Spreken waar geen taal is

2 Connecties

Onderwerpen

W.f. hermans

Werkvelden

Economie
1 Bijdragen

Wat vond W.F. Hermans, volgens sommigen Nederlands grootste schrijver, van de economische wetenschap?

Economen hebben niets van Popper en nog minder van Wittgenstein begrepen. Anders zouden ze geen econoom geworden zijn. Dat is –kort samengevat- de visie van W.F. Hermans op de economische wetenschap. 
 
Hermans wetenschapsfilosofie
Menig essay heeft Hermans gewijd aan de wetenschapsfilosofie, aan de verzameling van alle pogingen vast te stellen wat wij weten kunnen. En wat wij derhalve vragen mogen. Wiskunde en natuurkunde waren daarbij de aambeelden waarop Hermans niet moe werd te slaan. En het waren de sociale wetenschappen die het ontgelden moesten. Dat was niets meer dan speculatie, kletsica en retorica; het domein van praatjesmakers die hun weg naar congressen en de zakken van de belastingbetaler wel, maar de weg naar de waarheid nooit vinden weten. Dat was het kamp van de vijanden van de waarheid, en –daarmee- het kamp van de vijanden van Willem Frederik Hermans.  
 
In de jaren ’60 bleef de economie in ‘het Sadistisch Universum’ ongenoemd, maar, zo moet terugblikkend vastgesteld worden, daarmee nog niet buiten schot. Want enkele passages uit de jaren ’80 in Klaas kwam niet’ en ‘Malle Hugo’ laten geen andere conclusie toe, ook de economie deugde ín zijn ogen niet. 
 
Voor de goede orde, Hermans zijn kritiek heeft niets te maken met de na afloop van een seminar onder het genot van een drankje zo gemoedelijk gevoerde discussie of een bepaalde aanname realistisch is, of een zeker model goed gespecificeerd is, of we wel naar de juiste toets gekeken hebben. Zijn kritiek impliceert dat die seminars zelf zinledig zijn.
 
Wittgensteins invloed
Als Hermans een held heeft, dan is dat Wittgenstein. In het Sadistisch Universum bespreekt hij hem uitgebreid; om er in latere jaren op terug te blijven komen. Zonder veel toe te voegen, maar dat was geheel in de geest van Wittgenstein zelf; die meende alles gezegd te hebben wat er redelijkerwijs te zeggen viel. Wetenschap is eigenlijk vooral een kwestie van weten wat je niet zeggen kunt. En dat dan ook niet zeggen. 
 
Wittgenstein's principe is simpel, de gevolgen evenwel maar nauwelijks te overzien en in ieder geval nimmer nageleefd. Een voorbeeld: binnen de wiskunde is de stelling dat er een oneindig aantal priemgetallen is, bewijsbaar waar. De stelling dat er een eindig aantal is, is -bij gevolg- onwaar. De stelling dat priemgetallen blauw zijn, is evenwel noch waar noch onwaar: het is onlogisch. En de vraag of iets onlogisch bestaat, is onzinnig. Er valt niets over te zeggen zolang het begrip blauw geen deel uitmaakt van een axiomatisch systeem.
 
Precies hetzelfde geldt voor de uitspraak dat de Verlichting de Franse Revolutie baarde, dat globalisering tot individualisering leidt, of dat een lager minimumloon de werkgelegenheid bevordert. Over moraal, ethiek en religie maar ook over politiek, geschiedenis en economie, valt niets te zeggen. Niet eens dat het onwaar is. Daarvoor geldt Wittgenstein zijn beroemde uitspraak: ‘waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’. Dat zwijgen moet letterlijk genomen worden: wie de spijker niet op de kop slaat, moet verzocht worden helemaal niet te slaan. 
 
Ludwig Wittgenstein (1889-1951)
 
Deze kritiek geldt de hele theoretische economie. Zo kan het werkgelegenheidseffect van verlaging van het minimumloon worden nagegaan in verschillende arbeidsmarktmodellen. Maar verschillende modellen voorspellen precies het tegenovergestelde. Al naar gelang men wel of niet volledige concurrentie, perfecte informatie of monopsonie (een markt met één vrager) veronderstelt, heeft het werkgelegenheidsbevorderende of -verlagende effecten. Hetzelfde geldt –wat beleidsmakers daar ook over beweren mogen- voor andere arbeidsmarktflexibiliseringen of de vraag of overheidsuitgaven tot hogere groei leidt. Larry Summers vermoedde dan ook een metastelling dat elk beleid aan te bevelen valt op grond van een model van nutmaximaliserende agenten. 
 
Hoe ook, de vraag welk model in een gegeven situatie toepasbaar is, valt niet te beantwoorden door het model zelf en ook niet door enig ander formeel argument. Dat moet besloten worden in een niet formeel te voeren discussie, de uitkomst waarvan bepaald wordt door persuasie, bluf en, dus, willekeur. Hermans smaalt in ‘Malle Hugo’ dan ook dat ‘de economie een terrein is waar de geleerden elkaar kunnen tegenspreken zonder de vrees zodoende nooit een Nobelprijs te zullen krijgen’. 
 
Het feit dat economen zich van wiskunde bedienen, verandert de kern van de zaak daarbij geenszins. Binnen een model kan men het bestaan van evenwichten bewijzen, maar de toepassing van een model kan nooit bewezen worden. En in de economie gaat het per definitie om de toepassing, om de vraag welk arbeidsmarktmodel wanneer toepasbaar is. Als het daar niet om ging, dan zou het wiskunde zijn. Daar gaat de kritiek inderdaad niet langer op. Economie kan alleen de kritiek ontlopen door iets anders te worden, namelijk een franchise van de wiskunde.  
 
Verdedigingslinies
De door sociale wetenschappers massaal betrokken verdedigingslinie dat theoretische modellen zorgen voor 'intuïtie' en ‘gedisciplineerd denken’ is daarbij niets anders dan door holle vaten op hun kop gehangen verkeersborden richting de waarheid, die ons de illusie geven de waarheid te naderen, terwijl we er van wegdrijven. Wishful thinking. Of liever, het volledig ontbreken van enig zindelijk denken. Theorie is een heilig verklaarde fopspeen.
 
Indien economen er in een artikel theoretisch niet uitkomen, als de resultaten -zoals dat dan heet- ‘ambigious’ zijn, dan kan men er zeker van zijn binnen dezelfde alinea op de zinsnede te stuiten dat de toepasbaarheid van het model een empirische vraag is en dat verder onderzoek absoluut noodzakelijk is. En wellicht mag men inderdaad ook wel hopen dat statistiek en econometrie uitkomst bieden. Theorie is er wellicht slechts voor het expliciteren van de vragen, data moeten het antwoord op die vragen geven. 
 
Zelfs voor Hermans is dat geen gekke gedachte. Want voor de fysica maakte Hermans een uitzondering op de regel dat men zwijgen moet over alles waarover men niet spreken kan. Strictu sensu geldt dit principe immers ook voor de fysica. Natuurkundige wetten worden feitelijk niet bewezen doordat zij overeenkomen met de werkelijkheid (experimentele gegevens); zij zijn een meer of minder geslaagde (wiskundige) descriptie van de werkelijkheid. Bewijzen kan men immers nog altijd alleen iets in een logisch systeem. Buiten de logica is alles paranoia, althans volgens Hermans.
 
Wel moest men de natuur beschrijven alsof zij logisch is, op straffe van het helemaal niet te doen. In tegenstelling tot de sociale wetenschappen levert dat namelijk ook wat op. Want, en dat is cruciaal, het is de natuurkunde gelukt om wiskundige wetten te formuleren die daadwerkelijk empirische regelmatigheden beschrijven en voorspellen. Als in de natuurkunde iets duidelijk is, dan wil dat ook eigenlijk alleen maar zeggen dat je er iets mee kan.
 
Niet-experimentele economie
In de economie daarentegen is elke hoop regelmatigheden te voorspellen, ijdel. Dat is een direct gevolg van het in een bijzin van de inleiding van econometrieboeken weggestopte gegeven dat economie een niet-experimentele studie is. Wat het dan wel is? Een historische studie. Hermans zegt daarover in ‘Klaas kwam niet’: ‘het falsificatieprincipe brengt mijns inziens mee dat alle wetenschappelijke theorieën die op historische gegevens zijn gebaseerd, moeilijk gefalsificeerd kunnen worden en dus nauwelijks wetenschappelijke waarde kunnen hebben, aangezien geen zekerheid kan worden verkregen dat zij overeenkomen met de werkelijkheid.’ Verderop voegt hij toe ‘Economische toestanden en sociologische situaties zijn historisch, en soortgelijke bezwaren als die welke ten opzichte van de geschiedschrijving gelden, kunnen dus ook tegen deze wetenschappen worden ingebracht’. 
 
Het gebruik van geavanceerde econometrische modellen en de bezweringsformule ceteris paribus (‘al het andere gelijk’) veranderen die zaak niet. Men kan op grond van historische gegevens van alles beweren omdat er geen herhaalbaar, identiek experiment is dat het tegendeel aantonen kan. Zo blijkt het mogelijk om op grond van dezelfde gegevens te betogen dat in New Jersey in 1992 een lager minimumloon een verhogend (Card en Krueger) en een verlagend effect had (Neumark en Wascher). Welk model te verkiezen valt wederom niet te bepalen op formele gronden. En Leamer liet in 1983 in de American Economic Review zien dat dezelfde gegevens, afhankelijk van het model, zowel een positief als een negatief verband tussen de doodstraf en criminaliteit ondersteunt. De wet van Philips, een afruil tussen werkloosheid en inflatie, werd in de jaren ’70 ontkracht door het verschijnsel stagflatie. Weersproken door de voortschrijdende tijd, bleek het geen wet. Het was geen empirische regelmatigheid, zoals in de fysica. Wat was het dan wel? Het bleek een historische descriptie. De wet van Philips beschreef niet het verband tussen werkloosheid en inflatie maar beschreef de jaren’60, zoals een historicus de Franse Revolutie beschrijft. 
 
Sociale fysica af
En daarmee valt definitief het doek. Economie kan de fysica helemaal niet navolgen, ook al lijken sommige economen te menen van wel. Fysica staat, samen met de wiskunde uiteraard, op eenzame hoogte. Ze zijn zeker geen panacee, zij kunnen veel vragen niet oplossen maar enkele wel, en dat is beter dan helemaal niets kunnen. Terwijl scribenten, politici en sociale wetenschappers een eind weg kletsen over waarheid, vooruitgang, arbeidsmarktflexibilisering, wat niet al, bouwen fysici in de tussentijd treinen, vliegtuigen en computers. Zij bouwen de wereld, zonder praatjes nog wel.
 
Dat is, zo zegt Hermans ergens, niet minder dan een wonder. Het is nog meer dan dat: het is vooruitgang. Technologische vooruitgang was daarbij in Hermans universum de enige werkelijke vooruitgang. Zedelijke verheffing, democratisering en Verlichting zijn hersenschimmige begrippen die niets inhouden, als je er over nadenkt. En dat doet niemand: er over nadenken. Behalve Hermans zelf dan. Nergens anders dan uit het volgende citaat uit het autobiografische verhaal ‘De elektriseermachine van Wimshurst’ mag zijn beeld duidelijker worden: 'als het van Sokrates, Boeddha, Jezus of Mohammed had afgehangen, dan zouden de mensen nu nog spiernaakt in de bomen en de holen wonen. Praatjes maken, dat kon de Neanderthaler even goed als Thomas van Aquino, Luther, Calvijn of Hitler. Maar ik, ik sta daar als zendeling van Huygens, Boerhaave, Edison en Einstein, als profeet van de enige menselijke bezigheid die hem in staat stelt zijn leven tastbaar te veranderen!'. 
 
Economie verandert het leven niet tastbaar en het oordeel is vervolgens genadeloos: van Hermans moeten ook psychologen, economen en sociologen op zwavelzuur. Vanwaar die aan haat grenzende aanval op de sociale wetenschappen? Bedacht moet worden dat Hermans voor alles een schrijver bleef –ook al was hij zelf ook wetenschapper, te weten fysisch geograaf-, en wel een schrijver die naar eigen zeggen schreef om wraak te nemen. Een schrijver die het autobiografische verhaal Het grote Medelijden -die titel alleen al- afsluit met het programmatische ‘scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie’.    
 
Compromisloos
Alles was bij Hermans compromisloos en zijn aanval op de sociale wetenschap kon dan ook alleen maar compromisloos zijn. Hermans zijn wetenschapsbeeld was zijn wereldbeeld gelijk: geregeerd door moedwil en misverstand zijn er geen zekerheden, en elke poging orde te scheppen loopt stuk op onbegrip, tegenwerking en de onkenbaarheid van de wereld. Elke sociale wetenschap is een kerkgenootschap, een groep mensen die denken orde te kunnen aanbrengen, en die van die opgelegde orde -die een schijnorde is- heil verwachten. In zijn miezerige poging er nog het beste van te maken, maakt de mens het allemaal nog veel erger. Verlossing, waarheid en vooruitgang zijn waanbeelden van gevaarlijke gekken die te slecht of te dom zijn in te zien dat het leven een amoreel, onlogisch en vooral: sadistisch universum is.  De waarheid is onbepaald of, in de woorden van protagonist Stegman in Ik heb altijd gelijk, ‘niets anders dan een rode slagboom waarachter de onzekerheid ligt’.
 

Willem Frederik Hermans
 
Dat Hermans uit rancune schreef, bewijst evenwel zijn ongelijk nog niet. Wie logica en voorspelbaarheid als de onverbiddelijke criteria voor wetenschap hanteert, moet ook eigenlijk vaststellen dat geen sociale wetenschap daaraan voldoet, daaraan kan voldoen, daaraan ooit zal voldoen. En wie eerlijk is, moet onderschrijven dat die criteria de enig juiste zijn. Dat er niets tegenin te brengen valt. Eigenlijk. 
 
En toch lukt het de mens maar niet te zwijgen over de hem omringende verschijnselen. De wens te spreken is onbedwingbaar. Wetenschap is, in de woorden van Nummedal in Nooit meer slapen, ‘de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!’. Waarschijnlijk, wellicht wel zeker, een tot mislukken gedoemde poging. Maar misschien is het resultaat ook eigenlijk niet de zaak, misschien gaat het om de poging zelf. Alle wetenschap is streven. Economie is geen onaardige poging om het isolement te verlichten door het niet onprettige gevoel te geven: ‘ik begrijp’. Als zwijgen onmogelijk is, dan is economie de een goede manier om te spreken waar geen taal is. Misschien is dat te weinig.
 
Misschien is dat net genoeg.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

David Hollanders

Gevolgd door 179 leden

Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.