In de zomer van 1950 poseert de Indische Toos Grondhuis-Van Elewoud in barakkenkamp De Biezen in Barneveld. Naast haar: haar kinderen Senya, Roy, Thijs en Lex en een tante, die haar zoontje Jim vasthoudt.

In de zomer van 1950 poseert de Indische Toos Grondhuis-Van Elewoud in barakkenkamp De Biezen in Barneveld. Naast haar: haar kinderen Senya, Roy, Thijs en Lex en een tante, die haar zoontje Jim vasthoudt. © Privécollectie familie Grondhuis

Cold cases: de zoektocht naar het verzwegen Indische goud en het geld van de ‘troostmeisjes’

Wat betekent het om tien jaar lang onderzoek te doen naar kwesties die door velen liever vergeten of verdoezeld worden? Griselda Molemans onderzoekt wat er is gebeurd met de tegoeden van KNIL’ers, de compensatiegelden van Indische mensen en de ‘verdiensten’ van de vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Japanse legerbordelen tot prostitutie werden gedwongen.

Dit stuk in 1 minuut

Cold cases

Follow the Money publiceert regelmatig journalistiek onderzoek naar slepende, historische ‘cold cases’. Zo publiceerden we in mei 2020 een reeks artikelen over de zogeheten Verkaufsbücher, waarin de roof van het vastgoed van Joodse Nederlanders in WOII nauwkeurig is gedocumenteerd. Die nieuwe informatie wierp de vraag op of het notariaat en de Nederlandse overheid wel voldoende rekenschap hebben afgelegd over hun kwalijke rol in deze diefstal.

Indisch rechtsherstel

Naast het Joodse rechtsherstel, dat nog steeds niet is afgerond, speelt het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap. Het gaat om gelden die nooit zijn uitbetaald aan oorlogsslachtoffers uit de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Vanwege de omwentelingen in het onafhankelijke Indonesië zijn ze destijds naar Nederland gevlucht. De openstaande claims betreffen onder meer buitenlandse smarten- en compensatiegelden, backpay voor ambtenaren en militairen, bank- en spaarsaldi en verzekeringspolissen.

Griselda Molemans ontdekte daarnaast dat een enorme hoeveelheid Indisch goud tijdens de oorlog naar Amerika is verscheept. Tevens legde ze bloot dat de gedwongen prostitutie van de zogeheten ‘troostmeisjes’ in de Japanse legerbordelen op veel grotere schaal heeft plaatsgevonden dan werd aangenomen.

Is dit nog relevant?

We denken van wel. In archieven wordt er nog regelmatig nieuw, nauwelijks onderzocht bronnenmateriaal ontdekt. Dankzij moderne methodieken als data-analyse kan journalistiek onderzoek nieuw licht werpen op slepende kwesties. Nederland hecht traditioneel sterk aan de aflossing van schulden, maar geniet zelf op dat vlak niet altijd een positieve reputatie. Het is niet meer dan rechtvaardig om ook onze eigen schulden te onderzoeken en de verantwoordelijkheid te nemen die we ook van anderen verlangen.

Inmiddels staat ook het koloniale verleden van Nederland volop in de belangstelling. Het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap maakt daar deel van uit.

Lees verder

Op maandagochtend 6 augustus 2012 stond ik bij de uitgiftebalie van de National Archives and Records Administration (NARA), het grootste archief ter wereld. Het bevindt zich in College Park, een slaperig forensendorp net buiten Washington, D.C. Met kloppend hart nam ik een stapel grijze archiefdozen in ontvangst en liep naar de studiezaal. In mijn hoofd klonk de stem van Peter Holsbergen, een oud-medewerker van de Nillmij, een van de grootste verzekeringsmaatschappijen in voormalig Nederlands-Indië.

‘Wat me altijd verbaasd heeft, is dat het goud van De Javasche Bank vlak voor de Japanse inval in januari 1942 is weggesluisd naar New York,’ had hij tijdens een interviewsessie opgemerkt. Maandenlang had ik hem met tussenpozen bevraagd over zijn ervaringen als zogeheten contactambtenaar voor ontheemde gezinnen die tussen 1950-1970 verplicht waren ondergebracht in contractpensions door heel Nederland. Zijn werkervaring bij de Nillmij, de rechtsvoorganger van Aegon, was slechts zijdelings ter sprake gekomen.

‘Je hoort het goed: New York,’ herhaalde hij. ‘Een collega van me was na de oorlog belast met de controle op dit goud. Hij vertelde me destijds dat hij in opdracht van de Nederlandse overheid naar New York moest afreizen om te controleren of de goudvoorraad van het Koninklijk Huis intact was. Ook alle overige goudstaven uit de kluizen van De Javasche Bank, de circulatiebank in de oude kolonie, lagen er.’

Verbluft had ik hem aangestaard. Ik wist niet beter dan dat er alleen geheime goudtransporten naar Australië en Zuid-Afrika vlak voor de Japanse invasie plaatsgevonden hebben. Het rapport Onderzoek naar de particuliere bank- en levensverzekeringstegoeden van Nederlanders in Nederlands-Indië / Indonesië 1940-1958 vermeldt immers alleen die transporten en stelt dat ‘de Javasche Bank de oorlog in financieel opzicht goed was doorgekomen: de gehele monetaire goudvoorraad was vóór de capitulatie van Nederlands-Indië in veiligheid gebracht’.

Op weg naar huis had ik koortsachtig nagedacht. ‘New York’ kon niet anders betekenen dan dat het goud in consignatie was gegeven bij de Federal Reserve. Klopte het dat het archief van de Fed zich in de NARA bevindt? En zo ja, hoe kwam ik daar? Twee maanden later landde ik met een shoestring budget in DC en reisde ik met de metro naar de campus, waar ik een kamer in een studentenhuis had gehuurd.

Indisch goud in de VS

In de studiezaal maak ik de eerste archiefdoos open, haal de gebundelde documenten eruit en begin te lezen. Het zijn verslagen van gesprekken die vanaf 28 juni 1941 hebben plaatsgevonden. Op die datum arriveerde dr. R. Smits, de manager van De Javasche Bank in Batavia, samen met dr. D. Crena de Jongh, de voorzitter van het Nederland-Indisch Deviezen Instituut (NIDI), in New York voor een onderhoud met de Federal Reserve. Hun doel: de banktegoeden en goudvoorraden vanwege de oorlogsdreiging veiligstellen.

Tot sluitingstijd zit ik in de studiezaal. En alle dagen daarna. De volledige correspondentie met de Fed ploeg ik door, inclusief de consignatiecontracten en een Amerikaans rapport uit 1941 over het aantal verkochte verzekeringspolissen in de Nederlandse kolonie. Het spektakelstuk is een overzicht van al het gestalde buitenlandse goud: op 15 juni 1942 bevinden zich in de negen kluizen van de Federal Reserve Bank de goudvoorraden van banken uit Europa, Zuid-Amerika en Azië (inclusief China) ter waarde van ruim 2,5 miljard dollar.

Onder het kopje ‘Asia’ staat bij Java, De Javasche Bank een bedrag van 135.254.194,81 dollar vermeld, omgerekend 254.277.886,24 gulden. Wanneer ik dit bedrag, dat gelijkstaat aan 122 ton goud, vergelijk met de voorraden die naar Melbourne en Durban verscheept zijn, is de conclusie duidelijk: tweederde van de Indische goudvoorraad is weggesluisd naar New York – en buiten de boeken gehouden.

De gedachte die me als een mokerslag treft, is dat het inventarisatierapport Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden – buitenlandse archieven uit 2003 deze kapitaalvlucht niet vermeldt. Onderzoekers van het NIOD en het KITLV deden voor dit rapport archiefonderzoek in onder meer Indonesië, Japan, Singapore, Maleisië en Groot-Brittannië – en in de NARA, in dezelfde studiezaal waar ik tien jaar later al het bewijsmateriaal aan het doornemen ben.

 Hoe luidde de conclusie in het overheidsrapport ook alweer? ‘Doordat het geïnventariseerde archiefmateriaal gefragmenteerd is, is het niet mogelijk om op individueel niveau verder onderzoek te doen naar goederen die tijdens de oorlog met Japan verloren of beschadigd zijn geraakt.’ Gemakshalve hebben de onderzoekers achterwege gelaten dat de complete bankadministratie vanuit Batavia was meegekomen naar New York: op 20 januari 1942 heeft de Federal Reserve een luchtdicht verpakt blik met ‘Eastman Kodak Safety Film’, een verzegelde box en zes dozen met de administratie van De Javasche Bank in bewaring genomen.

Nederland weet van niets

Van een gedupeerde polishouder had ik vernomen dat alle verzekeringspolissen van de Nillmij destijds op microfilm waren gezet. Bij thuiskomst bel ik met persvoorlichters van de ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken. Bevinden de microfilms zich nog in de kluis bij de Fed? En de zes dozen met administratie? ‘Microfilms? Administratie? Dat is ons volledig onbekend.’

De perswoordvoerder van het Verbond van Verzekeraars spant de kroon. Op licht geaffecteerde toon doceert hij: ‘Ik heb hier het overheidsrapport over het onderzoek in buitenlandse archieven voor me liggen. Daarin lees ik helemaal niets over het overbrengen van microfilms naar New York. Conclusie: dat transport heeft nooit plaatsgevonden.’

De notie dat overheidsonderzoek niet altijd onafhankelijk is, wordt de maanden erna alleen maar sterker. Mijn onderzoek naar het Indische goud en de verzekeringspolissen vormen de afronding van een boek dat ik in opdracht van het Nationaal Archief schrijf. Opgevangen in andijvielucht reconstrueert de opvang van repatrianten en ontheemden uit voormalig Nederlands-Indiē.

De eerste groep, veelal witte Nederlanders, werd tussen 1945-1949 op overheidskosten opgevangen in leegstaande hotels, pensions en barakkenkampen. De tweede groep – ontheemde gezinnen, die alle etniciteiten in Nederlands-Indië vertegenwoordigden – werd in de periode 1950-1970 met een kapitale schuld belast voor de kosten van hun tijdelijke opvang, plus die van de tweedehands kleding en meubels die verplicht moesten worden aangeschaft.

Honderden van hen heb ik geïnterviewd over hun verblijf in schamele contractpensions, barakkenkampen, hotelschepen en kloosters. Schoorvoetend legden ze de schuldbrieven op tafel die leerden hoe meedogenloos de gemeentelijke overheden de openstaande schuld terugvorderen, soms illegaal verhoogd met rente. De gemiddelde opgelegde schuld van 15.000 gulden (huidige waarde: 46.000 euro) veroorzaakte stille armoede, vernedering en schaamte.

Eindelijk begreep ik waarom al deze ontheemde gezinnen berooid waren toen ze in Nederland kwamen. Hun salarissen, pensioenen, bank- en spaartegoeden en verzekeringspolissen zijn nooit uitbetaald. Van de buitenlandse smartengelden en herstelbetalingen waren ze niet op de hoogte. De geldsporen die ik ontdekt had, waren zo belangrijk dat ik als motto voor mijn boek een beruchte uitspraak van oud-minister Marga Klompé koos: ‘De Indische Nederlanders zijn geofferd voor grotere belangen.’ En ik besloot een uitgebreide epiloog aan het manuscript toe te voegen. Dat heb ik geweten.

‘Het is onbestaanbaar dat we die epiloog publiceren!’ fulmineert de onderdirecteur van het Nationaal Archief eind 2012 tijdens een overleg. ‘We vallen onder de ministeriēle verantwoordelijkheidd, dus dit brengt ons in problemen.’ ‘Maar waarom hebben jullie me dan benaderd voor deze opdracht? Ik ga mezelf toch niet censureren?’ kaats ik terug.

Korte versie: twee maanden later ontbindt de advocaat, die me is toegewezen door de NVJ en de Auteursbond, het boekcontract. Ik ben uitgeput door alle stress, maar opgelucht dat ik nu het volledige auteursrecht bezit en zelf kan bepalen in welke vorm het zal verschijnen. Ultrakorte versie: speciaal voor dit controversiēle boek besluit ik uiteindelijk de kleinste uitgeverij van Nederland te starten, gespecialiseerd in onderzoeksjournalistiek.

Nooit overgedragen en vernietigde dossiers

Na de boekpresentatie op 21 maart 2014 volgt de onvermijdelijke backlash. Volgens de staatsonderzoekers ‘geef ik valse hoop aan Indische Nederlanders’. Terwijl ik word neergezet als de dorpsgek, blijft in de kritiek onvermeld dat ik tijdens mijn research niet alleen belastend bewijsmateriaal in de NARA heb ontdekt, maar ook op veel andere locaties.

Zo ontdekte ik dat alle dossiers van gezinnen wier bezittingen tussen 1958-1962 door de Indonesische regering onteigend zijn, in de kelder van het ministerie van Buitenlandse Zaken staan. Enkele ervan heb ik op basis van een machtiging kunnen inzien, waardoor duidelijk werd hoe zwaar dat ministerie deze gezinnen financieel heeft gedupeerd – terwijl het zelf het leeuwendeel van de door Indonesië betaalde 600 miljoen gulden plus rente heeft opgestreken.

Deze ontdekking ging evenmin zonder slag of stoot. Voordat ik goed en wel kon plaatsnemen in een kantoorruimte op het ministerie, werd ik door een agressieve ambtenaar gebeld. ‘Waarom denk je dat wij die dossiers hebben? Beheers je je vak wel? Je moet helemaal niet bij ons zijn. Ze staan opgeslagen bij het Nationaal Archief.’ Eén telefoontje naar het archief volstond om te vernemen dat Buitenlandse Zaken de dossiers nooit had overgedragen.

Zijn de dossiers inderdaad vernietigd, dan is het de zoveelste keer dat de Nederlandse overheid zich van belastend bewijs heeft ontdaan

Of deze dossiers nu nog bestaan, is maar de vraag. In 2013 werd me meegedeeld dat deze documenten in 2019 vernietigd zouden worden. Navraag eerder dit jaar bij meerdere instanties, inclusief de demissionaire staatssecretaris van VWS die belast is met de ‘Indische Kwestie’, leverde niets op. 

Mochten de dossiers inderdaad vernietigd zijn, dan is het de zoveelste keer dat de Nederlandse overheid zich op slinkse wijze heeft ontdaan van belastend bewijs. Zo gaf Binnenlandse Zaken in 1996 opdracht aan het Nationaal Archief om de betaaladministratie van de Thaise smartengeldregeling voor dwangarbeiders aan de Birma-Thailandspoorlijn te vernietigen.

Stel dat deze administratie nog was te raadplegen, dan was in een mum van tijd vastgesteld hoeveel van de 15.785 KNIL-militairen – of hun erfgenamen – zich daadwerkelijk in 1954 schriftelijk aangemeld hadden voor uitbetaling, of vanaf 1957 voor het Japanse smartengeld, waar ze ook recht op hebben. Nu stelt de overheid dat ‘er moet worden aangenomen dat iedereen uitbetaald is’.

Aangezien de huidige waarde van de smartengelden voor de KNIL’ers een kleine 81,5 miljoen euro bedraagt, is het geen verrassing dat de administratie na 42 jaar vernietigd is. Het verweer van het Nationaal Archief (‘Met de kennis van nu was er misschien wél reden om dit archief te bewaren, omdat het oorlogsgerelateerde informatie betreft’) is mosterd na de maaltijd.

De ‘troostmeisjes’: gedwongen prostitutie

Misschien is dat wel het grootste obstakel: staatsarchieven als het Nationaal Archief en het NIOD geven alleen toegang tot documenten ‘die het belang van de Staat of zijn bondgenoten niet schaden’ en niet ‘de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen’ betreffen. In dit licht bezien is het niet verwonderlijk dat het doorslaggevende bewijs voor het systeem van Japanse dwangprostitutie in beide archieven tot 2026 achter slot en grendel zit. Tegen die tijd is geen van de 70.000 ‘troostmeisjes’ in voormalig Nederlands-Indië meer in leven. Het gaat om gezworen verklaringen van slachtoffers, getuigenverklaringen, rechterlijke vonnissen, een Japans rapport over de organisatie van bordelen op Java en onderzoeksrapporten van de Nederlandse Inlichtingendienst in Nederlands-Indië.

Los van mijn frustratie en ergernis over het voortdurend moeten inschakelen van advocaten die toegang tot dit bewijsmateriaal hebben afgedwongen, is het een onverdraaglijke gedachte dat deze slepende oorlogsmisdaad al in 1992 gesetteld had kunnen worden. De Nederlandse Jan Ruff-O’Herne trad toen in de openbaarheid met haar huiveringwekkende relaas over het officiersbordeel in Semarang, waar ze maandenlang werd misbruikt.

Gelukkig zijn er archieven die geen beperkte toegang hanteren

Had het kabinet-Lubbers III gehandeld vanuit rechtvaardigheid en waarheidsvinding, dan had het toen het bewijsmateriaal laten ontsluiten. In plaats daarvan gaf de regering opdracht tot een ‘inventarisatie’ van het aanwezige archiefmateriaal. Dit rapport van achttien pagina’s is gebaseerd op een fractie van het bewijsmateriaal en wekt de schijn dat het misbruik in Nederlands-Indië incidenteel was, waardoor er hooguit sprake zou zijn van driehonderd slachtoffers.

Het belang van de Staat in deze slepende kwestie is tweeledig. Stel dat de Nederlandse regering alles had vrijgegeven, dan waren de handelsbetrekkingen met Japan in gevaar gekomen. Ook had dit bewijsmateriaal aangetoond dat niet alleen jonge vrouwen met het Nederlands staatsburgerschap misbruikt zijn, maar evenzeer inheems-Indonesische, Molukse en Papoeameisjes. Juist deze Nederlandse onderdanen zijn onzichtbaar gemaakt en door wetgeving uitgesloten van een bescheiden compensatie voor oorlogsslachtoffers.

Gelukkig zijn er archieven die geen beperkte toegang hanteren. Neem het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in Sint Agatha, waar zich een schat aan bewijsmateriaal bevindt, genoteerd door nonnen in Japanse interneringskampen. En The National Archives in Londen heeft het complete Nederlandse rapport over dwangprostitutie op Borneo vrijgegeven, waardoor ik op het spoor kwam van de financiële basis van de Japanse leger- en marinebordelen.

Een deel van het geld dat ‘troostmeisjes’ verdienden, werd gestort bij filialen van de twee Japanse oorlogsbanken: de Taiwan Bank en de Yokohama Specie Bank. De ironie is dat de slachtoffers van dwangprostitutie zo de Japanse oorlogsvoering hielpen financieren.

In het voorjaar van 2019 nam ik contact op met collega Hee Seok Park in Seoul. Met steun van het Europese Journalism Fund vloog hij vervolgens naar Taipei, de hoofdstad van Taiwan, om navraag te doen bij het hoofdkantoor van de Taiwan Bank. Zelf ging ik terug naar de NARA voor inzage in het immense SCAP-archief: als Supreme Commander for the Allied Powers had de Amerikaanse generaal Douglas MacArthur alle geallieerde landen opdracht gegeven om het Japanse bankensysteem te ontmantelen.

Binnenkort publiceren we over het geconfisqueerde geld van de duizenden ‘troostmeisjes’

Korte versie: het is ons gelukt het geldspoor in kaart te brengen, en te analyseren welke geallieerde landen nog altijd het van ‘troostmeisjes’ geconfisqueerde geld – het geld dat ze ‘verdienden’ met hun gedwongen prostitutie – dienen te restitueren: de Verenigde Staten, Australië, Taiwan, Groot-Brittannië, Frankrijk, Portugal – en Nederland.

Hee Seok werkt voor het linkse tijdschrift Monthly Chosun en is wel wat tegenstand gewend. Toen hij enkele jaren geleden over een corrupte politicus publiceerde, werd hij aangeklaagd wegens smaad. De rechtszaak liep met een sisser af. 

Wanneer we binnenkort publiceren over het geconfisqueerde geld van de duizenden ‘troostmeisjes’ en de Japanse Keizerlijke Familie die aandelen bezat in de twee oorlogsbanken, kan de Monthly Chosun echter belaagd worden door de Japanse ambassade in Seoul. Voorlopig haalt de redactie haar schouders erover op: waarheidsvinding gaat haar boven alles.

Het goud is inmiddels in Nederland

Of hier in Nederland de waarheid boven alles gaat, is nog de vraag. Na ruim tien jaar onderzoek is het me weliswaar gelukt om een groot aantal geldsporen bloot te leggen, maar gelijk hebben is nog geen gelijk krijgen: uitbetaling van al deze dossiers zal via de rechter moeten worden afgedwongen. 

Ruim tien jaar heb ik met geesten geleefd. Geesten van Indische mensen die me vlak voor hun overlijden cruciale informatie gaven: concrete aanwijzingen en harde feiten die me naar deze verborgen geldsporen hebben geleid. Wanneer ik de openstaande bedragen op basis van indexatie bij elkaar optel, vermeerderd met de contractpensionschulden en het geld dat aan de slachtoffers van dwangprostitutie uitbetaald moet worden, gaat het om een kleine 40 miljard euro.

Het weggesluisde goud uit Nederlands-Indië wordt verzwegen: de voorraad van De Javasche Bank bestaat op papier niet

En toeval of niet, op 21 november 2014, acht maanden na publicatie van Opgevangen in andijvielucht, werd bekendgemaakt dat De Nederlandsche Bank in het diepste geheim 122,5 ton in New York opgeslagen goud heeft overgebracht naar Amsterdam. De waarde: vier miljard euro. Volgens de centrale bank betrof het een ‘handelsoverschot’, en was het doel van de operatie ‘de goudvoorraad evenwichtiger te verspreiden over verschillende locaties’.

Met geen woord werd gerept over het weggesluisde goud uit Nederlands-Indië, dat eerder in New York was opgeslagen: de voorraad van De Javasche Bank bestaat op papier immers niet. Ik voegde de naam van DNB toe aan het organogram op mijn whiteboard. Daarin prijken inmiddels de namen van de dertig Nederlandse naoorlogse kabinetten; de ministeries van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën en OCW; verzekeraars als Aegon en Nationale Nederlanden; het NIOD en het Nationaal Archief.

Wanneer er willens en wetens 40 miljard euro in de schatkist gehouden is – geld dat toebehoort aan oorlogsdoden, oorlogsslachtoffers en hun erfgenamen – wat zegt dat dan over de rijkdom van Nederland? Erger: wat zegt het over de moraliteit van de betrokken kabinetten, ministers, bank- en verzekeringsdirecteuren? 

Na ruim tien jaar onderzoek ben ik aan veel gewend geraakt. Aan wegdraaiende ogen van collega-journalisten, die geen flauw idee hebben waar de term ‘Indisch rechtsherstel’ voor staat. Aan het imago van de dorpsgek met een narrenkap. En aan het kromliggen om radicaal onafhankelijk onderzoek te bekostigen. Soms is onderzoek een missie, een kosmische opdracht. Ik had het voor geen Indisch goud willen missen.