De ‘slaven van het financiële systeem’ bij een act bij de ECB in Frankfurt, 2018.
© AFP / Boris Roessler

Coronacrisis

De redactie van FTM volgt de situatie omtrent het coronavirus (SARS-CoV-2). In dit dossier verschijnen alle relevante artikelen en updates over de pandemie. Lees meer

Het virus SARS-CoV-2, beter bekend als het coronavirus, dook eind 2019 op in de Chinese provincie Hubei. In een paar weken tijd veroorzaakte het virus daar een epidemie, waarna het zich over de rest van de wereld verspreidde.

Begin maart 2020 verklaarde de World Health Organisation de ziekte tot een pandemie. Wereldwijd gingen landen 'op slot';  beurzen maakten een enorme duikvlucht. Al met al is met het coronavirus een crisis van historische proporties ontstaan.

De uitwerking van de coronamaatregelen op de wereldeconomie is, net als het virus zelf, nog grotendeels onbekend. Wat we al wel kunnen vaststellen: een nieuwe economische crisis is begonnen. Die zal overal pijn opleveren, en de maatregelen die we nu nemen zullen bepalen hoe de economie van de toekomst eruit zal zien. 

Nieuwe vragen doemen op: welke oplossing dient welke belangen; welke vragen raken ondergesneeuwd; hoe verdelen we de schaarse middelen, en hoe houden we essentiële diensten en structuren overeind? 

69 Artikelen

Solidariteit met Italianen draait ook om het redden van de Europese bankensector

4 Connecties

Onderwerpen

Schuldencrisis Wopke Hoekstra DNB

Organisaties

ECB
96 Bijdragen

De Nederlandse burger wordt gevraagd solidair te zijn met Zuid-Europa. Maar het is niet alleen Italië dat hulp nodig heeft. Wanneer de burger niet financieel bijspringt, dreigt de Europese bankensector opnieuw kopje onder te gaan.

‘Weerzinwekkend, gevoelloos en absoluut onacceptabel,’ zo noemde de Portugese premier António Costa de houding van Nederland in het crisisberaad over gezamenlijke financiering van de Europese crisismaatregelen. De ‘arme’ Zuid-Europese landen willen dat Europa als geheel geld leent om de Europese economie te redden. Ze staan daarin lijnrecht tegenover de ‘rijke’ Noord-Europeanen, die hun eigen financieringskosten liever niet zien stijgen. 

Voor de Europese Unie is dit een existentiële crisis, of zoals de Belgische econoom Paul De Grauwe het in De Morgen zei: ‘Als je nu niet bereid bent om te helpen, waarom hebben we dan in godsnaam een unie?’

Hoekstra doet een Dijsselbloempje

De spanning tussen de eurolanden is inmiddels te snijden. Het begon op 24 maart toen minister van Financiën Wopke Hoekstra een ‘Dijsselbloempje’ deed. Hij vroeg de Europese Commissie te onderzoeken waarom het ene euroland de afgelopen jaren wel financiële buffers heeft opgebouwd en het andere niet.

Dat is diplomatiek niet bijster handig, nu er een pandemie over het continent raast en de Europese economie op omvallen staat. Hoekstra bood enkele dagen later zijn excuses aan: ‘Ik heb te weinig empathie getoond.’

Hoekstra had niet voorzien dat zijn standpunt in Europa zoveel kwaad bloed zou zetten. Hij verwoordde met zijn vraag immers wat veel Nederlanders, waaronder Kees van der Staaij, denken. De SGP-leider zei het zo op de radio: ‘Nederland heeft in de vette jaren gespaard, de EU kan nu niet van ons verlangen dat we gaan betalen voor landen die feest hebben gevierd. Rutte moet zijn rug recht houden.’ De christelijke moraal reikt wat de SGP betreft niet voorbij de landsgrenzen, zelfs niet bij een Bijbelse plaag.

De crisis is voor niemand leuk, maar Duitse bedrijven genieten een enorm competitief voordeel ten opzichte van hun Italiaanse concurrenten

Klopt de Nederlandse stelling dat de ‘zuidelijke luilakken’ hebben lopen verkwisten en nu willen potverteren ten koste van de ‘hardwerkende noorderlingen’? FTM voert in het klein de analyse uit waar Hoekstra de Europese Commissie om verzocht.

Heimwee naar een eigen munt

Eerst een schets van de situatie. Italië en Spanje zijn in Europa het hardst getroffen door het coronavirus. Zowel het sociale leven als het bedrijfsleven liggen grotendeels op hun gat. Toch is het de Duitse regering die het meeste geld uittrekt om de nationale economie te ondersteunen. De verschillen zijn enorm: Duitsland spendeert 150 miljard direct in de economie, tegenover de 16 miljard van Italië. Als je overheidsgaranties voor kredieten plus uitstel van belastingen en sociale premies meerekent, zijn de verschillen nog veel groter. De crisis is voor niemand leuk, maar Duitse bedrijven genieten een enorm competitief voordeel ten opzichte van hun Italiaanse concurrenten.

Waarom geeft Italië niet meer uit? Soevereine overheden kunnen immers onbeperkt geld creëren om de economie te stimuleren met overheidsuitgaven, belastingreductie of helikoptergeld. Had Italië de lire nog gehad, dan was dit inderdaad mogelijk geweest. Maar sinds de invoering van onze gezamenlijke munt hebben de eurolanden geen nationale munt meer. Ze kunnen niet zelfstandig geld bijdrukken en hun munt devalueren.

Om euro’s te kunnen uitgeven, moet een euroland geld lenen op de private kapitaalmarkten. Dat kost geld. Kapitaalverstrekkers brengen Italië en Spanje een hogere rente in rekening dan Nederland of Duitsland, ter compensatie van hun risico. Ze schatten het risico dat Italië onder zijn schuldenlast bezwijkt, groter in dan de kans dat Nederland zoiets gebeurt. Dat is begrijpelijk: Italië heeft een staatsschuld van 138 procent van het bruto binnenlands product (bbp), terwijl die van Nederland slechts 51 procent is.

In nood leer je je vrienden kennen

Zuid-Europese landen willen dat Europa als geheel geld leent, via zogeheten corona-obligaties (corona bonds) of via het Europees Stabilisatie Mechanisme (ESM), om dat vervolgens uit te geven in de landen die het hardst zijn getroffen. Dat zou voor hen gunstiger rentetarieven opleveren. (Nederland betaalt op het moment van schrijven -0,2 procent rente en Italië 1,5 procent.)

Voor Nederland en Duitsland wordt lenen dan juist duurder, en dat wil minister Hoekstra niet: ‘Die bonds gaan we niet doen. Dat lost geen probleem op.’ Nederland dwarsboomt voorlopig ook het gebruik van de kredietruimte binnen het ESM. Hoekstra heeft in plaats daarvan een eenmalige gift voorgesteld voor de zwaar getroffen landen: ‘We zullen grofweg een miljard euro doneren als teken van solidariteit.’

Een mooi gebaar, maar wie een beetje rekent ziet dat die solidariteit een druppel op een gloeiende plaat is. Alle Europese landen zullen tientallen, zo niet honderden miljarden moeten lenen op de kapitaalmarkten. Doen ze dat niet, dan stort hun economie in. Het Europese financieringsvraagstuk is dus lang niet opgelost en het risico op een nieuwe eurocrisis is levensgroot.

Europese overheden en de financiële sector hebben nog altijd een symbiotische relatie

De Italiaanse schuld is een tijdbom

Waarom een eurocrisis? De uitleg van het kabinet gaat inhoudelijk niet verder dan de hogere rentetarieven voor Nederland. Het debat in de Nederlandse media focust zich op het frame van Europese solidariteit, of het gebrek daaraan. De ernst van de situatie, en de zorgen van de banken, die nog veel meer peentjes zweten, blijven onderbelicht. ‘Juist in tijden van crisis vind ik het belangrijk om vanuit barmhartigheid nu steun te verlenen,’ zei Rabobank-econoom Barbara Baarsma op 2 april in Nieuwsuur. Ze pleitte voor corona bonds; ‘barmhartigheid’ in de vorm van een lening dus. Dat de Europese bankensector zonder die gezamenlijke leningen wel eens in een perfecte storm terecht kan komen, liet ze onvermeld.

Italië heeft een staatsschuld van ruim 2,4 biljoen euro. Een deel daarvan heeft de ECB opgekocht met haar eerdere opkoopprogramma’s. Dat betekent dat er nog zo’n 2000 miljard aan staatsobligaties op de balans van banken, pensioenfondsen en andere investeerders staat. Wanneer Italië, bovenop de 300 miljard die het dit jaar nog moet herfinancieren, flink moet bijlenen na de corona-lockdown, kan een kleine rentestijging een ontploffing op de financiële markten veroorzaken.

De waarde van deze 2000 miljard aan staatsobligaties zal bij een rentestijging in waarde dalen en zo een kettingreactie in gang zetten. Europese banken hebben een groot deel van deze waardepapieren op hun balans staan. Klaarblijkelijk is een belangrijke les uit de vorige eurocrisis, over het gevaar van publiek-private verwevenheid van financiën, amper geleerd. Europese overheden en de financiële sector hebben nog altijd een symbiotische relatie.

De grootste pakketten Italiaanse staatsobligaties staan op de balans van banken in Rome en Milaan. Maar ook andere Europese banken hebben flink wat Italiaanse staatsschuld en schulden van de Italiaanse private sector opgekocht, zoals BNP Paribas (143 miljard), Crédit Agricole (97 miljard), Deutsche Bank (30 miljard) en Commerzbank (12 miljard). *(toevoeging 6 april: deze getallen zijn afkomstig van Bloomberg en zijn een combinatie van staatsschuld en Italiaanse private schulden. Dat stond in de oorspronkelijke tekst niet duidelijk vermeld.) De directe exposure aan Italiaanse staatsobligaties van de gezamenlijke Nederlandse banken is op basis van de laatste review van de European Banking Authority (2018) niet hoger dan 1,5 miljard.

Als het eerste dominosteentje eenmaal valt zal ook de rest van de Europese bankensector worden aangetikt

Wanneer de waarde van de bankbezittingen omlaag gaat, slaat de huidige liquiditeitscrisis bij banken om in een solvabiliteitscrisis: hun bezittingen zullen minder waard blijken dan hun financiële verplichtingen. De Italiaanse banken zullen als eerste aan de beurt zijn, maar als het eerste dominosteentje eenmaal valt zal ook de rest van de Europese bankensector worden aangetikt – tenzij ze opnieuw overheidssteun ontvangen. Misschien dat minister Hoekstra het Europees Stabilisatie Mechanisme voor die gelegenheid gevuld wil houden, ook al zal de capaciteit in die situatie ontoereikend zijn.

Buffers

Terug naar de vraag van Hoekstra. Waarom waren de zuidelijke landen het afgelopen decennium niet in staat hun overheidsfinanciën beter op orde te brengen en een buffer op te bouwen, zoals Nederland? Los van de diplomatieke onhandigheid en zijn profileringsdrang in deze verhitte crisissituatie, is dat een legitieme vraag.

Al is het woord ‘buffer’ niet echt op zijn plaats. Volgens het Europese stabiliteits- en groeipact mag een staatsschuld maximaal 60 procent bedragen. Italië zou, om op dat percentage te komen, ongeveer 1300 miljard euro moeten aflossen, terwijl Nederland nog zo’n 80 miljard kan uitgeven. Het mag bij voorbaat duidelijk zijn dat het opbouwen van Hoekstra’s ‘buffer’ voor Italië geen reële optie was of is, hoeveel het land ook aflost.

De vraag van Hoekstra: waarom zijn de Italiaanse overheidsfinanciën niet beter op orde?

Belastinginkomsten

De Italiaanse belastingdienst kampt met grote problemen. ‘Het belastingsysteem is te complex, het belast met hoge tarieven een basis die is uitgehold door allerlei uitzonderingen en incentives, en lijdt onder belastingontduiking.’ Het IMF schat het gat als gevolg daarvan op een bedrag van 109 miljard euro, 6 procent van het Italiaanse bbp. De ‘schaduweconomie’, die buiten de boeken omloopt, wordt in Italië geschat op 13 procent. In Nederland bedraagt die 5,5 procent. 

De schatkist heeft verder vooral te lijden onder aftrekregels waarvan rijke Italianen met een eigen huis gebruik kunnen maken, terwijl de hurende werknemer flink belasting betaalt. De gemiddelde belasting op arbeid is in Italië 47,9 procent, tegenover 41,8 procent gemiddeld in de eurozone.

Het ruime belastinggat hebben de Italianen niet alleen aan zichzelf te danken. David Adler, van de School of Transnational Governance en Jerome Roos, politiek econoom verbonden aan de London School of Economics, kaatsten in The Guardian de bal terug naar Hoekstra. ‘Nederland is een van ’s werelds meest beruchte belastingparadijzen, waarlangs honderden miljarden  aan corporate winsten en internationale geldstromen worden weggesluisd. Dat verhindert andere overheden om die partijen fatsoenlijk te belasten.’ Ze vinden ons land hypocriet: Nederland helpt Italiaanse grootbedrijven de Italiaanse belastingheffing te ontwijken. 

Exor, het beleggingsvehikel van de Italiaanse miljardairsfamilie Agnelli met ondere andere grote belangen in Fiat, Ferrari en The Economist, is daar een voorbeeld van. Exor heeft zijn hoofdkantoor om belastingtechnische reden in Amsterdam gevestigd.

De mier en de krekel

Sinds 2006 blijft het bbp per hoofd van de bevolking sterk achter bij andere Europese landen. In 2018, tien jaar na de kredietcrisis, was het niveau zelfs lager dan in 2000

Italië is als geheel minder productief dan het Europese gemiddelde. Een belangrijke factor daarin: voor de kredietcrisis stegen de Italiaanse lonen sneller dan de arbeidsproductiviteit en dat is in het afgelopen decennium niet gecorrigeerd. Het IMF is verder vooral negatief over de inefficiëntie van de publieke sector en het justitieel apparaat.  

De uitgaven voor pensioenen zijn hoog en zullen de komende jaren verder stijgen. Dat drukt op de overheidsbudgetten. Een vergrijzende bevolking, gecombineerd met lage productiviteit en een stijgende werkloosheid zouden de genereuze pensioenaanspraken onhoudbaar kunnen maken. De pensioenleeftijd is in Italië 66 jaar. Hoewel dat niet veel afwijkt van de Nederlandse situatie, blijkt uit OECD-cijfers van 2018 dat de Italianen, na de Fransen en Spanjaarden, het langst van hun pensioen genieten.

Toch heeft de Italiaanse overheid haar huishoudboekje beter op orde dan je op grond van het bovenstaande zou verwachten. Wat daaraan bijdraagt: Italië is een van de grootste exportlanden van Europa. Ondanks de beroerde belastingheffing en de hoge publieke uitgaven komt er bij de overheid elk jaar meer geld binnen dan eruit gaat. Na 2009 heeft Italië in geen enkel jaar een primair begrotingstekort gehad. 

Wat de Italianen echter de das om doet, is het hoge niveau van hun overheidsschuld. Daardoor vloeit er veel geld uit de publieke kas. Dat gebeurt in de vorm van rentebetalingen naar de bezitters van Italiaanse staatsobligaties: de Italiaanse en Europese banken en pensioenfondsen. Het IMF schrijft: ‘Hoge publieke schuld is een hardnekkige bron van kwetsbaarheid. Het dwingt Italië tot grotere primaire begrotingsoverschotten dan de andere eurolanden en dat beperkt de mogelijkheid om schokken op te vangen.’

Lees verder Inklappen

De last van hoge staatsschuld

Het antwoord op de vraag van Hoekstra is duidelijk: Italië kon geen buffer opbouwen vanwege de rentebetalingen over de hoge overheidsschuld. Dat is een erfenis uit het verleden: tussen 1960 en 1990 had Italië begrotingstekorten, maar de afgelopen 30 jaar, met uitzondering van crisisjaar 2009, had het land een primair budgetoverschot.

Die staatsschuld is een last op de schouders van de huidige generatie werkende Italianen. Het geld gaat grotendeels naar de Italiaanse banken en naar banken en pensioenfondsen in de rest van Europa. De hoge schuld maakt ondertussen het perspectief voor Italiaanse jongeren minder rooskleurig. Aan onderwijs geeft Italië minder uit dan het Europese gemiddelde en de vooruitzichten op een baan zijn bedroevend. De Italiaanse werkloosheid was met 10 procent al voor de coronacrisis meer dan drie keer zo hoog als in Nederland.

Het schuldenprobleem

‘Wij zijn geen rijk noorden meer als het hele zuiden omvalt,’ zei Nout Wellink op 30 maart in radioprogramma 1 op 1. Als president van De Nederlandsche Bank (DNB) ten tijde van de kredietcrisis weet hij als geen ander wat er dan met de banken gebeurt. Nederland zal niet gespaard blijven. ‘Onder de huidige omstandigheden is dat een misconceptie. Dat is net als een gezonde man die wordt overspoeld door een lawine. Dan helpt het niets meer dat je gezond bent.’

Meer schulden remmen bij de huidige schuldenniveau’s de economische ontwikkeling, verergeren crises en maken herstel na een crisis moeilijker

Tal van Europese economen maakten zich afgelopen weken hard voor eurobonds, het gezamenlijk uitgeven van schuld om zo de lasten over alle eurolanden te verdelen. Ook tachtig ‘prominente’ Nederlandse economen, waarvan een aantal wordt betaald door Nederlandse banken, publiceerden op 31 maart in de Volkskrant en economenblad ESB een pleidooi voor ‘gemeenschappelijke financiering van een Europese aanpak van de coronacrisis.’

Hoewel ‘een gemeenschappelijke financiering van de crisis’ de financieringskosten voor Italië en Spanje ongetwijfeld naar beneden zal brengen en de Europese banken een adempauze geeft, laat deze aanpak de kern van de problematiek ongemoeid: de groei van de maatschappelijke schuldenlast, niet alleen publiek maar ook privaat. Het sluit niet aan op de actuele stand van de wetenschap en de waarschuwingen van de BIS, het IMF, de OECD en DNB voor verdere schuldengroei. Meer schulden remmen bij de huidige schuldenniveaus de economische ontwikkeling, verergeren crises en maken herstel na een crisis moeilijker.

Het aanboren van het ESM of de uitgifte van ‘corona-eurobonds’ verdeelt de pijn, maar pakt het schuldenvirus niet aan; het is een pijnstiller, geen vaccin. Het alternatief van monetair financieren, nieuw geld creëren zonder dat daar een schuld tegenover staat, blijft zo in het publieke debat onderbelicht. 

Het frame van Europese solidariteit klopt niet

In dat debat wordt angstvallig gezwegen over het redden van de Europese banken. De optie ‘gemeenschappelijke financiering van een Europese aanpak van de coronacrisis’ wordt gepresenteerd als de keuze voor ‘solidariteit’. En als we daar niet voor kiezen, stevenen we af op een scenario van ‘nationale catastrofe’. 

Maar wie beter kijkt, ziet dat die keuze niet zo zwart-wit is. In de eerste plaats wordt tijdens de coronacrisis eens temeer duidelijk dat er helemaal geen ‘Europese aanpak’ bestaat. Nederland voerde aanvankelijk een andere koers dan onze buurlanden. Bij ons is social distancing het beleid, terwijl andere eurolanden de grenzen sloten en in lockdown gingen. In Italië gaat iedereen aan de beademing, in Nederland worden sommige patiënten niet meer geholpen omdat behandeling niet in alle gevallen zinvol wordt geacht. In Oostenrijk zijn mondkapjes verplicht, in Nederland worden ze afgeraden. Duitsland test zoveel mogelijk mensen, Nederland weinig. De politiek leiders van Europa discussiëren ondertussen al anderhalve week verhit over de financiering van leningen, maar het plan van aanpak dat daarmee bekostigd moet worden is onbekend.

Bij die zogenaamde ‘redding van Griekenland’ werd eveneens een façade van ‘Europese solidariteit’ opgetrokken

Dat is binnen de EU in normale tijden niet veel anders. De sociale voorzieningen verschillen per land en zelfs pensioenleeftijden variëren: in Nederland werken we binnenkort tot ons 67e levensjaar, in Frankrijk begint het pensioen met 62. Dat maakt schuldmutualisatie, het verdelen van de schuldenlast, een beladen thema – zelfs als crisismaatregel. 

Solidariteit is lastig te organiseren als de onderliggende voorwaarden verschillen en van te voren niet zijn vastgelegd. Een verzekeringsmaatschappij bakent niet voor niets op voorhand af in welke gevallen wordt uitbetaald, en dat gebeurt alleen als ook de premie elke maand is voldaan.

De vergoeding voor risico

De vorige ronde van schuldmutualisatie zit bovendien nog vers in het geheugen. In de vorige eurocrisis waren het niet de ‘krekel-Italianen’, maar de ‘luie’ Grieken wiens hachje ‘wij’ hebben gered. Bij die zogenaamde ‘redding van Griekenland’ werd eveneens een façade van ‘Europese solidariteit’ opgetrokken. Het is voor een groot deel van de Europese bevolking nog steeds een goed bewaard geheim dat de Europese burgers als collectief toen feitelijk de niet-presterende leningen van voornamelijk Franse en Duitse banken hebben overgenomen. ‘We’ hebben banken en hun financiers gered, niet de Griekse bevolking. 

In deze eurocrisis blijft niet alleen monetaire financiering maar ook de herstructurering van schulden onbesproken in het publieke debat

De bezuinigingspolitiek die Europa het land vervolgens oplegde, deed de Griekse economie nog verder krimpen en heeft hun schuldenlast alleen maar verhoogd: 180 procent van het bbp, de allerhoogste schuldenlast van Europa. En dat allemaal omdat Europa niet bereid was te praten over een betere oplossing: herstructurering van bestaande schulden. 

Die valkuil ligt opnieuw voor ons. In deze eurocrisis blijft niet alleen monetaire financiering maar ook de herstructurering van schulden onbesproken in het publieke debat. 

De hete brij waar iedereen omheen draait: tegenover elke debiteur staat een crediteur. Wanneer schuldenlasten onhoudbaar worden, zou dat niet alleen het probleem van de schuldenaar moeten zijn. Ook de schuldeiser heeft een probleem: die moet gaan afschrijven. Die heeft tenslotte jarenlang de risicopremie geïnd om dat risico te kunnen dragen. 

Risico en beloning lopen binnen het huidige kapitalisme niet meer parallel. Telkens als de bezittende klasse van aandeelhouders een verlies dreigt te moeten nemen, wordt dat voorkomen met het uitsmeren van de pijn over de rest van Europa. Wanneer de Europese kapitaalbezitter niet bereid is om – zoals de spelregels van het kapitalisme dat voorschrijven – zijn verlies te nemen, zullen toekomstige generaties Europeanen daarvoor de (schulden)last tot in het einde der dagen moeten dragen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Thomas Bollen

Gevolgd door 3800 leden

Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Coronacrisis

Gevolgd door 7399 leden

De redactie van FTM volgt de situatie omtrent het coronavirus (SARS-CoV-2). In dit dossier verschijnen alle relevante artikel...

Volg dossier