Sywert van Lienden verlaat de rechtbank van Amsterdam, 2022

De coronapandemie zet de wereld op zijn kop. Wie betaalt de rekening? En wie profiteert? Lees meer

Het virus SARS-CoV-2, beter bekend als het coronavirus, dook eind 2019 op in de Chinese provincie Hubei. In een paar weken tijd veroorzaakte het een epidemie, waarna het zich over de rest van de wereld verspreidde. Begin maart 2020 verklaarde de World Health Organisation de ziekte tot een pandemie en gingen landen wereldwijd 'op slot'.

Met het coronavirus is een crisis van historische proporties ontstaan, niet alleen medisch, maar ook economisch. In de vorm van steunfondsen en noodmaatregelpakketen werden bedrijven wereldwijd met vele miljarden op de been gehouden.

Waar met geld gesmeten wordt, liggen misbruik en fraude op de loer. Daarom volgt FTM de ontwikkelingen op de voet. Wie profiteert van de crisis? En welke oplossingen dienen welke belangen? 

206 artikelen

Sywert van Lienden verlaat de rechtbank van Amsterdam, 2022 © Remko de Waal / ANP

Sywert van Lienden maakte veel meer winst op mondkapjes dan hij het ministerie vertelde

Sywert van Lienden en zijn partners deelden de inkoopprijs van hun mondkapjes op voorhand met het ministerie van VWS, staat in het pas verschenen rapport van Deloitte. Ze gaven echter een veel hogere prijs op dan zijzelf voor de bulk van de order betaalden. Dat blijkt uit het contract met de Chinese fabrikant, gepubliceerd in het boek ‘Sywerts miljoenen’. Ondanks herhaalde verzoeken van Deloitte, dat de deal onderzocht, weigerden Van Lienden c.s. de contracten te delen.

Het ministerie van Volksgezondheid (VWS) wist dat het de beruchte mondkapjesdeal sloot met een commerciële bv, Relief Goods Alliance. Dat is een van de onontkoombare conclusies van het vrijdag 16 september verschenen Deloitte-rapport over de deal.

Maar wist de overheid ook hoeveel winst zou ontstaan? En wist de overheid waar die winst zou neerslaan? Met andere woorden: wist VWS dat Relief Goods Alliance los stond van de stichting Hulptroepen Alliantie?

Daarover biedt het rapport geen uitsluitsel.

Het onderzoek van Deloitte laat vooral zien dat er veel verwarring bestond over de rollen van de drie aandeelhouders van RGA: Sywert van Lienden, Bernd Damme en Camille van Gestel. Die verwarring werd door henzelf gevoed door de naam van de bv, die veel weg heeft van de Engelse vertaling van Hulptroepen Alliantie, en zo een samenhang met de stichting suggereert die er niet is.

Onderzoek door Deloitte en door het Openbaar Ministerie

Al in juni 2021 gaf de toenmalige minister van VWS opdracht voor het onderzoek, nadat er grote commotie was ontstaan over de deal. Bij de stichting betrokken partijen zoals Randstad en Coolblue en medewerkers hadden geen idee dat er in het geheim winst werd gemaakt.

Nadat Randstad eind vorig jaar aangifte deed, startte het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek. De drie mannen worden inmiddels verdacht van oplichting, verduistering en witwassen. Een spraakmakende rechtszaak leidde tot hun ontslag als bestuurders van de stichting.

Ondertussen deed Deloitte meer dan een jaar onderzoek, waaraan Van Lienden zei volledig mee te werken. Deloitte kreeg miljoenen documenten en sprak met alle hoofdrolspelers.

Lees verder Inklappen

‘Ten slotte dient te worden opgemerkt,’ schrijft Deloitte, ‘dat er bij een aantal betrokkenen van VWS en het LCH onduidelijkheid heeft bestaan over de wijze waarop RGA zich verhield tot [..] het Hulptroepen-initiatief. Van Lienden, Damme en Van Gestel zijn betrokken bij al deze rechtspersonen en bij het Hulptroepen-initiatief. In de voorstellen die voorafgaand aan en na het afsluiten van de RGA-orders zijn gedaan, was geen sprake van een duidelijk onderscheid.’

Zo gebruikte het drietal het logo en de huisstijl van Hulptroepen in allerlei documenten, ook voor de deal met RGA. Dat het voor verwarring kon zorgen was ‘de bedoeling’, zei Bernd Damme achter de schermen, zoals blijkt uit een transcriptie van een opname die in het rapport terecht kwam.

Voormalig minister Martin van Rijn, politiek verantwoordelijk voor de deal, zei in mei 2021 in de Volkskrant dat Van Lienden hem nooit heeft geïnformeerd over zijn zakelijke belangen in Relief Goods Alliance. Een soortgelijke uitspraak van Van Rijn ontbreekt in het rapport.

Verzwegen marge

Er was slechts beperkt zicht op hoeveel winst er kon worden gemaakt, zo blijkt uit het rapport van Deloitte. Met VWS heeft Van Lienden slechts de ‘prijsopbouw’ gedeeld van de mondkapjes van een van de twee Chinese fabrikanten waarmee het trio zaken zou doen.

Dit overzicht, dat onder meer de inkoopprijs vermeldt, weerspiegelt bovendien niet de werkelijke aanschafprijs die de drie ondernemers betaalden, blijkt uit het contract met de fabrikant, gepubliceerd in het boek Sywerts miljoenen. Van het merendeel van die order – liefst 17 miljoen van de 20 miljoen mondkapjes die bij fabrikant Shengquan zijn besteld – lag de prijs veel lager dan VWS wist. Daarmee heeft Van Lienden zijn winstmarge aanzienlijk bescheidener voorgesteld dan hij kon verwachten.

Van Lienden heeft zijn winstmarge aanzienlijk bescheidener voorgesteld dan hij kon verwachten

Hoe verliep dat destijds?

Op 22 april 2020 stuurde Van Lienden een e-mail aan VWS met de prijsopbouw, enkele uren voordat de deal definitief zou worden gesloten. Volgens het rapport van Deloitte vermeldde hij daarin een ‘inkoopprijs (inclusief commissie agent) van € 2,406 per mondmasker. Inclusief diverse additionele posten, waaronder een post “onvoorzien” van 10%, komt de prijs per mondmasker uit op € 2,78 exclusief btw.’ Een marge van 10 procent klinkt niet excessief. VWS ging akkoord met dat tarief.

Kort daarvoor, in de nacht van 18 op 19 april 2020, hadden de ondernemers de actuele prijzen bij de fabrikanten opgevraagd, schrijven de onderzoekers van Deloitte.

Met Shengquan sprak het drietal een week later twee prijzen af: 2,50 dollar (2,31 euro) voor de eerste 3 miljoen exemplaren, 2,05 dollar (1,89 euro) voor de tweede order van 17 miljoen stuks, blijkens het contract. De inkoopprijs van 17 miljoen maskers lag derhalve niet op 2,4 euro per stuk, maar ongeveer 51 cent lager. Opgeteld gaat het om een verzwegen winstmarge ruim 8,6 miljoen euro.

Deloitte schrijft hierover: ‘Van Lienden, Damme en Van Gestel geven aan dat RGA [Relief Goods Alliance, red.] voor het bepalen van de prijsopbouw voornamelijk rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de order zich zou beperken tot de twee testorders van respectievelijk twee en drie miljoen mondmaskers, omdat het LCH [Landelijk Consortium Hulpmiddelen, de inkooporganisatie voor de overheid, red.] de overeenkomst na de testorders immers kon ontbinden.’

Transparantie over de prijs van het overgrote deel van deze order heeft het drietal dus bewust achterwege gelaten.

Camille van Gestel zegt in een reactie aan Follow the Money dat expliciet is aangegeven bij VWS dat zij de ‘actuele inkoopprijzen’ nog niet hadden, omdat die nog onderhandeld moesten worden. ‘We komen op 29 april pas op een definitieve prijs uit [..]. Dat risico lag bij ons, dat wil zeggen RGA.’ (Zijn gehele reactie is onder dit artikel opgenomen.)

Niet transparant of navolgbaar

Deloitte heeft het trio herhaaldelijk verzocht om inzage in de contracten, maar kreeg dat niet: ‘RGA heeft deze informatie niet verstrekt, maar heeft de documenten en correspondentie via een scherm aan Deloitte getoond.’ Daaruit konden de onderzoekers niet opmaken wat de inkoopprijzen waren en dus evenmin welke marge is aangehouden. Wel verwijst het rapport naar het contract, zoals gepubliceerd in Sywerts miljoenen.

Van Lienden heeft meermaals gesteld dat de deal ‘transparant’ en ‘navolgbaar’ is verlopen. Dat geldt dus niet voor de winstmarge. Van Lienden zei eerder volledig aan het onderzoek te zullen meewerken. Ook dat is volgens Deloitte niet gebeurd. Van Gestel zegt daarover tegen Follow the Money: ‘Het beoordelingscriterium voor het LCH en VWS was de stuksprijs, hetgeen ook is vastgesteld door Deloitte. Wij hebben daarom geen reden gezien verdere bedrijfsgevoelige informatie (die betrekking heeft op derden) te overleggen in dit vrijwillige onderzoek.’

Hoeveel de kersverse importeurs zouden verdienen, interesseerde de ambtenaren van VWS weinig. Zo heeft VWS hen niet verzocht de inkoopprijs te delen, en heeft het departement niet gevraagd naar de prijsopbouw van de 20 miljoen mondkapjes die bij een andere fabrikant zijn afgenomen. Rob van der Kolk, de baas van het LCH, had VWS indertijd dringend geadviseerd inzage in de prijsopbouw te eisen, omdat de overheid zo ongeveer alle risico’s op zich nam. Volgens hem weigerden Van Lienden en co transparant te zijn over hun inkooptarieven. Van Gestel ontkent dat Van der Kolk om inzicht in de prijzen heeft gevraagd.

VWS acht zich niet eindverantwoordelijk voor de prijsbeoordeling; die rol was volgens het ministerie voorbehouden aan het LCH, dat formeel de overeenkomst met RGA sloot. Dit is opmerkelijk, gezien de intensieve bemoeienis van VWS bij de totstandkoming van de deal, die volgde op het heftige verzet ertegen van het LCH zelf. Er moest en zou zaken worden gedaan met Van Lienden en zijn partners, wat alleen lukte na zware druk van VWS. Het LCH had geen keus meer: die moest de deal accepteren.

Daarbij speelde de winstmarge voor VWS geen enkele rol. 

Deloitte schrijft: ‘Functionaris 4 VWS licht toe dat er geen discussie bestond over een mogelijke winst en dat de prijsopbouw er in die zin niet toe deed. Functionaris 2 VWS [topambtenaar Mark Frequin, red.] geeft daarnaast aan dat, als onderdeel van het reguliere inkoopproces, het een vaste werkwijze was dat ook iemand van het LCH kennis zou nemen van de prijsopbouw.’ Maar Rob van der Kolk meldde Deloitte de aan VWS toegezonden prijsopbouw niet te hebben ‘gezien’. Het LCH heeft slechts geoordeeld dat de prijs die VWS betaalde ‘binnen de bandbreedte’ viel van de prijzen die die week werden geaccepteerd.

Geen onderhandeling over prijs

Dat de winst zo hoog is uitgevallen, wijten de handelaren zelf onder meer aan VWS, dat volgens hen ‘nooit’ heeft onderhandeld over de prijs. ‘Met deze onderhandelingen is [door de ondernemers] rekening gehouden in de prijsstelling,’ schrijft Deloitte op basis van gesprekken met het drietal. Kennelijk gingen zij er vanuit dat VWS nog wat van de prijs zou afhalen.

Tegenover Deloitte erkende topambtenaar Mark Frequin – die zei de deal ‘droogkloterig’ te hebben gesloten – dat onderhandelingen over de prijs nooit aan de orde waren, ‘omdat het samenwerken tussen de leverancier [Sywert en co, red.] en het LCH gebaseerd was op vertrouwen’. Volgens Frequin zijn alle leveranciers gevraagd om te leveren tegen een ‘scherpe prijs, zonder zichzelf tekort te doen’. Ook zei hij dat hij ‘geen problemen had met het sluiten van een deal met een zakelijke partij, omdat de heren van RGA net als elke leverancier risico liepen.’

Dat risico was echter zeer beperkt – de reden dat Van der Kolk aandrong op prijstransparantie. Aanvankelijk was het de bedoeling dat RGA de deal zelf zou financieren. Maar uiteindelijk is alles door VWS voorgefinancierd en kwam zelfs het transport naar Nederland voor rekening van de staat, in afwijking van de normale gang van zaken bij het LCH. Zoals bekend leverde dat het drietal een winst op van ruim 20 miljoen euro na belasting.

Dat is aanzienlijk meer dan de overheid op basis van de verstrekte prijsopbouw had kunnen bevroeden.

Binnenkort volgt een uitgebreidere analyse van het rapport van Deloitte.

Reactie Camille van Gestel

​​‘Op 22 april, nadat mondeling al is toegezegd dat de order geplaatst gaat worden (aantallen, prijzen, fabrikanten, entiteit), wordt ons door een ambtenaar van VWS met wie wij op vertrouwelijke basis hebben gesproken om een grosso modo prijsindicatie gevraagd om gevoel te krijgen bij de buffers die wij hadden. Die prijsindicatie is opgevraagd en op scherm getoond, waarbij deze ambtenaar die ook graag nog even wilde delen. Daarbij is expliciet bij aangegeven dat wij de actuele inkoopprijzen nog niet hadden, omdat die nog onderhandeld moesten worden en is RGA erbij gezet omdat gewerkt was in alle snelheid op een bestaande template. Deze grove prijsindicatie is, nadat al overeenstemming was bereikt over de overeenkomst, in korte tijd (in 10 - 15 min) op afstand opgesteld tijdens een lunchpauze obv van hetgeen toen beschikbaar was aan informatie. Daarna kwam terug dat deze prijsindicatie verder irrelevant was, en is er niet meer over gesproken of enige opvolging aan gegeven. Er is daarbij enkel gevraagd om de prijsopbouw van ShengQuan en niet van Ryzur aangezien die laatste qua prijs onder de destijds geldende brandbreedte lag (rapport zegt hierover: €2,50 - €3,00, Ryzur was aangeboden op €2,26). Op dat moment is er mbt de inkoopprijs enkel informeel contact geweest met ShengQuan en we komen op 29 april pas op een definitieve prijs uit o.b.v. de afgesproken betalingsvoorwaarden. Dat risico lag bij ons, dat wil zeggen RGA.

Uit het rapport van Deloitte blijkt niet dat Rob van der Kolk iets geweigerd is, en dat blijkt ook niet uit de bandopnames. Als Rob van der Kolk daarbij nu alsnog zou zeggen dat wij een grove indicatieve prijsopbouw geweigerd hebben, waarom zouden we die dan ten eerste al uit eigen beweging hebben toegevoegd in het eerste voorstel tot samenwerking en vervolgens indicatief bij het laatste voorstel toch (op eerste verzoek) gedeeld hebben met een ambtenaar van VWS (waarbij bekend was dat dit een grove indicatieve berekening was omdat de offerte en contractonderhandeling met de fabrikant nog moest plaatsvinden, waarna men er verder niks mee gedaan heeft - hetgeen overigens ook Rob van der Kolk bekend was)? Waaruit blijkt overigens ook dat wij een dergelijk verzoek geweigerd zouden hebben? In het rapport staat helder dat Van der Kolk een vraag over een prijsopbouw aan VWS heeft gesteld, en niet aan ons. Uit de (aan Deloitte overlegde data en) feiten blijkt daarbij iets anders dan ik uit je gedachtegang haal. Uit par 904, 920, 922, 929 en 934 van het rapport van Deloitte blijkt b.v. dat voor Van der Kolk slechts de verhouding tussen de stuksprijs en de vastgestelde bandbreedtes van belang was. VWS vond dat er geen opvolging aan een grove indicatieve prijsopbouw gegeven hoefde te worden. Of in de woorden van een top ambtenaar van VWS: "dat er geen discussie bestond over een mogelijke winst en dat de prijsopbouw er in die zin niet toe deed”. Een andere medwerker van VWS voegt toe dat “het delen van de prijsopbouw geen voorwaarde was voor het sluiten van een transactie". Rob van der Kolk voegt daaraan toe “dat de beoordeling of de uiteindelijke prijs binnen de bandbreedte lag en de verantwoordelijkheid van het LCH was. De beoordeling van de prijsopbouw was geen onderdeel van de verantwoordelijkheden van het LCH.” Kortom: Rob heeft het ons niet gevraagd, is niets geweigerd, vond het niet zijn verantwoordelijkheid, was niet betrokken bij ‘mogelijke afspraken over de prijs’ en heeft gekeken naar de stuksprijs. VWS vond het niet relevant, was bekend met de beperkte indicatieve betekenis, was al akkoord met de prijs en de offerte en gaf die dag aan dat er geen opvolging aan de ontvangen indicatieve prijsopbouw gegeven hoefde te worden.

Het beoordelingscriterium voor het LCH en VWS was de stuksprijs, hetgeen ook is vastgesteld door Deloitte. Wij hebben daarom geen reden gezien verdere bedrijfsgevoelige informatie (die betrekking heeft op derden) te overleggen in dit vrijwillige onderzoek. Dit is zover ons bekend ook niet gedaan door andere leveranciers. We hebben desondanks vrijwillig wel de VPB-aangifte van RGA gedeeld met Deloitte om de winst (waarover immers de maatschappelijke controverse immers gaat) te laten vaststellen.

Ik vind het belangrijk om nog het volgende te vermelden. Er is door VWS noch het LCH over de prijs onderhandeld, ondanks dat hier achter de schermen wel over gesproken is blijkbaar.

Daarnaast is aan VWS en het LCH, door RGA een korting aangeboden, maar die is afgewezen. De uitleg die ons destijds gegeven werd was dat men niet de overeenkomst open wilde breken.’

Lees verder Inklappen