Een duurzame economie

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws is dat dat mogelijk is, als de economie een echte wetenschap wordt. Maar daar is nogal wat voor nodig. Een omslag in denken, om te beginnen. En een boek. Lees meer

Onze wereld wordt geteisterd door grote structurele problemen. Klimaatverandering, armoede, instortende economieën, om er een paar te noemen. We beschikken over tal van middelen om deze op te lossen. Dat de problemen desondanks blijven bestaan, is volgens wetenschapper Niko Roorda een kwestie van economie. Vrijwel alle grote tragedies in de wereld, meent hij, zijn er doordat we economisch gezien niet begrijpen wat we doen. We moeten toe naar een economisch systeem dat intrinsiek duurzaam is, en hebben een economische wetenschap nodig die dat ontwerpt en invoert. Hierover schrijft Niko Roorda zijn nieuwste boek, en dat wil hij samen met de lezers van FTM doen.

55 Artikelen

Kunnen we vooruitgang meten?

Onze leefomgeving kampt met tal van zeer ernstige bedreigingen, en het afwenden daarvan vereist een grondige aanpak. Het goede nieuws: op dit moment zijn er al allerlei verbeteringsprocessen gaande. Toch?

Bij de vorige aflevering, geplaatst op 12 mei, vertelde ik je dat de redactie van FTM heeft besloten om niet het boek dat ik over ‘Onmiconomie’ schrijf, niet verder integraal op FTM te plaatsen. In plaats daarvan verschijnt er uit elk van de resterende hoofdstukken 4 tot en met 7 nog een gedeelte dat ik daartoe uitkies. De beoogde frequentie is eens per maand.

Naar aanleiding van deze mededeling is door jullie massaal gereageerd met gevoelens van spijt. Een bloemlezing: ‘Wat ontzettend jammer dat de wekelijkse afleveringen verdwijnen. Dit dossier was voor mij de aanleiding om FTM-abonnee te worden’, schreef Mariska Meurs. Elmar Otter: ‘Ontzettend jammer Nico. Ik begrijp dit ook helemaal niet.’ Bob 95: ‘Ik vind het jammer dat er geen wekelijkse update meer komt. Voor mij gaf het juist een goede balans. Je kent het kwadrant urgent/belangrijk. Ik vind jouw werk heel belangrijk en inderdaad iets minder “actueel” maar het geeft me de kans om veel van het ‘actuele’ (En wellicht iets minder belangrijke) te duiden. Daarmee kreeg ik ook wat meer het gevoel dat we iets kunnen doen aan alle ellende.’

Bert Bakker: ‘Ik ben lid van FTM om onafhankelijke onderzoek te financieel te steunen. Nico zijn wekelijkse bijdrage waarin naast het benoemen van problemen ook in mogelijke oplossingen wordt gedacht maakt FTM completer.’ En Co 3: ‘Ontzettend jammer en wat mij betreft volstrekt onbegrijpelijk. De diepgang die Niko inbrengt naast het actuele duiden van meestal onfrisse praktijken is juist een belangrijke meerwaarde voor deze site.’

Zo waren er nog veel meer. Hoewel het publicatieplan niet zal veranderen, hebben jullie commentaren me gesterkt. Ik dank jullie van harte.

Voor de huidige aflevering kies ik een episode uit hoofdstuk 4. Ik heb gekozen voor het begingedeelte, dat aanvangt met de Synopsis van het hoofdstuk. Dat helpt je om het tekstgedeelte dat daarop volgt te plaatsen. Ik verwijs daarin naar mijn model van de Vier Sferen, waarover je kon lezen in de aflevering van 3 februari.

Hoofdstuk 4: Tijd kopen

In het vorige hoofdstuk is duidelijk geworden dat er tal van zeer ernstige bedreigingen zijn. Het afwenden van al die gevaren vereist een grondige aanpak, waarvan ik in hoofdstuk 1 al liet zien dat het niet voldoende is om binnen het huidige economische en politieke systeem eenvoudig een aantal verbeterprocessen uit te voeren. Het moet veel dieper, met ingrepen in elk van de vier sferen, inclusief de meest fundamentele: de logosfeer, de sfeer van de Woorden.

Over zulke ingrijpende veranderingen gaat dit hoofdstuk nog niet; dat begint in het volgende hoofdstuk. Want het is goed om, als voorbereiding daarop, eerst op een rijtje te zetten welke verbeteringsprocessen al gaande zijn en wat er al gelukt is in de minder fundamentele sferen: de mytho, de polito- en de fenosfeer. Successen in die drie sferen zijn belangrijk om twee redenen: (1) omdat ze het leven van mensen hier en nu kunnen verbeteren; en (2) omdat ze helpen om de dreigende catastrofes, de kantelpunten, uit te stellen. Zulke duurzaamheidssuccessen mogen het systeem dan wel niet veranderen, maar we kopen er tijd mee om die veranderingen te ontwerpen en in te voeren.

4.1. Doelen en beleid

De armoede daalt, toch?

Het is misschien wel de belangrijkste indicator van duurzame ontwikkeling: de armoede in de wereld. Of liever: het uitbannen daarvan. Want wie niet langer arm is, kan naar school gaan en daarna een behoorlijke loopbaan en een inkomen opbouwen. Als je niet arm bent, kun je beschikken over gezond voedsel, over schoon drink-, was- en kookwater, een hygiënisch toilet, medische zorg en voorbehoedmiddelen. Zodat je meer jaren in gezondheid doorbrengt, minder snel overlijdt in het kraambed, meer kinderen in leven houdt en dus minder baby’s hoeft te baren en desondanks op je oude dag nog steeds kunt genieten van een inkomen en verzorging.

Als dat overal lukt, betekent het vervolgens dat de bevolkingsgroei af-, en de welvaart, de vrije tijd en de zelfontplooiing toenemen. Dat er geld beschikbaar komt om schonere technologieën te introduceren, de klimaatverandering tot staan te brengen en de natuur te redden, en dus uiteindelijk zelfs de vluchtelingenstromen tot stilstand te brengen en de oorlogen en het terrorisme te beëindigen. Ja, armoedebestrijding is een belangrijke sleutel. In theorie tenminste, want de praktijk is wel wat ingewikkelder.

Hoe dan ook: er is goed nieuws. Want de armoede daalt, zegt menigeen. Al sinds 1800! Of misschien sinds 1820. Of 1970 of 1981. Het kan ook sinds 1984 zijn, of 1993 of 1999. Of nog helemaal niet: het hangt er maar net vanaf aan wie je het vraagt.

 Boeken we echt vooruitgang met de armoedebestrijding? Zo ja, hoeveel en sinds wanneer? 

Al lost armoedebestrijding niet ineens alle problemen op, het is wel degelijk terecht een hoofddoel van duurzame ontwikkeling. Het is als zodanig benoemd in de drie achtereenvolgende grote plannen die wereldwijd zijn omarmd: Agenda 21 uit 1992; de Millenniumdoelen (Millennium Development Goals, MDG’s) die geldig waren voor de periode van 2000 tot 2015; en de Sustainable Development Goals (SDG’s), ook aangeduid als Agenda 2030, aangezien ze door alle landen als leidraad geaccepteerd zijn voor de jaren 2015 tot 2030.

In 1992 sprak Agenda 21 nog van het ‘uitroeien van de armoede’ (‘eradicating poverty’) met slechts een paar nadere toelichtingen. De MDG’s noemden in 2000 een getal en stelden het ‘halveren van de extreme armoede’ als doel, wat vervolgens in de SDG’s vanaf 2015 is aangescherpt tot het ‘uitbannen van armoede overal, in alle vormen’, waaraan een serie concrete, meetbare resultaten verbonden werden.

Dat suggereert dat armoede een objectief meetbare grootheid is, waarover geen onenigheid zou kunnen bestaan. Maar dan is het best vreemd dat de genoemde jaartallen waarin de armoede begon te dalen, die echt allemaal genoemd zijn in de literatuur of op zijn minst daaruit af te leiden zijn, zo enorm kunnen verschillen. Hoe kan dat? Boeken we echt vooruitgang met de armoedebestrijding? Zo ja, hoeveel en sinds wanneer? En waar mogen we in de komende jaren op hopen?

Armoede is een prima voorbeeld om te laten zien hoe ingewikkeld het kan zijn om vooruitgang te meten. Het lijkt zo simpel: ‘Feitenkennis!’ roept Hans Rosling ons toe in zijn boek met dezelfde titel. Volgens hem is het gemakkelijk: zolang we ons tot feiten beperken, kun je objectief vaststellen of we vorderen. Dat doen we, volgens hem: het gaat zelfs beter dan je denkt. ‘Bij het begin van de geschiedenis van de mensheid bevond iedereen zich op Level 1’, laat hij ons weten, dat wil zeggen, in extreme armoede. ‘Nog maar tweehonderd jaar geleden bevond 85% van de wereldbevolking zich op Level 1.’ Dat zijn feiten, dat schrijft Rosling er nadrukkelijk bij. 

Lange reeksen van dat soort feiten zijn te vinden in een beroemd geworden boek van de al even optimistische Steven Pinker en op de websiteOur World in Data van Max Roser. Met honderden grafieken en tabellen leveren zij een indrukwekkend bewijs: het gaat ontzettend goed met de wereld. Sinds 1800 (volgens Rosling), of sinds 1820 (volgens de beide anderen), daalt de extreme armoede voortdurend.

Andere onderzoekers zijn wat minder stellig. Zij zien de armoede dalen vanaf 1970 of misschien eerder. De Wereldbank gaat niet verder terug dan 1981, en stelt dat er voor eerdere jaren geen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.

De verwarring komt deels voort uit onduidelijkheid over wat ‘extreme armoede’ eigenlijk is. Bij de start van de MDG’s in 2000 introduceerde de Wereldbank daarvoor het één-dollarcriterium: iemand is extreem arm als hij of zij moet leven van minder dan 1 US-dollar per dag. In verband met inflatie werd die norm in 2008 bijgesteld tot $1,25 (in dollars van 2005) en daarna in 2015 tot $1,90 (in dollars van 2011) per dag. Dat brengt mensen soms in de war, want de drie bedragen worden hier en daar door elkaar heen gebruikt.

Figuur 4.1. Het aantal armen sinds 1981

Maar daar blijft het niet bij. Want op dat niveau van (nu) $1,90 per dag is stevig kritiek uitgeoefend. Veel deskundigen vinden deze drempel veel te laag, en stellen een minimum voor van bijvoorbeeld 5 dollar per dag. Om flexibel aan deze wensen tegemoet te komen hanteert de Wereldbank sinds enkele jaren drie ‘tarieven’: $1,90, $3,20, en $5,50 per dag. Zo kunnen onderzoekers en beleidsmakers zelf kiezen.

Gegevens voor deze drie armoededrempels stelt de Wereldbank beschikbaar vanaf 1981, en in Figuur 4.1 worden ze op twee manieren getoond. In de eerste grafiek is het aantal extreem arme mensen afgebeeld als absoluut getal, in de tweede als percentage van de wereldbevolking. Aangezien die in de tussentijd is gegroeid, tonen de twee grafieken pieken op verschillende momenten. Vanaf die pieken daalt de armoede, en dus kun je in de zes curven naar hartenlust kiezen vanaf welk jaar de extreme armoede begon te dalen. Daar komt nog bij dat de experts waarschuwen dat de waarden in Figuur 4.1 nogal wat onzekerheid bevatten, omdat lang niet alle landen over betrouwbare gegevens beschikken. 

Feiten? Je kunt ze naar eigen inzicht plukken.

Dat is nog niet alles. De armoedegrenzen die de Wereldbank hanteert zijn immers erg laag: zelfs de hoogste drempel, $5,50 per dag, komt neer op slechts 165 dollar per maand. Zou jij daarvan je eten, drinken, kleding, huur, water, energie, telefoon, internet, vervoer, verzekeringen, pensioenreservering, abonnementen en hobby’s kunnen betalen?

Natuurlijk, de koopkracht van een dollar verschilt van land tot land, afhankelijk van het lokale prijspeil. Maar nergens in de wereld is $165 per maand veel. Hickel: ‘De meesten zijn het erover eens dat mensen een minimum van ongeveer $7,40 per dag nodig hebben om elementaire voeding en een normale menselijke levensverwachting te bereiken, plus een redelijke kans om de kinderen hun vijfde verjaardag te zien halen.’ Andere onderzoekers dringen erop aan dat de armoedegrens nog hoger wordt gekozen, tussen $10 en $15 per dag, en berekenden dat er, afgemeten aan deze drempel, tot op heden nog helemaal geen daling van de extreme armoede plaatsvindt.

Om het ingewikkelder te maken, zijn er ook andere indicatoren voor armoede voorgesteld. Het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) introduceerde de Multidimensional Poverty Index (MPI): die kijkt niet alleen naar het inkomen, maar ook naar de kosten van basisbehoeften. Die kunnen immers van plaats tot plaats verschillen, en dat blijkt nogal verschil te maken. Zo bedroeg het percentage extreme armen in Ethiopië volgens de Wereldbank-berekening 39 procent, maar volgens de MPI ligt dat getal op 90 procent.

Het kan ook andersom uitvallen: in Oezbekistan was op grond van het Wereldbankcriterium 46 procent extreem arm, maar volgens de MPI slechts 2 procent. Opnieuw blijkt dat armoede niet erg feitelijk valt vast te stellen.

Hoe komen Roser en Pinker er dan bij om armoedecijfers te produceren vanaf 1820, terwijl de Wereldbank zulke cijfers pas vanaf 1981 enigszins betrouwbaar acht? Sterker, hoe kan Rosling schrijven dat ‘bij het begin van de geschiedenis van de mensheid’ alle mensen extreem arm waren? Heel eenvoudig, zo legde Ewald Engelen op deze website uit: deze auteurs, die als missie hebben om te laten zien dat de heersende neoliberale economie een groot succes is, kijken alleen naar geld. En aangezien de beginnende mens nog geen geld had uitgevonden, was iedereen straatarm.

Ook rond 1800 of 1820, toen men nog veel werk verrichte zonder daarvoor onderling in klinkende of ritselende munt af te rekenen, ging er weinig geld rond. Hetgeen Roser c.s. meten is dan ook niet een toename van de welvaart  sinds 1820, maar een toename van de monetarisering: van het afrekenen in geld. ‘Tot diep in de negentiende eeuw speelde het leven van de meeste mensen zich buiten de officiële geldeconomie af’, schrijft Engelen. ‘Op meentgronden verbouwde men gewassen of hield men (pluim)vee, op de landerijen van de vorst mocht men jagen en sprokkelen, en onderling verleende men elkaar diensten in geval van onvoorziene gebeurtenissen. Dat voorkwam extreme armoede vrij effectief, maar zit allemaal niet in de data die Roser en consorten gebruiken.’

De SDG’s en andere afspraken

Alle onduidelijkheid neemt niet weg dat de levensomstandigheden van veel mensen in de afgelopen decennia volgens vrijwel elke maatstaf vooruit zijn gegaan. Een fors gedeelte daarvan is overigens toe te schrijven aan China, een land dat niet bekend staat om zijn neoliberale economie. Maar ook in andere landen stijgt de welvaart zichtbaar, en dat geldt ook voor andere doelen die geformuleerd zijn in de wereldwijd overeengekomen SDG’s. 

Aan de lijst van zeventien doelen is een flinke lijst van concrete targets gekoppeld, die elk operationeel zijn gemaakt in de vorm van één of meerdere indicatoren. Hier is een kort overzicht van een paar resultaten uit de periode van de MDG’s en de SDG’s, vastgelegd in het SDG-jaarrapport van 2018:

Vanwege het thema van dit hoofdstuk heb ik bij deze bloemlezing gekozen voor een nadruk op goed nieuws, en dat geeft vertekening: ongunstige berichten heb ik goeddeels weggelaten, maar je kunt ze zelf vinden in het VN-rapport.

Aan de opsomming heb ik onder meer een resultaat van ‘doel 8’ toegevoegd, dat aangeeft dat er duurzame groei optrad. Dat wordt in de rapportage beschouwd als een positief resultaat, maar dat standpunt steekt schril af bij de opvattingen die ik weergaf van Jeremy Lent (‘duurzame groei = magisch denken’) en Herman Daly (‘duurzame groei = een oxymoron’). En bij die van mij en anderen, want zoals in Hoofdstuk 3 bleek kan economische groei onmogelijk eindeloos voortduren, en mag tijdelijke groei hooguit gericht zijn op een inhaalslag van de welvaart van de armste mensen. De bij doel 8 genoemde resultaten zijn in dat opzicht teleurstellend weinig succesvol.

Niet alleen de SDG’s, ook andere internationale strategieën en verdragen vertonen een wisselend resultaat. Een mooi voorbeeld van een succes is de aanpak van zure regen. Hoewel niet alle problemen zijn opgelost, is de schade ten gevolge van zure regen in westerse landen dankzij het intensieve beleid niet meer zichtbaar. Het grappige effect van dat klinkende resultaat is dat ik al van menige scepticus heb mogen vernemen dat het probleem een hoax was, junk science: de zure regen zou een complot zijn van de milieubeweging en nooit echt bestaan hebben.

Een ander succes is de aanpak van de aantasting van de ozonlaag op basis van het Montreal Protocol, dat verderop in dit hoofdstuk aandacht krijgt. Ook dat probleem is vervolgens vanzelfsprekend tot junk science verklaard, veelal door dezelfden die de zure regen en het klimaatprobleem ontkennen.

Veel moeizamer verloopt het sluiten van effectieve verdragen gericht op het tegengaan van de klimaatverandering. Een lange reeks van zulke verdragen ging vooraf aan het Klimaatverdrag van Parijs uit 2015, dat tot nu toe het meest succesvol is. Over de effectiviteit ervan wordt wisselend gedacht, maar het zou wel eens kunnen zijn dat zo’n verdrag grotendeels overbodig gaat worden. Want er mogen dan grote problemen voortkomen uit de vrijemarkteconomie, maar die heeft ook zo zijn voordelen.

Markt, bedrijfsleven

De handelsprijs van duurzame energie, vooral die van zon en wind, daalt razendsnel. Exponentieel zelfs, zoals Figuur 4.2 laat zien. Het valt niet te voorzien in welk tempo die energiesoorten de fossiele energie uit de markt gaan drukken, maar de voortekenen zijn zeker niet ongunstig. De prijsdaling is hoopgevend voor wat betreft de aanpak van de klimaatverandering, vooral voor wie wanhoopt over de effectiviteit van de internationale politiek.

Figuur 4.2. Kostprijsontwikkeling van enkele energiesoorten

Het is al eerder opgemerkt: het economisch systeem mag dan fundamentele fouten bevatten waarvan door heel wat ondernemingen misbruik gemaakt wordt, maar dat betekent zeker niet dat alle bedrijven slecht zijn. Zo is er veel waardering voor bedrijven als Nestlé, Unilever, Danone en FrieslandCampina: zij vormen de Big Four van multinationale bedrijven die zich oprecht inspannen voor de bestrijding van ondervoeding en obesitas.

Het Brits-Nederlandse Unilever doet het ook in andere opzichten niet slecht, want volgens GlobeScanvoert het in 2018 al voor het achtste jaar de lijst aan van meest duurzame bedrijven in de wereld, op ruime afstand gevolgd door Patagonia, Interface, Ikea, Marks & Spencer, Tesla en andere. Deze lijst is gebaseerd op peilingen onder internationale experts, die hun oordeel baseren op een reeks criteria, waaronder: waarden, strategie, leiderschap, transparantie, lange-termijn betrokkenheid, verbondenheid met SDG’s, innovatie en duurzame producten en/of diensten.

Interessant is ook de Dow Jones Sustainability Index (DJSI). Deze jaarlijkse lijst bevat een selectie van ruim 2000 internationale ondernemingen uit de ‘gewone’ Dow Jones Index, die voldoen aan duurzaamheidscriteria zoals corporate government (behoorlijk bestuur), belasting- en klimaatbeleid. De DJSI onderscheidt ruim vijftig bedrijfssectoren en stelt jaarlijks in elke sector het meest duurzaam opererende bedrijf vast. In de automobielindustrie was dat in 2018 Peugeot (Frankrijk). Chemie: DSM (Nederland). Gezondheidsproducten: Abbott Laboratories (VS). Media: Telenet (België). Persoonlijke producten: Unilever. Farmaceutische producten: Roche (Zwitserland). Staal: Tata Steel (India). Transport: Royal Mail (Groot-Brittannië).

Deze voorbeelden laten zien dat er tal van bedrijven zijn die goed scoren op het gebied van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). De meest duurzame bedrijven kunnen fungeren als een leerschool voor de economie als geheel, aangezien zij erin slagen om commercieel succes te combineren met een volwassen en verantwoordelijk lidmaatschap van de samenleving. Al moet er natuurlijk bij gezegd worden dat ook deze voorbeeldige ondernemingen opereren in de context van de huidige economie. 

Tenslotte

Begrijp de conclusie van deze tekst niet verkeerd. Ik beweer niet dat de genoemde bedrijven ‘heilig’ zijn. Ook zij maken zo nu en dan lelijke fouten, en sommige daarvan (bijvoorbeeld rondom belastingontduiking of druk op de politiek) verschenen recentelijk breeduit in de pers. 

Daar komt bij, dat het in meer of mindere mate duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen van deze en andere ondernemingen allemaal plaatsvindt binnen het huidige economische systeem — wat (op dit moment) natuurlijk ook niet anders kan — hetgeen aan dat systeem als zodanig niets verandert. Maar het toenemend aantal bedrijven dat in steeds sterkere mate duurzaam probeert te handelen, is op zichzelf een hoopvol teken.

In juli en augustus neem ik even vakantie, althans wat betreft de publicaties op FTM. Mijn streven is om de volgende aflevering medio september te laten verschijnen. Dat wordt dan een keuze uit hoofdstuk 5. Tot die tijd wens ik jullie allemaal een fijne zomer toe met hopelijk nog niet te veel klimaatverandering. Als je ideeën hebt waarmee je me kunt helpen om mijn gedachten over economie, duurzaamheid en omniconomie te verspreiden: neem contact met me op!

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 761 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1441 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier