Jan Tromp en Pieter Tops lopen door de Tilburgse Vogeltjesbuurt.

Invloedrijke auteurs zaaien (opnieuw) paniek over drugscriminaliteit

Pieter Tops en Jan Tromp hebben een nieuw boek: Nederland Drugsland. Het is beter dan De achterkant van Amsterdam, met wat goede analyses en een pleidooi voor de legalisering van drugs. Helaas herhalen de auteurs het sprookje dat je kunt witwassen bij een bitcoin-terminal op Schiphol. Ze beweren dat de Nederlandse politie nauwelijks iets tegen drugs doet, maar we de macht van drugsbendes niettemin kunnen breken. Ze miskennen dat fraude in de bovenwereld een aanzienlijk groter probleem is.

Nederland Drugsland is een merkwaardig boek. Naast goede analyses over de opsporing en verstandige adviezen over het legaliseren van drugs, bevat het ernstige feitelijke onjuistheden, drogredeneringen en loze beloftes over repressie. 

Eerst het goede nieuws. Bestuurskundige Pieter Tops en journalist Jan Tromp geven een goed beeld van de falende bureaucratie in de drugsbestrijding. Het is allemaal al vaker beschreven, maar nu lekker leesbaar voor een breed publiek. Uit die falende aanpak trekken ze de logische conclusie dat we moeten nadenken over legaliseren. 

In hun rapport De achterkant van Amsterdam (2019), viel het woord ‘legalisering’ slechts een keer en lag de nadruk op ‘massieve repressie’ – een aanpak die al honderd jaar nergens werkt. Nu bepleiten ze dus, onder voorwaarden, legalisering. Die boodschap slaat aan bij beleidsmakers. Zo prees Greetje Bos het boek. Deze oud-officier van justitie is nu wethouder voor de VVD in Breda. Samen met de burgemeester van die stad, Paul Depla (PvdA), hamert ze al jaren op ondermijning, maar ze pleit óók voor onderzoek naar legalisering van drugs. 

Politiek interessant: een law and order-VVD’er die legalisering wil onderzoeken, samen met de PvdA’ers Depla en Tops. Het kan het begin zijn van een polderoplossing voor drugs, tenminste: als na de verkiezingen CDA’er Ferd ‘cocaïne en pillen het land uit’ Grapperhaus van het Binnenhof is verdwenen.

Leeuwendeel

Tops en Tromp zijn invloedrijk: hun boeken en rapporten krijgen ruim aandacht in de media en ze hebben de afgelopen jaren talloze zaaltjes vol bestuurders toegesproken. Als ze die invloed aanwenden om een intelligenter aanpak van drugs te bepleiten, is dat per definitie winst.

Als Tops en Tromp erin slagen dít misverstand aan politici te verkopen, zitten we nog eens tien jaar met falende repressie.

Het probleem is dat hun nieuwe boek, Nederland Drugsland, ernstige fouten en misverstanden bevat, die zo’n slimmere aanpak juist in de weg zitten. Kort samengevat: Tops en Tromp missen het historisch perspectief op de war on drugs, schatten de omvang van de drugsmarkt veel te hoog in en zaaien paniek over ‘ondermijning’ en witwassen. Ze stellen ten onrechte dat de aanpak van drugs bij de politie ‘een ondergeschoven kindje’ is, terwijl die in werkelijkheid al decennia het leeuwendeel van de opsporingscapaciteit opslokt.

Op dat laatste misverstand baseren ze de belofte dat als de politie er nu maar tien jaar extra tegenaan gaat, we de macht van de drugsbendes alsnog kunnen breken. Pas dan is het land rijp voor legalisering. Dat was ook hun inbreng in het Pact voor de rechtsstaat, een officieel beleidsstuk van het Strategisch Beraad Ondermijning. Dit Pact belooft een ‘forse reductie van de drugscriminaliteit’ in het komende decennium. Als Tops en Tromp erin slagen dít misverstand aan politici te verkopen, zitten we nog eens tien jaar met falende repressie.

Schuttersputjes

Tops en Tromp beschouwen zichzelf als kenners van de drugsmarkt, die naïeve landgenoten wakker schudden. Ze vertellen dat ze sinds het verschijnen van De achterkant van Nederland, in 2017, honderden lezingen hebben gegeven. Voor veel toehoorders bleek dat boek een eyeopener: ‘Is het echt zo erg?’, gevolgd door: ‘Legaliseren lost toch alles op?’

Tops en Tromp weerleggen dat misverstand met recht: nee, legalisering lost niet alles op. Maar ze gebruiken deze veel geopperde vraag vervolgens om alle voorstanders van legalisering hetzelfde naïeve standpunt toe te dichten. Een klassieke retorische truc: je opponent een wereldvreemd standpunt toedichten. De voorstanders van legalisering moeten ‘uit hun schuttersputjes’ komen, vinden de auteurs.

Maar de prominente voorstanders van legalisering zijn niet naïef. Onder hen bevinden zich veel doorgewinterde conservatieve of liberale politici, die beseffen dat bestrijding meer ellende oplevert dan legalisering. In Nederland is bijvoorbeeld Frits Bolkestein al lang voorstander van legalisering. Ook de Global Commission on Drug Policy bestaat uit een indrukwekkende verzameling van internationale politici, die vooral streven naar harm reduction

De naïviteit van Tops

Terugblikkend valt vooral hun eigen naïviteit op. In De achterkant van Nederland (2017) schreven Tops en Tromp: ‘Toen wij aan onze verkenningstocht naar de achterkant van Nederland begonnen, waren we groen als gras. Zo hebben wij altijd gedacht dat georganiseerde criminaliteit een verschijnsel is aan de rand van de samenleving, een Fremdkörper, en daardoor ook relatief makkelijk te herkennen en in te dammen. Dit blijkt een veel te simpel beeld te zijn.’

Pieter Tops was toen lector op de Politieacademie en eerder een aantal jaren bestuurder van die instelling. Kennelijk was hem niettemin ontgaan dat er sinds de Amerikaanse drooglegging bibliotheken zijn volgeschreven over de macht van de georganiseerde misdaad en de drugscriminaliteit.

Het oudste Nederlandse bericht in krantendatabank LexisNexis stamt uit 1965: ‘Handel in narcotica wordt angstwekkend probleem,’ kopte de Leeuwarder Courant. ‘De onwettige produktie van bedwelmende middelen heeft in de afgelopen jaren zo’n alarmerende omvang aangenomen dat alle moeite van de Verenigde Naties, Interpol en de regeringen van tal van landen om het kwaad te beteugelen vergeefs lijkt te zijn.’ In september 1984 verzuchtte narcoticachef Barry de Koningh in Het Parool na een recordvangst cocaïne: ‘Het is voor ons dweilen met de kraan open. Wij weten van veel meer drugslijnen richting Amsterdam dan we kunnen oprollen.’ Hij schetste ‘een somber beeld’, met steeds meer wapens. Daarna volgden duizenden artikelen over de IRT-affaire, Klaas Bruinsma en talloze andere drugscriminelen

Voortschrijdend inzicht is mooi, maar Tops spreekt zichzelf voortdurend tegen

Hoe kun je dan in 2017 schrijven dat je ‘altijd gedacht’ hebt dat georganiseerde misdaad een randverschijnsel is, en ‘makkelijk’ in te dammen? Het is geen eenmalige uitglijder. In 2008 voorspelde Tops in De Stentor dat de criminaliteit zou afnemen. Een jaar later jubelde hij in het Limburgs Dagblad dat Heerlen de drugproblematiek ‘eronder’ had gekregen: ‘een lichtend voorbeeld’ voor alle burgemeesters in Nederland. In 2012 betoonde hij zich in het Brabants Dagblad enthousiast over Tilburg: ‘Het algemene veiligheidsbeeld van Tilburg ontwikkelt zich positief. [..] De afdeling Veiligheid van de gemeente heeft zich sterk ontwikkeld [..] en geldt als voorbeeld in Nederland.’

Twee jaar later is zijn wereldbeeld gekanteld. ‘Hier is iets grondig mis,’ besefte Tops toen hij op een feestje in zijn woonplaats Tilburg mensen openlijk hoorde praten over wietplantages, zei hij in 2014 tegen het Reformatorisch Dagblad. ‘Wietteelt en -handel zijn helaas geen verschijnsel in de marge,’ noteerde de krant op gezag van professor Tops: ‘Het gezwel heeft zich midden in de samenleving genesteld.’ 

Voortschrijdend inzicht is mooi, maar Tops spreekt zichzelf voortdurend tegen. In 2014 kreeg hij door dat drugshandel ‘geen verschijnsel in de marge’ was, maar schreef in 2017 dat het een ‘verschijnsel aan de rand van de samenleving’ was. In Nederland Drugsland achtten Tops en Tromp Nederland anno 2020 géén narcostaat. Bij de verschijning van hun vorige boek, in 2017, zei Tops tegen Elsevier: ‘Het beeld van Nederland als narcostaat is terecht.’ Tilburg was in 2012 nog een voorbeeld voor Nederland, maar was in 2014 in de greep van ondermijning. Er zit kortom weinig lijn in.

Soepele omgang met de feiten

Vorig jaar schreven Tops en Tromp De achterkant van Amsterdam, in opdracht van de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema. Naast bijval kwam er ook kritiek. Bij Follow the Money wees ik op onjuistheden, het gebrek aan onderbouwing, het zonder bewijs zwartmaken van hele sectoren (zoals de horeca) en de soms surrealistische teksten.

Criminoloog Edwin Kruisbergen van het WODC was ‘verbijsterd’ en maakte in de Volkskrant gehakt van het ‘pamflet’. NRC Handelsblad onderzocht de ‘onthulling’ dat er via bitcoin-terminals jaarlijks mogelijk 2,5 miljoen wordt witgewassen, ook op Schiphol. Dat stuitte op ‘ongeloof’ bij kenners: dergelijke bedragen in die apparaten stoppen kan immers niet. Bovendien bleek het apparaat op Schiphol al maanden weg te zijn. NRC belde met Tromp: ‘Gevraagd naar de onderbouwing van de 2,5 miljoen euro moet onderzoeker Jan Tromp het antwoord schuldig blijven. Hij vertelt aan de telefoon dat hij het bedrag te horen kreeg van een bron bij de politie, maar het niet verifieerde. De omvang van het bedrag doet echter niets af aan het probleem, vindt Tromp, die de bitcoin “een louche kreng” noemt.’ 

Waar de niet-bestaande bitcoin-terminal in 2019 werd gebruikt om geld wit te wassen, dient die in Nederland Drugsland om geld te smokkelen

Maar in het net verschenen Nederland Drugsland komt vanaf pagina 180 een anonieme officier van justitie aan het woord, die stelt dat je op Schiphol makkelijk grote bedragen langs de douane kunt smokkelen door je geld via de bitcoin-automaat om te zetten in virtuele munten: ‘Er kraait geen haan naar.’ Dus zelfs nadat NRC Handelsblad Tromp erop wees dat er geen bitcoin-terminal meer op Schiphol staat, duikt het ding opnieuw op in Nederland Drugsland. Ditmaal niet via een anonieme politiebron, maar bij monde van een anonieme officier van justitie. Waar de niet-bestaande bitcoin-terminal in 2019 werd gebruikt om geld wit te wassen, dient die in Nederland Drugsland om geld te smokkelen.

Even googlen levert dit bericht van RTL Nieuws uit 2018 op: ‘Op Schiphol kun je nu maximaal 100 euro per keer inwisselen voor cryptomunten’ Dat maakt het anonieme verhaal onzinnig: het apparaat was van meet af aan ongeschikt om grote bedragen langs de douane te krijgen. Dit roept verontrustende vragen op. Ervan uitgaand dat Tops en Tromp hun anonieme bronnen niet hebben verzonnen, zijn er kennelijk medewerkers van politie en justitie die aperte onzin over bitcoins verkondigen.

Het is typerend voor de werkwijze van Tops en Tromp. Ze weten op voorhand: er is overal ondermijning. Nadat ze eind 2018 van Femke Halsema de opdracht voor hun rapport kregen, zei Tops tegen NRC Handelsblad dat over de foute geldstromen ‘betrekkelijk weinig bekend’ is. Tromp, in datzelfde interview: ‘Het kan niet anders dan dat in Amsterdam een verstrengeling gaande is tussen criminele netwerken en de bovenwereld.’ De conclusie stond kennelijk vooraf al vast. 

Het maakt Tops en Tromp immuun voor kritiek, zo stelt Edwin Kruisbergen van het WODC in een discussie met de twee in een nieuwsbrief voor criminologen. Als ze kritiek krijgen op hun ongefundeerde beweringen, voeren ze aan dat politie en justitie weinig betrouwbare cijfers hebben. Dat leidt tot een cirkelredenering. stelt Kruisbergen. ‘De autoriteiten vragen je onderzoek te doen naar drugsgerelateerde criminaliteit, omdat ze [..] daar zelf te weinig informatie over hebben. Vervolgens constateer je [..] dat de autoriteiten zo’n slechte informatiepositie hebben. Daarna schrijf je onder meer op dat er enkele Amsterdamse (en Utrechtse) cocaïnemiljardairs zijn (aldus de politie), dat drugshandel in feite is gelegaliseerd, dat er wezenlijk niets wordt opgespoord [..]. Dit alles schrijf je vrijwel zonder onderbouwing en voorbehoud op. Wanneer je daar op wordt aangesproken, verwijs je weer naar de slechte informatiepositie van de autoriteiten.’

Omvang van de drugshandel grotelijks overdreven

Pijnlijk is dat Tops en Tromp cijfers die er wél zijn, soms verkeerd citeren. Zo stelden ze in De achterkant van Amsterdam dat er volgens econoom Brigitte Unger in Nederland elk jaar 16 miljard euro wordt witgewassen, ‘waarvan de helft afkomstig uit drugshandel’. Maar Unger en haar collega’s schatten de totale omvang van witgewassen drugsgeld in Nederland in 2014 op drie miljard, zoals een kristalheldere grafiek uit haar rapport laat zien.

Dat is vijf miljard minder dan Tops en Tromp beweren. Unger stelt voorts dat de witwasbehoefte afkomstig uit fraude drie keer zo groot is als die uit drugs.

In Nederland Drugsland noemen Tops en Tromp een bedrag van 13 miljard voor de totale omvang van het witwassen, ontleend aan Ungers meest recente onderzoek. Zij heeft, door voortdurend verbeterde methodieken, haar schatting van de omvang van het witwassen inmiddels verder verlaagd: van oorspronkelijk 18,5 miljard (in 2006), via 16 miljard naar 13 miljard euro.

Tops en Tromp lichten die daling niet toe en schotelen hun lezers zonder uitleg steeds andere getallen voor. En dat de geldstromen uit fraude (die deels in de bovenwereld plaatsvindt, via witteboordencriminaliteit) liefst drie keer zo groot zijn als die in de drugswereld, past uiteraard niet in het plaatje van de ‘ondermijning door drugs’.

‘Ondergeschoven kind’ en andere misverstanden

Eenzelfde problematische omgang met de feiten doet zich voor bij de passages over de opsporing. Tops en Tromp stellen dat drugscriminaliteit voor de politie ‘geen hoge prioriteit’ heeft. Onderzoek naar de drugswereld is ‘op zijn best een bijproduct’ en ‘een ondergeschoven kind’. 

Waar ze dat vandaan halen, is een raadsel. In alle officiële beleidsstukken staan drugs op één. De Nederlandse politie werkt met een vierjarige Veiligheidsagenda, waarin de prioriteiten staan. De Veiligheidsagenda 2015-2018 stelt dat het accent ligt op ‘de aanpak van drugscriminaliteit.’ In de Veiligheidsagenda 2019-2022 staat: ‘In de eenheden zal geprioriteerd worden op de aanpak van ondermijning, in het bijzonder met aandacht voor drugs.’

Maar Tops en Tromp menen dat drugs voor de politie ‘geen hoge prioriteit hebben’

De politie steekt al decennia veel capaciteit in drugs. Hoeveel precies is lastig te meten, omdat er zo ontzettend veel andere misdaad mee samenhangt – van fietsendiefstal en heling tot witwassen en liquidaties. Bij 24 procent van de gedetineerden hangt het delict van hun veroordeling samen met drugsgebruik. De korpschef van Twente, Peter IJzerman, schatte in 1994 het aandeel van drugs in het totale politiewerk op 30 tot 50 procent (en bepleitte daarom toen al legalisering). Oud-minister van Justitie Winnie Sorgdrager schreef in 1999: ‘De drugscriminaliteit ligt als het ware op straat en slokt daardoor bijna alle capaciteit van de politie op.’ 

Veel burgemeesters klagen dat de politie aan andere zaken niet meer toekomt. Rob van Gijzel stelde als burgemeester van Eindhoven al in 2010 in het AD onder de kop ‘Wietoorlog in Brabant’ dat de situatie hem aan de drooglegging deed denken: ‘Steeds gewelddadiger bendes houden volledige politiekorpsen aan het werk.’ De Nationale Drug Monitor vermeldde jarenlang dat tussen de 72 en 77 procent van alle grootschalige opsporingsonderzoeken op drugs zijn gericht. Alle andere zware criminaliteit – van kinderporno tot fraude – moet het met een kwart van de grootschalige opsporingscapaciteit doen. 

Maar Tops en Tromp menen dat drugs voor de politie ‘geen hoge prioriteit hebben’.

Loze beloften

Dat foutieve beeld heeft ernstige gevolgen. De ondertitel van het boek van het duo is ‘De lokroep van het geld, de macht van criminelen, de noodzaak die te breken (en hoe dat dan te doen)’. Ze beloven dus een manier om de macht van de drugscriminelen te breken. Dat is geen enkel land gelukt, maar met ‘Ausdauer’, ‘zweet en chagrijn’ zou het volgens Tops en Tromp moeten lukken om in tien tot vijftien jaar ‘de machtige schaduwwereld in een gareel te dwingen’. Ze vermelden niet dat na honderd jaar drugsbestrijding de autoriteiten overal ter wereld nu recordoogsten en dito vangsten rapporteren: van cocaïne in Colombia, drugs in Afghanistan tot recordvangsten in Maleisië.

Door hun werk loopt als rode draad dat de Nederlandse overheid altijd heeft weggekeken en te soft straft, en dat het hier zodoende uit de hand is gelopen. Maar landen met keiharde repressie hebben grotere drugsproblemen dan wij. De Amerikanen hebben grote delen van Colombia besproeid met pesticiden en acht miljard dollar uitgegeven aan drugsbestrijding in Afghanistan; de productie draait er als nooit tevoren. In narcostaat Mexico zijn ruim honderdduizend mensen omgekomen in de war on drugs; de bendes worden er alleen maar machtiger.

Meer repressie is niet alleen zinloos; de Nederlandse politie heeft er, anders dan Tops en Tromp beweren, domweg de capaciteit niet voor

Ook aan de gebruikerskant helpt repressie niet. Het snoeiharde Frankrijk kent niet minder drugsgebruikers dan Nederland, en in de Verenigde Staten sterven jaarlijks tienduizenden mensen aan een overdosis. Daarom pleiten verstandige mensen al decennia voor een humaner aanpak.

Meer repressie is niet alleen zinloos; de Nederlandse politie heeft er, anders dan Tops en Tromp beweren, domweg de capaciteit niet voor. Want dan zouden andere vormen van misdaad – zoals kinderporno, mensenhandel, plofkraken, cybercrime en fraude – niet meer aan bod komen.

Follow the money

Het verdienmodel van drugscriminelen moet kapot worden gemaakt, stellen Tops en Tromp. Een nobel streven, maar hoe? Tromp en Tops verwijzen naar de Financial Intelligence Unit (FIU) van de politie, waar banken, notarissen en accountants verdachte transacties moeten melden. Het probleem is dat niemand weet wat het effect van die meldingen is, noch wat de FIU precies aan de financiële recherche of de FIOD doorspeelt. Wel weten we dat de overheid nauwelijks geld van drugscriminelen plukt.

Tops en Tromp bieden in hun boek een aardig inkijkje in de bureaucratische tekortkomingen, maar negeren de kern van het probleem: de scheve verdeling van capaciteit. Inmiddels hebben de banken samen 4500 fraudemedewerkers die transacties en klanten monitoren. Ze melden zich suf: het aantal meldingen steeg van ruim 750 duizend in 2018 naar bijna 2,5 miljoen in 2019. Al die meldingen belanden bij de FIU, waar slechts 63 mensen werken. Zij moeten beoordelen welke informatie ze doorzetten naar de opsporingsinstanties. Bij de FIOD werken zo’n 1400 mensen. Bij de politie zijn er officieel 1156 mensen die zich met financieel-economische opsporing bezig houden.

 Het tekent de desinteresse van de Nederlandse politiek voor de aanpak van fraude en witwassen

De banken hebben dus dubbel zoveel financiële speurders in dienst als de FIOD en de politie samen. Dat is bizar, temeer daar bij 80 procent van de criminaliteit geld het belangrijkste motief is; het tekent de desinteresse van de Nederlandse politiek voor de aanpak van fraude en witwassen. De Veiligheidsagenda 2019-2022 gaat vooral over drugs, maar noemt ‘fraude’, ‘witwassen’ en ‘ontneming’ nul keer.

Tops en Tromp noemen deze problemen nergens, waardoor hun beloften over het ‘kapotmaken’ van het verdienmodel van drugscriminelen in de lucht blijven hangen.

De ondermijningshype

De Groene Amsterdammer concludeerde vorig jaar in een grondig artikel dat tien jaar aanpak van ‘ondermijning’ geen meetbaar resultaat had opgeleverd. Erger: ‘Er is ondermijningsmoeheid aan het ontstaan,’ zoals Bob Hoogenboom vorig jaar al tegen FTM zei.

Hij kreeg dit jaar bijval in het Tijdschrift voor Veiligheid. Onder de kop ‘Een einde aan ondermijning’ fileren vier wetenschappers het buzzword. Nadat ze de gigantische verwarring over dit modewoord in kaart hebben gebracht, concluderen ze: ‘Het gaat overal en nergens over.’ Ze stellen dat het concept ‘operationeel een verlammend effect dreigt te hebben’. Overal in het land vergaderen ambtenaren in taskforces over ondermijning, maar resultaten blijven uit. Conclusie: het einde van ondermijning komt in zicht.

Wie kritiek levert op het werk van Tops en Tromp, of op de ondermijningshype, krijgt al snel het verwijt criminaliteit niet serieus te nemen, zoals ook mij gebeurde in gesprekken met beleidsambtenaren, politici en recherchechefs. Dat is een misverstand. Al in 1997 schreef ik in Quote onder de kop ‘De slappe arm’ over de falende opsporing. In 2012 publiceerde ik De Veiligheidsmythe, met daarin een (onderbouwde) berekening dat Nederland duizenden extra rechercheurs nodig heeft. De Nederlandse Politiebond pleitte op grond daarvan in 2018 in Noodkreet recherche: waar blijft onze versterking? voor vierduizend extra rechercheurs.

Alle schandalen die de samenleving op haar grondvesten hebben laten schudden en die burgers hard hebben geraakt, komen uit de bovenwereld

Anders gezegd: je kunt oprecht bezorgd zijn over criminaliteit zonder terug te vallen op ‘ondermijning’. Dat de waarlijke omvang van drugsgeld in Nederland drie miljard bedraagt in plaats van acht (zoals Tops en Tromp melden) maakt het probleem niet minder ernstig. Maar laten we niet vergeten dat fraude, met negen miljard euro per jaar, een groter probleem is. Dat dringt echter niet door in Den Haag, dat het liever over drugs en ‘ondermijning’ heeft. 

Dat is raar, want het is al lang duidelijk dat fraude in de bovenwereld meer schade aanricht. Alle schandalen die de samenleving op haar grondvesten hebben laten schudden en die burgers – als belastingbetalers, consument of patiënt – hard hebben geraakt, komen uit de bovenwereld. Dat geldt voor het Lockheed-schandaal, voor Credit Lyonnais, Enron, de rommelhypotheken die de kredietcrisis veroorzaakten, de bouwfraude, de vastgoedfraude, Vestia, woekerpolissen, sjoemeldiesels, het derivatendrama, de Panama Papers, CumEx, Wirecard, de zorgcowboys, corruptieschandalen rond Shell en SBM Offshore.

Op al deze vormen van (systeem)fraude zetten we slechts een handjevol opsporingsambtenaren – de helft van wat de banken intern hebben. In plaats te dwepen met ‘Ausdauer, zweet en chagrijn’ moeten er simpelweg duizenden financieel rechercheurs bij. Minister Grapperhaus zegt dat daar geen budget voor is. Vreemd: we betalen met ons allen, als klant van de banken, ook die 4500 private controleurs? Bovendien verdienen financiële speurders bij de overheid hun geld dubbel en dwars terug: de 775 miljoen euro die ING moest aftikken bij de FIOD, was vele malen meer dan al het drugsgeld dat Justitie ooit van criminelen heeft afgepakt.

En laat ons vooral niet vergeten dat Nederland zelf – door toedoen van onze opeenvolgende regeringen, die zich beriepen op het ‘vestigingsklimaat’ – een voorname toegangspoort is geworden voor de schimmige wereld van Moneyland. Daar wordt naar hartelust net zolang met geld en bv’s geschoven totdat geldsporen verdwijnen en belastingen kunnen worden vermeden. Die beschermde infrastructuur, die opgezet is voor ‘nette’ bedrijven maar evenzeer door de onderwereld wordt benut, is hoogst problematisch. Bedrijven betalen minder belasting, zodat de staatslasten steeds meer op de burgers wegen, en criminelen kunnen hun geld erdoor verbergen.

Tops en Tromp verwijzen naar het moeras van Moneyland en stellen terecht dat de poortwachters in Nederland hun werk niet goed doen. Zolang Nederland de sluizen voor fout geld bewust open laat staan, zal elke aanpak van witwassen en drugsgeld zinloos zijn. Je kunt gerust stellen dat dit de echte ondermijning is.

Bart de Koning
Bart de Koning
Hard-hitting freelance journalist gespecialiseerd in economie, politiek, recht, veiligheid en privacy.
Gevolgd door 1070 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren