© CC0 (Publiek domein)

Staatsschulden: de olifant in de porseleinkast?

    Hoera, de crisis is voorbij! Toch? De cijfers mogen dan gunstig lijken, er zijn tal van signalen dat het economisch herstel minder rooskleurig is. Deze week deel II in een columnreeks van Edin Mujagic hierover: de kasboekjes van de Europese overheden.

    We kunnen opgelucht ademhalen: de ergste crisis sinds de Grote Depressie is voorbij. Het enige wat vreemd is en zorgen kan baren, is het feit dat de centrale banken zoals de Europese Centrale Bank (ECB) hun abnormaal lage rentes niet in lijn brengen met die goede economische tijden. Waar de economische landschappen bloeien, houdt de ECB de rente op een rampniveau — zoals ik eerder schreef.

    Een mogelijke verklaring voor de keuze van de ECB is dat het economisch herstel misschien wel sterk, stabiel, structureel en solide oogt, maar dat niet is. Oftewel: dat alle seinen op groen staan, maar dat dit alleen komt omdat de rentes nog steeds zo laag zijn. In dat geval zou een verhoging van de rente betekenen dat het snel gedaan is met de economische voorspoed.

    Dat de ECB de rente voorlopig op 0 procent houdt, kan echter ook een heel andere reden hebben. Daar gaat dit tweede deel over.

    Er is nog een andere potentiële olifant in de porseleinkast

    Er is immers nog een andere potentiële olifant in de monetaire porseleinkast. Ook als we aannemen dat het herstel voldoende sterk is bij hogere rentes aan te houden, dan nog zou een renteverhoging door de ECB voor een ramp kunnen zorgen. Ik doel op de financiële situatie bij de overheden van de eurolanden.

    Een zoektocht in de spelonken van Eurostat, het Europese bureau voor de statistiek, levert vrij snel een overzicht op van de staatsschulden van alle eurolanden aan het eind van 2007 (het laatste jaar voor de crisis) en aan het eind van 2016 (de meest recente cijfers). Een simpele berekening laat vervolgens zien dat de staatsschuld in alle eurolanden op dit moment een behoorlijk stuk hoger ligt dan vóór de crisis.

    Procentueel is de staatsschuld het sterkst gestegen in Letland: van 1,8 naar 10,1 miljard euro — een stijging van maar liefst 450 procent. De Letse schuld is daarmee echter nog steeds relatief klein, en daarbij: het land is een dwerg in de eurozone. Wat uiteraard vooral van belang is, is hoe sterk de schulden van de grote vier — Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje — zijn toegenomen. 

    En daar zien we iets wat verbaast: de stijging van de Italiaanse staatsschuld bedraagt ‘slechts’ 38 procent. Dat is niet veel meer dan de stijging van de Duitse staatsschuld; die was eind 2016 zo’n 34 procent hoger dan eind 2007. Het best presterende euroland in dit opzicht, is het land waar waarschijnlijk niemand zijn geld op zou zetten: Griekenland. De Griekse staatsschuld is met iets meer dan 30 procent gestegen sinds 2007 (en dat cijfer uit 2007 is inmiddels gechecked, het is geen oud verzinsel van de Griekse statistische tovenaars).

    Bij Frankrijk en zeker Spanje is er echter niets leuks te melden: daar ligt de staatsschuld 72 respectievelijk 188 procent hoger dan eind 2007. Nederland zag zijn staatsschuld ondertussen oplopen van 261,5 miljard euro naar 435 miljard euro: een stijging van 66 procent. 

    Renterekening van tientallen miljarden

    Sinds het begin van de crisis heeft de ECB de officiële rente verlaagd naar 0 procent. Ook is de bank bezig op grote schaal staatsobligaties op te kopen om zo rentes van looptijden tussen 1 en 30 jaar omlaag te drukken. Één van de gevolgen daarvan is dat de eurolanden aanmerkelijk minder rente betalen over hun schulden.

    De gemiddelde rente die Frankrijk bijvoorbeeld betaald over zijn staatsschuld ligt onder 1 procent. Die van Italië en Spanje vinden we ruwweg tussen 1,5 en 2 procent. Ter vergelijking: eind 2007 had Parijs te maken met een gemiddelde rente over de Franse staatsschuld van 4,15 procent. In Rome en Madrid was dat 4,4 respectievelijk 4,18 procent. 

    "Zelfs Duitsland zou bij een normalisering van de rentes met een tientallen miljarden hogere rekening te maken hebben"

    Als ik de normale rente die die drie eurolanden betaalden over hun staatsschuld op 31 december 2007 loslaat op de nieuwe staatsschuld van die landen, dan zie ik dat Frankrijk jaarlijks 37 miljard euro meer rente zou betalen dan het eind 2007 deed. Voor Italië zou de extra rentelast 27 miljard euro bedragen; voor Spanje 37 miljard.

    Vergelijken we de rentelasten die de landen zouden hebben bij normale rentestanden met de rentelasten in 2016, dan zijn de verschillen voor Frankrijk en Italië nog veel groter: 74 miljard (Frankrijk) en 63 miljard (Italië) euro extra. Elk jaar weer. De reden hiervoor is uiteraard dat hun rentelasten in 2016 ondanks de veel hogere schulden fors lager waren dan in 2007 dankzij  de spectaculair gedaalde rentestanden. Zelfs Duitsland, het volgens velen financieel kerngezonde land, zou bij een normalisering van de rentes met een tientallen miljarden hogere renterekening te maken hebben.

    En dan zijn er al die huishoudens en bedrijven die de afgelopen jaren nogal wat leningen hebben opgenomen om te consumeren en te investeren. Vaak hebben ze dat gedaan tegen de historisch lage, variabele rente. Verhoog de rente, en veel van die huishoudens en bedrijven zouden in financiële problemen komen. Een stijging van de spaarrentes zou dat kunnen neutraliseren, maar ervaring leert dat spaarrentes veel langzamer stijgen dan de rentes op leningen. Bovendien is het maar de vraag of commerciële banken spaarrentes zouden verhogen zolang ze ongelimiteerd geld kunnen lenen bij de ECB. Die maatregel blijft voorlopig van kracht. 

    Over sparen gesproken: we moeten ook al die huishoudens niet vergeten die hun spaargeld de afgelopen jaren in aandelen hebben gestopt omdat sparen niets meer opleverde. Verhoog de rentes fors en je riskeert een daling van de aandelenkoersen, iets wat het blakende vertrouwen van de consument en zijn bestedingen – oftewel de groei – zou raken. 

    Verhoog de rentes, en je riskeert dat alles. Hou de rentes laag, en het risico op een op termijn uit de hand lopende inflatie neemt toe. De ECB zit dus met een hels dilemma: beide keuzes draaien linksom of rechtsom uit op een ramp. Een crisis die de laatste zou overschaduwen wordt daarmee onvermijdelijk.

    Dat zou inderdaad de conclusie zijn die een pessimist zou trekken voor wie het glas altijd half leeg is. Er is echter één belangrijke ‘maar’. Een ‘maar’ waardoor het allemaal anders kan lopen de komende jaren. Daarover gaat het laatste stuk in dit drieluik. Stay tuned

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 923 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren