ongeijkte tienpuntsschalen en het extrapoleren voor ontbrekende data. ‘Als het een scriptie was die ik moest beoordelen, zou ik de student adviseren om daar toch nog eens goed naar te kijken.’

    Onafhankelijkheid

    Veldkamps belangrijkste kritiekpunt heeft betrekking op onafhankelijkheid. ‘Allereerst hebben deze respondenten een direct belang bij de uitkomsten van het onderzoek. Daarnaast representeren deze ceo’s bedrijven die al in Nederland gevestigd zijn. De impact van deze bias op de uitkomsten is moeilijk te voorspellen, maar zou wel vermeld moeten worden in de conclusieparagraaf.’ 

    Wat Volberda presenteert als feiten, zijn eigenlijk niet meer dan citaten van bestuurders

    Dat is niet gebeurd. De kern van het onderzoek bestaat uit interviews met bestuurders van Nederlandse multinationals en door hen ingevulde vragenlijsten. De conclusies die Volberda vervolgens trekt en als feiten presenteert, zijn eigenlijk niet meer dan citaten van de ondervraagde bestuurders. Dit belangrijke onderscheid tussen feiten en meningen verdwijnt volledig in latere verwijzingen naar het onderzoek: in de dividendbelastingmemo’s worden de conclusies uit het rapport voor feiten aangenomen. 

    Over de conclusies zegt Volberda: ‘Het gaat hier over de percepties van managers. En dat hebben wij gewoon in kaart gebracht. Hoe managers denken over het vestigingsklimaat, dat zijn percepties. Maar mensen handelen ook op basis van percepties. Dus als ik als hoofdkantoor wel of niet investeer in Nederland, dan baseer ik dat op wat ik denk over het vestigingsklimaat. Daar komt nog bij dat we dat gecontroleerd hebben met allerlei objectieve data.’

    Over de rol van VNO-NCW en de bedrijven in het onderzoek zegt hij: ‘Ze speelden geen enkele rol.’ Hij vult aan:  ‘Als onderzoeker zou ik geen knip voor de neus waard zijn als ik dan zou zorgen dat de goede uitkomst eruit komt. Natuurlijk niet.’

    Even later zegt hij echter dat VNO-NCW wel degelijk een rol heeft gespeeld in het benaderen van de ceo’s die deelnamen aan het onderzoek: ‘We komen niet zomaar binnen bij de topmanagers, dus wij hebben wel gezegd: we doen dit in het kader van een onderzoek voor VNO, maar de data is volledig betrouwbaar en komt alleen maar in het bezit van RSM en verder niemand. Het zijn de standaard wetenschappelijke procedures die je toepast voor een survey.’ In de opdrachtbevestiging staat ook dat de heer Wientjes een brief zal sturen naar de bedrijven om hun medewerking en een bijdrage aan de kosten te vragen. 

    Noch de RSM, noch VNO-NCW wil de brief van Wientjes met FTM delen

    ‘Daar moet je als onderzoeker eigenlijk van uit de buurt blijven,’ zegt hoogleraar Veldkamp daarover tegen FTM. Hij legt uit dat je als wetenschapper je onafhankelijkheid goed moet bewaken. Mogelijke ‘bias’ moet je te allen tijde beperken en in ieder geval benoemen. ‘Als het binnen een setting gebeurt waarin het onderzoek door VNO wordt aangeboden aan de regering, weet je als wetenschapper van te voren dat het een risicovolle onderzoeksopdracht is.’ Volgens Veldkamp is het hier overduidelijk dat de geïnterviewde ceo’s een belang hebben. ‘Als zij betalen, en ze zijn zelf de respondenten, dan weet je dat het heel erg moeilijk wordt om echt onafhankelijk onderzoek te doen.’ 

    Noch de RSM, noch VNO-NCW wil de brief van Wientjes met FTM delen.

    Dividendbelasting

    Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën aan de Erasmus School of Economics, schrijft aan FTM: ‘Het is een gotspe dat beleidsmakers en politici de afschaffing van de dividendbelasting op basis van dit rapport durven te bepleiten. Het woord dividendbelasting valt slechts tweemaal, beide keren tussen haakjes. Het bevat geen enkele wetenschappelijke onderbouwing op basis van onderzoek naar de dividendbelasting.’

    ‘Het economische uitgangspunt is bovendien volkomen verkeerd: dat overheidsbeleid gericht zou moeten zijn op het vergroten van de “strategische waarde van de top 100 concernhoofdkantoren”. Het gaat om de brede maatschappelijke welvaart. Hoofdkantoren zijn alleen nuttig als ze bijdragen aan de welvaart van mensen, als consument, als werknemer, als aandeelhouder of als belastingbetaler. Alle maatschappelijke kosten en baten van beleidsmaatregelen, voor alle mensen, moeten empirisch worden geschat om tot een uitspraak te komen of beleid zinvol is. Dat gebeurt nergens in het rapport. Het is daarom onmogelijk om op basis van het RSM-rapport ook maar iets te concluderen over de maatschappelijke wenselijkheid van afschaffing van de dividendbelasting.’

    Volberda: ‘De vraag voor ons was: wat voegen hoofdkantoren toe aan Nederland, en hoe denken de hoofdkantoren over het Nederlandse vestigingsklimaat? Niet meer dan dat. [...] Maar de politiek moet natuurlijk breder kijken dan alleen het belang van bedrijven. Ik mag aannemen dat ze dat ook doen.’

    Volberda wil zich niet uitlaten over de vraag of het terecht is dat zijn rapport nu wordt aangehaald in politieke memo’s om de afschaffing van de dividendbelasting te bepleiten: Dan kom ik op de politiek en daar kan — wil ik me niet over uitlaten.’

    "Wij zeggen alleen dat het vestigingsklimaat heel erg belangrijk is voor hoofdkantoren"

    Volberda had voorheen echter geen moeite om zich politiek uit te laten. Zo zat hij in het eerder genoemde topteam Hoofdkantoren. Daarvoor liet hij ook in de pers van zich horen: in 2005 schreef hij samen met Baaij en Van den Bosch een artikel in Het Financieele Dagblad. De titel daarvan: ‘Geen grootbedrijf het land uit’. En in een interview met het AD uit 2009 schrijft Volberda dat we ‘maatregelen [moeten] nemen om hoofdkantoren hier te houden. [..] Het schrappen van de dividendbelasting helpt.’ In 2011 legt hij in het opinieblad van VNO-NCW uit hoe je een belastingverlaging ‘het best in drie delen kunt uitvoeren, want dan heb je drie keer aandacht. Je kunt dan drie keer roepen dat je bezig bent het internationale bedrijfsleven te pamperen.’ En in 2015 gaat Volberda in Buitenhof stevig in discussie met PvdA’er Paul Tang. Hij ziet Nederland niet als belastingparadijs en bepleit het belang van fiscaliteit.

    Aanbeveling aan de overheid

    Als we Volberda confronteren met het feit dat er in de opdrachtbevestiging staat dat er ook een aanbeveling aan de overheid uit het onderzoek moet komen, ontkent hij: ‘Nee hoor, dat staat niet in de opdrachtbevestiging.’

    Op het Shell-briefpapier staat gedrukt: ‘In aanvulling op de onderzoeksopzet zijn we met u overeengekomen dat u in het Eindrapport ook aanbevelingen zal opnemen over gewenst toekomstig Hoofdkantorenbeleid van de zijde van de Nederlandse overheid.’

    Volberda zegt over het eindrapport: ‘Er staat niets in over belastingverlaging en dat soort dingen. Er staat helemaal niet dat er belastingverlagingen moeten komen. Dat leest u ook niet in onze aanbevelingen.’

    Op het eind van het onderzoeksrapport lezen we onder het kopje ‘Conclusies ten aanzien van het beleid van de Nederlandse overheid inzake concernhoofdkantoren’  de aanbeveling: ‘Versterk de voor de Top 100 belangrijkste locatiefactoren – met name die gerelateerd zijn aan belastingen en talent’.

    Met voorbedachten rade

    In het Wederzijds Profijtrapport komt het woord dividendbelasting slechts twee keer voor, tussen haakjes. Het wordt uit het onderzoek niet duidelijk waarom juist de dividendbelasting twee keer terloops wordt genoemd als voorbeeld van een belasting. Want zoals Volberda zelf tegen FTM zegt: ‘Wij zeggen alleen dat het vestigingsklimaat heel erg belangrijk is voor hoofdkantoren en dat je dat goed moet communiceren. Wij zeggen niets over de dividendbelasting.’

    De dividendbelasting is natuurlijk een monster, die moet weg

    Volberda hamert erop dat hij geen invloed heeft op wat er vervolgens met zijn rapport is gebeurd. ‘Het staat iedereen vrij om dat rapport te citeren. Het is aan de politiek om te doen wat ze ermee willen doen. Wij kunnen alleen maar feiten geven en helderheid verschaffen. Wij kunnen natuurlijk niet zeggen wat goed beleid is.’ Hij wijst erop dat managers vooral de stabiliteit van het fiscale regime belangrijk vinden. ‘Dat geeft vertrouwen in een economie. Dat hebben we ook keurig gerapporteerd.’ Volberda vindt dat de beperkingen van het onderzoek voldoende worden benoemd in het rapport. ‘Ik neem aan dat men zich daar ook bewust van is.’ 

    Hoogleraar Veldkamp heeft nog nooit meegemaakt dat zijn onderzoek werd gebruikt voor politieke doeleinden, maar zegt dat er ook in de wetenschap wel eens selectief wordt geciteerd, uit opportunisme. ‘Het helpt dan om je te distantiëren van de manier waarop je onderzoek gebruikt wordt.’ 

    Waarvoor het Wederzijds Profijtrapport diende, was ook in 2009 al duidelijk. ‘De dividendbelasting is natuurlijk een monster, [die] moet weg,’ zegt Bernard Wientjes nadat hij het rapport aan premier Balkenende had overhandigd. Het zou nog negen jaar duren tot die wens werd ingewilligd. 

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Thomas Bollen

    Gevolgd door 1142 leden

    Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Thomas Bollen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Wetenschap op bestelling

    Gevolgd door 321 leden

    Het onderzoeksbudget aan universiteiten is de afgelopen jaren afgeknepen. Academische onderzoekers gaan daardoor noodgedwonge...

    Lees meer

    Volg dit dossier en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg dossier