© ANP / Ed Oudenaarden

Succesvol begrotingsbeleid? Niet voor de burger

    De pers was vol lof omdat het kabinet erin geslaagd is een begrotingsoverschot te bereiken. Een mooi resultaat, vindt ook David Hollanders, maar wat heeft de Nederlandse burger eraan als het kabinetsbeleid jarenlang nauwelijks tot loonstijgingen en groei heeft geleid en het kabinet ook niets doet om de economie te stimuleren?

    Het economisch beleid van het kabinet Rutte-2 wordt door menig journalist geprezen. De Volkskrant kwalificeerde het als ‘een mooie eindlijst’ en een ‘prestatie van formaat’. Een parlementair journalist stelde onlangs in Tv-programma Pauw dat het kabinet Nederland door de crisis heeft geholpen. Dat zou mooi zijn — als het zo was.

    De journalisten baseren hun lof op het (geprognosticeerde) begrotingsoverschot. Dat is inderdaad het succescriterium van het kabinet zelf, dat in de Miljoenennota 2013 onomwonden noteerde: ‘Het verbeteren van de overheidsfinanciën is een prioriteit van het kabinet.’ Het is ook het succescriterium van de door EMU-regeringsleiders vastgestelde en door de Europese Commissie uitgevoerde fiscale pacten. Het is het succescriterium van de crediteuren van de staat. En het is kennelijk het succescriterium van de Volkskrant

    Schuldeisers van de Nederlandse staat, EMU-regeringsleiders, EC-ambtenaren, Nederlandse kabinetsleden en menig journalist kunnen tevreden zijn over het begrotingsoverschot. De Miljoenennota 2014 preludeerde hier reeds op. Daarin werd gesteld dat Nederland van het vertrouwen van beleggers ‘profiteert,’ maar dat ‘het sentiment op financiële markten kan veranderen’ indien (in de ogen van beleggers) de kredietwaardigheid van de staat afneemt. De kredietwaardigheid nam niet af. Het sentiment veranderde niet. En dus profiteert Nederland — voor zover Nederland gelijk gesteld kan worden aan de kredietwaardigheid van de staat.

    "Ons land presteert enkel beter dan zeven krimplanden: Griekenland, Italië, Spanje, Letland, Portugal, Finland en Slovenië."

    Lage groei

    Daarbij dienen twee zaken te worden vermeld. Ten eerste heeft het begrotingsoverschot niet geleid tot economische groei. De groei in de periode 2009-2015 bedroeg in Nederland 1,3 procent, tegenover 14,2 procent in de periode 2002-2008. Ook in vergelijking met de EMU is de groei laag: Ierland, Slowakije en Luxemburg (groei van meer dan 10 procent), buurlanden Duitsland en België (groei tussen 5 en 10 procent) en Oostenrijk, Frankrijk, Litouwen en Estland (groei meer dan 3 procent) deden het allemaal beter dan Nederland. Ons land presteert enkel beter dan zeven krimplanden (Griekenland, Italië, Spanje, Letland, Portugal, Finland en Slovenië). Kortom, de Nederlandse groei is niet hoog.

    Maar is een begrotingsoverschot dan niet goed? Ja, dat is het. Hier wijk ik — bij mijn tweede punt komend — dan ook deels af van neo-Keynesiaanse pleidooien voor een schuld-gefinancierde toename van staatsuitgaven. Daarbij volg ik enigszins de ordo-liberale aanbodzijde-economen die in de EMU en op het ministerie van Financiën de dienst uitmaken.

    Het volgens neo-Keynesianen voorspelbare — en dan ook door hen voorspelde — gevolg van begrotingstekortreductie is economische stagnatie. Als private sectoren als gevolg van decennialange loonstagnering en plotselinge spaarzucht (zogenoemde deleveraging) minder (kunnen) uitgeven, dan dient de overheidssector te stimuleren. Nederland kan niet alleen maar voor het buitenland produceren, al nam de export toe van 5,01 procent van het bbp ultimo 2008 naar 8,63 procent in 2015. Zoals Krugman placht te schrijven: my spending is your income. Als niemand uitgeeft, verdient niemand en houdt de productie ook op. En inderdaad wordt de periode 2009-2015 gekenmerkt door deflatie en stagnatie.

    De periode 2009-2015 wordt gekenmerkt door deflatie en stagnatie

    Tegelijkertijd is een begrotingstekort en een (daardoor stijgende) staatsschuld onwenselijk. Het resulteert in overheidsbetalingen aan crediteuren in plaats van aan burgers. De staat moet niet van beleggers lenen, maar moet ze belasten, ook en vooral omdat de belasting die door kapitaal wordt opgebracht al jarenlang daalt. Verder dienen de lonen niet te worden ‘gematigd’ — de term die Nederlanders gebruiken als ze het hebben over loondalingen ten opzichte van de productiviteit noemen. Lonen dienen met de productiviteit te stijgen.

    Overschot én stimulering

    Begrotingsoverschot is wenselijk, maar — en dat is cruciaal — het sluit vraagstimulering geenszins uit. Menigeen schijnt dat echter wel te veronderstellen. Overheidsuitgaven hoeven niet met schuld gefinancierd te worden, maar kunnen ook gefinancierd worden door inkomstenverhoging. In bijzonder dienen vraagstimulering en begrotingsevenwicht gelijktijdig bereikt te worden door vermogen (eindelijk) te belasten, belastingontduiking op te sporen en de lonen te indexeren aan de productiviteit. Dan kan de (overheids)vraag begrotingsneutraal gestimuleerd worden, zoals neo-Keynesianen terecht als noodzakelijke maatregel propageren in tijden van private besparingen.

    Bijkomend voordeel van belasting-gefinancierde vraagstimulering is dat het kabinet zich dan niet meer hoeft te richten op het sentiment van crediteuren, in een poging te profiteren van bij hen gewekt vertrouwen. Op wie het kabinet zich dan wél te richten heeft? De idee dat dit de kiezer zou moeten zijn, is in een formeel democratische staat zo’n gekke gedachte nog niet.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    David Hollanders

    Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.

    Volg David Hollanders
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren