© Boomerang

    De aanpak van faillissementsfraude krijgt in elke kabinetsperiode weer het stempel ‘prioriteit’. Toch komt er in de praktijk bar weinig van terecht. Hoe zit dat?

    Dit stuk in 1 minuut
    • Faillissementsfraude berokkent de maatschappij jaarlijks circa 1 miljard euro schade; aan bijna eenderde van de faillissementen hangt een luchtje.

    • Toch is de kans dat een zaak voor de strafrechter komt nihil. Uit cijfers van de Raad voor de Rechtspraak blijkt dat er vorig jaar slechts 74 faillissementsfraudezaken zijn voorgelegd aan de strafrechter.

    • Iedere nieuwe minister van Justitie heeft de afgelopen decennia beloofd om dit soort fraude effectiever te zullen bestrijden. Onderzoekers, curatoren en voormalig hoogleraar Tineke Hilverda zien het somber in: faillissementsfraudeurs wordt nog steeds ‘nauwelijks een strobreed in de weg gelegd’.

    • De oorzaken liggen dieper dan gebrekkige samenwerking. De curator heeft een imagoprobleem en een financieringsprobleem. Plus – verrassend – er vloeien te weinig tranen bij de aangifte van faillissementsfraude.

    Lees verder

    ‘Ik heb nu al spijt dat ik “ja” tegen dit interview heb gezegd,’ verzucht voormalig hoogleraar faillissementsfraude Tineke Hilverda als Follow the Money haar eind januari opzoekt in het gerechtshof Den Bosch. Een half jaar eerder heeft Hilverda afscheid genomen van haar leerstoel aan de Radboud Universiteit en is ze fulltime verder gegaan als raadsheer bij het Hof Den Bosch. Al in 1992 schreef Hilverda haar proefschrift over faillissementsfraude; sindsdien heeft ze herhaaldelijk geprobeerd om het onderwerp op de politieke agenda te krijgen. 

    Het resultaat viel haar tegen: op ‘een paar zinvolle maatregelen en ontwikkelingen’ na, lukte het de opeenvolgende ministers van Justitie Piet Hein Donner, Ernst Hirsch Ballin, Ivo Opstelten, Ard van der Steur en Stef Blok niet om het probleem bij de hoorns te vatten. En dus verliet ze – met enige frustratie – in juni 2017 het strijdtoneel. 

    ‘De veranderingen gaan echt heel langzaam,’ zegt Hilverda als we even later in een vergaderzaal naast haar werkruimte zitten. ‘Het resultaat is dat faillissementsfraudeurs nog steeds nauwelijks een strobreed in de weg wordt gelegd. Dat zegt iets over hoe wij met elkaar omgaan in het zakelijk verkeer: het wordt getolereerd.’ Hilverda is er duidelijk helemaal klaar mee.

    Vrij spel

    Dat de aanpak van faillissementsfraude nog steeds niet soepel verloopt, blijkt wel uit de handel en wandel van Roge van der W. Jarenlang kon deze Drachtenaar vrijwel ongestoord failliet gaan, nieuwe bedrijven beginnen en schuldeisers benadelen. De case laat duidelijk zien wat het achterliggende probleem is: gehaaide ‘ondernemers’ kennen de manco’s van het systeem en maken daar optimaal gebruik van.

    Hoe meer werk voor de curator, en hoe leger de boedel, des te kleiner de pakkans

    Zo sturen ze curatoren het bos in met ontbrekende administratie of, iets subtieler, overladen ze die met correspondentie of (valse) facturen om weggesluisde geldstromen alsnog te legitimeren. Andere trucs: het verplaatsen van de statutaire zetel naar het buitenland en het inschakelen van katvangers. De logica erachter lijkt te zijn: hoe meer werk voor de curator, en hoe leger de boedel waaruit de curator zijn of haar uren moet terugverdienen, des te kleiner de pakkans. En als een vervelende curator desondanks dreigt met aangifte, dan kun je altijd nog proberen een schikking te treffen. Een win-winsituatie: de curator is dan verzekerd van een salaris en kan de deal legitimeren doordat het zijn wettelijke taak is om geld uit de boedel te krijgen; de fraudeur is gevrijwaard van een aangifte en strafrechtelijke vervolging.

    Dit is in een notendop de problematiek rondom notoire faillissementsfraudeurs. De knelpunten treden ook in lichtere vormen op bij de gelegenheidsfraudeurs: bestuurders die bijvoorbeeld vlak voor faillissement nog even snel de dure zaagmachine op Marktplaats zetten, of de vorkheftruck verkopen aan een familielid.

    Ruim een miljard schade

    Het resultaat van dit alles is dat er jaarlijks waarschijnlijk voor meer dan een miljard euro aan waarde wordt onttrokken aan boedels. Het is een wijdverbreide praktijk: het Centraal Bureau voor de Statistiek concludeerde in 2016 dat er bij bijna eenderde van de faillissementen sprake is van een vorm van fraude waarbij schuldeisers worden benadeeld. Dat zou neerkomen op bijna 1000 fraudefaillissementen in 2017, ruim 1300 in 2016 en bijna 1600 in 2015.

    De rekening komt te liggen bij de maatschappij – met als grootste benadeelde de Belastingdienst – en bij gewone leveranciers, die opeens kunnen fluiten naar hun openstaande rekeningen. Het merendeel van deze zaken blijft echter onder de radar: in 2015 werden er door curatoren bij het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude van de FIOD in Zwolle 670 dubieuze faillissementen gemeld, waarvan er uiteindelijk 280 strafrechtelijk onder de loep werden genomen. De politie pakte in 2015 in totaal 154 zaken op; de FIOD 54. In 2016 lagen die aantallen respectievelijk op 128 en 66.

    Let wel: dit betreft alleen een strafrechtelijk onderzoek. Via de Raad voor de Rechtspraak kreeg Follow the Money inzicht in het aantal faillissementsfraudezaken dat daadwerkelijk voor de rechter kwam. De eenvoudige faillissementszaken belanden na politieonderzoek bij de politierechter (ook wel enkelvoudige kamer, of EK), de complexere fraudezaken van de FIOD belanden bij de meervoudige kamer (MK).

    Wat blijkt: het aantal strafzaken is opmerkelijk laag. Vorig jaar werden er 43 zaken voorgelegd aan de politierechter, wat resulteerde in 35 strafopleggingen. Daarnaast werden er 31 grotere zaken voorgedragen aan de meervoudige kamer. Daaruit volgden 28 strafopleggingen.

    Dieperliggende problemen

    Maar fraude bij faillissementen is iets van alle tijden. Zo deed de Universiteit van Amsterdam in 2004 in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek-en Documentatiecentrum (WODC) onderzoek naar faillissementsfraude. De onderzoekers trokken alarmerende conclusies: ‘Samengevat kan worden gesteld dat in 43% van de onderzochte faillissementen sprake is van onregelmatigheden. In ongeveer een kwart van de gevallen is sprake van wat men faillissementsfraude mag noemen.’Nog datzelfde jaar, 2004, kondigde toenmalig minister van Justitie Piet Hein Donner een Actieplan Bestrijding Faillissementsfraude aan. Zijn opvolger Ernst Hirsch Ballin kwam met een plan van aanpak. De kernpunten: betere informatie-uitwisseling, uitbreiding van de garantstellingsregeling en ervoor zorgen dat curatoren vaker aangifte van faillissementsfraude doen.

    In Het Financieele Dagblad was Hilverda, destijds rechter bij het gerechtshof Arnhem en docent fraudebestrijding, in 2007 sceptisch over de plannen: ‘Allemaal beloftes die we al vijftien jaar zien langskomen, en waar dus kennelijk weinig of niets van is terecht gekomen.’

    Hirsch Ballins opvolger Ivo Opstelten ging voortvarender te werk en kwam met een ‘integrale aanpak’. Daarin stond ‘samenwerking’ weer centraal. Opstelten wist zelfs nieuwe wetsbepalingen door het parlement te loodsen die justitie en curatoren meer slagkracht moesten geven (zie kader).

    De aanpak van Opstelten

    Ivo Opstelten heeft wetswijzigingen doorgevoerd waarmee curatoren en justitie meer slagkracht krijgen in de strijd tegen grote en kleine faillissementsfraudeurs. Hilverda noemde in haar afscheidsrede de invoering van drie nieuwe wetten (Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, Wet versterking positie curator en Wet civielrechtelijk bestuursverbod) in één jaar tijd een ‘huzarenstuk’: ze geven de curator meer macht om de noodzakelijke bedrijfsadministratie op te eisen van bestuurders (bij faillissementsfraude is vaak op onverklaarbare wijze de administratie verdwenen, wat de curator voor een bijna onmogelijke taak stelt). Het schenden van de informatieplicht kan nu leiden tot aangifte door de curator. De curator heeft bovendien de (theoretische) mogelijkheid gekregen om faillissementsfraudeurs een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen.

    Daarnaast hebben curatoren een taak erbij gekregen: ze zijn verplicht melding te maken van onrechtmatigheden waarop ze stuiten, en zo nodig – in overleg met de rechter-commissaris – aangifte te doen van faillissementsfraude. Dit leidde overigens tot kritiek van curatoren: ‘We worden dadelijk ingezet als een soort opsporingsambtenaar, ook nog eens onbezoldigd, terwijl mijn taak ligt bij het optreden voor de schuldeisers bij een faillissement,’ zei curator Paul Peters in een FTM-artikel van 2014 over dit wetsvoorstel. De crux: wie betaalt de extra uren die curatoren in het (fraude)onderzoek moeten steken? Anno 2018 is dat nog steeds een twistpunt.

    Naast deze rechtsmiddelen kunnen curatoren voor hulp terecht bij zogeheten fraudespreekuren; ook kunnen ze de hulp inroepen van de screenings-instantie Justis, het onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid dat toezicht houdt op misbruik van rechtspersonen. Curatoren kunnen daar netwerktekeningen opvragen om op die manier een beter totaalbeeld te krijgen van alle bedrijfsactiviteiten van de bestuurder en zijn gefailleerde onderneming.

    Lees verder Inklappen

    Ongoing story

    Ondanks de pogingen van achtereenvolgende ministers om faillissementsfraude een halt toe te roepen, blijft een echte doorbraak uit. ‘Het probleem van faillissementsfraude speelt al 25 jaar, en het is een ongoing story,’ verzucht Wynsen Faber, voormalig lector financieel-economische criminaliteit aan de Politieacademie.

    Schuldeisers zijn de echte slachtoffers, maar de politie beschouwt deze fraude als een zakelijk risico

    Faber wordt regelmatig ingeschakeld door onder andere het WODC en leidde van 2009 tot 2014 een nationale denktank om faillissementsfraude beter te bestrijden. Faber: ‘Eigenlijk zou je je moeten schamen als je na 25 jaar nog steeds “gebrekkige samenwerking” aanvoert als reden waarom faillissementsfraude niet goed wordt bestreden. Ik zie iedere kabinetsperiode weer gewichtige regeerakkoorden voorbij komen met daarin de mantra’s “we moeten meer samenwerken” en “meer prioriteit stellen”. Dat lijkt een daadkrachtig verhaal, maar het komt steeds maar niet van de grond.’

    Volgens Faber kijken beleidsmakers niet naar de dieperliggende problematiek: ‘Schuldeisers zijn de echte slachtoffers van faillissementsfraude, maar de politie beschouwt deze fraude als een zakelijk risico,’ zegt hij. ‘Ze denken: “It’s all in the game bij zakendoen.” Ze beseffen echter niet dat een schuldeiser er persoonlijk aan onderdoor kan gaan en dat zijn gezin geruïneerd wordt. Bij faillissementsfraude wordt er geld uit de boedel gestolen; het leed is alleen minder zichtbaar in vergelijking met bijvoorbeeld een woninginbraak waarbij moeders erfstukken zijn gestolen.’

    Daar komt bij dat de aangifte van faillissementsfraude gedaan wordt door de curator: ‘Hij geeft dan aan voor welke waarde er is verdwenen uit de onderneming, maar dat is niet meer dan een getal. Het maakt geen diepe indruk op de politie, want de tranen van de echte slachtoffers, de schuldeisers, zien ze niet. Daardoor beseffen ze ook niet: “Hee, dit is echt té erg, hier gaan we wat aan doen.”’

    Ook stelt Faber vast dat de curator kampt met een imagoprobleem: ‘Een curator is een advocaat en dat is in de ogen van de politie iemand die normaliter de tegenpartij – een verdachte – vertegenwoordigt. Dat een advocaat ook kan optreden als bewindvoerder of curator, valt voor de politie moeilijk te bevatten. Ze worden gezien als mensen die in de regel goed verdienen en ook nog eens als eerste uit de boedel hun kosten binnenhalen. En de politie moet  deze advocaten dan helpen om procesverbaal op te maken en het dossier, dat de curator op een presenteerblaadje aanbiedt, af te handelen.’

    Volgens Faber leidt dit ertoe dat ze bij de politie niet staat te springen bij een dossier over faillissementsfraude: ‘De politie wil toegevoegde waarde bieden, maar bij faillissementsfraude voelen ze zich het hulpje van de curator. Ze richten zich dan liever op meer prestigieuze onderzoeken.’

    Politie versus FIOD

    Het relaas van Faber sluit aan bij de zienswijze van Hilverda. In haar afscheidsinterview in NRC noemde zij de (politie)aanpak van eenvoudige faillissementsfraudezaken een ‘groot fiasco’: ‘Het is trekken aan een dood paard. Of er iets gebeurt, is afhankelijk van het hobbyisme van de plaatselijke rechercheur en officier van justitie.’ Volgens Hilverda ontbreekt het de politie ook aan interesse en kennis om kleinere faillissementsfraudes aan te pakken: ‘Iedereen doet nu nog faillissementsfraude: van basisteams, district- en regioteams van de politie met de gewone parketten, tot de FIOD en het Functioneel Parket en alle strafkamers bij de gerechten,’ aldus Hilverda tegen FTM. Ze pleit voor meer focus en specialisatie: ‘Het moet alleen nog maar bij specialisten neergelegd worden. Bijvoorbeeld bij de FIOD, het Functioneel Parket en een paar specialistische gerechtshoven.’

    Als er een veelpleger bezig is geweest, kost dat al gauw 10.000 tot 20.000 uur werk

    Faber deelt Hilverda’s mening dat faillissementsfraude beter aangevat kan worden door de FIOD. Hij gelooft niet in het model van meer samenwerking tussen verschillende opsporingsinstanties: ‘Ze hebben wel het besef van het belang van samenwerken, maar dat druist in tegen hun bestaansrecht: dat bestaat uit exclusiviteit. Als ze hun informatie over de schutting leggen bij de andere dienst, dan komt hun exclusiviteit in het geding.’

    De FIOD kent echter een grote beperking: de dienst heeft momenteel maximaal 100 duizend uur aan capaciteit om faillissementsfraude aan te pakken. ‘Als er een veelpleger bezig is geweest, kost dat al gauw 10.000 tot 20.000 uren,’ zei Jaap Timmer, projectleider Faillissementsfraude van de FIOD, onlangs in het Friesch Dagblad. Al met al kan de FIOD jaarlijks 50 à 60 zaken oppakken.

    Financiële prikkel ontbreekt

    Voor de aanvoer van fraudezaken zijn de politie en de FIOD afhankelijk van curatoren die fraude moeten melden. Dit is een terugkerend knelpunt in de strijd: ook bij de van faillissementsfraude verdachte ondernemer Roge van der W. uitten de betrokken curatoren de nodige kritiek op de financiering van hun werk rond zulke fraude. Voor het doen van aangifte konden ze aanspraak maken op een vergoedingsregeling bij het ministerie van Financiën. Maar, zo zegt bijvoorbeeld curator Nadja Wilderink: ‘Als curator krijg je dan 1500 euro, maar alléén als je aangifte wordt opgepakt door justitie. Anders niet. En het wordt bijna nooit opgepakt.’

    Voor het verdere (fraude)onderzoek zijn de curatoren aangewezen op de zogeheten Garantstellingsregeling, een potje bij het ministerie van Veiligheid en Justitie waar curatoren beroep op kunnen doen als ze onderzoek willen doen naar faillissementsfraude. Daarin is echter wel een rendementseis opgenomen: er móet uitzicht zijn op verhaal. Een onmogelijke eis bij casussen met doorgewinterde faillissementsfraudeurs: die hebben er vaak voor gezorgd dat er niets meer op hun eigen naam staat en zijn soms zelfs persoonlijk failliet. Met andere woorden: er valt eenvoudigweg niets te verhalen. Advocaat Jelke Jelsma: ‘Het zou beter zijn als de Garantstellingsregeling toegankelijker wordt gemaakt, zodat er een soort basisvergoeding vanuit de staat komt waarvan wij onderzoek kunnen doen.’

    Het ministerie van Justitie & Veiligheid is inmiddels bezig om de Garantstellingregeling te verruimen. Curator Willem van Nielen hoopt dat de hand van de knip gaat: ‘De wetgever heeft immers bij de aanpak van faillissementsfraude ingezet op de rol van de curator. Dan moet daar ook geld voor worden vrijgemaakt, anders is de wetgeving een wassen neus en verliezen de samenwerkingsverbanden zoals de fraudespreekuren hun effectiviteit.’

    Fraudespreekuur

    Van Nielen wijst ook op het belang van ruimere financiering. ‘Stel je voor dat iedere curator die fraude tegenkomt, die ook echt goed gaat onderzoeken. Dat ondermijnt de positie van fraudeurs; die zullen niet snel in Nederland nog hun heil gaan zoeken. Ik geloof daarom in het financieel ondersteunen van curatoren om fraude te onderzoeken en het onttrokken geld terug te halen. Als je dat in substantiële mate doet, dan kun je enorme resultaten boeken. Zeker jonge curatoren zijn gemotiveerd, en ook rechter-commissarissen vinden het steeds belangrijker dat faillissementsfraude wordt aangepakt.’ Van Nielen stond dan ook aan de wieg van de zogeheten fraudespreekuren, waarin curatoren hulp krijgen om fraudeurs aan te pakken.

    Faber heeft zijn geloof in meer samenwerking verloren na alle beloftes van voorgaande kabinetten: ‘Iedere vier jaar kwam “meer samenwerking” terug bij een nieuw kabinet, maar dat gebeurt niet. En het zal ook niet gebeuren.’ Faber ziet liever dat er meer radicale maatregelen worden getroffen: ‘Er wordt nu een appèl gedaan op de goede bedoeling van curatoren, maar je kunt ook zorgen dat het systeem wordt veranderd. Je kunt bijvoorbeeld altijd iemand van de Belastingdienst – de grootste schuldeiser in faillissementen – laten aanschuiven bij de curator. Een ambtenaar haalt natuurlijk veel meer naar boven dan een curator die aan zijn eigen centjes denkt.’

    Aanmodderen

    Maar de komende jaren zal het waarschijnlijk aanmodderen blijven. Hierbij moet worden aangetekend dat er wel een aantal lichtpuntjes zijn te ontwaren: de steviger wetgeving om faillissementsfraudeurs aan te pakken en de fraudespreekuren waar welwillende curatoren de broodnodige ondersteuning kunnen krijgen, om er twee te noemen.

    Desondanks blijft de signalering en het (voor)onderzoek van faillissementsfraude grotendeels leunen op commercieel ingestelde advocaten – de curatoren – die allesbehalve staan te springen om uitvoerig onderzoek te doen in een dubieus faillissement waarvan de boedel al leeggehaald is. En als ze al melding maken van een fraudegeval, dan is er nog de bottleneck van de opsporing. Het resultaat: de kans dat een faillissementsfraudeur de krant haalt met de kop: ‘Faillissementsfraudeur X veroordeeld tot 1 jaar cel’ is klein. Vorig jaar werd in slechts 63 faillissemensfraudes een veroordeling uitgesproken, terwijl er jaarlijks aan meer dan duizend faillissementen een luchtje hangt.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Dennis Mijnheer

    Gevolgd door 1211 leden

    Ontspoorde bedrijfskundige die alles wil weten van mannen en vrouwen met witte boorden. Tags: fraude, witwassen, omkoping.

    Volg Dennis Mijnheer
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    In de greep van de curator

    Gevolgd door 690 leden

    In 2014 gingen er bijna 10 duizend bedrijven en personen failliet. De gevolgen zijn vaak groot: toeleveranciers moeten nog ma...

    Volg dossier