© Wikimedia Commons

    Wat zijn de gevolgen van het strategisch tekort bij de Nederlandse krijgsmacht? In dit derde deel besteedt Dieuwertje Kuijpers aandacht aan de Koninklijke Marine, en komt tot de conclusie dat ook hier korte-termijnpolitiek prevaleert. Zo vertraagt de minister belangrijke besluiten over de vervanging van materieel door onder meer consultants te laten buigen over vragen waar al antwoorden op zijn.

    Historisch gezien vindt de marine haar oorsprong in de bescherming van Nederlandse koopvaardijschepen. Daarmee is ze onlosmakelijk verbonden met het beschermen van handelsbelangen, zo betoogde Niels Woudstra van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) in het vorige deel over strategische armoede. Op het eerste gezicht lijkt het kabinet deze analyse te delen: volgens premier Rutte is nota bene ‘de maritieme sector (…) onmisbaar voor de Nederlandse economie.’

    Desondanks leeft de marine momenteel in grote onzekerheid, met name op het gebied van materiële vernieuwing en aanschaf — zoals bijvoorbeeld bij de vervanging van de onderzeeboten en de zogeheten Multipurpose fregatten (oftewel M-fregatten). Deze onzekerheid heeft niet alleen gevolgen voor het in stand houden van het materieel en de daaraan verbonden kosten, maar ook voor de operationele relevantie van de marine ten opzichte van potentiële tegenstanders. Ondertussen schroomt de minister er niet voor om een groep consultants in te huren om haar (en de Marine) te vertellen wat ze al weet.

    'In 15 jaar tijd moeten maar liefst 23 schepen worden vervangen om alleen nog maar onze huidige vredesmarine in stand te houden'

    Volgens Marc de Natris, voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren (KVMO), is het gebrek aan lange termijnperspectief voelbaar. ‘Februari jongstleden hebben we als KVMO een deltaplan voor de Koninklijke Marine geschreven. In dit document staat precies beschreven wat de pijn is voor wat betreft het aanschaf van materieel. In 15 jaar tijd moeten maar liefst 23 schepen worden vervangen om alleen nog maar onze huidige vredesmarine in stand te houden,’ stelt hij.

    Obsolescence

    Volgens Jaime Karremann, journalist voor de specialistische website Marineschepen.nl, zijn de effecten op materieel gebied dan ook onlosmakelijk verbonden met de inzet: ‘De huidige schepen moeten vervangen worden en de kosten om ze in de vaart te houden zullen alleen maar stijgen. Het wordt hierdoor steeds moeilijk om ze inzetbaar te houden: allerlei systemen zijn verouderd en moeten vervangen worden. Door de veroudering gaan onderdelen ook sneller kapot, schepen zijn door de veroudering lastiger te repareren en dat kost steeds meer tijd. De Nederlandse schepen hebben wel een instandhoudingsprogramma gehad waarbij een beperkt aantal onderdelen zijn vervangen (zoals een nieuwe mast), maar dit is geen levensverlengend onderhoud — want daar is tenslotte niet op gerekend.’

    Met andere woorden: momenteel wordt het risico van technische veroudering (of, meer preciezer, zogeheten obsolescence) geaccepteerd — ondanks de hoge exploitatiekosten die daarbij komen kijken. Naast financiële heeft ook technische veroudering gevolgen, in de vorm van zogeheten ‘operationele obsolescence’. Verouderde schepen zullen immers in mindere mate opgewassen zijn tegen de tegenstander, waardoor er op zee niet langer een 'level playing field' bestaat waarin diverse staten relatief gelijkwaardige techniek inzetten. ‘De omgeving waarin deze schepen worden ingezet verandert. Onze huidige M-fregatten varen nog steeds met luchtverdedigingssystemen uit vooral de jaren ’70 en ‘80. Ondertussen vraagt de huidige omgeving om raketten die wapens kunnen onderscheppen die vele malen sneller dan het geluid gaan, zoals je die ziet in de Oostzee en de Middellandse Zee. Fregatten hebben raketten nodig die sneller, wendbaarder en slimmer zijn,’ aldus Karremann.

    Aangezien levensverlengend onderhoud veel geld kost, wordt momenteel gekeken naar vervanging van de huidige M-fregatten. Dit project loopt echter de nodige vertraging op. Hoewel de vervanging van de M-fregatten staat gepland voor 2020 stelde minister Hennis in 2013 de vervanging met drie jaar uit. Aangezien het oudste M-fregat waar de marine mee vaart stamt uit 1993 en de maximale levensduur op 30 ligt, zal de marine uiterlijk vanaf 2023 moeten kunnen varen met nieuwe fregatten.

    Eerder dit jaar stelde de minister de vervanging van de M-fregatten wederom uit. Tot dusver is het niet bekend wat de gevolgen zullen zijn van deze vertraging; de vraag is of de minister dit jaar — na in totaal drie jaar uitstel — alsnog zal komen met de zogeheten A-brief aan het Parlement. In die brief wordt de behoefte aan vervanging van deze belangrijke schepen voor de marine politiek kenbaar gemaakt.


    Jaime Karremann

    "We moeten in de jaren ’20 geen oorlog krijgen, want we hebben rond deze periode alles net niet: net geen nieuwe fregatten, net geen nieuwe mijnenjagers en ook net geen nieuwe onderzeeboten"

    Onhandige timing

    De M-fregatten zijn niet het enige hoofdpijndossier: ook de Nederlandse onderzeeboten zijn aan vervanging toe. Hoewel de Volkskrant maart jl. de vraag opwierp of de vervanging van deze onderzeeboten geen ‘nieuw JSF-debacle’ zou vormen, is het beleid inzake onderzeeboten van kabinet tot kabinet altijd helder geweest. Zo is te lezen in de Marinestudie van 2005 dat met het afstoten van maritieme patrouillevliegtuigen en 6 (van de 8) M-fregatten de rol van onderzeeboten binnen de marine alleen maar is gegroeid. Momenteel vindt bij de onderzeeboten wel levensverlengend onderhoud plaats, maar uiteraard zullen ook die ooit (dat wil zeggen, vanaf 2025) vervangen moeten worden.

    ‘We moeten in de jaren ’20 geen oorlog krijgen, want we hebben rond deze periode alles net niet: net geen nieuwe fregatten, net geen nieuwe mijnenjagers en ook net geen nieuwe onderzeeboten. Je wil deze vervanging niet te spannend maken, omdat je de eerste jaren altijd te maken hebt met kinderziektes en invaren. Het duurt even voordat alles helemaal goed werkt en het personeel ook goed weet om te gaan met het nieuwe materieel. De strategische timing is dus problematisch,’ stelt Karremann.

    Begin 2013 tekende de minister intentieverklaringen met Noorwegen en Duitsland over nieuwe onderzeeboten, en in juni dat jaar schreven minister Hennis (Defensie) en minister Dijsselbloem (Financiën) dat ‘voor het Commando Zeestrijdkrachten de Marinestudie uit 2005 nog steeds actueel is en de richting waarin CZSK zich ontwikkelt op hoofdlijnen dan ook ongewijzigd blijft.’

    Oktober 2013 liet toenmalig Commandant Zeestrijdkrachten, vice-admiraal Borsboom, via Twitter weten in gesprek te zijn met Noorwegen over ‘Future Submarine Co-operation.’ Een maand later kwam de vervanging van de Walrus-klasse ter sprake in de Tweede Kamer en op verzoek van Kamerlid Raymond Knops (CDA) beloofde de minister in de eerste helft van 2015 te komen met een visie op de onderzeedienst.

    Onderzeeboten

    Waarom heeft Nederland onderzeeboten nodig, en wat doen ze precies? Onderzeeboten worden momenteel ingezet om met andere eenheden te oefenen op onderzeebootbestrijding en om inlichtingen te verzamelen. Zij kunnen smokkelroutes in kaart brengen, bijvoorbeeld in het Caribisch gebied (wat leidt tot drugsvangsten) maar zijn ook in staat mensensmokkel tijdens de huidige vluchtelingencrisis in kaart te brengen.

    Waarom heeft Nederland onderzeeboten nodig, en wat doen ze precies?

    Jaarlijks verzamelen Nederlandse onderzeeboten strategische inlichtingen van schepen die om één of andere reden interessant zijn om te volgen. De onderzeeboten verzamelen dan akoestische inlichtingen, radioverkeer, informatie over radars en sonars en visuele inlichtingen in één keer.

    Tot slot kunnen onderzeeboten op plaatsen komen die te riskant zijn voor oppervlakteschepen (zoals fregatten), omdat deze eerder gesignaleerd worden. Hierdoor lopen ze het risico binnen het bereik van vijandelijke geleide wapens te komen, wat naast een fysiek risico ook een diplomatieke rel kan opleveren. Waar landen voorheen namelijk ongewenste gasten buiten de deur probeerden te houden door middel van fysieke barrières (zoals de Chinese Muur of de Franse Maginotlinie), gebeurt dit sinds de Val van de Muur door een combinatie van informatie-, ruimte-, zee- en luchtbarrières op te werpen. Onderzeeboten zijn relatief onkwetsbaar voor deze barrières en kunnen er ongezien doorheen manoeuvreren.

    Uiteraard willen landen graag komen op plaatsen waar ze niet direct met open armen worden ontvangen: daar komen ten slotte de meest waardevolle inlichtingen vandaan. De laatste jaren vindt er dan ook in toenemende mate proliferatie van onderzeeboten plaats in Zuidoost-Azie en met name Rusland en China zetten flink in op deze marinecapaciteit. 

    Moet Nederland dan per se meedoen in deze race? Indien we het belangrijk vinden om in een tijd van toenemende internationale samenwerking ons steentje bij te dragen wél. Het gaat hier namelijk om de combinatie van capaciteiten én belangen die de Nederlandse onderzeeboten uniek maken. Zo zijn regionale partners nooit langdurig ver van huis, en kunnen zij niet zonder aparte (en opvallende) logistieke ondersteuning met onderzeeboten voorbij het Suez-kanaal komen. Indien Nederland het van belang acht om informatie voorbij het Suez-kanaal of vanuit de Cariben (wat met het oog op Suriname en de Antillen aannemelijk onder Nederlands belang valt) te verkrijgen, dan zouden we aangewezen zijn op nucleaire boten. Die kunnen echter weer niet zo dicht bij de kust varen en zijn bovendien rumoeriger.

    ‘Momenteel zijn onze onderzeeboten inzetbaar van de Noordkaap tot het Caribisch gebied en de Indische Oceaan’

    ‘Momenteel zijn onze onderzeeboten inzetbaar van de Noordkaap tot het Caribisch gebied en de Indische Oceaan,’ aldus Karremann. ‘Dat is waar Nederlandse onderzeeboten in uitblinken. Onderzeeboten voor de Noordzee zijn er niet en worden niet gemaakt. Inzetten op de Oostzee is vrij onzinnig want daar zitten de Duitsers, de Zweden, de Noren en de Polen al dus dat voegt niets toe. Als je iets wilt toevoegen, dan doe je iets wat andere landen niet kunnen — en dat is dus heel ver weg geheime operaties uitvoeren. Let wel: Nederland doet dit al sinds de jaren ’60 in de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en zat daarvoor ook in Nederlands-Indië. Onderzeeboten zijn overigens niet alleen bedoeld om inlichtingen in te winnen. Dat doen ze in vredestijd. Die inlichtingen gebruiken ze eventueel later om vijandelijke schepen tot zinken te kunnen brengen. Een onderzeeboot kan ongezien toeslaan: één torpedo en een fregat zinkt binnen twee minuten. Er is nog geen werkende verdediging tegen torpedo’s — en het beste wapen tegen onderzeeboten is een onderzeeboot. Het doet mij denken aan wat vice-admiraal Williams zei op een hoorzitting in de Tweede Kamer: je moet goed oppassen en beseffen wat je mogelijk weggooit.’

    Schizofrene exercitie

    De positie die Nederland voor zichzelf kan verzekeren in de internationale inlichtingenwereld zorgt voor een strategische ‘bargaining chip’. In de inlichtingenwereld wordt dit gekscherend ‘postzegelhandel’ genoemd. Dat wat betreft inlichtingen zelfs bondgenoten onderling niet altijd dezelfde belangen dienen, blijkt wel uit de nieuwsberichten waarin Franse en Amerikaanse geheime diensten werden betrapt op het afluisteren van Duitse collega’s. Kennis is macht en wordt — ook binnen Europa en tussen bondgenoten onderling — dicht tegen de borst gehouden.

    Hoewel de positie van Nederland inzake onderzeeboten — en de strategische voordelen van die positie — evident zijn, lijkt ook dit project onnodig te worden vertraagd. Net als bij de M-fregatten dringt bij de vervanging van de onderzeeboten de tijd: rond 2025 is de kans groot dat de elektromotoren vervangen moeten worden. Om bij deze motoren te komen dient de zogeheten “drukhuid” van de onderzeeboot opengesneden te worden; een dure en risicovolle operatie. Als dit misgaat is de onderzeeboot feitelijk niet langer inzetbaar en bestaat het risico dat Nederland in één klap deze capaciteit ziet verdwijnen.

    Net als bij de M-fregatten dringt bij de vervanging van de onderzeeboten de tijd

    Desalniettemin achtte de minister van Defensie het noodzakelijk om onder leiding van partijgenoot, voormalig Shell-topman en NAVO-adviseur Jeroen van der Veer een groep consultants eens na te laten nadenken over het nut en de noodzaak van onderzeeboten. Uiteraard lekker out of the box: zo werden er zelfs scenario’s onderzocht die niet voldeden aan de (door nota bene Defensie zelf) eerder gestelde functionele en financiële eisen. Resultaat: een schizofrene exercitie.

    Deze procedure bevreemdt ook Karreman. ‘Wat eigenlijk niet kan — maar wel gebeurt — is dat je als Defensie zegt: “we moeten onderzeeboten hier en hierom hebben” om vervolgens bewust een groepje consultants met aantoonbaar geen verstand van onderzeeboten zich hierover te laten buigen. Er zijn simpelweg geen onderzeeboot-experts die niet gevaren hebben. Nu ga je feitelijk tijd verspillen door een groep mensen die geen enkel besef heeft van onderzeeboten aan het werk te zetten om te onderzoeken of wij ze wel nodig hebben — dat heb je al gedaan. Dit kost geld en vooral tijd — iets wat er botweg niet is. De minister kan dit prima zelf onderbouwen, maar blijkbaar durft zij dit niet. Het werpt meer vragen op dan dat het antwoorden oplevert. Bovendien: de consultants van de klankbordgroep moesten wél meevaren met een onderzeeboot en uitleg krijgen van de marine.’

    Wat kost zo’n klankbordgroep?

    Op de vraag van FTM of het ministerie van Defensie bereid is om inzage te verschaffen in de kosten voor de klankbordgroep Onderzeeboten, laat het ministerie weten dat de leden een vergoeding hebben ontvangen op grond van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Hoewel het ministerie over de hoogte van de vergoeding geen uitspraken heeft gedaan bedraagt deze maximaal € 274,79 per vergadering voor commissieleden en € 357,22 voor de voorzitter. Indien er gebruik is gemaakt van een vaste vergoeding, vervalt het recht op de vergoeding per vergadering en deze mag niet hoger zijn dan een minister-salaris (€ 157.287 inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering)

