Het pensioenstelsel van 2026 biedt naar verwachting minder ruimte voor conflicten tussen oudere en jongere generaties.

Het pensioenstelsel van 2026 biedt naar verwachting minder ruimte voor conflicten tussen oudere en jongere generaties. © ANP/HH/Bert Spiertz

Waarom we touwtrekken om pensioenpotten

Voor miljoenen Nederlanders is de dreiging van een lager pensioen voor even afgewend. Met dank aan – alweer – versoepeling van de spelregels door minister Koolmees. De Nederlandsche Bank waarschuwt al jaren voor het risico dat jongeren de rekening gepresenteerd krijgen. Zijn in 2026, in het nieuwe pensioenstelsel, de belangenconflicten tussen de generaties opgelost?

‘Zolang ondergetekende de eer zal hebben uw onderneming te leiden, zullen geen oude paarden zonder voer op stal worden gezet,’ zei in 1879 de directeur van de Nederlandsche Gist & Spiritusfabriek in Delft tijdens een aandeelhoudersvergadering. Voortaan ging 10 procent van de winst naar een pensioen voor zijn personeel. Hiermee staat Jacques van Marken – ‘de rooie van Marken’,  zeiden zijn collega-werkgevers  –  te boek als eerste particuliere ondernemer die zijn werknemers een oudedagsvoorziening in het vooruitzicht stelde. Maar honderden jaren eerder waren de middeleeuwse gilden hem al voor met een solidair vangnet tegen armoede door ouderdom en ziekte, als vroege voorlopers van onze pensioenfondsen. 

Solidariteit is ook nu nog een van de fundamenten van ons pensioenstelsel: tussen jongeren en ouderen, tussen werkenden en gepensioneerden, tussen de pechvogels die al jong ziek worden en overlijden en de allertaaisten die stokoud worden. En het systeem kent nog wel meer vormen van solidariteit. Tussen mannen en vrouwen (die gemiddeld ouder worden), tussen bedrijven binnen een bepaalde sector, en tussen gezonde werknemers en mensen met een arbeidsbeperking.

Bron van het kwaad

Maar de solidariteit tussen de generaties is de afgelopen decennia onder druk gekomen. Dat werd vooral voelbaar in de jaren na de kredietcrisis van 2008. Sindsdien zijn de pensioenen van miljoenen Nederlanders niet meer geïndexeerd en dus niet meer meegestegen met de kosten van het levensonderhoud, en dreigden er zelfs verlagingen. 

Veel mensen zien de rekenrente als bron van het kwaad. Vooral ouderenorganisaties roeren zich flink, verontwaardigd omdat de lage rekenrente fondsen zou dwingen onnodig veel kapitaal op te potten en dus niet uit te keren aan degenen die nu (bijna) met pensioen zijn. Aan de andere kant staan mensen die bezorgd zijn dat met gesleutel aan de rekenrente, en met het verder uitstellen van pensioenverlagingen, de rekening uiteindelijk wordt doorgeschoven naar de jongeren

Het kabinet bereikte midden vorig jaar met de vakbonden en werkgevers overeenstemming over een nieuw pensioenstelsel dat in 2026 ingevoerd moet zijn. Verandert dat iets aan de toenemende druk op de solidariteit tussen generaties? 

‘Solidariteit is alles wat met herverdeling te maken heeft,’ zegt Fieke van der Lecq, hoogleraar pensioenmarkten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. ‘Een pensioenfonds is continu aan het herverdelen.’ Maar het schuiven tussen generaties wordt in het nieuwe stelsel in ieder geval flink ingeperkt.

Een mechanisme dat sneuvelt, is de zogeheten ‘doorsneesystematiek’ waarmee veel huidige pensioenregelingen – die in de jaren vijftig van de vorige eeuw gestalte kregen – zijn opgetuigd. Dit mechanisme zorgde er toen voor dat mensen die bij de invoering al wat ouder waren in relatief korte tijd toch een redelijk pensioen konden opbouwen – met dank aan subsidie van jongere collega’s.

Jongeren die ouderen subsidiëren 

De doorsneesystematiek is ook nu nog op veel pensioenregelingen van toepassing en zelfs verplicht voor de bedrijfstakpensioenfondsen, waarbij de meeste deelnemers zijn aangesloten. In het kort komt de systematiek erop neer dat jongere werknemers, tot ongeveer hun 45e, voor hun pensioenpremie een relatief kleine pensioentoezegging krijgen en ouderen juist een grote. Nadat de jongere zelf 45 jaar oud is, krijgt hij op zijn beurt een grotere toezegging voor de ingelegde premie. De premies en toezeggingen zijn voor beide groepen procentueel precies gelijk, maar jongeren hebben een veel langere ‘beleggingshorizon’: hun premies hebben meer tijd om te groeien door beleggingsrendement. De premies van ouderen hebben juist relatief weinig tijd om te profiteren van beleggingsrendement. 

‘In beginsel kun je in je eentje de hele cyclus van de doorsneesystematiek doorlopen, en dan zou je aan het eind keurig neutraal uitkomen,’ zegt Fieke van der Lecq. ‘Alleen, mensen gingen andere dingen doen en toen kwam die rekensom niet meer uit.’ Zo werken veel mensen een periode in deeltijd, bijvoorbeeld om voor kinderen te zorgen, en is het aantal zzp’ers fors toegenomen. 

‘Als iedereen blijft werken bij dezelfde werkgever is er geen probleem,’ zegt Roel Mehlkopf, pensioenfondsadviseur bij Cardano, postdoctoraal onderzoeker aan de Tilburg University en gepromoveerd op het delen van pensioenrisico’s tussen generaties. ‘Maar het is sneu voor iemand die halverwege zijn loopbaan zzp'er wordt en dan niet meer meedoet aan het stelsel.’ Zo iemand heeft alleen subsidie betaald, maar nooit subsidie ontvangen. Ook de vergrijzing strooide zand in de machine van de doorsneesystematiek, want daardoor kwam de last van subsidieverstrekking aan ouderen terecht bij een steeds kleinere groep jongere werknemers. Nederlanders zijn sinds de jaren vijftig gemiddeld zo’n vijf jaar ouder geworden.

De onbetaalde rekening

De ontregeling van de doorsneesystematiek, door de veranderde arbeidsmarkt en door de vergrijzing, heeft verschillende gevolgen voor jong en oud. Maar zolang er vertrouwen is in de individuele pensioentoezeggingen zullen deelnemers weinig aandacht hebben voor ingewikkelde onderliggende generatie-effecten. Roel Mehlkopf: ‘Generatieconflicten komen op als duidelijk wordt dat bepaalde verwachtingen niet kunnen worden waargemaakt. Of als er een onbetaalde rekening ligt, of als er een dekkingstekort optreedt. Dan is de vraag: wie pakt die onbetaalde rekening? Kunnen we de verwachtingen, die bij bepaalde generaties zijn gewekt, misschien toch realiseren door iets te schuiven of iets te veranderen aan de regels? Dat conflict is losgebroken na de crisis van 2008.’

 

"Generatieconflicten komen op als verwachtingen niet worden waargemaakt of er een onbetaalde rekening ligt"

De geplande ingangsdatum van het nieuwe pensioenstelsel is 1 januari 2026. Dat is nog ver weg, en er zitten nog zeker twee Tweede Kamerverkiezingen tussen. Op 12 februari sloot de consultatieronde van de onderliggende conceptwet Toekomst Pensioenen. Hoe zeer het onderwerp leeft blijkt alleen al uit de 482 – soms emotionele – reacties, waaronder opvallend veel van individuele deelnemers. Meerderen roepen op tot behoud van het oude stelsel, maar dan wel met een hogere rekenrente zodat er eindelijk weer indexaties mogelijk zijn.

Maar de trein is vertrokken. Pensioenfondsen zijn al volop bezig zich voor te bereiden op alle veranderingen. Als die worden ingevoerd, komt er dan ook een einde aan het getouwtrek tussen ouderen en jongeren om de pensioenpotten? Er komen in ieder geval minder mogelijkheden voor herverdeling tussen de generaties. 

De doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Er worden straks helemaal geen pensioentoezeggingen meer gedaan, laat staan relatief lage toezeggingen aan jongeren en relatief hoge aan ouderen. In plaats hiervan gaan pensioenfondsen precies bijhouden wat ieders individuele aandeel is in het totale vermogen van het fonds. De premie die je straks betaalt, belandt in je eigen, persoonlijke pot. De optelsom van persoonlijke potten blijft collectief worden belegd – met alle (schaal)voordelen van dien. 

Deelnemers zien hoe het voor hen gereserveerde aandeel in het fondsvermogen verandert: ze zien de eigen premie en het eigen aandeel in het collectief behaalde rendement. Pensioenen zullen stijgen en dalen; al naar gelang de beleggingswinsten en -verliezen. Hoeveel pensioen ieders persoonlijke pot uiteindelijk oplevert, daarvan kan alleen een schatting worden gegeven. Die wordt gemaakt met behulp van een zogeheten projectierendement

Omdat fondsen geen toezeggingen meer doen, vervalt de door velen verfoeide rekenrente 

Aangezien fondsen geen toezeggingen meer doen, vervalt ook de door velen verfoeide rekenrente waarmee ze nu nog moeten becijferen of het totale vermogen groot genoeg is om die toezeggingen waar te maken. De rekenrente, die gebaseerd is op de marktrente, is al geruime tijd extreem laag (gemiddeld iets boven nul procent) – sommigen spreken van het ‘nulrentoceen’ – en dat verplicht fondsen te veronderstellen dat de totale pensioenpot maar heel langzaam zal groeien. Daarom moeten ze in verhouding tot hun toezeggingen nu veel geld in kas houden. En daarvan verhoudingsgewijs weer veel voor de jongeren, die een  lange beleggingshorizon hebben. Het duurt immers nog wel even voordat zij met pensioen gaan. Die lange periode – waarvoor de veronderstelde lage rente moet gelden – weegt extra zwaar bij het berekenen van de nu benodigde pot.

‘Om vandaag de dag één euro aan pensioen te kunnen uitkeren, was het twintig jaar geleden genoeg geweest als u 30 cent had ingelegd. Als u over twintig jaar één euro pensioen wilt uitkeren, zult u vandaag de dag meer dan 90 cent moeten inleggen’, zo illustreerde DNB-directeur Klaas Knot in 2019 het effect van de gedaalde rekenrente. Het is overigens maar de vraag of die 90 cent inderdaad nodig blijkt. Er is veel kritiek op die aanname, die veel mensen te pessimistisch vinden. Zij wijzen op het grote verschil tussen de rekenrente (gedaald tot iets boven nul) en de rendementen van pensioenfondsen (meer dan 6 procent het afgelopen decennium). 

In het huidige stelsel wordt via de rekenrente collectief gespaard geld verdeeld tussen jongere en oudere generaties. Met een verlaging van de rekenrente schuift geld van oud naar jong, en bij een verhoging schuift geld van jong naar oud. Wanneer de verplichte rekenrente verdwijnt, verdwijnt tegelijk een belangrijke bron van belangenconflicten en van felle discussies over gemiste indexaties en al dan niet noodzakelijke kortingen op de pensioenen.

Sigaar uit eigen doos

Indexatie bestaat straks niet meer. Bij goede beleggingsrendementen kan het pensioen omhoog, maar dat is wat anders dan compensatie voor inflatie. ‘Als je in het nieuwe stelsel eerder een toeslag [verhoging van de uitkering, red.] verleent, is dat een sigaar uit eigen doos. Dan heb je een grotere kans dat je ook weer zelf naar beneden moet. Uiteindelijk moet het allemaal uit je eigen persoonlijke vermogen komen,’ zegt Roel Mehlkopf. ‘In het huidige stelsel wordt vastgelegd hoeveel mensen indexaties hebben gemist, en dus wie te maken heeft met een achterstand. Dat is voor een aantal gepensioneerden nogal belangrijk – die hebben bijgehouden: dit moet ik nog krijgen.’

"Als de solidariteitsreserve op is, is-ie op – je mag niet meer lenen van de toekomst"

De ruimte voor herverdeling tussen generaties verdwijnt niet helemaal: fondsen kunnen een ‘collectieve solidariteitsreserve’ aanhouden van maximaal 15 procent van het totale vermogen. Die reserve kan bijvoorbeeld worden gebruikt om beleggingsrisico’s te delen tussen jong en oud, of om schommelingen van pensioenen te dempen. Met name de vakbonden drongen aan op zo’n buffer. Maar de ruimte om tussen generaties te schuiven, is daarmee dus wel met 85 procent ingeperkt. 

De fondsen moeten ook voor langere tijd vastleggen wat de spelregels zijn. ‘Als die solidariteitsreserve op is dan is-ie op’ zegt Fieke van der Lecq daarover. ‘Want je mag niet meer lenen van de toekomst. Dat is nu beperkt. Dat is een van de grote verschillen tussen het oude en het nieuwe stelsel.’ 

Een belangrijke vorm van solidariteit die overeind blijft, is het delen van het ‘langlevenrisico’, oftewel het risico dat fondsdeelnemers ouder worden dan de levensverwachting. Dan loopt je pensioenuitkering door, hoe oud je ook wordt. 

In de toekomst is er naar verwachting minder ruimte voor belangenconflicten tussen generaties. Maar tot het zover is, moeten de fondsen zich nog houden aan de spelregels van het huidige stelsel, al heeft minister Koolmees die flink versoepeld. Grote fondsen als ABP, PFZW en PMT waarschuwden in januari dat er de komende jaren nog steeds een grote kans is op pensioenkortingen. Niet in de laatste plaats omdat de rekenrente de komende vier jaar vermoedelijk nóg verder omlaaggaat.  En om vanaf 2026 met een schone lei te beginnen, moeten nog een paar stevige noten worden gekraakt waarbij verschillende grote belangen van de generaties nog een keer op het spel staan.

Zo zit er in de doorsneesystematiek een impliciete schuld waarmee eenmalig moet worden afgerekend. Roel Mehlkopf: ‘Als je de doorsneesystematiek afschaft dan is er een generatie die nu ongeveer 45 jaar oud is, en die zegt: “Wij hebben twintig jaar premies ingelegd en andere mensen gesubsidieerd in de verwachting dat we de komende twintig jaar zelf gesubsidieerd worden. En net nu schaf je die systematiek af?” Die generatie zal daarvoor dus gecompenseerd moeten worden.’ 

Onrecht uit het verleden

Het Koninklijk Actuarieel Genootschap berekende in 2014 dat zo’n compensatie ongeveer 25 miljard euro kost. Wie gaat dat betalen? Fieke van der Lecq: ‘De afgelopen jaren is gekeken naar de vraag of je landelijk moet compenseren, bijvoorbeeld via de belastingen of de AOW,  of binnen een pensioenfonds. Uiteindelijk is ervoor gekozen dat elk pensioenfonds dat zelf moet oplossen.’ Dat kan lastig worden voor fondsen die in 2026 starten met een (nog) lege of nauwelijks gevulde solidariteitsbuffer. 

Met afschaffing van de doorsneesystematiek verdwijnt de ingebouwde subsidiëring van oud door jong. Toch kan deze verandering op termijn ook nadelig uitpakken voor jongeren: in het nieuwe stelsel tikken op jonge leeftijd ingelegde euro’s extra hard aan omdat ze nog lang, voor de individuele deelnemer, kunnen renderen. Mensen die pas op latere leeftijd fondsdeelnemer worden, bijvoorbeeld omdat ze eerst voor jonge kinderen zorgden of eerst in flexbanen zonder pensioenregeling werkten, kunnen een moeilijk in te halen achterstand oplopen. 

Het collectieve Nederlandse pensioenvermogen is sinds de kredietcrisis gestegen van 684 miljard euro eind 2007 tot bijna 1.600 miljard in 2020. Daarmee is de pot groter dan ooit. Een flinke hobbel bij de overgang naar het nieuwe stelsel is het opknippen daarvan in individuele potjes: het zogeheten ‘invaren’. Voor fondsen met een dekkingsgraad van 100 procent of meer is dat minder ingewikkeld: zij hebben immers voor elke euro toekomstige pensioenverplichting ook minstens een euro in kas. 

Maar bijna acht miljoen deelnemers zijn aangesloten bij een fonds met een dekkingsgraad lager dan 95 procent, de voorgestelde ondergrens om zonder pensioenverlagingen over te gaan naar het nieuwe stelsel. Verbeteren de dekkingsgraden de komende tijd, of zijn er fondsen die straks de pensioenen moeten verlagen om de verdeelsom voor het invaren rond te krijgen? Met kortingen gaan de verplichtingen van het fonds immers omlaag en stijgt de dekkingsgraad. Maar gepensioneerden voelen zo’n korting direct in hun portemonnee.

Of wordt er toch voor één keer aan de rekenrente gemorreld, zo vlak voor we er afscheid van nemen? Met een hogere rekenrente verbetert de dekkingsgraad en definieer je het probleem in één keer weg. In de pensioenwereld wordt hiervoor gepleit. Volgens voorstanders zou het raar zijn om een historisch lage rekenrente af te schaffen, maar vlak daarvoor nog wel even de pensioenverlagingen door te voeren die zo’n lage rekenrente op papier vereist. Ze wijzen er ook op dat er door de gedaalde rente al veel geld van oud naar jong is gegaan en dat een hogere rekenrente een beetje compensatie biedt. 

Het effect van een hogere rekenrente is potentieel fors, stelt Roel Mehlkopf. ‘Het komt er grofweg op neer dat er met een verhoging van 1 procent een bedrag van zo’n 100 tot 200 miljard euro van jong naar oud schuift.’ Precies daarom vinden tegenstanders zo’n maatregel  moeilijk te verkopen aan jongeren. 

Ten slotte is de vraag in hoeverre de transitie wordt aangegrepen om af te rekenen met wat verschillende generaties ervaren als onrecht uit het verleden, zoals gemiste indexaties of uitstel van kortingen. In de pensioenwereld kruisen voor- en tegenstanders van zo’n afrekening de degens. 

Minister Koolmees lijkt de deur open te houden om bij het invaren ook naar het verleden te kijken. Maar hoe ver? En welke aspecten laat je meewegen? Kan bijvoorbeeld achteraf worden vastgesteld welke generaties voor- of nadeel hadden van premies die te laag waren in verhouding tot het pensioen dat werd toegezegd? 

Het uitstel van kortingen is gunstig voor gepensioneerden, net zoals de levenslange uitkeringen bij een gestegen levensverwachting dat zijn. En voor die extra levensjaren is lange tijd niet genoeg pensioenpremie betaald. 

Mehlkopf: ‘Jongeren zouden kunnen zeggen: de ouderen hebben ten eerste niet betaald voor wat je toen al had kunnen voorzien. En later kregen ze ook nog een flinke bonus doordat de levensverwachting nog eens extra steeg. Maar ouderen hebben weer argumenten waarom zij te weinig hebben gekregen. De rentedaling is voor een groot deel op hun bordje terechtgekomen.’

In 2011, toen Mehlkopf bij het Centraal Plan Bureau werkte, boog hij zich al een keer met een paar collega’s over deze hypothese: stel dat de politiek ons vraagt om retrospectief uit te rekenen of er generaties ouderen of jongeren zijn die in het verleden te veel of juist te weinig hebben gekregen? Na ongeveer een uur gooiden ze de handdoek in de ring. Conclusie: ‘We hopen dat die vraag nooit komt en anders leggen we haar naast ons neer.’ Zo’n tien jaar later, nu de vraag weer relevant kan worden, voegt Melhlkopf achter zijn webcam eraan toe:  ‘Je trekt dan echt een doos van Pandora open.’