FC Groningen tijdens de Eredivisie-wedstrijd tegen ADO Den Haag, 26 januari 2021
© ANP / Cor Lasker

Sportfilosoof Sandra Meeuwsen: ‘Sport is een soort dekmantel die misstanden legitimeert’

1 Connectie

Onderwerpen

Sport
8 Bijdragen

Sportfilosoof Sandra Meeuwsen promoveerde afgelopen september aan de Vrije Universiteit Brussel op het proefschrift ‘Kritiek van de sportieve rede: een filosofische archeologie van de moderne sport’. Ze constateert daarin dat het spel bijna geheel uit de sport is verdwenen. Maar: ‘Zelfs de meest corrupte bestuurder zal in de derde helft fluisteren: het is zo’n mooi spelletje.’

Op een deurtje van de servieskast in de woonkeuken hangt een sportfoto van haar. Eén been op de grond, het andere in de lucht. Blauw mouwloos shirt, nummer op de borst gespeld, blik op de weg. De foto dateert van iets meer dan tien jaar geleden, toen sportfilosoof Sandra Meeuwsen (1966) soms nog deelnam aan een triatlon. ‘Een aandenken,’ zegt ze. ‘Om mezelf eraan te herinneren dat sport soms ook leuk was.’

Meeuwsen is geboren op Curaçao, haar ouders gaven les op een basisschool. Toen ze 3 was, verhuisde het gezin weer naar Nederland. ‘Voor mijn ouders was Curaçao het paradijs. Dat ging verloren door terug te gaan naar Nederland. Paradise lost. Het hele gezin raakte in een neerwaartse spiraal. Ik was de jongste, hing ondersteboven in bomen, maar had wel in de gaten dat er rouw of gemis was. Dat uitte zich bij iedereen verschillend.’

‘Ik ben het huis uitgelopen, letterlijk. Naar een andere wereld toegegaan’

Tijdens haar studie filosofie aan de Radboud Universiteit ontdekt Meeuwsen de atletiek. ‘Ik ben het huis uitgelopen, letterlijk. Naar een andere wereld toegegaan.’ Dat was de wereld van de 800 en 3.000 meter op de baan. Ze had talent, zagen mensen die het konden weten. ‘In de sport kreeg ik wel erkenning, wel aandacht. Daardoor kwam ik in een andere fase van volwassenwording terecht.’ Atletiek bleek het net te zijn waardoor Meeuwsen werd opgevangen.

Maar het trainingsregime was streng, vakanties bestonden niet. Op 25-jarige leeftijd werkt ze toe naar een nieuw wedstrijdseizoen. ‘Toch wilde ik graag op zomervakantie. Dus ik ging op zoek naar iets op hoogte, dan maakt je lichaam meer rode bloedcellen aan. Zo was weggaan ook functioneel.’ Ze gaat bergklimmen in Oostenrijk.

Toen was daar die steenlawine, tijdens een klim op een gletsjer. ‘Mijn been was in gruzelementen, een bijna-dood-ervaring. Ik weet nog dat ik door een helikopter naar het ziekenhuis werd gebracht en zei: voorzichtig, Ich bin Läuferin, ik ben atleet. Want dat was alles voor mij. Als ik niet meer zou kunnen lopen, wie was ik dan nog?’

In uw proefschrift schrijft u dat het zwaar is voor een sporter om afscheid te nemen van zijn of haar identiteit.

‘Ja, er was ook gelijk paniek. Eerder had ik wel blessures gehad, maar dan ben je daarna ook bezig weer te herstellen. Ik was door die beenbreuk echt geestelijk de weg kwijt. Dat heeft bij mij een proces van bewustwording op gang gebracht: hoe kan het dat iets zo belangrijk voor je wordt? Wie ben ik nog meer, behalve sportvrouw?’

Ging u daardoor voor het eerst nadenken over sport?

‘Nou, ik werd steeds beter, won soms een wedstrijd. Maar ik kon daar helemaal niet van genieten. Dan stond ik op het erepodium en kon ik het het succes eigenlijk niet ondergaan. Dat heeft mij toen aan het denken gezet – of beter gezegd: aan het voelen.’

Na de beenbreuk volgde de revalidatie met veel zwemmen en fietsen. Hardlopen kon pas later. ‘Je moet eerst weer leren wandelen en belasten. Toen dacht ik: als ik nu toch zwem en fiets, wil ik proberen een triatlon te doen. Dat ging meteen goed, ik bleek talent voor de combinatie te hebben. Het is een specifiek talent: je moet je snel kunnen aanpassen, geen kramp krijgen in je kuiten of hamstrings. In Nederland heb ik de subtop gehaald.’

"Ik wilde transparantie en meetbare criteria. Ik wilde naar benchmarken"

Als ze na zes jaar haar plafond bereikt heeft, besluit ze te stoppen. Meeuwsen is dan al werkzaam als beleidsmedewerker bij sportkoepel NOC*NSF. ‘Dat was een behoorlijke tegenstelling met mijn studie filosofie. Bij het NOC*NSF geldt: niet lullen maar poetsen. Ik kwam er als absolute believer, een totale liefhebber van de sport. Binnen no time kwam ik erachter dat er heel andere krachten de dienst uitmaakten.’

Zoals?

‘Er was een scherpe tegenstelling tussen wat we zo mooi vinden aan sport, en wat we ook graag in de etalage zetten: gezondheid, vorming, sociale cohesie, integratie. Bij het NOC*NSF zat ik in een omgeving waarin dat werd aangestuurd en gefaciliteerd, maar achter de schermen vochten we elkaar de tent uit. Ik werd een hypermacho-strijdperk in getrokken, belandde in een toneelstuk waarin ik geen rol wilde. Want ik was juist gaan sporten om te leren voelen. Vervolgens ging ik beleidsmatig aan de slag in de sport en moest ik mijn gevoel uitschakelen om te kunnen winnen. Bijvoorbeeld in de bestuurskamer. Daar stond een koelkast met sterke drank die elke middag werd genuttigd. De spanningsvelden konden niet heviger zijn.’

Waar ging die strijd over?

‘Over macht. Wie heeft het laatste woord? Ik werd midden jaren ’90 aangenomen, er was een sterk maakbaarheidsideaal. Het verdelen van sportmiddelen zou belegd worden bij het NOC*NSF. Ik moest de grondslagen voor een financieringsverhouding ontwerpen, als filosoof. Ik vond dat bijzonder, voelde sterk de drang om het anders te doen dan gebruikelijk was. Die grenzen zocht ik ook op. Ik wilde transparantie en meetbare criteria. Ik wilde naar benchmarken.

Ik dacht dat ik wel even het tij kon keren. Maar het NOC*NSF is een oceaanstomer, een logge, bureaucratische organisatie

Maar de toenmalige sportbestuurders wilden gewoon een vetorecht aan de top, vrij spel. Die zeiden: ho, wacht even, dit soort beslissingen maken wij, aan de bar. Die vrijheid willen we houden, want het gaat ook over wie we het gunnen. Jong en naïef als ik was kon ik me daartegen niet goed verweren. Binnen een jaar was ik overspannen. Ik dacht dat ik wel even het tij zou keren. Maar het NOC*NSF is een soort oceaanstomer, een grote, logge, bureaucratische organisatie die al decennia meegaat. Dan kom je daar als twintiger met vragen die niemand wil stellen. Ik kreeg te maken met de corrigerende werking van het systeem en werd uitgesloten. Terwijl ik juist zo verlangde erbij te mogen horen.’

Verlangen is de motor van de sport, schrijft u in uw proefschrift.

‘Klopt. Het grappige is dat eigenlijk iedereen die in de sport gaat werken, naar verbinding verlangt. Zelfs de meest corrupte bestuurder zal in de derde helft fluisteren: ‘het is zo’n mooi spelletje’ of ‘ik heb ervan genoten’. Dat fascineert me, dat dat er nog altijd is. Terwijl mensen totaal de weg kunnen kwijtraken – daar wilde ik tijdens mijn onderzoek induiken. Dat wilde ik al toen ik bij het NOC*NSF werkte. Maar daar had ik te maken met allerlei interne krachten, de consequenties waren niet te overzien. Ik kreeg te horen dat na zo’n onderzoek er zeker iemands kop af zou gaan. Het leek alsof er een geheim bestond waar het niet over mocht gaan.’

En dat was?

‘Dat het er geen pais en vree was. En dat er een paradox zit, een spanning, tussen hoe de sport zich profileert en wat er in werkelijkheid plaatsvindt.’

"De sport vindt zichzelf heel belangrijk, belangrijker dan de rest. Dat is in strijd met haar claim op een maatschappelijke rol"

U geeft in uw proefschrift geen oordelen. Waarom niet?

‘Dat doe ik vanuit immanentie, een term die teruggaat naar Spinoza. Hij keerde zich tegen het geloof, en benaderde het leven vanuit de natuur als ervaring die alles omvat. Dat is wat ik heb willen doen: alles omvatten, die excessieve kant van de sport insluiten en hem niet als wezensvreemd afschilderen. Volgens mij is dat de enige manier om vooruitgang te boeken. Of dat helemaal is gelukt, weet ik niet. Het zal een continu proces zijn.

Ik heb een andere beweging willen maken dan de reflex die ik aanvankelijk had, namelijk de sport veroordelen en haar onderuithalen. Wanneer je de sport demoniseert, kom je volgens mij niet verder. Dat is olie op het vuur: het voedt juist de uitzonderingspositie die de sport inneemt. Het is altijd “wij” tegen “de rest”. De sport heeft een eigen wereldje gecreëerd met wetgeving, opleidingen en een uitzonderingspositie.

De sport vindt zichzelf heel belangrijk, belangrijker dan de rest. Dat is in strijd met haar claim op een maatschappelijke rol. Ik heb vanuit een grotere beweging de excessen in de sport willen insluiten, zonder dat ik die goedkeur.’

Over excessen als seksueel misbruik en matchfixing schrijft u dat ‘sportbestuurders hun machtspositie legitimeren vanuit de eigen oorspronkelijke, zuivere sportervaring als atleet of speler’. Dat valt lastig goed te keuren.

‘Elke sportbestuurder zal zichzelf integer noemen, ook Sepp Blatter, de oud-voorzitter van wereldvoetbalbond FIFA, die zich op kosten van de bond zou hebben verrijkt. Dat heeft met hun intentie te maken. Ze achten hun bedoeling goed: ze werken immers ten dienste van anderen, houden ze zichzelf voor. Maar integriteit is altijd wederkerig: naast je individuele perceptie is er die van de omgeving, de externe toets. Dat laatste ontbreekt bij veel sportbestuurders.’

Moet dat veranderen?

‘Zeker. Sport moet uit zijn bubbel komen. De bubbel is een recept voor corruptie.’

Hoe ziet u dat voor zich?

‘Dat zal een ongekende hygiëneslag worden. Er zal veel verloren gaan, zeker geredeneerd vanuit de gevestigde orde. Het is immers heerlijk om alles aan de bar te regelen. Dat geeft ook een soort comfort.’

"Je mag best zeggen dat er in het turnen slechte dingen gebeuren, maar vervolgens moet je ze prijzen dat ze nu goed op weg zijn"

Moet elke sportbestuurder op straat worden geschopt?

‘Nee, dat is van buitenaf. Deze processen vinden nu steeds meer van binnenuit plaats. Mogelijk geeft deze pandemie een versnelling. Er is een enorm gevoel van urgentie, denk aan het klimaat en Black Lives Matter. Er zijn altijd voorlopers, die eerder bereid zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen. Die zijn er ook in de sport. Dus ik ben best hoopvol dat een nieuwe generatie de praktijken van het verleden niet accepteert.’

Vorig jaar bleek dat trainers in de turnwereld hun pupillen op grote schaal intimideren en vernederen. De bestuurders lijken het lastig te vinden hun verantwoordelijkheid te nemen. Hoe verklaart u dat?

‘Ik denk dat ze altijd het gevoel hadden integer te zijn. En er heerst een groot taboe op het uiten van aarzeling en overschrijding. Dat heb ik zelf ook ervaren. Toen mijn proefschrift uitkwam, speelde het turnschandaal en het was een akelige illustratie van mijn betoog. Natuurlijk werd ik om commentaar gevraagd, ik heb daar links en rechts best pittige dingen over gezegd. Maar dat bleek te veel.

‘Ik dacht steeds: als ik publiceer hoe het zit in de sport, hoe de sport zichzelf tegenwerkt en saboteert, dan gaat mijn kop eraf’

Vanuit de turnwereld werd er een appèl op mij gedaan: houd je mond, niet zo. Dat geeft aan hoe sterk dat taboe is. Ook mensen die erbuiten staan, en zelfs de journalisten die de schandalen naar buiten hebben gebracht, staan continu onder druk om politiek correct te blijven. Je mag best zeggen dat er in het turnen slechte dingen gebeuren, maar vervolgens moet je ze prijzen dat er nu een beter pedagogisch klimaat komt en dat ze goed op weg zijn. Het mag geen bedreiging vormen.

Mijn onderzoek is in vier, vijf jaar tot stand gekomen. Daarnaast deed ik allerlei interimopdrachten in de sport, onder meer bij de gemeente Dordrecht. Daar viel me op dat ik bijna elk weekend werd gebeld over een sportkwestie: een kopstootaffaire, illegale gokpraktijken of ondermijning. Het ging maar door. Intussen was ik doordeweeks bezig met mooie, maatschappelijke projecten. Die tegenstelling was schrijnend. Ik kreeg er zoveel moeite mee dat ik mijn proefschrift zelfs niet meer wilde uitbrengen. Ik dacht steeds: als ik publiceer hoe het zit in de sport, hoe de sport zichzelf tegenwerkt en saboteert, dan gaat mijn kop eraf.’

Denkt u dat die twee, de excessen en de maatschappelijke projecten, elkaar nodig hebben?

‘Ja, dat zijn krachten in elke samenleving. Het gaat om een gezonde balans, een corrigerende balans. Maar die ontbreekt nu volledig. Ik zeg wel dat de sport volledig gesacreerd is geraakt, het past in een nuttigheidsprogramma. Er worden allerlei externe doelen aan de sport gekoppeld. Dan is het weer gezondheid, en als de Spelen doorgaan, is het de glorie van Oranje. Terwijl die conflicteren met het plezier, omdat er zulke dwingende eisen worden gesteld aan sporters – zelfs zo dat jonge kinderen hun lichaam kapotmaken ten dienste van het turnen. Het doel heiligt dan alle middelen.

"Juist in een omgeving waarvan we vinden dat het intieme er niet mag zijn, is het volop aanwezig"

Uw proefschrift bestaat uit drie delen: sport als spel, als seks en als strijd. 

‘Ik ben begonnen vanuit de vraag hoe bepalend verlangen is voor sport. In de psychoanalyse wordt verlangen gezien als een gemis, dat was ook voor de sport een goed uitgangspunt. Het deel over sport als seks heb ik als eerste geschreven. Daar zit mijn fascinatie. Ik denk dat misdragingen voortkomen uit dingen die we niet mogen willen, zoals een volledige expressie. Je gaat sporten om je lichaam te leren kennen en jezelf uit te dagen, in alle opzichten, en dan beland je in een praktijk waarin allerlei regels en beperkingen gelden. Dat levert direct spanning op.

Zoals ik het zie, zijn er twee polen. Of we definiëren sport als een onschuldig, plezierig spel waarin het lichaam zich bevrijdt. In de praktijk is dat helaas vaak een dekmantel die misstanden legitimeert. Of we vinden dat sport je leert strijden. Voetbal is oorlog. In de voetballerij hoor je er pas bij als je een agressieve speelstijl hebt. Anders hoor je bij de patatgeneratie. Strijd is de norm.

Dat zijn de twee uitersten, en daaronder is de dynamiek van het verlangen werkzaam: sport als seks. Dat maakt bijvoorbeeld dat je als voetballer tot het gaatje gaat, maar wel roze schoenen dragen en in de kleedkamer geniet van het samenzijn met mannen. Daar zit een raar, geheim spanningsveld. Je ziet het ook in het wielrennen. Je berijdt letterlijk de fiets. Vroeger gingen die mannen samen vissen, nu fietsen. Onder het mom van ‘thuis is het niet te halen’. Juist in een omgeving waarvan we vinden dat het intieme er niet mag zijn, is het volop aanwezig.

In sport zit een gekke spanning tussen grenzen stellen en die zo nu en dan overschrijden’

Het gevoel, emotie, kwetsbaarheid – dat mag je allemaal niet uiten. Tegelijkertijd is er een doorgeschoten vorm van uiting. Neem Cristiano Ronaldo. Enerzijds is hij een enorme macho, anderzijds weten we uit verhalen dat hij zo nu en dan seksuele ontmoetingen met mannen zou hebben. Diverse vrienden van me vallen op mannen. Ze hebben niets met voetbal, maar volgen Ronaldo wel. Diep in de voetballerij zit kennelijk een praktijk die eigenlijk verboden is. Dat is wat ik bedoel met sport als seks.’

Verboden?

‘Als omerta: iets waarover je strikt zwijgt, op straffe van uitsluiting. Dan moet je niet verrast zijn dat er af en toe vreemde uitspattingen zijn. We hebben een schizoïde verhouding tot lichamelijkheid: je moet je lichaam leren gebruiken, maar je mag het niet ten volle etaleren. Die tweeledigheid heb ik bloot willen leggen; noem het een dubbele moraal.

U memoreert dat een op de acht sporters met grensoverschrijdend gedrag te maken krijgt en 20 procent met seksuele intimidatie. 

‘Erg, he? Dat zijn die uitspattingen. Sporten ontlaadt en neemt grenzen weg. Sport biedt ergens ook een vrijbrief om zulk gedrag te vertonen. Er zit een gekke spanning tussen grenzen stellen en die zo nu en dan overschrijden. Al is het maar vanuit puur fysiologisch perspectief: sporters worden beter door zo nu en dan hun grenzen op te rekken. Maar ze zitten ook in hun sport opgesloten doordat er zoveel niet mag. Seksueel grensoverschrijdend gedrag, zoals in het turnen gebeurt, is daar een resultante van. Een hoogst ongewenst neveneffect.’

"Ik zie het als mijn ethische opdracht om meedogenloos te benoemen waar de sport zichzelf in de voet schiet"

Wat betreft sport als spel schrijft u: ‘Sport is allang geen onschuldig, bevrijdend spel meer. Homo Ludens is een dekmantel voor de prestatiegerichtheid en de technocratie die de moderne sport bepalen. Het is een camouflage.’ Heeft de sport het spel vermoord?

‘Omwille van de retoriek heb ik zaken aangezet, ook om de boel op te schudden. Tijdens de verdediging van mijn proefschrift zei ik: het spel is nooit verdwenen uit de sport. Het is niet zwart/wit. Dat is vermoedelijk juist de kracht van sport: dat het spel altijd wil overwinnen. Neem Arjen Robben die weer wil voetballen. Die man heeft alles gedaan wat je maar kunt verzinnen. Vervolgens zie je hem als een kind genieten van een bal hooghouden tijdens de warming-up. Spel is de bron van zijn derde helft, lijkt het.’

U verbindt het organiseren van de moderne sport met de teloorgang van plezier. Helden worden ook geboren doordat we sport organiseren. Zou een sporter die een gouden medaille wint op de Spelen daar geen plezier aan beleven?

‘Het een sluit het ander niet uit.’

Zouden we dan de organisatiestructuur van de sport moeten loslaten?

‘Ik sta regelmatig in contact met het 3-tegen-3 basketbal, de urban variant. Ik kijk graag mee hoe zij het proberen te organiseren. Daar is geen top down-bestuur met bestuurders die ver van de praktijk staan. Nee, dat doen de spelers zelf. En deelnemers uit ‘lastige wijken’ worden opgeleid tot trainers.’

Als één sport strak is georganiseerd, is het voetbal. Hoe kan die sport van zijn organisatie worden ontdaan?

‘Ik ben pas weer gaan genieten toen ik na twaalf jaar vertrok bij het NOC*NSF’

‘Dat is een langdurig proces, juist omdat voetbal zo ver is geëvolueerd en gebureaucratiseerd. Dat begint zeker niet bij de FIFA, eerder bij lokale verenigingen of op Cruyff Courts. Ik zie dat meer als een bottom up-proces. Maar de FIFA zal alles proberen om als instituut overeind te blijven.’

De vraag die Huizinga in zijn boek Homo Ludens centraal stelde, is hoe de massa kan worden beteugeld, terwijl de cultuur behouden blijft. Dat lijkt ook buiten de sport een actueel vraagstuk.

‘In de samenleving is zoveel turbulentie, beweging, zo’n versnelling. Alle systemen waarin het verdienmodel voorop is komen te staan, vertonen barsten en scheuren. Cultuur, sport, onderwijs, zorg. Wel of geen Olympische Spelen, sporters die stoppen. Maar je ziet het ook in de zorg. Wat is belangrijker: individuele gezondheid of sociale gezondheid? Ik denk inderdaad dat onze westerse moderniteit ter discussie staat en in beweging is naar een nieuwe fase. Ik probeer daar niet pessimistisch over te zijn.’

Zo voelt uw proefschrift wel.

‘Mijn confrontatie met de keerzijde van de sportorganisatie heeft ertoe geleid dat ik mijn plezier in de sport ben verloren. De bureaucratie heeft het kapotgemaakt. Ik ben pas weer gaan genieten toen ik na twaalf jaar vertrok bij het NOC*NSF. Het plezier kwam terug, sport werd weer spel. Ik ga nu elke dag het bos in om te genieten van dat spelen. Ik zie het als mijn ethische opdracht om meedogenloos te benoemen waar de sport zichzelf in de voet schiet. Mijn proefschrift is vooral een waarschuwing.’

Sandra Meeuwsen

Sandra Meeuwsen (Curaçao, 1966) studeerde filosofie aan de Radboud Universiteit (1984-1990) Tegelijkertijd maakte ze kennis met de baanatletiek. Vanaf 1992 werd zij actief in de triatlon, waar ze meerdere top-10 prestaties noteerde. 

Meeuwsen werkte vervolgens als beleidsprofessional in de sport, eerst bij het NOC*NSF en later voor landelijke beleidspartners, sportfederaties, gemeenten, sportbedrijven, provincies en ministeries. Daarnaast doceert ze wetenschapsfilosofie binnen de Master Strategy & Leadership (AOG School of Management) en de Executive MBA Sports & Health aan de Wagner Graduate School in Groningen. In 2020 promoveerde Meeuwsen met haar proefschrift Kritiek van de sportieve rede, een filosofische archeologie van de moderne sport aan de Vrije Universiteit Brussel.

Lees verder Inklappen
Pepijn Keppel
Pepijn Keppel
Journalist, schrijver, voormalig tophockeyer. Jaagde als verdediger op spitsen, nu op misstanden in de sport.
Gevolgd door 137 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren