Het werkkamp in Niki langs de spoorweg met de geallieerde begraafplaats, ca. september 1945 (Privécollectie Pauline Otten)

Het werkkamp in Niki langs de spoorweg met de geallieerde begraafplaats, ca. september 1945 (Privécollectie Pauline Otten)

De staat verzaakte dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg

In 1954 ontving Nederland ruim 1 miljoen gulden uit de verkoop van de beruchte Birmaspoorweg. Dit bedrag diende uitbetaald te worden aan de dwangarbeiders die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verscheept naar Birma en Thailand. De reconstructie van de namenlijsten van deze dwangarbeiders laat zien dat tenminste 5807 van hen nooit in aanmerking zijn gekomen voor smartengeld.

Dit stuk in 1 minuut

Waar gaat dit artikel over?

De Nederlandse staat had in 1954 de plicht smartengeld uit te betalen aan de 15.785 KNIL-militairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid aan de Birmaspoorweg moesten verrichten. Door listige trucs hield de overheid een deel van dit geld echter in kas. Daarnaast sloot zij op voorhand een aantal groepen uit, waaronder dwangarbeiders die wel verscheept waren, maar overleden voordat zij tewerkgesteld konden worden.

Follow the Money toont op basis van een data-analyse aan dat ten minste 5.807 dwangarbeiders (ruim 36 procent van de betrokkenen) onmogelijk uitbetaald kunnen zijn. Het gaat om een geïndexeerd bedrag van een kleine 30 miljoen euro.

Waarom besteedt FTM hier aandacht aan?

We doen regelmatig journalistiek onderzoek naar slepende, historische ‘cold cases’. Zo publiceerden we in mei 2020 een reeks artikelen over de zogeheten Verkaufsbücher, waarin de roof van het vastgoed van Joodse Nederlanders in WOII nauwkeurig is gedocumenteerd. Die nieuwe informatie wierp de vraag op of het notariaat en de Nederlandse overheid wel voldoende rekenschap hebben afgelegd over hun kwalijke rol in deze diefstal.

Naast het Joodse rechtsherstel, dat nog steeds niet is afgerond, speelt het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap. Het gaat om gelden die nooit zijn uitbetaald aan oorlogsslachtoffers uit de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Vanwege de omwentelingen in het onafhankelijke Indonesië zijn ze destijds naar Nederland gevlucht. De openstaande claims betreffen onder meer buitenlandse smarten- en compensatiegelden, backpay voor ambtenaren en militairen, bank- en spaarsaldi en verzekeringspolissen.

Is dit nog relevant?

We denken van wel. In archieven wordt er nog regelmatig nieuw, nauwelijks onderzocht bronnenmateriaal ontdekt. Dankzij moderne methodieken als data-analyse kan journalistiek onderzoek nieuw licht werpen op slepende kwesties. Nederland hecht traditioneel sterk aan de aflossing van schulden en geniet op dat vlak een – niet altijd positieve – reputatie. Het is niet meer dan rechtvaardig om ook onze eigen schulden te onderzoeken en de verantwoordelijkheid te nemen die we ook van anderen verlangen.

Inmiddels staat ook het koloniale verleden van Nederland, en met name de zwarte kanten ervan, volop in de belangstelling. Het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap maakt daar deel van uit. Het smartengeld voor de dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg is de eerste van deze reeks openstaande claims.

Lees verder

In 1954 kreeg de Nederlandse overheid de taak smartengeld uit te betalen aan de 15.785 KNIL-militairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid hadden verricht bij de Birmaspoorweg. Net als enkele andere landen had Nederland daarvoor geld ontvangen uit de verkoop van de beruchte spoorlijn aan Thailand, in 1947. Het beschikbare bedrag voor deze krijgsgevangenen was in totaal 974.408,05 gulden.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken was indertijd belast met de uitbetaling, maar beschikte niet over de adressen van de ex-KNIL-militairen. Daarom plaatste het op 9 juli 1954 een oproep in een aantal kranten. Rechthebbenden werd verzocht om voor 1 november 1954 een briefkaart te sturen met de volgende informatie:

‘Naam en voornamen van de ex-krijgsgevangene voluit, huidig adres, geboorteplaats, geboortedatum, nationaliteit, dienstonderdeel op 1 maart 1942, rang, algemeen stamboek- of legernummer, alsmede voor zover mogelijk de kampen of plaatsen, waar de krijgsgevangenschap werd doorgebracht. [..]

Ten aanzien van de overledenen dient zo enigszins mogelijk eveneens te worden vermeld de datum van overlijden en, indien het overlijden plaatshad in krijgsgevangenschap, ook de naam van de plaats, het kamp of schip waar betrokkene om het leven kwam. De nabestaanden (erfgerechtigden) van de ex-krijgsgevangenen dienen bovendien hun familieverhouding ten opzichte van de overledene te vermelden (b.v. weduwe, vader, broer e.a.) zomede hun eigen naam en adres.’

De betrokken instanties stelden nadien dat aan alle rechthebbenden smartengeld is uitbetaald. Ook de SAIP stelt dat er ‘al lang geleden is uitbetaald’. Bewijs daarvan kan de organisatie niet overleggen: de complete betaaladministratie is in 1996 vernietigd. Het enige dat rest zijn de ‘betaalkaartjes’, waarop alleen een getypt adres van de rechthebbende staat. 

Maar veel ex-dwangarbeiders (of hun erfgenamen) hebben in 1954 de oproep gemist en wisten zodoende niet dat ze zich konden melden. Na een publicatie in 2015 over deze niet-uitbetaalde ‘Birma-smartengelden’ meldden zo’n vijfhonderd rechthebbenden zich alsnog bij de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP).

Verschillende lijsten in omloop

Deze slepende kwestie draait om de namenlijsten van de dwangarbeiders. Op basis daarvan beoordeelt de SAIP welke aanvragen alsnog voor uitbetaling in aanmerking komen. ‘Sinds begin 2015 zien wij een verhoogde instroom van aanvragen in het kader van de uitkering,’ meldt de website van de SAIP. ‘In beginsel kunnen deze eenmalige uitkeringen nog steeds worden aangevraagd. Maar op een enkele uitzondering na blijken deze aanvragen reeds in het verleden te zijn gehonoreerd.’

De SAIP zei in 2015 dat zij de ‘Rode Kruislijsten’ gebruikt: namenlijsten die indertijd door medewerkers van de internationale hulporganisatie zijn opgesteld. De bindende voorwaarde is dat alleen krijgsgevangenen die op deze lijsten staan, worden uitbetaald. 

Het probleem is dat het Rode Kruis nooit een complete namenlijst heeft aangelegd. Hun lijst dateert van 1 november 1944, maar vermeldt alleen de namen van de dwangarbeiders die toen in werkkampen langs de spoorweg in Birma en Thailand verbleven. Eerder dat jaar waren 2902 Nederlandse krijgsgevangenen vanuit Thailand naar Saigon (Indochina) en Japan verscheept. Volgens de voorwaarden die de SAIP stelt, komen deze mannen niet voor smartengeld in aanmerking.

Het POW Research Network Japan in Tokio bevestigt dat er geen lijst bestaat van de dwangarbeiders die vanuit Thailand zijn verscheept. Na de oorlog hielden het Britse en Amerikaanse Rode Kruis – in respectievelijk Indochina en Japan – zich bezig met het registreren en repatriëren van krijgsgevangenen. Ze brachten niet de routes in kaart die krijgsgevangenen hadden afgelegd. 

Bovendien heerste er totale chaos in Zuidoost-Azië: ex-krijgsgevangenen bevonden zich opeens middenin een burgeroorlog. Zo kwam ook Johannes van der Schot vast te zitten. Hij was in het voorjaar van 1944 in een Thais werkkamp geselecteerd voor dwangarbeid in Saigon. ‘Op 20 augustus 1945 werden we bevrijd, maar het was meteen chaos in de Franse kolonie vanwege de dekolonisatieoorlog die losbarstte. We konden geen kant uit.’ 

Researcher Henk Beekhuis, die ontbrekende informatie over krijgsgevangenen- transporten naar boven wist te halen, onderstreept dat er nooit een complete ‘Birma-namenlijst’ heeft bestaan. Dankzij het monnikenwerk dat hij vanaf 2017 heeft verricht, is nu voor het eerst een centraal bestand beschikbaar. Daarin zijn 17.865 namen verzameld. Wanneer het destijds opgegeven aantal van 17.985 Nederlandse dwangarbeiders accuraat is, ontbreken er nog 120 namen.

Overzicht van Birma-lijsten:
  • 1 november 1944: Het Rode Kruis stelt een lijst samen van alle geallieerde dwangarbeiders die in werkkampen langs de spoorlijn verblijven. Daar staan 15.102 Nederlandse krijgsgevangenen op. Eerder dat jaar waren 2902 Nederlanders van werkkampen in Thailand verscheept naar Saigon (Indochina) en Japan; zij staan hier niet op. Van 19 dwangarbeiders op de lijst is in 2021 bovendien vastgesteld dat ze per abuis zijn aangemerkt als achterblijvers in Thailand.
  • 1954: NL geeft het aantal van 17.985 Nederlandse krijgsgevangenen op bij het Geallieerd Opperbevel voor uitbetaling; onduidelijk is of dat aantal is onderbouwd met namenlijsten. Van deze lijst krijgen 1.450 rechthebbenden smartengeld via de Koninklijke Marine uitgekeerd; 750 rechthebbenden die inmiddels Indonesisch staatsburger zijn, krijgen via de Indonesische regering uitbetaald. Daarna resteert een lijst van 15.785 KNIL-militairen. Zij worden in juli 1954 via krantenberichten opgeroepen zich te melden voor uitbetaling.
  • 2017: Onderzoeker Henk Beekhuis stelt op basis van historisch onderzoek een lijst samen van Nederlandse krijgsgevangenen die aan de spoorlijn moesten werken. Hij vult de Rode Kruis-lijst aan met dodenlijsten en komt zo tot 17.137 namen
  • 2021: De eerste lijst-Beekhuis wordt met hulp van anderen aangevuld en in een database gezet. Die bevat nu 17.865 namen.
Lees verder Inklappen

De woordvoerster van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), waaronder de SAIP ressorteert, heeft geen boodschap aan mensen die indertijd niet bij het ministerie bekend waren. ‘Mensen die niet zijn geregistreerd, zijn in 1954 niet gerekend tot de groep rechthebbenden; in casu ruim 17.000 mensen op basis waarvan de verdeling van de verkoopopbrengst destijds is berekend.’ 

‘Als een groter aantal mensen recht zou hebben dan waarmee gerekend is, zou dat strikt genomen betekenen dat de verdeling van de verkoopopbrengst per rechthebbende gedeeltelijk met terugwerkende kracht zou moeten worden teruggevorderd. Dit is een zeer onwenselijke, maar ook praktisch onmogelijke exercitie bijna 70 jaar later.’

Op de Rode Kruislijst ontbreken 2902 namen. De krijgsgevangenen die in 1944 uit Thaise werkkampen naar Saigon en Japan zijn verscheept, staan er niet op

Het punt is: op de Rode Kruislijst ontbreken 2902 namen. De krijgsgevangenen die in 1944 uit Thaise werkkampen naar Saigon en Japan zijn verscheept, een paar maanden voordat het Rode Kruis ging tellen, staan er immers niet op. Welke namenlijst hanteert de SAIP eigenlijk voor uitbetaling?

De woordvoerder van de SAIP laat weten dat de stichting ‘in 1996 van het ministerie van BZK een lijst met namen van krijgsgevangenen ontvangen heeft. Deze lijst wordt in combinatie met gegevens uit het verfilmd BZK-archief tot op heden gehanteerd om aanvragen te beoordelen. Deze lijst heeft geen inventarisnummer.’

Na doorvragen – diezelfde woordvoerder verklaarde immers in 2015 dat de SAIP de Rode Kruislijsten gebruikt – komt deze toelichting: ‘De door ons gehanteerde lijsten zijn ontleend aan de Japanse krijgsgevangenenadministratie. Op de lijsten staan geen datums. Deze lijsten staan in de jarenlange uitvoeringspraktijk bekend als Rode Kruislijsten.’

Het is een curieus antwoord: de administratie van het Japanse Krijgsgevangenen Administratiebureau in Tokio is in september 1945 door het Amerikaanse leger in beslag genomen. Pas op 1 maart 1955, de datum waarop de aanmelding voor het smartengeld sloot, zijn 47.818 Japanse interneringskaarten van Nederlandse krijgsgevangenen aan de Nederlandse overheid overhandigd.

Waar een krijgsgevangene was tewerkgesteld, staat op zo’n interneringskaart in het Japans vermeld. De stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost is sinds 2012 bezig ze in het Engels te vertalen, en heeft tot nu toe 1803 interneringskaarten gedaan. Dat is 3,7 procent van het totaal, terwijl bovendien een onbekend aantal ontbreekt. Het is dus hoogst onwaarschijnlijk dat Buitenlandse Zaken op 9 juli 1954 op basis van deze Japanse kaarten een complete namenlijst heeft aangelegd. 

Het vraagstuk is eenvoudig op te lossen: wanneer de SAIP inzage zou geven in de namenlijsten die ze hanteert, kan worden vastgesteld welke namen die bevatten. De woordvoerder beloofde daarvoor toestemming te zullen vragen aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Navraag bij de AP leert dat dit niet is gebeurd.

Maar toestemming voor inzage is niet nodig, zo meldt de woordvoerder van de AP. Gegevens van overledenen zijn volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geen persoonsgegevens. Met uitzondering van de namen van een handjevol dwangarbeiders die nog in leven zijn, kunnen de lijsten dus gecheckt worden.

Wie wel, wie niet?

In afwachting hiervan is een alternatieve berekening toegepast. Aangezien de betaaladministratie is vernietigd, is niet bekend hoeveel en welke rechthebbenden hun uitkering hebben gekregen. Wel valt te deduceren wie hem niet kreeg. Zo bleek dat minstens één groep aanvragen standaard werd afgewezen: die van erfgenamen van krijgsgevangenen die onderweg naar, of vlak voor hun tewerkstelling aan de Birmaspoorweg zijn overleden. Die conclusie kon worden getrokken op basis van het dossier van Gerard van Oyen.

Onderzoek van de drie stichtingen die de belangen van aanvragers behartigen, wijst uit dat veel ex-krijgsgevangenen de krantenoproep nooit onder ogen hebben gekregen. Zo woonde een aantal van hen op 9 juli 1954 in geïsoleerde contractpensions of barakkenkampen, waar geen kranten werden bezorgd. Maar ook andere rechthebbenden misten de oproep, omdat ze geen geld hadden voor een krant.

Weer anderen woonden in Indonesië. Op Java werden weliswaar op beperkte schaal Nederlandse kranten gedistribueerd, zoals de Java Bode, waarin de oproep op woensdag 14 juli 1954 verscheen, maar op Sumatra, Borneo, Celebes, Madoera, Lombok, Ambon en Nederlands Nieuw-Guinea was het vrijwel onmogelijk een actuele krant te bemachtigen.

En het was kwestieus of aanvragen die rechthebbenden vanuit Indonesië naar het ministerie van Buitenlandse Zaken stuurden, wel zijn bezorgd. Op 1 mei 1954 meldde Het Vaderland dat ‘het aantal diefstallen van hoog gefrankeerde Nederlandse brieven enorme afmetingen heeft aangenomen. [..] De Indonesische ambtenaren weekten de zegels thuis los en verkochten deze weer. [..] Iedere week raken honderden brieven zoek.’

Een deel van de ex-dwangarbeiders woonde inmiddels in onder meer Thailand, Singapore, de Filipijnen, Australië, Brazilië, Jamaica, de Verenigde Staten, Engeland of Belgisch Congo, waar geen Nederlandse kranten verschenen. Sommige mannen waren lang voor 9 juli 1954 overleden, onder wie drie ex-dwangarbeiders die vermoord werden tijdens de dekolonisatieoorlog in Indochina en drie in Indonesië. En enkele ex-krijgsgevangenen bevonden zich in 1954 in Korea om als vrijwilliger met het Amerikaanse leger mee te vechten.

Krijgsgevangenen met ‘Indonesische namen’

Dan is er de kwestie van de 750 dwangarbeiders op de lijst die, zoals Buitenlandse Zaken in 1954 constateerde, ‘Indonesische namen’ hebben. Volgens het ministerie ging het om warga negara’s: Nederlanders die na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 het Indonesisch staatsburgerschap aangenomen hebben. Zij komen niet in aanmerking voor uitbetaling, aangezien de Indonesische regering in 1954 voor hen 46.297,50 gulden heeft ontvangen.

Het klopt dat een aantal voormalige dwangarbeiders na 1949 Indonesisch staatsburger werd en een Indonesische achternaam aannam, maar die namen droegen ze niet toen de incomplete Rode Kruislijst in 1944 werd samengesteld.

De zogeheten ‘Indonesische achternamen’ op de lijst blijken niet toe te behoren aan mensen die Indonesisch staatsburgers waren geworden, maar aan Molukse, Menadonese, Chinese en Indo-Afrikaanse Nederlanders. En het zijn er geen 750, maar 128. De woordvoerder van de SAIP bevestigt dat deze groep niet is uitbetaald ‘omdat het logisch is dat ze zich hiervoor bij de Indonesische regering in Jakarta moesten melden’. 

Maar dat is weer in tegenspraak met de toekenning in april 2021 van ‘Birma-smartengeld aan Josina Soumokil-Taniwel. Ze is de weduwe van de Molukse Christiaan Soumokil, die drieëneenhalf jaar als dwangarbeider aan de spoorlijn werkte. De erfgenamen van de Molukse KNIL-militair Pieter Sahertian kregen in mei 2021 het Birma-smartengeld.

Late uitbetaling en indexatie

Aangezien alle dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg ook recht hebben op Japans smartengeld, betaalde de SAIP deze erfgenamen 147,81 euro uit: de waarde van 61,73 gulden (Birma) plus 284 gulden (Japan).

Op basis van indexatie over 67 jaar had 5159 euro uitbetaald moeten worden: het gaat namelijk niet om een ‘uitkering’ in de zin van een werkloosheidsuitkering (die niet geïndexeerd wordt), maar om smartengeld. Op 23 maart 2017 bekrachtigde de Centrale Raad van Beroep dat smartengeld geïndexeerd en belastingvrij uitbetaald dient te worden.

Lees verder Inklappen

Waarom werden deze erfgenamen nu opeens wel uitbetaald, wanneer de dwangarbeiders die zogenaamd Indonesisch staatsburger waren, volgens Buitenlandse Zaken hun geld bij president Soekarno hadden moeten opvragen? En betekent het niet dat ook de andere 126 Nederlandse dwangarbeiders met ‘Indonesische namen’ het smartengeld moeten ontvangen?

De uitgesloten groepen

Analyse van het bestand met 17.865 namen onthult welke routes de dwangarbeiders vanaf hun krijgsgevangenschap in Nederlands-Indië hebben afgelegd, en welke tragiek daarachter schuilgaat. De database laat tevens zien welke dwangarbeiders zijn uitgesloten van smartengeld:

  • Aan boord van het Japanse helleschip Tacoma Maru, dat op 16 oktober 1942 van Batavia koers zette naar Birma, brak bacillaire dysenterie uit. Enkele ernstig zieke patiënten werden in Singapore aan wal gebracht, waar ze overleden. Andere mannen stierven aan boord en kregen een zeemansgraf. Een volgende groep overleed in het Japanse Hospitaal en de gevangenis in Rangoon.
  • De Nitimei Maru vertrok op 29 december 1942 met ongeveer duizend Nederlanders van Singapore naar Birma, met als bestemming de haven van Moulmein. Onderweg werd het schip getorpedeerd, waardoor 32 krijgsgevangenen omkwamen. Enkele gewonden stierven in de gevangenis van Moulmein. 
  • Van ten minste 1183 krijgsgevangenen is vastgesteld dat ze na aankomst bij het spoorwegtracé overleden zijn, dus voordat ze tewerkgesteld werden. Zij worden aangeduid met de term ‘vroegoverleden’.
  • Bij de namen van de mannen die na de voltooiing van de spoorweg eind november 1943 opnieuw voor dwangarbeid werden geselecteerd,staat Saigon of Japan vermeld. Twee Nederlanders overleden onderweg naar Japan op Taiwan, vijf in Manila en twee hooggeplaatste officieren zijn doorgezonden naar Mukden in Noord-China. 140 dwangarbeiders aan boord van de getorpedeerde Hofuku Maru hebben een zeemansgraf gekregen.
  • Hoeveel Birma-dwangarbeiders die inmiddels naar Japan waren gedeporteerd zijn omgekomen door de atoombommen die in augustus 1945 op Hiroshima en Nagasaki werden gedropt, is nog steeds niet in kaart gebracht.
  • Daarnaast is van 37 Surinaamse KNIL-militairen onbekend of zij − of hun erfgenamen − in 1954 in Suriname zijn geïnformeerd over het smartengeld, net als van drie KNIL’ers uit Curaçao. Van ten minste twee dwangarbeiders is achterhaald dat ze warga negara (Indonesisch staatsburger) zijn geworden.
  • Voorts hebben 1124 mensen die zich hebben geregistreerd bij de drie belangenbehartigende organisaties, een claim ingediend. 363 daarvan vallen onder de uitsluitingscriteria die Buitenlandse Zaken hanteerde. De overige 761 hebben zich pas na 1954 aangemeld.

In totaal zijn tenminste 5807 dwangarbeiders die op de gereconstrueerde lijst staan, nooit in aanmerking gekomen voor smartengeld.

Bureaucratische hordes

Van de overige 9978 dossiers dient alsnog vastgesteld te worden of de rechthebbenden zich hebben aangemeld, en of ze destijds inderdaad zijn uitbetaald. Sommige erfgenamen hebben de correspondentie met Buitenlandse Zaken en de SAIP bewaard. De brieven onthullen een onthutsend patroon van opgeworpen obstakels.

‘Nadat uw erfgenaamschap voldoende is aangetoond, zal uw aanvraag verder inhoudelijk worden behandeld’

Zo hebben de zonen van twee afgewezen erfgenamen onlangs opnieuw een aanvraag ingediend. De SAIP verplicht hen nu om aan te tonen dat ze daadwerkelijk erfgenaam van hun oom respectievelijk grootvader zijn. De kosten voor een verklaring van erfrecht, een notariële akte die speciaal opgemaakt dient te worden, bedragen 200 euro.

‘Eventuele kosten zijn voor eigen rekening. Nadat uw erfgenaamschap voldoende is aangetoond, zal uw aanvraag verder inhoudelijk worden behandeld,’ meldt de SAIP. Die kosten wegen niet op tegen het smartengeld: dat is niet geïndexeerd en bedraagt slechts 147,81 euro.

Al in de jaren ’50 verplichtte Buitenlandse Zaken rechthebbenden om kosten te maken, ontdekte Bert Visscher. Zijn oom Gerrit was op 12 november 1943 in het Thaise werkkamp Ban Nua aan malaria bezweken. Gerrits broer Johannes diende begin 1959 een aanvraag in voor Birma- en Japans smartengeld.

Ter onderbouwing stuurde Johannes Visscher een kopie van de overlijdensmededeling van het Rode Kruis. Op 3 april 1959 verzocht BuZa hem een ‘verklaring van vrijwaring volledig in te vullen en te ondertekenen, indien mogelijk door een der ouders’. Deze handtekening diende vervolgens ‘ter Gemeentesecretarie gelegaliseerd te worden’. De kosten voor het legaliseren van een handtekening bedroegen in 1959 zo’n 15 gulden.

Bert Visscher kon niet achterhalen of zijn inmiddels overleden vader de bureaucratische en financiële hordes heeft genomen. Daarom diende hij een informatieverzoek bij de SAIP in. Hij kreeg als antwoord dat uit het dossier van zijn oom zou moeten blijken ‘of de aanvraag is afgewezen dan wel betaalbaar gesteld’. Aansluitend ontving hij een kopie van een ‘betaalkaartje’, waarop alleen de geboortedatum van zijn oom Gerrit vermeld staat plus het toenmalige adres van zijn vader. ‘Zie bijgaande kopie,’ schrijft de woordvoerder van de SAIP. ‘Dit is alles waaruit zijn dossier-Japanse Uitkering (JU) bestaat. Dit document is voor ons de aanwijzing dat destijds de JU-uitkering is betaald.’

Over het aangevraagde Birma-smartengeld wordt met geen woord gerept. Het doet vermoeden dat Buitenlandse Zaken de in de tweede krantenoproep vermelde deadline van 1 maart 1955 aangehouden heeft: aanvragen van na die datum werden niet meer in behandeling genomen.

Een blauwe streep onder de naam staat voor uitbetaling van het Birma-smartengeld; een rode voor uitbetaling van de Japanse compensatie

Pas toen de SAIP op 1 januari 2008 een website lanceerde, werd daar vermeld dat rechthebbenden zich alsnog konden aanmelden. De vraag is alleen hoe de stichting nieuwe aanvragen kan beoordelen wanneer de complete betaaladministratie in 1996 vernietigd is.

De SAIP hanteert ‘de rijstpapieren namenlijsten die na de oorlog door het Rode Kruis zijn aangelegd,’ zoals de woordvoerder in 2015 verklaarde. ‘Met verschillende kleuren en vinkjes zijn de uitbetalingen bijgehouden. Komt er een nieuwe aanmelding binnen, dan checken we die lijsten en zien we wie is uitbetaald.’

Opmerkelijk is dat de volledige betaallijsten en bijbehorende correspondentie van de Koninklijke Marine wel zijn gearchiveerd. ‘Voor dit Marine-archief gold de Archiefwet uit 1962. Daarin was de overbrengingstermijn vijftig jaar,’ licht de woordvoerder van het Nationaal Archief toe. ‘Deze documenten zijn op 21 april 2009 aan ons overgedragen.’

Waarom is de financiële administratie van Buitenlandse Zaken, die precies dezelfde regeling betreft, dan vernietigd? De woordvoerder van het Nationaal Archief: ‘Niet al het overheidsarchief wordt bewaard. Daar zijn zes criteria voor. Over het algemeen wordt financiële administratie niet bewaard. Destijds is besloten die niet te bewaren op grond van historische overwegingen.’

De betaaladministratie blijkt ‘op basis van de geldende selectielijst’ na 42 jaar vernietigd te zijn. De woordvoerder: ‘Met de kennis van nu was er misschien wél reden om dit archief te bewaren omdat het oorlogsgerelateerde informatie betreft,’ luidt het verweer. Maar lang niet alle sporen zijn door de vernietiging uitgewist: de data-analyse toont aan dat ten minste 36,7 procent van de dwangarbeiders nooit is uitbetaald, op basis van de uitsluitingscriteria die in 1954 gecreëerd zijn door Buitenlandse Zaken.

Dat betekent dat de Nederlandse Staat haar eigen oorlogsslachtoffers verzaakt heeft, zowel dode als levende.