George van Houts en zijn theatergroep willen met hun burgerinitiatief dat de overheid gratis geld gaat uitgeven. Want dat is de oplossing voor al onze problemen. Onzinnig want welvaart zit niet in geld, betoogt Robin Fransman. Welvaart zit in echte economie van werken, produceren, investeren en innovatie.

    Beste George, De problemen waar we nu mee kampen - te hoge schulden, te lage investeringen - lossen we met een ander geldsysteem niet op. Wie leent gaat nou eenmaal een schuld aan. En geeft daarmee anderen een claim op zijn of haar productie. Een overheid die zelf geld schept legt daarmee een claim op de productie van haar burgers. Het is dan gewoon belasting via een omweg. Maar het lijkt ‘gratis’. Dat dachten ze in Zimbabwe ook. En in Weimar Duitsland. En in Servië. Hoge inflatie was het gevolg. Ik ben het met je eens dat de schulden te hoog zijn. En dus de vermogens ook. En dat dat de economische groei tegenhoudt en tot werkloosheid leidt. Maar daar gaat een ander geldsysteem niets aan doen. Welvaart zit niet in geld, maar in de echte economie. Wat wel echte oplossingen zijn staat hier. Speciaal voor George daarom een klein stukje uit mijn boek Sparen is geen Deugd:

    Functies van geld

    Op de middelbare school hebben velen van ons geleerd dat geld drie dingen is: 1. een opslag van waarde, 2. een ruilmiddel, 3. een rekeneenheid. Dat is allemaal maar half waar en vooral ook onvolledig. Als opslag van waarde functioneert geld maar in beperkte mate. We hebben immers te maken met inflatie. Wat we voor ons geld kunnen kopen over één, vijf of tien jaar, weten we niet. Dat geldt trouwens niet alleen voor geld. Er bestaan geen middelen om waardevast toekomstige koopkracht zeker te stellen. Dat is geen gevolg van het geldsysteem, maar een fundamenteel gevolg van hoe de wereld in elkaar zit. De toekomst is nu eenmaal onzeker. Of je je geld nu in euro’s, in goud, in onroerend goed, in kunst, in juwelen of in staatsobligaties steekt, je weet gewoon niet wat het in de toekomst waard is en wat je er dan voor kunt kopen. Toekomstzekerheid kopen kan niet. Op geen enkele manier.

    Ruilmiddel

    Als ruilmiddel is het daarom ook beperkt van waarde. Als geld in de loop van de tijd zijn waarde verliest of als die waarde in elk geval onzeker is, dan is het vanzelfsprekend ook niet het perfecte ruilmiddel. Ook als rekeneenheid heeft geld als gevolg van de inflatiebeperkingen. We moeten voortdurend uitrekenen wat de waarde van geld is, gecorrigeerd voor inflatie. We kennen het nominale bbp (in euro’s) en het reële bbp (gecorrigeerd voor inflatie en dus uitgedrukt in volume). We kennen de zekerheid van het nominale pensioen (in euro’s) en het geïndexeerde pensioen (uitgedrukt in koopkracht). Geld vervult dus wel al die functies, maar doet dat allemaal maar matig. En beter kan niet. Of je nu goud of schelpen of houtstokjes gebruikt, ze hebben allemaal dezelfde beperkingen. Dat kan ook niet anders, want we kunnen nu eenmaal niet in de toekomst kijken.   George van Houts in de uitzending van DWDD (13 januari) Maar, zeggen voorstanders van de goudstandaard dan, toen we nog goud gedekte valuta hadden, hadden we minder inflatie. Daar hebben ze een punt, maar ook toen hadden we lange periodes van lage groei, deflatie, werkloosheid en enorme ongelijkheid. Daar komt nog bij dat de inflatiestatistieken weinig betekenis hadden voor grote delen van de bevolking tot de 20ste eeuw. Hun inkomen hing niet af van hoeveel geld er binnenkwam, maar of het graan goed groeide en of de koeien en varkens een beetje goed wilden opgroeien zonder al te veel ziektes. En als het dan toch misging met de oogst, dan hadden ook de mensen met goud honger, want de goudstandaard verandert aan de basis niks. Als er geen of weinig productie is in de echte economie, dan wordt geld, in welke vorm dan ook, vanzelf minder waard.
    Geld is primair, vóór alles, schuld. Geld is Schuld. Overal en onder alle omstandigheden, wat je ook als geldmiddel gebruikt
    Tot zover de halve waarheden. Nu de onvolledigheid, want wat is geld namelijk nog meer? Geld is primair, vóór alles, schuld. Geld is Schuld. Overal en onder alle omstandigheden, wat je ook als geldmiddel gebruikt, ongeacht of dit goud of bijvoorbeeld houtstokjes zijn. Het betreft namelijk in alle gevallen een sociale constructie, bedacht door mensen, om te bepalen wie welk deel van de productie kan opeisen. Geld is daarmee altijd een schuld van mensen die produceren of bezittingen hebben, aan mensen met geld die die spullen willen kopen. In de praktijk zijn dat natuurlijk bijna alle volwassenen. Nagenoeg iedereen vervult beide rollen in de moderne samenleving. Geld is geen gebruiksartikel, maar een claim. Als je 1000 euro hebt, dan kun je ter waarde van die 1000 euro huidige productie of productiemiddelen aanschaffen. En dat gebeurt vrijwillig, niemand kan worden gedwongen zijn productie af te staan of zijn eigendommen te verkopen, behalve via de belastingen. Wie over veel geld beschikt, kan dus met recht zeggen, ‘de samenleving is mij veel verschuldigd’ en kan zich dus een groot deel van de beschikbare middelen toe-eigenen.

    Welvaart ligt besloten in productie

    Toch is dat minder scheef dan het lijkt. Immers, het prijsniveau staat niet van tevoren vast. Bij grote schaarste wordt het geld minder waard als je dat uitdrukt in koopkracht, maar bij een gelijke geldhoeveelheid (bijvoorbeeld onder een goudstandaard) blijft de claim van allen op de totale middelen wel even groot ten opzichte van elkaar. Als de geldhoeveelheid 1000 is en er zijn 500 pakken melk, dan kan iemand met 100 geld, 50 pakken melk of 10 procent van de productie krijgen. Daalt de melkproductie naar 100, dan daalt dat naar 10 pakken melk, maar dat is dan nog steeds 10 procent van de totale productie. Iemand is relatief even rijk, maar absoluut is het geen feest. De conclusie die je hieruit moet trekken, is de volgende: welvaart ligt niet besloten in de geldhoeveelheid, maar in de productie. Alleen in de feitelijke, actuele productie van middelen zit waarde. De waarde van geld is daarvan slechts een afgeleide. In dat verband wordt ook wel gesproken over de flow economy (de productie, verhandeling en consumptie van goederen en diensten) versus de stock economy (de wereld van geld, aandelen, obligaties, eigendomstitels). Wat de stock economy waard is, wordt louter en alleen bepaalt door de kwaliteit en kwantiteit van de flow economy.

    Schulden vereffenen

    De tweede functie van geld is dat we met geld ook schulden kunnen vereffenen. Je hebt geld in eerste aanleg helemaal niet nodig om een transactie te doen. Je kunt een winkel binnenlopen en een wasmachine bestellen zonder direct te betalen. Die wasmachine wordt bij je thuisgebracht, geïnstalleerd en de rekening volgt per post. Door geld over te maken vereffenen we onze schuld. We betalen elkaar dus met schuld. We dragen onze claim op de samenleving over op een ander, in ruil voor een goed of een dienst. En door onze eigen productie, als ZZP’er, als werknemer, als kapitaalverschaffer creëren we waarde. We voegen dus iets toe aan de maatschappij en verwerven zo een claim op de middelen van anderen in de vorm van loon, winst en rente. Geld is niet alleen schuld in functionele zin, maar ook letterlijk. We scheppen geld, en dat doen we door schulden te creëren. Als je naar een bank gaat voor een lening voor een auto, dan zeg je feitelijk tegen de maatschappij, geef mij een auto, in ruil daarvoor geef ik u een schuld op mij. Die zal ik terugbetalen door mijn toekomstige waardecreatie (gedeeltelijk) aan u over te dragen. Het is dan ook niet de bank die geld schept, maar het zijn vooral burgers en bedrijven die geld scheppen. Elke lening leidt zo tot geldcreatie.

    Wat is de rol van de bank?

    De rol van de bank is dat die toetst of iemand voldoende kredietwaardig is. Zij toetst of iemand voldoende toekomstige waardecreatiecapaciteit heeft, in de vorm van een arbeidsinkomen of een goed renderend bedrijf. Zij kijkt of er eventueel onderpand is als het misgaat met de waardecreatie, bijvoorbeeld door werkloosheid of faillissement. Pas als de bank haar goedkeuring geeft en de lening wordt gebruikt, ontstaat er geld. Wie een hypotheek neemt om een huis te kopen, maakt daarmee geld voor de verkoper. Het grote voordeel is de unanimiteit. Geld is als het ware schuld aan toonder in plaats van schuld op naam. In de 17de eeuw stonden hypotheken echt op naam. Wie bijvoorbeeld als jonge boer de boerderij van een oudere boer overnam, verstrekte de oudere boer een hypotheek waarin stond dat hij elk jaar een bepaald bedrag aan diegene zou overmaken. Dat was dan het pensioen van de oudere boer, een claim op de productie van anderen. In feite is er niets veranderd, het is alleen anoniem, en overdraagbaar, gemaakt. Het is dus niet de bank die geld maakt. Dat doen wij met z’n allen: burgers en ondernemingen die schulden maken. Maar ook de overheid kan geld scheppen, als staatsobligaties door banken worden gekocht, wordt er ook geld geschapen. Het geldscheppingsproces is dan ook geheel gedemocratiseerd. Iedereen kan eraan meedoen.
    'Het is dus niet de bank die geld maakt. Dat doen wij met z’n allen: burgers en ondernemingen die schulden maken'
    Ten slotte kan ook DNB geld scheppen, maar dat gebeurt maar heel zelden. Als een centrale bank door aankopen van obligaties en andere schuldpapieren geld in het systeem stopt, dan neemt weliswaar de geldhoeveelheid toe, maar worden er geen nieuwe schulden geschapen. Dat is het zogenoemde Quantitive Easing of QE, zoals dat in het Verenigd Koninkrijk (VK), de Verenigde Staten (VS) en Japan de laatste jaren veelvuldig is toegepast. Er vindt als het ware conversie plaats van het ene type geld/schuld, namelijk obligaties, naar een ander type geld/reserves/banktegoeden. Echt nieuwe schulden kan een centrale bank scheppen door direct van de overheid staatsobligaties te kopen (die dan vertaald worden naar banktegoeden van burgers en bedrijven, zodra de staat dat geld uitgeeft), of door direct geld te storten op rekeningen van burgers. Ook kan een centrale bank theoretisch besluiten dat de door haar gekochte obligaties niet meer hoeven te worden terugbetaald. De centrale bank krijgt dan een negatief eigen vermogen, maar omdat ze haar eigen geld kan scheppen is dat niet erg. Die laatste drie vormen van geldschepping door centrale banken zijn zeer zeldzaam en in de eurozone verboden. Meestal veroorzaken ze namelijk hyperinflatie en ze zijn daarom onwenselijk.

    Lening leidt tot ontstaan deposito

    Geldschepping hangt dus niet - zoals vaak wordt gedacht - samen met de beslissing van mensen om hun geld te sparen in plaats van uit te geven, waarbij de bank het gespaarde geld vervolgens aan anderen uitleent. Banken zijn namelijk niet slechts bemiddelaars tussen sparen en lenen. In werkelijkheid leidt het verstrekken van een lening door een bank tot het ontstaan van een deposito. Met één druk op de knop creëert een bank aan de bezittingenkant van zijn balans een lening, terwijl er tegelijkertijd aan de schuldenkant een geldbedrag op een bankrekening ontstaat dat net zo hoog is. Dus George, het nieuwe geld, een claim op ons allemaal, is daarmee gedekt door de belofte van een individu, of een bedrijf om diezelfde hoeveelheid te produceren. Iedereen kan zo geld scheppen. Eigenlijk heel democratisch. En eerlijk ook. Stel je voor dat de overheid dat zelf gaat doen. Ze maakt dan claims op ons allemaal, maar waarmee dekt ze die claims?
    Over de auteur

    Robin Fransman

    De dwarse denker Robin Fransman was jarenlang adjunct-directeur bij Holland Financial Centre (HFC). Daarvoor werkte hij onder...

    Lees meer

    Volg deze columnist
    Dit artikel zit in het dossier

    Van wie is ons geld?

    Gevolgd door 614 leden

    Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunne...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid