Dwangarbeiders langs de Birmaspoorweg. Foto gemaakt door een onbekende Japanse fotograaf. Verkregen via het Australian War Memorial: https://www.awm.gov.au/collection/C41423

Dwangarbeiders langs de Birmaspoorweg. Foto gemaakt door een onbekende Japanse fotograaf. Verkregen via het Australian War Memorial: https://www.awm.gov.au/collection/C41423 © CC0 (Publiek domein)

Overheid hield smartengeld voor dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg onterecht in kas

In 1954 ontving Nederland ruim 1 miljoen gulden uit de verkoop van de beruchte Birmaspoorweg. Dit bedrag diende uitbetaald te worden aan de dwangarbeiders die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verscheept naar Birma en Thailand. De overheid blijkt echter een deel van het geld in kas te hebben gehouden. Zeker 221 ex-dwangarbeiders hebben nooit compensatie ontvangen.

Over dit onderzoek

Waar gaat dit artikel over?

De Nederlandse staat had in 1954 de plicht smartengeld uit te betalen aan 15.785 KNIL-militairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid aan de Birmaspoorweg moesten verrichten. Door listige trucs hield de overheid een deel van dit geld echter in kas. Daarnaast eigende zij zich geld toe dat uitbetaald had moeten worden aan de Indonesische regering.

Waarom besteedt FTM hier aandacht aan?

We doen regelmatig journalistiek onderzoek naar slepende, historische ‘cold cases’. Zo publiceerden we in mei 2020 een reeks artikelen over de zogeheten Verkaufsbücher, waarin de roof van het vastgoed van Joodse Nederlanders in WOII nauwkeurig is gedocumenteerd. Die nieuwe informatie wierp de vraag op of het notariaat en de Nederlandse overheid wel voldoende rekenschap hebben afgelegd over hun kwalijke rol in deze diefstal.

Naast het Joodse rechtsherstel, dat nog steeds niet is afgerond, speelt het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap. Het gaat om gelden die nooit zijn uitbetaald aan oorlogsslachtoffers uit de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Vanwege de omwentelingen in het onafhankelijke Indonesië zijn ze destijds naar Nederland gevlucht. De openstaande claims betreffen onder meer buitenlandse smarten- en compensatiegelden, backpay voor ambtenaren en militairen, bank- en spaarsaldi en verzekeringspolissen.

Is dit nog relevant?

We denken van wel. In archieven wordt er nog regelmatig nieuw, nauwelijks onderzocht bronnenmateriaal ontdekt. Dankzij moderne methodieken als data-analyse kan journalistiek onderzoek nieuw licht werpen op slepende kwesties. Nederland hecht traditioneel sterk aan de aflossing van schulden en geniet op dat vlak een – niet altijd positieve – reputatie. Het is niet meer dan rechtvaardig om ook onze eigen schulden te onderzoeken en de verantwoordelijkheid te nemen die we ook van anderen verlangen.

Inmiddels staat ook het koloniale verleden van Nederland, en met name de zwarte kanten ervan, volop in de belangstelling. Het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap maakt daar deel van uit. Het smartengeld voor de dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg is de eerste van deze reeks openstaande claims.

Lees verder

Wanneer Japanse legertroepen in januari 1942 de kolonie Nederlands-Indië binnenvallen, worden alle Nederlandse militairen krijgsgevangen genomen. Ongeveer 18.000 van hen worden aan boord van zogenaamde hell ships geladen en verscheept naar werkkampen in Birma en Thailand. Daar worden ze tewerkgesteld aan een van de meest beruchte Japanse projecten van de Tweede Wereldoorlog: de Birmaspoorweg.

Na de invasie van de Britse kroonkolonie Birma had het Japanse leger een bevoorradingsprobleem: een groot deel van de Japanse transportschepen werd op de route naar Birma getorpedeerd door Amerikaanse duikboten. Daarom besloten de Japanners tot de aanleg van een spoorweg, als een beschermde aanvoerroute over land. Deze zogeheten Birmaspoorweg voerde over 415 kilometer, van Thanbyuzayat in Birma naar Ban Pong in Thailand.

Het werk aan de spoorlijn begon op 16 september 1942. In totaal werden ruim 61.000 geallieerde krijgsgevangenen gedwongen aan de spoorlijn te werken; daarnaast werkten er nog zo’n 250.000 Birmaanse, Thaise, Chinese, Maleisische, Javaanse en Tamil arbeiders, die met valse beloftes waren geronseld.

De omstandigheden waren hels: de Japanse bevelhebbers joegen de mannen op om het tracé in amper dertien maanden tijd aan te leggen. De Australische overheid schat dat de voortdurende zware mishandeling, ziekte en uithongering zo’n 16.000 van de 61.000 geallieerde krijgsgevangenen en 100.000 van de 250.000 Aziatische arbeiders het leven hebben gekost.

In de volksmond kwam de Birmaspoorlijn bekend te staan als de Death Railway: de dodenspoorlijn.

Hoewel na de oorlog ruim 1 miljoen gulden beschikbaar was voor de compensatie van het leed, hebben zeker 221 dwangarbeiders (of hun nabestaanden) dit geld nooit ontvangen. Dat blijkt uit historisch onderzoek van Follow the Money. De Nederlandse overheid, verantwoordelijk voor de uitbetaling, is nog altijd niet transparant over wat er met het geld – in hedendaagse valuta zo’n 14,5 miljoen euro – is gebeurd.

Geroofd spoormaterieel

Wanneer het Japanse leger op 15 augustus 1945 capituleert, valt de Birmaspoorlijn als oorlogsbuit in handen van de geallieerden. De regering van Thailand, waar het grootste deel van de route zich bevindt, laat weten dat ze de spoorlijn wil overnemen. Het Britse militaire bestuur voert de onderhandelingen mede namens de landen waaruit de geallieerde dwangarbeiders afkomstig zijn: Australië, Nieuw-Zeeland, Nederland, Frankrijk en Canada.

De Britten geven de Nederlandse KNIL-officier Karel Warmenhoven, zelf een ex-dwangarbeider, opdracht een rapport op te stellen met daarin een berekening van de kosten van de gebruikte materialen, waaronder bruggen, locomotieven en wagons. Dat rapport komt er in februari 1946: ‘De rails en dwarsliggers voor deze lijn zijn grotendeels gestolen uit Noord-Burma, Malakka en Nederlands-Indië,’ schrijft Warmenhoven. ‘Ook wagons en locomotieven zijn uit die landen bij grote getale weggevoerd.’ De aanvankelijke waardebepaling van de materialen komt uit op zo’n 4,5 miljoen Britse pond.

De Thaise regering weigert met deze buitensporig hoge vraagprijs akkoord te gaan. Na lang onderhandelen wordt in 1947 de verkoopprijs van de spoorweg bepaald op 1.250.000 Britse pond, oftewel 13.125.000 gulden. Omgerekend naar hedendaagse valuta: zo’n 217 miljoen euro.

Van die 1.250.000 pond wordt in 1951 allereerst 895.000 pond uitbetaald aan ‘the Governments of Malaya [Brits-Maleisië, red.], Burma and the then Netherlands East Indies,’ als vergoeding voor het door de Japanners geroofde spoorwegmaterieel. Maleisië ontvangt 656.400 pond, Birma 51.250 en Nederlands-Indië 187.350.

Brits-Maleisië zou pas in 1957 onafhankelijk worden, dus het is aannemelijk dat Groot-Brittannië hun compensatiebedrag van 656.400 pond heeft geïncasseerd. Hoewel Birma sinds 1948 onafhankelijkheid van Groot-Brittannië geniet, is het onduidelijk of de Birmese regering de compensatie heeft ontvangen. Mogelijk hebben de Britten ook dit geld zelf in kas gehouden.

Bij de uitbetaling loopt BuZa tegen een probleem aan: het beschikt niet over de woonadressen van de ex-dwangarbeiders

En wie is de regering van ‘the then Netherlands East Indies’? Bij de onderhandelingen over de onafhankelijkheid, eind 1949, is vastgesteld dat Indonesië de rechtsopvolger is van het koloniale bestuur van Nederlands-Indië, maar op 31 juli 1951 meldt Baron Gevers, de Nederlandse ambassadeur in Londen, aan minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker dat het bedrag van 187.350 pond ‘ter beschikking is gesteld van de voormalige Regering van Nederlands-Indië’.

Uit de correspondentie tussen Gevers en Stikker blijkt dat het geld betaald is aan het toenmalige Nederlandse ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen. Volgens Binnenlandse Zaken is het bedrag vervolgens overgemaakt aan de Indonesische regering: ‘Dat dient als feit aangenomen te worden,’ zei een woordvoerder in 2015 tegen Follow the Money. ‘Er valt alleen geen bonnetje van te overleggen.’

Op de vraag waarom de Britten dit bedrag – zo’n 32.9 miljoen euro in hedendaagse waarde – destijds niet rechtstreeks aan de Indonesische regering hebben overgemaakt, komt geen antwoord.

Melden in Den Haag

Na aftrek van de compensatie voor geroofd materieel resteert een bedrag van 355.000 pond, oftewel 3.730.650 gulden. In gezamenlijk overleg bepalen de geallieerden dat dit geld gebruikt moet worden om alle geallieerde ex-dwangarbeiders enige compensatie te betalen.

Let wel: alleen de dwangarbeiders die als krijgsgevangenen waren tewerkgesteld dus. De honderdduizenden Oost-Aziatische arbeiders, van wie naar schatting een derde tot de helft is omgekomen, ontvangen geen rooie cent.

De verdeling van het smartengeld is als volgt: de Britse regering int 174.889 pond, en zal die uitkeren aan de Engelse dwangarbeiders en drie Canadezen. Australië ontvangt 75.396 pond; Nieuw-Zeeland 348 pond en Frankrijk 12 pond als compensatie voor twee dwangarbeiders.

De piepjonge regering van het onafhankelijke Indonesië ontvangt 4.352 pond, die zij dient te verdelen over 750 Nederlandse ex-dwangarbeiders die na 1949 Indonesisch staatsburger zijn geworden. De Verenigde Staten zien af van individuele compensatie voor hun 700 dwangarbeiders.

De Nederlandse overheid krijgt uiteindelijk een bedrag van 100.003 Britse pond overgemaakt. Dat bedrag, omgerekend iets meer dan 1,06 miljoen gulden, moet verdeeld worden over 17.235 rechthebbenden. Dat is 61,73 gulden per rechthebbende; hedendaagse waarde: zo’n 921 euro.

De staf van de Koninklijke Marine gaat meteen aan de slag om haar 1.450 voormalige krijgsgevangenen te compenseren. De marine heeft adreslijsten aangelegd van de rechthebbenden, die over de hele wereld woonachtig zijn. Ze krijgen het bedrag via de Nederlandse consulaten uitbetaald; ook voormalig marinemannen die Indonesisch staatsburger zijn geworden, ontvangen hun 61,73 gulden van de Nederlandse overheid.

Na aftrek van deze 1.450 uitbetalingen, in totaal 89.508,50 gulden, dient het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) het resterende bedrag van 974.408,05 gulden uit te keren aan de 15.785 voormalig KNIL-militairen die als dwangarbeider naar de spoorlijn zijn verscheept.

Bij de uitbetaling loopt BuZa echter tegen een probleem aan: het ministerie beschikt niet over de woonadressen van de ex-dwangarbeiders. Daarom plaatst BuZa op 9 juli 1954 een oproep in enkele Nederlandse dagbladen en Nederlandstalige kranten in Indonesië.

De boodschap: het materiaal van de Birmaspoorweg is verkocht. en het is de bedoeling dat de opbrengsten ‘aan de betrokken ex-krijgsgevangenen zullen worden uitgekeerd’. Ex-KNIL-militairen of hun erfgenamen die aanspraak willen maken op de uitkering dienen zich per briefkaart te melden bij het ministerie in Den Haag.

De oproep heeft blijkbaar niet het gewenste effect, want op 31 december 1954 wordt de tekst in een aantal kranten herhaald. Rechthebbenden wordt ditmaal met klem verzocht zich vóór 1 maart 1955 te melden bij het ministerie.

Wanneer BuZa de verantwoordelijkheid voor de uitkeringen in 1967 overdraagt aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, claimt het dat van het oorspronkelijke bedrag van 100.003 pond niets meer over is. Dat impliceert dat al het smartengeld is uitgekeerd.

Navraag bij een aantal (hoogbejaarde) ex-dwangarbeiders in 2014 leert echter dat dat niet het geval is. Sterker nog: zeker 34 van hen hebben nooit geweten dat ze überhaupt recht hadden op het geld.

Namenlijsten op rijstpapier

Hoeveel rechthebbenden hebben zich na de twee oproepen in 1954 aangemeld voor een schadevergoeding? En hoeveel van hen hebben de vergoeding daadwerkelijk ontvangen?

Sinds de ‘Birma-uitkering’ in het leven werd geroepen, heeft het beheer ervan bij drie instanties gelegen. Van 1951 tot 1967 was Buitenlandse Zaken de verantwoordelijke instantie; van 1967 tot 1996 was dit het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1996 is het beheer overgedragen aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP). Dit is een Zelfstandig Bestuursorgaan binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat ook de pensioenen van ex-KNIL-militairen beheert.

De SAIP beoordeelt welke aanvragen voor uitbetaling in aanmerking komen. Haar medewerkers zijn daarbij aangewezen op de ruim 66 jaar oude, handmatige administratie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Het gaat om rijstpapieren namenlijsten die na de oorlog door het Rode Kruis zijn aangelegd,’ zegt een woordvoerder van de SAIP. ‘Met verschillende kleuren en vinkjes zijn de uitbetalingen bijgehouden. Komt er een nieuwe aanmelding binnen, dan checken we die lijsten en zien we wie is uitbetaald.’

Honderden rechthebbenden blijken het smartengeld nooit uitbetaald te hebben gekregen

Omdat de lijsten nooit zijn gedigitaliseerd, laat staan gekoppeld aan een betaaloverzicht, weet de SAIP niet hoeveel uitbetalingen er in totaal zijn geweest. Bovendien beschikt de SAIP niet over de aanvragen en toekenningen van vóór 1996, de periodes dat Buitenlandse en Binnenlandse Zaken het smartengeld beheerden. De SAIP-woordvoerder meldt dan ook dat er ‘geen enkele transparantie over het bedrag van 974.408,05 gulden kan worden gegeven.’

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) weet in reactie op een in 2017 ingediend Wob-verzoek iets meer te melden: van de in totaal 17.235 rechthebbenden vielen er volgens BZK in februari 1956 15.222 in de categorie ‘reeds betaald’, waren 141 aanvragen nog ‘in behandeling’ en ging men ervan uit ‘dat 1.872 personen zich nog niet gemeld hadden’.

Ook laat BZK weten dat BuZa bij de overdracht van de administratie in 1967 heeft vermeld dat het oorspronkelijke bedrag van 100.003 pond in zijn geheel is ‘opgesoupeerd’. Volgens BZK worden nieuwe aanvragen voor een Birma-uitkering ‘sindsdien uit algemene middelen betaald’.

Afgewezen om onduidelijke redenen

Paradoxaal genoeg laat BuZa bij die overdracht echter ook weten dat er ‘nog voor een dozijn aanvragen in kas is’. De bewering dat het geld is opgesoupeerd staat ook haaks op het gegeven dat ruim 2.500 rechthebbenden, zowel hoogbejaarde overlevenden van de Birmaspoorweg als erfgenamen, zich tot nu toe aangemeld hebben bij belangenbehartigende stichtingen als de Stichting Vervolgingsslachtoffers Jappenkamp (SVJ), Indisch Platform 2.0 en Task Force Indisch Rechtsherstel (TFIR).

Ruim 65 jaar na de krantenoproepen van BuZa blijken deze honderden rechthebbenden het smartengeld nooit uitbetaald te hebben gekregen. Onder hen zijn Hollandse, Indo-Europese, Molukse, Indo-Afrikaanse, Joodse, Surinaamse en Antilliaanse KNIL-militairen.

Ook blijkt BuZa zijn eigen voorwaarden voor uitbetaling te hebben gecreëerd. Hoewel de Nederlandse staat voor alle dwangarbeiders geld gebeurd heeft, werden erfgenamen van dwangarbeiders die vlak voor tewerkstelling zijn overleden, afgewezen na het indienen van een aanvraag.

Gerardus van Oyen is zo'n dwangarbeider. Hij overleed op 11 mei 1943, enkele weken na aankomst in het Thaise werkkamp Chungkai. In 1954 meldde zijn zus Gertruda zich als erfgenaam, maar haar aanvraag werd door BuZa afgewezen. De ambtenaren stelden zich op het standpunt dat ‘alleen mannen die daadwerkelijk aan de spoorlijn hebben gewerkt, recht hebben op een vergoeding’.

Deze logica sluit honderden slachtoffers bij voorbaat uit. Alleen al in Rangoon, het huidige Yangon (Myanmar), zijn eind 1942 175 mannen begraven voordat ze tewerkgesteld werden. Volgens gegevens van de Oorlogsgravenstichting zijn er in totaal 3.098 Nederlandse dwangarbeiders overleden gedurende de aanleg van de Birmaspoorlijn. Van al deze mannen zou dan gecontroleerd moeten worden of ze ‘vroegtijdig’ zijn gestorven.

De SAIP is verrast door deze regel van BuZa. ‘Het is ons niet bekend dat er überhaupt sprake is geweest van afwijzingen,’ zegt de woordvoerder. 'Dit is allemaal voor onze tijd gebeurd. Bij mijn weten gaan we daar nu niet zo mee om.’

Ook de SAIP heeft om onduidelijke redenen aanvragen geweigerd. Zo deed Frans Onken in 2015 als erfgenaam van zijn vader Jan Rainer bij de SAIP een aanvraag voor Japans smartengeld. Jan Rainer Onken woonde in 1957 zelf in Indonesië, waar hij zowel de krantenoproep voor het Birma- als het Japanse smartengeld gemist heeft.

De SAIP wees de aanvraag af: als verantwoording stuurde de stichting een 'betalingsbewijs' uit 1957, gericht aan een wildvreemd persoon in Den Haag.

Of neem de zaak van brigadier-genie Jozef Salomonson. In 1954 reisde deze ex-dwangarbeider rond als evangelist op Java en Borneo, waardoor hij de krantenoproep gemist heeft. Ook zijn familieleden, die toen in Soerabaja woonden, hebben de oproep nooit gezien.

In 2012 diende zijn dochter alsnog een aanvraag in. Maar, vertelt kleinzoon Peter Rudolph: ‘De uitbetaling aan mijn moeder is geweigerd om een onduidelijke reden. Dat vertelde ze me destijds. Sinds haar recente overlijden ben ik alle documenten aan het doornemen.’

En dan is er de zaak van ex-dwangarbeider Daniël Cordus (98), die met zijn broers Jozef en Jan aan de spoorlijn heeft gewerkt. Broer Jan is eind 1944 in Birma vermoord door de Japanners; Jozef is eind 1948 tijdens de tweede ‘politionele actie’ op Sumatra om het leven gekomen.

Daniël Cordus ontdekte pas in 2014 dat hij recht had op het smartengeld. Daarop meldde hij zich aan bij het Indisch Platform 2.0. Lange tijd overlegden de drie belangenbehartigende stichtingen met de SAIP of ze toegang konden krijgen tot de gehanteerde namenlijsten en betaalbewijzen. Hun verzoek werd uiteindelijk afgewezen.

Eind 2020 heeft Daniël Cordus drie aanvragen laten indienen: een voor hemzelf en twee als erfgenaam, namens zijn overleden broers. Op 19 januari 2021 heeft de SAIP de aanvraag afgewezen.

‘Uit de bij ons bekende gegevens is gebleken dat in het verleden reeds beide uitkeringen aan u zijn uitbetaald,’ schrijft de stichting aan Cordus. ‘De uitkering is uitbetaald als er een op naam gesteld betaalkaartje in ons archief aanwezig is met daarop eventueel B/S vermeld en/of de naam voor wie wordt aangevraagd voorkomt op de Krijgsgevangenenlijst en daarbij blauw en/of rood is onderstreept. Blauw staat voor uitbetaling van de B/S (Birma-Siam) en rood voor uitbetaling van de JM (Vredesverdrag met Japan). In uw geval hebben wij in ons archief een betaalkaartje aangetroffen met daarop B/S vermeld en komt uw naam in blauw en rood onderstreept voor op de Krijgsgevangenenlijst.’

Het ‘betaalkaartje’ van de SAIP, waarop vermeld dient te staan wanneer en op welke rekening de bedragen zijn uitbetaald, is niet bij de afwijzingsbrief gevoegd. De bijlage toont een kopie van een document met alleen de geboortedatum van Daniël Cordus en zijn – onvolledige – toenmalige adres in Alblasserdam.

Cordus is perplex. ‘Waarom stuurt de SAIP me geen betaalbewijzen? Dus ook van het Japanse smartengeld, waar ik nooit een aanvraag voor heb ingediend omdat ik evenmin van die regeling wist?’

De aanvragen die Daniël Cordus als erfgenaam van zijn broers in heeft gediend, zijn niet in behandeling genomen. In de kopie van de meegestuurde Krijgsgevangenenlijst ontbreken de namen van Jozef en Jan Cordus. De SAIP heeft nog niet gereageerd op de vraag waarom de twee aanvragen niet behandeld zijn.

Honderden benadeelden

Er blijkt nog een andere lacune te bestaan in de administratie van de SAIP: de rijstpapieren namenlijsten van het Rode Kruis, die de stichting gebruikt om bij te houden welke rechthebbenden zijn uitbetaald, zijn incompleet.

Daar is een verklaring voor: toen medewerkers van het Rode Kruis na de bevrijding een namenlijst van de dwangarbeiders aanlegden, bevonden niet alle overlevenden zich in Bangkok. In de loop van 1944 was een aantal Indo-Europese en Molukse krijgsgevangenen ontsnapt uit de werkkampen langs de spoorweg. En 2.345 dwangarbeiders waren na de voltooiing van de spoorweg vanuit Thailand naar Japan verscheept, om daar ingezet te worden voor dwangarbeid.

Het is zeer de vraag of er überhaupt een complete lijst van alle Nederlandse Birma-dwangarbeiders bestaat. In 2017 heeft onderzoeker Henk Beekhuis een Amerikaanse kopie van de Rode Kruis-lijst gecheckt en gedigitaliseerd. In totaal telde Beekhuis 1231 officieren en 13.871 onderofficieren uit het KNIL, marine en luchtmacht. Dat zijn 15.102 namen, 2883 namen minder dan het in 1954 door de overheid opgegeven aantal van 17.985.

Zelfs als een rechthebbende het Birma-smartengeld krijgt uitbetaald, dan is dat bedrag 67 jaar lang niet meegegroeid met de inflatie

‘Om in aanmerking te komen voor een Birma-Siamuitkering is bepalend of iemand ook als Birma-Siam geïnterneerde geregistreerd staat op de krijgsgevangenenlijst. Erfgenamen van personen, die hieraan voldoen, kunnen een aanvraag indienen,’ zegt de woordvoerder van de SAIP. Met andere woorden: in ieder geval 2.883 (erfgenamen van) ex-dwangarbeiders hebben nooit kans gemaakt op een uitkering, omdat hun namen niet voorkomen op de lijsten die de SAIP hanteert.

‘Als rechthebbenden de krantenoproepen in 1954 hebben gemist, staat de weg na al die jaren nog steeds open voor hen om de uitkering aan te vragen,’ laat een woordvoerster van Binnenlandse Zaken weten. ‘Er wordt alleen zonder indexatie en rente uitbetaald. De algemene lijn bij de overheid is dat uitkeringen niet geïndexeerd worden wanneer mensen veel later opvragen. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook met de bijstand. Daar is jurisprudentie over bekend.’

De SAIP-woordvoerder sluit zich daarbij aan. ‘De wettelijke grondslag voor indexatie is destijds niet gecreëerd. De uitkering is een eenmalige uitkering uit winstdeling.’

Met andere woorden: zelfs als een rechthebbende het Birma-smartengeld krijgt uitbetaald, dan is dat nog altijd een bedrag dat 67 jaar lang niet is meegegroeid met de inflatie. Geen 921,25 euro dus, maar 61,73 gulden. Omgerekend volgens de laatst geldende wisselkoers: 28,01 euro.

Er is hier echter geen sprake van een uitkering in de zin van een bijstands- of werkloosheidsuitkering, maar van smartengeld. Op 23 maart 2017 bekrachtigde de Centrale Raad van Beroep dat smartengeld geïndexeerd en belastingvrij uitbetaald dient te worden.

Al met al zijn er bij het schrijven van dit artikel 221 rechthebbenden bekend die nooit smartengeld hebben ontvangen – hetzij omdat hun aanvraag is afgewezen, hetzij omdat deze aanvraag überhaupt nooit is gedaan. Corrigeer je voor inflatie, dan is voor alleen deze groep ex-dwangarbeiders al 203.596.25 euro aan Birma-smartengeld en 936.542,75 euro aan Japans smartengeld in kas gehouden, een totaalbedrag van 1.140.139 euro.

Tot de groep behoren onder andere de ‘te vroeg overleden’ Gerardus van Oyen; de 175 mannen die in Rangoon zijn begraven; Jan Onken, wiens uitbetaling aan een onbekend persoon is overgemaakt; Jozef Salomonson, wiens erven een niet-onderbouwde afwijzing ontvingen, en Daniël, Jan en Jozef Cordus. Verder sprak de auteur ook nog met Sip Fokkens en Willy Welcker, die hun oproepen misten, en is van 33 Molukse KNIL-militairen bekend dat ze ontsnapt zijn en niet op de namenlijsten voorkomen.

En dan zijn er nog Christiaan Soumokil en zijn vier collega’s van het Molukse verzet. Christiaan Soumokil was jurist; onder zijn invloed werd op 25 april 1950 de onafhankelijke Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen – de Republiek der Zuid-Molukken. Aansluitend volgde Soumokil Johan Manusama op als president van de RMS. Als reactie op de onafhankelijkheidsverklaring bezette het Indonesische leger het eiland Buru en een deel van het eiland Seram.

In december 1950 week Soumokil samen met zijn regering uit naar Seram, om vanuit de binnenlanden een guerilla-oorlog tegen de Republiek Indonesië te voeren. Ten tijde van de krantenoproep van Buitenlandse Zaken in 1954 verbleef hij daar, samen met zijn echtgenote Josina Taniwel en vier andere ex-dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg.

Uiteindelijk is Christiaan Soumokil in 1963 gevangengenomen en in 1966 op last van de Indonesische regering geëxecuteerd. Sinds zijn dood wonen zijn weduwe Josina Soumokil-Taniwel en zoon Thommy in Nederland.

‘Op 9 juli en 31 december 1954 bevonden we ons diep in de jungle,’ zegt Josina Soumokil desgevraagd. ‘We hebben dus nooit geweten van het smartengeld voor mijn man. Of er een Nederlandse krant op het Molukse Seram werd gedistribueerd?’ Grote hilariteit. ‘Nee, natuurlijk niet! Dat is ondenkbaar.’

Deze publicatie is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.