    Lees verder Inklappen

    Belgische samenwerking

    Terwijl consultants worden ingehuurd om naar de bekende weg te vragen, wordt bij deze vertragingsexercitie over het hoofd gezien dat de Nederlandse keuzes over het wel of niet aanschaffen van materieel verstrekkende gevolgen hebben voor de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (BENESAM). Karremann: ’Vorige week in België is er besloten om 9,4 miljard euro te investeren en vast te leggen in programmatiewet tot 2030. Onderdeel hiervan is de aanschaf van twee fregatten en zes mijnenjagers. Dit is belangrijk voor dit samenwerkingsverband, en eigenlijk hebben wij ons al gecommiteerd aan een bepaalde rol binnen dit verband. Nu worden de Belgische fregatten door Nederland onderhouden, maar als wij besluiten deze zelf niet meer nodig te hebben gaan de Belgen ook drie keer nadenken over deze samenwerking en hun fregatten mogelijk in Frankrijk bestellen. Wie gaat ze dan onderhouden? De politiek wil op elk moment en altijd “nee” kunnen zeggen, en vooral deze schijn wekken, maar vergeet tegelijkertijd hiermee over te komen als onbetrouwbare partner.’

    Vanwaar het onnodig rekken? Schuift de huidige minister hiermee noodzakelijke en prangende zaken door op het bordje van haar opvolger? Het versterkt binnen de krijgsmacht het idee dat de minister van Defensie haar ambities na de verkiezingen voornamelijk binnen de eigen fractie en buiten het departement ziet. Het ministerie zelf wil overigens niet ingaan op deze suggestie.


    Dieuwertje Kuijpers

    "Vanwaar het onnodig rekken? Schuift de huidige minister hiermee noodzakelijke en prangende zaken door op het bordje van haar opvolger?"

    Kennisindustrie

    Tegelijkertijd levert vertraging ook problemen op voor de Nederlandse (kennis)industrie die wordt ingezet bij het bouwen van dit type schepen. Karremann: ’Vertraging betekent dat je heel lang geen schepen bouwt. Het laatste gebouwde Nederlandse fregat was de Evertsen (2005) en sindsdien is er geen nieuw fregat meer in dienst gesteld. Eigenlijk moet je rekenen vanaf het moment van ontwerpen, dus voor de Evertsen rond 2000, waardoor je feitelijk zit met een gat van 16 jaar. In de tussentijd zijn er wel schepen gebouwd, maar die mochten voldoen aan koopvaardijeisen. Dit is belangrijk voor de technische kant van het verhaal, want met meer geavanceerde fregatten komen ook hogere eisen in het ontwerp voor wat betreft schok en signatuur. Die kennis staat dus feitelijk stil, niet alleen in de industrie maar ook binnen de marine en Dienst Materiele Organisatie (DMO) van Defensie. Er zit gelukkig nog wel wat ervaring bij Damen Shipyards, die in de tussentijd fregatten en korvetten hebben gebouwd voor Indonesië en Marokko, maar dat zijn niet de schepen zoals Nederland die wil hebben.’

    Voor Gerben Edelijn, CEO van defensiebedrijf Thales — dat voor de Nederlandse fregatten de radartechnologie aanlevert — is deze vertraging een existentiële zorg: ‘Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en zijn gesprekspartner van de Marine, het Ministerie van Defensie en de politiek. Ik maak me zeker zorgen: de opvolging van de M-Fregatten is voor zowel de Marine als voor Thales cruciaal. Als de Marine stopt als launching customer dan verdwijnt dit bedrijf.’ Zowel vanuit de Marine als het bedrijfsleven wordt dan ook het argument naar voren gebracht dat “van de plank kopen” duurder is dan zelf ontwikkelen. Niet alleen zorgt mee-ontwikkeling voor hoogwaardige technologische kennis (en dus een betere concurrentiepositie in de markt), ook wordt het onderhoud goedkoper omdat men precies weet wat er onder de motorkap zit.

    Een derde voordeel van zelf ontwikkelen is dat het materieel kan worden gebouwd naar de Nederlandse behoefte: de inzet bepaalt tenslotte het ontwerp. ‘Uiteindelijk heeft de veiligheid een prijs en zijn onze bestedingen in Nederland afhankelijk van politieke keuzes. De samenwerking tussen de marine, kennisinstellingen en het bedrijfsleven heeft een uitstekende track record op het gebied van innovatiekracht en het betaalbaar houden van onze defensie. Voor onze veiligheid, economie en kennispositie is het daarom noodzakelijk dat we nu de juiste keuzes maken en knopen doorhakken,’ voegt Edelijn toe.

    Zinkend schip

    Ook met de huidige bezetting kampt de marine met een schaarste aan middelen. Hierdoor kan het nu al niet altijd voldoen aan de operationele vraag vanuit de politiek. De Natris noemt enkele voorbeelden uit het afgelopen jaar: ‘De anti-piraterijmissie in  Somalië wordt tijdelijk gestopt in verband met operaties in de Middellandse Zee. De Zr. Ms. Rotterdam zou nu voor de kust van Guinee (West-Afrika) samen met de Amerikaanse marine de lokale kustwacht gaan ondersteunen, assisteren bij het opzetten van een anti-piraterij organisatie en daarna een instandhoudingsprogramma ondergaan. Vanwege budgettaire problemen bij de Marine is de reis naar West-Afrika niet doorgegaan. In plaats hiervan is de Zr. Ms. Rotterdam nu ingezet in Operatie Sophia (Libië), en is het instandhoudingsprogramma afgeblazen. Dit wordt nu gelijktijdig met een grote onderhoudsperiode in 2018 gedaan. Er wordt dus roofbouw gepleegd en daar hebben we bij de Marine negatieve ervaringen mee. Zo is de Mercuur is in verband met achterstallig onderhoud een tijdlang niet zeewaardig geweest. Tot slot overlapt de afwisseling van het stationsschip in de West niet meer met elkaar. Dit is naast budgettaire overwegingen ook gedaan vanwege het feit dat we te weinig schepen hebben om nog volcontinu aanwezig te kunnen zijn met een stationsschip.’

    ‘Er wordt roofbouw gepleegd; daar hebben we bij de Marine negatieve ervaringen mee’

    Doordat defensiepersoneel zich in toenemende mate geconfronteerd ziet met een schaarste aan middelen, ontstaan er ook problemen in het personeelsbestand. ‘Sinds jaar en dag vindt er een braindrain bij defensie plaats,’ vervolgt De Natris. ‘Zolang er geen duidelijke visie over de toekomst van defensie — en dus van het personeel — bestaat, zal deze braindrain, reorganisaties of niet, blijven doorgaan. Voor de marine geldt dat zij op dit moment voor minder dan 90 procent is gevuld. Met name jonge militairen verlaten het zinkende schip. Het behoud van personeel is een de grootste zorgen van de marineleiding. Tegelijkertijd zie je dat het aantal burgers toeneemt. Steeds vaker zie je dat burgermedewerkers worden geplaatst op militaire stoelen, omdat we de mensen simpelweg niet hebben. De “verburgerlijking” van de marine is een kortetermijnoplossing, maar gaat op de lange termijn wel voor problemen zorgen. 

    ‘In een krimpende organisatie komt het goed uit dat de uitstroom de instroom overtreft. Echter, het is niet ondenkbaar dat er de komende jaren in defensie wordt geïnvesteerd. Dit zou betekenen dat het personeelsbestand mee moet groeien. Dit kan alleen maar succesvol geschieden als het imago van Defensie aanzienlijk wordt verbeterd. De eerste stap om te komen tot deze imagoverbetering zal vanuit het personeel moeten komen. Op het moment dat het defensiepersoneel zich weer ‘senang’ [tevreden, red.] voelt en het gevoel krijgt dat de politiek defensie en haar personeel serieus neemt, zal er een olievlek ontstaan die zich onder de samenleving verder zal verspreiden: het is weer leuk om bij defensie te werken.’

    Tot zover de gevolgen van het strategische tekort voor de Marine. In het volgende deel besteedt Follow the Money aandacht aan de gevolgen voor de Landmacht.

    Over de auteur

    Dieuwertje Kuijpers

    Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

    Lees meer

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    Kaalslag bij Defensie

    Sinds het einde van Koude Oorlog heeft Nederland fors gesneden in Defensie. De opeenvolgende kabinetten gebruikten de kaassch...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid