Sparen is geen deugd, maar ook geen ramp

    FTM-columnist Robin Fransman vindt dat we te veel sparen. Hoogleraar Openbare Financiën Harrie Verbon komt met een reactie, waarin hij stelt dat Fransman zijn claim niet kan bewijzen.

    Eind vorig jaar publiceerde Robin Fransman een boek met de suggestieve titel ‘Sparen is geen deugd’. Zijn belangrijkste stelling is dat veel sparen voornamelijk tot veel private schulden leidt en daarom contraproductief, ja zelfs onhoudbaar, is. Veel sparen tast daarom de economische groei aan en leidt tot een rente van nul en toenemende werkloosheid. Een toename van de (macro-economische) besparingen kan dan een deflatoire depressie en/of een nieuwe financiële crisis inluiden. Het is dus urgent om macro-economisch minder te sparen en tegelijkertijd de private schulden te verminderen. Fransman noemt dit ‘salderen’. Hij stelt voor om mensen in pensioenregelingen de mogelijkheid te geven hun hypotheken af te lossen met hun pensioenpremies. Andere voorgestelde oplossingen richten zich meer op het op korte termijn stimuleren van de economie, dan het op de lange termijn verlagen van de besparingen. Het boek is lezenswaardig, maar in zijn betoog haalt Fransman van alles door elkaar: korte en lange termijn, causaliteit versus boekhoudkundige gelijkheid, productieve versus niet-productieve besparingen, productie-efficiëntie en vermogensrendement. Zijn salderingsvoorstel zou wel eens contraproductief kunnen zijn. Het kan tot hogere pensioenpremies en dus juist tot méér sparen leiden.

    Macro-economisch boekhouden

    Om zijn redenering te begrijpen, moeten we eerst iets van de nationale rekening van een land weten. Wat een land produceert (laten we dat Y noemen) kan gebruikt worden om op te eten (C, consumeren zeggen economen), om er mee te investeren (I, dan maak je er bijvoorbeeld machines van die je gebruikt in de fabrieken), of de overheid kan de productiecapaciteit gebruiken om er overheidsvoorzieningen mee te maken (G). Maar in een open economie zoals Nederland is dat niet alles. In Nederland geldt bijvoorbeeld Y > C + I + G. Er wordt in Nederland meer geproduceerd dan we zelf gebruiken. Er geldt dus Y = C + I + G + H, waarbij H>0 het zogenoemde handelsoverschot is. Aangezien dat in het binnenland niet gebruikt wordt, moet dat dus wel naar het buitenland gaan. Je kunt ook zeggen dat onze nationale besparingen S = Y ̶ C ̶ G groter zijn dan de nationale investeringen I. We sparen dus met zijn allen (gezinnen, bedrijven en de overheid) meer dan de bedrijven (en eventueel de overheid) willen investeren.
    Als het ene land een spaaroverschot heeft, dan moet het andere een spaartekort hebben
    Als een land een spaaroverschot heeft, moeten er andere landen met spaartekorten zijn. Inderdaad, terwijl er in Nederland een spaaroverschot is (S>I), is er in landen als Griekenland of de VS, een spaartekort (S<I). Wereldwijd bezien vallen de nationale spaartekorten of spaaroverschotten tegen elkaar weg en geldt S=I. Nu kun je desgewenst de nationale besparingen S ook weer onderverdelen: er zijn mensen die positieve besparingen hebben (laten we zeggen S*), de overheid heeft meestal negatieve besparingen, oftewel primaire tekorten, laten we zeggen D>0 (van deficit) en er zijn ook mensen met tekorten, aangegaan voor bijvoorbeeld een hypotheek, laten we zeggen T>0. Dan geldt dus eigenlijk S = S* ̶ T ̶ D. Wereldwijd gezien geldt dan dat S* = I + T + D. Let op, dit geldt per definitie. Het kan niet anders dan dat dit geldt, want als je je spaargeld niet in een oude kous stopt, dan gaat het ergens heen, naar banken, bedrijven of de overheid, in het binnenland of in het buitenland. Het is in de context van de stelling van Fransman ook belangrijk om te begrijpen hoe voor een land de gelijkheid S ̶ I = H tot stand komt. Dat kan op vele manieren. In beginsel zijn er oneindig veel prijzen bij betrokken, die er uiteindelijk voor zorgen dat het nationale spaaroverschot S - I gelijk is aan het handelsoverschot H, maar voor de eerstejaars economiestudenten vertellen we natuurlijk liever een verhaal over één enkele prijs die het wonder van de gelijkheid S ̶ I = H oplevert. Die prijs is de wisselkoers. Neem eens in gedachten dat S ̶ I > H, het spaaroverschot is dus groter dan het handelsoverschot. Dan geldt ook Y > C + I + G + H; er wordt dus meer geproduceerd dan wat er wereldwijd van onze producten wordt afgenomen. Hoe kunnen we dat productieoverschot alsnog kwijt raken? Door een depreciatie van de nationale munt. Dan worden de aangeboden goederen goedkoper voor het buitenland, en zal dus het handelsoverschot H gaan toenemen. De wisselkoers zal er dus door depreciatie of appreciatie voor zorgen dat uiteindelijk alles wat nationaal geproduceerd wordt ook daadwerkelijk wordt afgenomen: Y = C + I + G + H.

    De spaarparadox van Keynes

    Dan kunnen we nu weer terug naar het boek van Fransman. Op blz. 50 schrijft hij: “Een handelsoverschot kun je dus alleen maar hebben als je direct of indirect aankopen van de koper financiert. (…) Het moge duidelijk zijn dat dat geen houdbare situatie is. De besparingen van sectoren kunnen niet eindeloos en onbeperkt negatief zijn. Uiteindelijk leidt dat tot betalingsproblemen.” Iets verderop: “Wat veel mensen zien als een deugd, sparen, gaat dus altijd gepaard met wat veel mensen beschouwen als een zonde, namelijk schulden.” In deze passages zitten twee min of meer onuitgesproken aannames. Namelijk, ten eerste, dat besparingen en schulden voortdurend toenemen als percentage van het nationaal inkomen en, ten tweede, dat besparingen niet productief ingezet kunnen worden.
    Het is niet zo duidelijk wat Fransman bedoelt met diens claim van 'onhoudbaarheid'
    Laten we met de claim van de ‘onhoudbaarheid’ beginnen. Het is niet helemaal duidelijk wat Fransman hier bedoelt. Hij schijnt te bedoelen dat een permanent spaaroverschot (of spaartekort) niet mogelijk is omdat dit overschot tot in het oneindige zal toenemen en zo ook de schulden. Een bewijs hiervoor ontbreekt. Er is geen enkele reden te bedenken waarom een land nooit een permanent spaartekort mag hebben. Bij een permanent spaartekort moet een land ieder jaar een deel van zijn nationale inkomen aan het buitenland afstaan in de vorm van rentebetalingen over de schuld. Voor een land met een spaaroverschot geldt het omgekeerde: het nationaal inkomen wordt aangevuld met rente-inkomsten uit het buitenland. Zo’n land kan dan een renteniers-economie worden waar men teert op oude besparingen. Op de langere termijn kan het nadelig zijn om te rentenieren op het verleden (het kan economisch initiatief doden, je maakt je afhankelijk van buitenlandse ontwikkelingen, bijvoorbeeld een roebelcrisis). Maar dit alles daargelaten, als alles blijft zoals het is, hoeft een permanent nationaal spaaroverschot (of spaartekort) niet tot economische instabiliteit te leiden. Laten we ons daarom concentreren op de tweede claim van Fransman, namelijk dat een toename van de macro-economische besparingen geen positieve economische effecten heeft. In feite is dat de ‘spaarparadox’ (blz. 53). Die paradox is een onderdeel van het Keynesiaanse gedachtengoed en geldt voor de korte termijn. Een toename van de besparingen is hetzelfde als een afname van de bestedingen en, aannemende dat de investeringen gegeven zijn, zal via negatieve multiplier-effecten het nationaal inkomen dalen. Uiteindelijk zal blijken dat macro-economisch gezien de besparingen niet zijn toegenomen, maar constant zijn gebleven. Dus, als individuen om wat voor reden dan ook meer geld achter de hand willen hebben en daarom meer gaan sparen, zullen ze aan het eind van de dag gezamenlijk niet meer spaargeld hebben, terwijl hun inkomen wel is afgenomen. Het is niet zo moeilijk in te zien dat dit ook geldt als de investeringen wel reageren op een toename van de besparingen. Als door de extra financiële middelen op de kapitaalmarkt de rente gaat dalen, zal dat de investeringen stimuleren. Het negatieve bestedingseffect wordt hierdoor afgeremd, maar zal niet verdwijnen.
    Meer sparen is alleen slecht in geval van een 'gesloten' economie
    Meer sparen is dus slecht voor de economie, tenminste als de economie gesloten is voor het buitenland. Als de economie open is, dan hangt het effect af van het wisselkoersregime. Bij vaste wisselkoersen gebeurt ongeveer hetzelfde als in een gesloten economie, maar bij variabele wisselkoersen zal een afname van de bestedingen gecompenseerd worden door een depreciatie van de munt die er voor zorgt dat het nationaal inkomen constant blijft.

    De spaarparadox van Fransman: meer sparen = hogere private schulden

    Het is dus al sinds de late dertiger jaren, toen het Keynesiaanse gedachtegoed door met name de econoom John Hicks werd ‘vertaald’ in het zogenaamde IS-LM model, dat het contraproductieve effect van meer sparen tot de basiskennis van de econoom behoort. Wat dat betreft vertelt Fransman niets nieuws. Je zou wel kunnen zeggen dat hij wat ‘dieper’ kijkt dan de gemiddelde macro-econoom. Als een macro-econoom het heeft over ‘de toename van de besparingen’ bedoelt hij/zij daar meestal de toename van het saldo van besparingen en schulden in de economie mee. Fransman echter splitst de economie op in diverse sectoren en bekijkt dan als er in een sector meer gespaard wordt, wat er gebeurt in die sector en in andere sectoren van de economie. Stel dus dat er vergrijzing optreedt (blz. 55): er komen meer ouderen en die willen allemaal een goed pensioen en dus moet er meer gespaard worden via de pensioenpremies die voor de aanvullende pensioenen moeten worden betaald. Dat begon in de Westerse wereld in feite in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, nadat de generatie van de naoorlogse geboortegolf aan de slag was gegaan op de arbeidsmarkt. Waar moesten al die extra besparingen naar toe? In die jaren kon dat nog door de investeringen worden opgenomen, maar de investeringen zijn -als percentage van het nationaal inkomen- na 1990 voortdurend gedaald, terwijl de vermogens van de pensioenfondsen bleven toenemen.
    Als pensioenbesparingen niet door investeringen geabsorbeerd worden ontstaat een 'lek'
    Het resultaat kan dan niet anders zijn dan dat er een ‘lek’ ontstaat: een deel van de extra pensioenvermogens wordt niet via investeringen in een productieve bestemming omgezet. Er zijn dan drie mogelijkheden: 1. de overheid kan een deel van het extra geld opnemen en zo een tekort op haar begroting financieren; 2. een deel van het geld gaat naar het buitenland (via de aankoop van buitenlandse financiële activa), zodat het buitenland in staat is producten van ons te kopen; 3. een deel van het geld wordt omgezet in binnenlandse financiële activa van de private sector. In het laatste geval gebruikt de private sector de extra pensioenbesparingen voor het financieren van zijn schulden, bijvoorbeeld hypotheken. Hier komt dan de kern van de stelling van Fransman (blz. 65-76). In een groot deel van de ontwikkelde wereld gebeurde hetzelfde, namelijk dat de besparingen toenamen, terwijl de investeringen constant bleven of daalden. Die extra besparingen konden niet opgenomen worden door de rest van de wereld. Overheden in de ontwikkelde wereld kozen er vanaf de negentiger jaren van de vorige eeuw voor om hun schulden te beperken, zodat de extra besparingen ook niet door de overheid werden opgenomen. Dan blijft als enige mogelijkheid over dat de extra pensioenbesparingen hun weg vinden in een toename van de private schulden. Die extra private schulden, die dus mogelijk zijn geworden door uitbundige pensioenbesparingen (zo ze er al niet door veroorzaakt zijn) zijn echter schadelijk voor de economie. Over schuld moet namelijk rente betaald worden en die rente wordt of betaald aan het buitenland, of aan mensen die weinig consumeren, namelijk ouderen, die meestal weinig besteden; en rijken, die veel sparen.
    Meer sparen leidt tot meer schulden
    Dus: meer sparen leidt tot meer schulden, en via de rentebetalingen aan de spaarders, tot nog meer besparingen en dus een negatief binnenlands bestedingseffect en ook nog eens een lagere rente. Door die lagere rente gaan mensen zelfs nog meer sparen, enzovoorts. Het eind van het liedje is dat als de besparingen en dus ook de schulden heel hoog zijn geworden, de economische groei gaat afnemen. Op blz. 69 zien we een grafiek waaruit blijkt dat als in een land de private schulden hoger zijn dan 170 procent van het nationaal inkomen, de economische groei lager wordt.

    Een macro-economische definitie is geen macro-economische theorie

    Snijdt bovenstaande redenering hout? Ja, wat het Keynesiaans korte-termijn effect aangaat. Meer besparingen impliceren een negatieve bestedingsimpuls en dus een afname van het nationaal product. Voor een ander deel gaat zijn redenering echter niet op, namelijk voor zover Fransman beweert dat meer sparen noodzakelijk ook tot meer private schulden moet leiden. Hij suggereert hiermee een causale relatie. Causale relaties zijn in de economie heel moeilijk vast te stellen. We kunnen nooit precies weten of een verschijnsel A (hier: meer sparen) tot een verschijnsel B (hier: meer schulden) leidt. Er zijn oneindig veel mogelijkheden die er voor kunnen zorgen dat zowel A als B zich voordoen zonder dat er een causale relatie tussen A en B is. Of er is wel een relatie tussen A en B in de zin dat ze allebei door eenzelfde verschijnsel C zijn bepaald. Dat verschijnsel zou bijvoorbeeld de vergrijzing zelf kunnen zijn. Door vergrijzing zijn de besparingen flink toegenomen, zoals Fransman ook betoogt. Maar omdat vergrijzing is vooraf gegaan door een geboortegolf, en de leden van die grote generatie jongeren in de jaren zeventig en later weer in de jaren negentig van de vorige eeuw op zoek was naar een huis, werden de prijzen op de woningmarkt omhoog gedreven en daarmee ook de private schulden in de vorm van hypotheken.
    Vergrijzing leidt zowel tot meer besparingen als tot hogere private schulden
    Vergrijzing leidt dus zowel tot meer besparingen als tot meer private schulden. Ze zijn dus gewoon het gevolg van hetzelfde verschijnsel en het één (schulden) volgt niet noodzakelijkerwijs uit het ander (besparingen). Veel van de economische crisisverschijnselen van de laatste zes à zeven jaar kunnen uit vergrijzing, of meer in het bijzonder de naoorlogse geboortegolf verklaard worden. Deze relatief grote generatie zorgde voor een toename van de besparingen, en voor een zeepbel op de woningmarkt, toen deze generatie zich meldde voor de aankoop van een eigen huis. Nu bieden de leden van deze zelfde naoorlogse geboortegolf massaal hun huizen te koop aan, met als gevolg malaise op de woningmarkt en hypotheken die onder water komen te staan. De redenering van Fransman is dus moeilijk hard te maken. Wat we van besparingen en schulden zeker weten, is alleen dat uiteindelijk de nationale boekhouding moet (en zal) kloppen. Dus dat in Nederland (en elders) de evenwichtsrelatie S* = I + T + D + H geldt. Als de (positieve) besparingen S* toenemen en -zoals Fransman aanneemt- I en D liggen vast en H is al erg hoog, dan kunnen alleen de private schulden T nog maar toenemen. Dat is waar, maar alleen per definitie. Hoe die gelijkheid tot stand komt, weten we niet precies. We weten alleen dat als het evenwicht wordt doorbroken (door toename S*), veranderingen in prijzen, inclusief rentetarieven en wisselkoersen, er voor zorgen dat de definitie uiteindelijk blijft gelden.

    Op de lange termijn is er geen spaarparadox

    We zijn er echter nog niet. De redenering van Fransman is helemaal op de korte termijn gefixeerd. Dan moeten we inderdaad voor de ‘spaarparadox’ vrezen, zeker in een situatie van onderbesteding zoals we die nu kennen. Op de lange termijn echter spelen andere overwegingen een rol. Het onderscheid tussen positieve besparingen (S* in onze notatie) en negatieve besparingen, ofte wel private schulden, is op de lange termijn niet relevant. We hebben eerder beweerd dat een situatie van hoge positieve besparingen (S*) en hoge private schulden (T) niet tot houdbaarheidsproblemen op de lange termijn hoeft te leiden. Fransman neemt aan dat dit wel zo is, maar hij ‘bewijst’ dit niet. Het kan natuurlijk wel zo zijn dat als macro-economisch S* toeneemt een deel ervan ‘weglekt’ naar private schulden en dus tot niet zo heel veel extra netto besparingen leidt. Dit is een kernpunt in het betoog van Fransman.
    In een macro-economische evenwichtssituatie is alleen de omvang van de netto besparingen relevant
    Aannemende echter dat er geen houdbaarheidsproblemen zijn, dat wil zeggen dat er in de economie op de langere termijn een evenwicht tot stand komt met een bepaalde hoeveelheid netto besparingen, dan is alleen de omvang van die netto besparingen relevant. Voor het gemak spreken we hieronder alleen van besparingen. In een economie zonder economische relaties met het buitenland, een gesloten economie, zegt de omvang van de besparingen iets over de manier waarop de productie wordt georganiseerd. In een economie met relatief veel spaargeld zal de (lange-termijn) rente laag zijn en dus zal het relatief goedkoop zijn in machines te investeren. Voor de wereld als geheel geldt ongeveer hetzelfde, al is het moeilijk voorstelbaar dat je iets kunt zeggen over de productiestructuur op wereldniveau. In ieder geval geldt in de westerse wereld dat de komende decennia de besparingen relatief laag zullen zijn en er dus, door de lage rente, veel geïnvesteerd kan worden. Dat komt dan goed uit, want in tijden dat de rente laag is, zullen de lonen meestal hoog zijn, omdat arbeid relatief schaars is. Inderdaad: door vergrijzing zal de beroepsbevolking relatief klein zijn, terwijl de oudere generatie nog voor hoge pensioenbesparingen zorgen (terwijl de hypotheken inmiddels worden afgelost door de oudere generatie). Daar mogen we dan blij mee zijn, omdat zonder die hoge besparingen in de westerse wereld de productiemogelijkheden beperkt zouden zijn. Wanneer die ‘lange termijn’ precies begint is moeilijk te zeggen. Nu in ieder geval niet, want door de aanhoudende malaise (vooral in de EU, maar niet in de VS) zal het effect van hoge besparingen op de investeringen nog steeds laag zijn (daar heeft Fransman een punt). Maar ongetwijfeld komt er een dag dat de grote hoeveelheid spaargeld via relatieve prijsveranderingen een positief effect zal hebben op de investeringen. Het goede nieuws voor Fransman is, dat het ook op de lange termijn mogelijk is dat er ‘te veel’ wordt gespaard; en dan niet omdat er te veel private schulden uit volgen, maar te veel investeringen.
    De hoeveelheid kapitaal die in bedrijven wordt gebruikt is inefficiënt groot
    De hoeveelheid kapitaal die in bedrijven wordt gebruikt is dan inefficiënt groot. Als de bedrijven minder kapitaal zouden gebruiken, zou er meer voor consumptie geproduceerd kunnen worden. De theorie noemt dit een situatie van dynamische inefficiëntie en als dit zich voordoet geldt ook dat de rente r lager is dan de economische groei g. De conditie r < g is bekend van het boek ‘Capital’ van Piketty. Zoals Piketty laat zien, zal als r>g, meer sparen tot een groter reëel vermogen leiden, maar als r<g moet je subiet ophouden met sparen en schulden gaan maken, want je verdient die schuld als het ware vanzelf weer terug. Dit laatste hangt samen met de inefficiënte manier van produceren als r<g. Iedereen zou er bij gebaat zijn als de hoeveelheid fysiek kapitaal die gebruikt wordt in de productie minder wordt. Als r>g geldt, is er geen win-win situatie: als in dat geval de hoeveelheid kapitaal vermeerderd wordt (zodat er meer geproduceerd kan worden), dan zal er in eerste instantie meer gespaard en dus minder geconsumeerd moeten worden. Het is niet zo moeilijk aan te tonen dat r > g de meest voorkomende situatie is en r < g zich meestal bij uitzondering voordoet, bijvoorbeeld in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog (zie Piketty). Fransman gelooft echter niet in r>g, zoals hij in het boekje over Piketty, geredigeerd door Robert Went, heeft uitgelegd. Die argumenten daar kloppen echter (helaas) niet. Het kan incidenteel zo zijn dat r < g, maar over de lange termijn moet altijd r>g gelden. Fransman interpreteert de conditie r>g echter verkeerd. In de eerste zin zegt hij: “r>g? Is het rendement op kapitaal hoger dan de economische groei? Altijd? Elke belegger valt van zijn stoel van het lachen.” Hij ziet deze conditie als een soort formule voor beleggers. Dat bewijst ook de volgende quote: “Op de hele lange termijn is het volgende de ijzeren wet van macro vermogensbeheer: r=g. De (…) kunst van het beleggen is natuurlijk om in sectoren en assets te zitten die sneller groeien dan de economie als geheel. Sector rotatie en market timing zorgen dan voor outperformance, r>g, maar dat is weinigen gegeven op de wat langere termijn.” De manier waarop Piketty deze conditie gebruikt is echter meer in lijn met de economische groeitheorie, zoals hierboven uiteengezet: de conditie r>g of r<g zegt alleen iets over de manier van produceren (namelijk of het marginaal product van fysiek kapitaal groter is dan de productiviteitsstijging van werkenden, of niet). Uiteraard werkt dat door naar het (relatieve) rendement van vermogen, maar daar gaat het hier niet om. In dit verband geeft r>g aan dat je op de korte termijn meer moet sparen om op de lange termijn meer te kunnen consumeren, terwijl r<g aangeeft dat als er macro-economisch minder wordt gespaard, er direct meer geconsumeerd kan worden.

    Oplossingen

    Als sparen dan geen ramp is, zijn de oplossingen die Fransman voorstelt dan bijgevolg ook oplossingen voor een probleem dat er niet is? Niet helemaal, want Nederland spaart wel heel erg veel. Een handelsoverschot van 10% geeft aan dat we niet meer weten wat we met ons overtollige geld moeten doen. We sparen zo veel door de omvangrijke aanvullende pensioenregelingen in Nederland. Via die regelingen sparen de meeste Nederlanders gedwongen voor een pensioen bovenop de AOW. Met de pensioenen is iets vreemds aan de hand. Terwijl de AOW aan de laagstbetaalden een redelijk pensioen garandeert, vinden via de aanvullende pensioenen herverdelingen plaats van mensen met lage inkomens naar mensen met hoge inkomens. De oorzaak van die perverse herverdeling is de doorsnee premie (zie hier voor een uitleg).
    We sparen om een stelsel in stand te houden dat aan perverse herverdeling doet
    We sparen dus heel veel om een stelsel in stand te houden dat aan perverse herverdeling doet. Dat kan dus wel minder. Maar voor Robin Fransman is dit geen punt. Hij wil immers dat er zowel minder gespaard wordt als dat de schulden lager worden. Dus wil hij salderen (blz. 133-137). Hij wil dat mensen gedurende vijf jaar hun pensioenpremie mogen gebruiken om een deel van hun hypotheek af te lossen, op basis van vrijwilligheid. Voor rijke ouderen is dit een zeer onvoordelig voorstel, want zij krijgen een zeer groot rendement op hun pensioenpremie. Als ze slim zijn, zullen ze zeker niet meedoen. Arme jongeren en ouderen kunnen beter wel meedoen, want hun rendement op hun pensioenpremies is relatief laag. Dat betekent dan weer dat de doorsnee premie flink zal moeten stijgen om de pensioenen van de rijke ouderen (die niet meedoen aan de saldering) te blijven financieren. Kortom, dit salderingsvoorstel zou best wel eens tot hogere besparingen (want hogere premie) kunnen leiden. We zagen dat Fransman denkt dat r < g de ‘normale’ situatie is. Dat is inderdaad een situatie waarbij er op de langere termijn te veel gespaard wordt. Het is nogal eenvoudig voor de overheid om deze situatie te doorbreken. Als bijvoorbeeld de AOW verhoogd wordt of de AOW-leeftijd wordt verlaagd hoeven mensen minder te sparen om zelf voor hun pensioen te zorgen. Fransman wil echter de AOW-leeftijd verhogen. Als de pensioenleeftijd van 65 jaar voor de meeste mensen de gewenste pensioenleeftijd is, dan zal een verhoging van die leeftijd eerder tot meer sparen dan tot minder sparen leiden. Fransman weet dat (blz. 58), maar hij is er toch voor (blz. 155). Een groot deel van de andere oplossingen die Fransman voorstelt, hebben eerder te maken met stimuleringsmaatregelen op de korte termijn dan met het structureel verlagen van de besparingen. Daar valt bijvoorbeeld het voorstel onder om te stoppen met loonmatiging. Hoogstwaarschijnlijk zullen de bestedingen worden gestimuleerd, maar het leidt niet tot minder sparen op de langere termijn. Integendeel, als je je inkomen gelijktijdig wilt spreiden over je leven en je wordt rijker als je jong bent en werkt (maar niet als je oud bent), dan ga je meer sparen om er voor te zorgen dat je ook meer te besteden hebt als je oud bent. In het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenen zal een verhoging van de lonen automatisch leiden tot hogere pensioenclaims en dus ook hogere premies en bijgevolg hogere besparingen.

    Slot

    Nederland spaart te veel, daar kunnen we het over eens zijn, maar dat veel sparen ook tot veel private schulden leidt, is een stelling die Fransman wel suggereren, maar niet bewijzen kan. Zijn oplossingen zijn eerder gericht op het stimuleren van de bestedingen (monetaire verruiming, verhoging van netto lonen), en/of leiden niet zeker (of beter gezegd: zeker niet) tot een daling van de macro-economische besparingen (saldering van vermogen en schulden).   Harrie Verbon is hoogleraar Openbare Financiën en Sociale Zekerheid aan de Tilburg University

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Redactie

    Gevolgd door 135 leden

    Volg Redactie
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren