Jens Stoltenberg, secretaris-generaal van de NAVO, spreekt met Donald Trump. Achter hen onder meer Emmanuel Macron en Angela Merkel; december 2019

Jens Stoltenberg, secretaris-generaal van de NAVO, spreekt met Donald Trump. Achter hen onder meer Emmanuel Macron en Angela Merkel; december 2019 © P Photo/Francisco Seco, File

Trumps nalatenschap: de ondermijning van de VS als wereldleider (1)

Met diplomatieke finesse – en veel geld – wist Amerika zich al tijdens de Tweede Wereldoorlog te verzekeren van zijn leidende rol op het wereldtoneel. Trump was de eerste president die radicaal brak met dit beleid: hij deed zijn best om zijn bondgenoten van zich te vervreemden. Hij voerde tariefoorlogen en zegde internationale verdragen op. Deze politiek was tot voor kort ondenkbaar. Gastauteur en historicus Gerard Aalders deed onderzoek naar Amerika’s naoorlogse diplomatie.

President Donald Trump mag goed kunnen tweeten, van internationale betrekkingen en buitenlandse handel heeft hij minder kaas gegeten. De diplomatie van de Verenigde Staten veranderde sinds zijn aantreden onherkenbaar en de banden met Amerika’s langjarige bondgenoten interesseerden hem amper. Trumps beleid stond haaks op dat van zijn voorgangers. Zijn opvolger Joe Biden zal ongetwijfeld de oude koers oppakken en proberen de schade te herstellen die Trump aan de Amerikaanse handel en politiek heeft toegebracht. Binnenlands zal hij daar een harde dobber aan krijgen: Trump moet weliswaar het Witte Huis verlaten, zijn aanhang is nog springlevend en kan Biden het leven zuur maken.

Washington ijverde sinds de Tweede Wereldoorlog voor een liberale wereldhandel, met zo weinig mogelijk restricties, en had sterke (militaire) allianties tegen de gezamenlijke communistische vijand (het Sovjetblok en China). Amerika maakte zich sterk voor een hechte West-Europese gemeenschap: deels om oorlogen uit te bannen (beide Wereldoorlogen hadden hun oorsprong op ons continent), deels omdat Washington belang had bij betrouwbare handelspartners. Onder de vleugels van de Verenigde Naties, een Amerikaans initiatief, kwamen organisaties als de World Health Organisation (WHO) tot stand. De General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) zag toe op de liberalisering van de internationale handel. In 1995 nam de World Trade Organization (WTO) die functie over.

Trump moest van dat alles niets hebben. Hij was dol op tariefoorlogen (‘easy to win’) en schoffeerde belangrijke bondgenoten als Angela Merkel, Emmanuel Macron, Justin Trudeau en Theresa May. Boris Johnson prees hij de hemel in, omdat die uit de Europese Unie stapte. Trump zag niets in de EU en vond de NAVO (opgericht in 1948) obsoleet. Steekhoudende argumenten had hij niet. Hij weigerde te onderhandelen over cruciale verdragen die de internationale kernwapenarsenalen aan banden leggen en sinds kort kan ook de WHO, midden in de coronacrisis, naar de substantiële Amerikaanse bijdrage fluiten. De meeste internationale organisaties zijn in zijn ogen achterhaald en zouden Amerika voor de kosten laten opdraaien. Medewerkers die niet instemden met zijn politiek konden vertrekken.

De (Westerse) wereld zoals wij die kennen, is tijdens de Tweede Wereldoorlog door de VS in de steigers gezet

Toch is Amerika de drijvende kracht geweest achter al die organisaties, allianties en afspraken, waarvan sommige ruim zeventig jaar – tot aan de inauguratie van Trump in 2017 – hebben stand gehouden en die de wereld hebben gevormd.

We zijn eraan gewend dat de VS vrijwel overal ter wereld aanwezig zijn en in elk werelddeel over marine-, luchtmacht- en legerbases beschikken om hun – en onze – belangen te beschermen. Voor 1945 was dat niet zo. Amerika was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog weliswaar een van ’s werelds economische grootmachten, maar op het gebied van de internationale politiek telde het niet mee. De politieke wereldmacht was in handen van the British Empire. De Sovjet-Unie was economisch gezien geen speler van betekenis. Duitsland – dat een verbond met Japan had gesloten – was dat wel.

De Tweede Wereldoorlog heeft die situatie radicaal veranderd. De (Westerse) wereld zoals wij die kennen, is tijdens de oorlog door de VS in de steigers gezet. Vooraanstaande Amerikanen waren het al langer fundamenteel oneens met de ondergeschikte politieke rol van Amerika en zagen in de overval van Hitler op Polen, op 1 september 1939, een kans om Amerika politiek en economisch op de kaart te zetten. Dat heel Europa spoedig in oorlog zou raken, was vrijwel zeker. Als bondgenoten van Warschau hadden Parijs en Londen Hitler op 3 september 1939 de oorlog verklaard. Frankrijk was net als Groot-Brittannië een koloniale grootmacht, wat het aannemelijk maakte dat de oorlog zich over de hele aardbol zou uitbreiden.

Achtergronden

De plannen voor de Amerikaanse naoorlogse wereldhegemonie liggen in ruim 250 archiefdozen bij de National Archives in Washington DC. Aanvullend materiaal is te vinden in de archieven van de ministeries die zich met de naoorlogse mondiale herinrichting hebben beziggehouden. De gevolgen waren ingrijpend en hebben de machtsverhoudingen in de wereld volledig op hun kop gezet. De tijd van Groot-Brittannië en Frankrijk als koloniale grootmachten was voorbij, en ook kleinere landen met koloniën – zoals Nederland en België – zagen hun rijk fors inkrimpen. Amerika dankt zijn status als supermacht aan de Tweede Wereldoorlog.

Bij een selecte groep Amerikaanse politici en diplomaten, en uiteraard in sectoren van het bedrijfsleven, leefde al sinds de Eerste Wereldoorlog de wens om een prominentere rol op het wereldtoneel te spelen. Ze hadden het tij niet mee: de VS koesterden indertijd hun economisch nationalisme en politiek isolationisme, zelfs zozeer dat een lidmaatschap van de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, er niet in zat, terwijl die nota bene op initiatief van president Woodrow Wilson was ingesteld.

In de Council on Foreign Relations (CFR), een befaamde denktank, leefde niettemin de overtuiging dat dit isolationisme zijn tijd had gehad. De CFR was uitgesproken internationaal georiënteerd en was in 1921 opgericht door prominente leden van zowel de Republikeinse als de Democratische partij. Nog steeds is de CFR een van de invloedrijkste particuliere organisaties, met ongeveer 4000 leden uit het bedrijfsleven, wetenschap en politiek. Zes keer per jaar publiceert de denktank het gezaghebbende tijdschrift Foreign Affairs.

Tegen de stroom in pleitte de CFR voor uitbreiding van de buitenlandse handel, voor investeringen in het buitenland en voor politieke invloed op wereldschaal. De denktank achtte dat noodzakelijk om de werkgelegenheid van de snel uitdijende bevolking veilig te stellen. Niet alleen hadden de anti-isolationisten in de VS zelf de wind tegen; ze zagen zich daarnaast geconfronteerd met de Europese machten, die de toegang tot de markten van hun koloniën afschermden. De rijke bodemschatten in hun overzeese gebiedsdelen waren voor Amerika vrijwel ontoegankelijk.

Toen Hitler in september 1939 Polen onder de voet liep, begrepen de anti-isolationisten dat hier hun kans lag

Met de Grote Depressie, die in 1929 begon, schrompelde de kans op verandering nog verder in. In de loop van de jaren dertig kwam een discussie op gang: moest Amerika zich vanwege de economisch barre tijden nog verder in zijn isolationistische schulp terugtrekken, of kon het beter zijn heil zoeken in internationale vrijhandel, met als risico dat het politiek betrokken raakte bij de buitenwereld?

Toen Hitler in september 1939 Polen onder de voet liep, begrepen de anti-isolationisten dat hier hun kans lag. Mede op initiatief van de CFR ging in Washington bij het State Department – het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS – nog geen drie maanden later het War and Peace Studies Project (WPSP) van start, om de problemen in kaart te brengen die de oorlog in Europa met zich meebracht.

De CFR bood het State Department hulp aan door experts, die bij het instituut in ruime mate voorhanden waren, beschikbaar te stellen. De CFR benadrukte de noodzaak om te inventariseren wat een toekomstige vrede voor Amerika zou kunnen betekenen en hoe het land daarop kon inspelen. Het State Department ging akkoord, maar hield de samenwerking met de denktank strikt geheim. Het departement, niet de CFR, bepaalde immers de Amerikaanse koers.

De Rockefeller Foundation, een particuliere instelling opgericht door de miljardairsfamilie, financierde het werk van de CFR-experts. Zelf beschikte het ministerie, als gevolg van de economische crisis, niet over de financiële middelen of over de mankracht om een dergelijke toekomstgerichte studie uit te voeren.

Het WPSP bestond uit vijf studiegroepen: Economie & Financiën, Veiligheid & Bewapening, Politiek, Territorium en Vredesdoeleinden. Elke groep telde tien tot vijftien experts en was samengesteld uit economen, politicologen, geografen, historici, juristen, politici, militaire experts en mensen uit het bedrijfsleven. Hun rapporten gingen naar vijf ministeries en veertien verschillende bureaus, afdelingen en agentschappen van de Amerikaanse regering. In totaal hebben ze 362 keer vergaderd.

Toenemende agressie

In april 1940 bezette Hitler Denemarken en Noorwegen, in mei ondergingen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk hetzelfde lot. De Territorial Group van het WPSP maakte zich zorgen over Groenland, dat aan Denemarken toebehoorde. De Duitse Luftwaffe zou Groenland kunnen gebruiken als uitvalsbasis voor bombardementen op de Amerikaanse Oostkust. De Territorial Group stelde daarom voor Groenland onder de Monroe-doctrine te laten vallen, die sinds 1823 elke vorm van Europese inmenging op het westelijk halfrond verbood. President Franklin D. Roosevelt nam dat advies over en verklaarde op 18 april 1940 dat Groenland deel uitmaakte van het Amerikaanse continent. Als Duitsland tot bezetting zou overgaan, betekende dat oorlog met de Verenigde Staten.

Voor deze erfenis van Roosevelt toonde Trump weinig respect toen hij, niet gehinderd door enige historische kennis, in 2019 de Denen tegen zich in het harnas joeg met zijn verklaring Groenland van hen te willen kopen. Denemarken is lid van de NAVO en Amerika beschikt sinds 1951 over de Thule Air Base op Groenland. Strategisch gezien had Amerika dus niets te winnen, maar dat leek ook niet Trumps bedoeling. Voor hem was het vooral een real estate deal: Groenland bevat grote voorraden gas, olie, koper, uranium en andere delfstoffen.

De Deense premier Mette Frederiksen noemde Trumps aanbod ‘absurd’, waarop de president zijn staatsbezoek aan Denemarken afzegde. Het vermoeden bestond dat zijn uitspraken meer privé-zakelijk dan politiek waren ingegeven. The New York Times toonde in september 2020 aan dat Trump de belangen van zijn zakenimperium boven het landsbelang laat prevaleren . Ook in dat opzicht verschilt hij van zijn voorgangers.

Roosevelt vreesde dat Hitler de banden met de Midden- en Zuid-Amerikaanse republieken zou aanhalen. Hij zag dat als een bedreiging van de nationale veiligheid

Om Duitsland te weerhouden van bezetting van het eveneens strategisch gelegen IJsland (ook Deens), haalde Roosevelt nogmaals de Monroe-doctrine van stal. De Atlantische veiligheidszone, het gebied dat door de Amerikaanse marine werd bewaakt, omvatte voortaan ook de wateren rond Groenland en IJsland. Roosevelt voerde zo een ‘stille oorlog’ in het Atlantische gebied, wat Hitler uiteraard niet ontging.

Roosevelt was bang dat Hitler de economische en politieke banden met de Midden- en Zuid-Amerikaanse republieken zou aanhalen. Hij zag dat als een bedreiging van de Amerikaanse nationale veiligheid. De verdediging van het westelijk halfrond (Noord-, Midden- en Zuid-Amerika) tegen het Derde Rijk werd een centraal thema in Roosevelts politiek. Voor een goede verdediging van dat gebied achtte de president Groot-Brittannië onmisbaar. Politiek gezien lag dat moeilijk, want de VS waren neutraal, maar door Groot-Brittannië essentieel voor Amerika’s veiligheid te verklaren, creëerde Roosevelt armslag om de Britten met oorlogsmateriaal te steunen.

Op grond van de Act to Promote the Defense of the United States (in de wandelgangen: de Lend-Lease) kregen niet alleen Groot-Brittannië maar ook Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, China en de Sovjet-Unie ruimhartig materiële steun. Roosevelt vond dat hij formeel de Amerikaanse neutraliteitspolitiek niet schond, aangezien het defensiepotentieel van die landen cruciaal was voor de Amerikaanse nationale veiligheid.

Groot-Brittannië, dat door de geldverslindende oorlog tegen Hitler financieel op de rand van de afgrond zweefde, heeft enorm van Roosevelts materiële en financiële steun geprofiteerd. Zonder Amerikaanse hulp had het niet de wapens en grondstoffen gehad om de oorlog voort te zetten. De Amerikaanse nationalisten, nog steeds in de meerderheid, vreesden in de oorlog te worden meegesleurd en volgden daarom Roosevelts politiek met argusogen.

Amerikaanse hulp aan de Britten, zo hield Roosevelt zijn landgenoten voor, was puur eigenbelang

Roosevelt van zijn kant bleef hameren op de Monroe-doctrine. Zijn doel was de bescherming van het westelijk halfrond tegen inmenging van buitenaf. Het was – althans theoretisch – niet uitgesloten dat Hitler luchtlandingstroepen zou inzetten tegen strategische doelen als het Panamakanaal. Ook zou hij geheime bases in Midden-Amerika kunnen vormen, om van daaruit verrassingsaanvallen op de VS uit te voeren. Voorts bestond het gevaar dat Duitsland met behulp van vijfde colonnes zittende regimes omver zou werpen en vervangen door marionettenregeringen. Groot-Brittannië was in Roosevelts optiek de eerste verdedigingslinie tegen nazi-Duitsland en daarom voor Amerika van levensbelang. Amerikaanse hulp aan de Britten, zo hield Roosevelt zijn landgenoten voor, was puur eigenbelang.

Roosevelt was ervan overtuigd dat oorlog met Duitsland onvermijdelijk was, maar besefte ook dat de publieke opinie in Amerika daar niet aan toe was. De Duitse dreiging die hij schetste, was in hoge mate fictief. Als Hitler het westelijk halfrond wilde bereiken, moesten zijn troepen eerst door de Britse en daarna door de linies van de Amerikaans marine breken. Vliegen was geen optie: de Atlantische Oceaan was een onoverbrugbare barrière. Hitler miste tevens de mankracht om zelfs maar een deel van het Zuid-Amerikaanse continent te controleren. In het onwaarschijnlijke geval dat hij Zuid-Amerikaanse staten aan zijn zijde zou krijgen in een oorlog tegen de Verenigde Staten, kon hij die geen militaire steun bieden.

Economische vraagstukken

Hoewel men in Washington de Duitse bezetting van Europa had zien aankomen, maakte Hitlers expansiedrift grote indruk. Groot-Brittannië was in het nauw gedreven; een Duitse bezetting leek niet uitgesloten. Welke gevolgen zou dat hebben voor de Amerikaanse national security, ook toen al de focus van de Amerikaanse buitenlandse politiek? 

Was Amerika dan aangewezen op handel met andere delen van de wereld om zijn welvaart op peil te houden? Die vraag was in de jaren dertig, tijdens de depressie, vaker gerezen, maar was nu urgenter dan ooit. In welk opzicht was de positie ten opzichte van Europa onder nazi-controle veranderd? Tot welke grondstoffen en producten (en tot welke gebieden) moest Amerika toegang hebben om zijn welvaart te verzekeren en zijn eigen positie veilig te stellen?

De Territorial Group van het War and Peace Studies Project (WPSP) produceerde studies over de infrastructuur van een groot aantal landen, bracht overal ter wereld de locaties van grondstoffen in kaart, evenals land-, vee- en tuinbouwgebieden en analyseerde demografische gegevens. De Groep Economie & Financiën van het WPSP begon in de zomer van 1940 een grootscheeps onderzoek door de wereld op te delen in sectoren en te kijken welke producten en goederen in die regio werden geproduceerd.

"Het oude continent kon zichzelf bedruipen, maar de Amerika’s konden dat niet. Het westelijk halfrond moest daarom aansluiting zoeken bij een van de andere blokken"

Daarnaast analyseerde Economie & Financiën het zelfverzorgend economisch vermogen van de grote handelsblokken: het westelijk halfrond (Noord-, Midden- en Zuid-Amerika), het Britse Gemenebest, continentaal Europa en het Stille Zuidzeegebied. Grondige kennis over de import en export van die handelsblokken was belangrijk. Uitgangspunt was dat de interne handel van een blok voorop diende te staan en dat er een goede balans moest zijn. Als de export van het westelijk halfrond van een bepaald product gecompenseerd kon worden door de gezamenlijke import, waren er geen problemen. Dat gold ook wanneer het westelijk halfrond duizend ton tin naar Europa exporteerde en die landen er vervolgens gezamenlijk in slaagden een gelijke hoeveelheid tin uit het Verre Oosten te importeren. Maar als het Verre Oosten ook bij de oorlog betrokken raakte, ontstond er direct een geheel andere situatie.

Uit de analyses van het WPSP bleek dat het autarkisch vermogen van het Europese continent onder Duitse controle veel groter was dan het zelfverzorgend vermogen van het westelijk halfrond. Het oude continent kon zichzelf bedruipen, maar de Amerika’s konden dat niet. Het westelijk halfrond moest daarom aansluiting zoeken bij een van de andere blokken: het Verre Oosten of het Stille Zuidzeeblok (of bij allebei).

De integratie van twee zones was nuttig voor zover ze over en weer goederen en producten verhandelden die ze niet zelf konden produceren. Zo’n onderling evenwicht zou beide blokken onafhankelijk maken van de rest van de wereld. Maar stel dat het Verre Oosten of de Stille Zuidzee een graanoverschot zouden hebben. In dat geval kon van export geen sprake zijn: Amerika produceerde immers zelf grote voorraden graan.

Kortom: het samengaan van twee handelsblokken zou de pijn kunnen verzachten, maar een oplossing was het niet

Kortom: het samengaan van twee handelsblokken zou de pijn kunnen verzachten, maar een oplossing was het niet. Voorts beseften de plannenmakers dat er binnen de blokken grote regionale verschillen konden optreden. Vooral Zuid-Amerika zou in het nadeel zijn. Maar de situatie zou er al beter uitzien als het Verenigd Koninkrijk bij de samenwerking werd getrokken. Die gedachtegang vloeide voort uit de overschotten op de Amerikaanse landbouwmarkt, waarvan Groot-Brittannië een grote afnemer was. De combinatie van drie handelsblokken (dus inclusief het British Empire) was vanuit autarkisch standpunt het meest aanlokkelijk. Maar dan moest Groot-Brittannië wel vrij blijven.

De ‘nationale belangen’ van de VS zouden het best zijn gediend, zo luidde de conclusie van het WPSP in de zomer van 1940, met vrije toegang tot markten en grondstoffen binnen het westelijke halfrond plus het Britse Rijk en het Verre Oosten. Met agressie van Japan was in dit scenario geen rekening gehouden.

Amerikaans leiderschap gloort

In oktober 1940 – Duitsland was inmiddels heer en meester op het Europese continent – concludeerde de groep Economie & Financiën van het WPSP dat Amerika op grond van zijn ‘nationale belang’ de leidersrol van de wereld op zich moest nemen. Zoals in een memorandum aan de president en het State Department stond:

‘to set forth the political, military, territorial and economic requirements of the United States in its potential leadership of the non-German world area including the United Kingdom itself as well as the Western Hemisphere and Far East.’

Voor de positie van de Verenigde Staten was het van ultiem belang dat de Britten stand hielden. De Britse zeeblokkade van Europa had gezorgd dat Amerika voldoende rugdekking had om ongehinderd zijn gang te kunnen gaan op het westelijk halfrond. Maar die oorlog tegen Hitler had een zwaar beroep gedaan op de Britse militaire slagkracht elders in de wereld. Het gevolg was dat er in verschillende regio’s een machtsvacuüm was ontstaan, dat alleen de VS konden opvullen.

Het nieuwe machtsvacuüm in Azië noodzaakte Washington rekening te houden met expansieplannen van Japan

Trump heeft er alles aan gedaan om Amerika’s special relationship met Groot-Brittannië onderuit te halen. Met Theresa May kon hij het persoonlijk toch al niet vinden, maar toen de Britse ambassadeur in Washington negatieve opmerkingen over Trump naar Londen stuurde (die uitlekten) waren de rapen gaar. De president was dodelijk beledigd en May en haar land hebben dat geweten. Met Boris Johnson kan hij prima overweg omdat die, net als Trump, tegen Europa is. En dan te bedenken dat Amerika zich sinds 1945 heeft ingespannen om van Europa een eenheid te maken. Trump ziet ons continent echter liever uiteenvallen omdat hij – deels om economische redenen, maar vermoedelijk meer uit historisch onbenul – een hekel aan een verenigd Europa heeft; dat zou zijn MAGA maar in de wielen rijden.

Het nieuwe machtsvacuüm in Azië noodzaakte Washington rekening te houden met expansieplannen van Japan. Vreedzame onderhandelingen met Tokio genoten de voorkeur, maar als die onmogelijk bleken, resteerden slechts militaire middelen. Oorlog met Japan zou gerechtvaardigd zijn wanneer dat land de Amerikaanse belangen bedreigde in wat het WPSP de Grand Area noemde: het niet door Hitler gecontroleerde deel van de wereld.

De VS zouden daar de militaire en economische overhand moeten hebben om te garanderen dat hun eigen economie naar behoren kon functioneren. Het ging vooral om Europa en Azië. Het Zuid-Amerikaanse continent, de eigen achtertuin, was geen probleem. De dominantie van de As-mogendheden in Azië en Europa brachten de toegang tot voor Amerika belangrijke markten in gevaar.

Amerika duldde niet dat het Grand Area-gebied werd bedreigd. In deze fase van de planning (1940-1941) gingen de experts nog uit van een tweedeling: een Duits en een niet door Duitsland gecontroleerd blok. Dat laatste blok, met daarin (delen van) het British Empire, het Stille Zuidzeeblok, en uiteraard Zuid-Amerika, zou onder Amerikaanse leiding moeten komen. Alle mogelijke scenario’s werden uitgewerkt. Oorlogvoerende landen zouden vrede met elkaar kunnen sluiten (bijvoorbeeld Engeland met Duitsland), of elkaar alsnog de oorlog kunnen verklaren in zowel Europa als Afrika en het Verre Oosten. De plannenmakers hielden met alles rekening.

Japan

In het najaar van 1940 drong het besef door dat Japan niet langer genoegen nam met een ondergeschikte rol in zijn deel van de wereld en dat Tokio erop uit was zijn invloed in Zuidoost-Azië uit te breiden. De Amerikaanse toegang tot grondstoffen zou dan gevaar lopen, aangezien Japan op dezelfde grond- en delfstoffen aasde als de VS. Een van de opties was (militaire) hulp bieden aan China, dat al sinds 1937 in oorlog was met Japan. Naar verwachting zou die hulp leiden tot een grotere inzet van Japanse militairen in China, wat Amerika vervolgens meer speelruimte in de regio zou geven. Amerika zou ook de regionale defensie van Japans buurlanden kunnen versterken door lucht- en zeestrijdkrachten te sturen en zou tegelijkertijd defensieverdragen met Groot-Brittannië en Nederland kunnen sluiten.

Economische sancties tegen Japan waren een andere mogelijkheid, maar het was de vraag of die effectief zouden zijn. Als dwangmaatregelen Japan zouden aanzetten tot politieke, economische of zelfs militaire tegenmaatregelen, kon dat tot een onvoorspelbare, gevaarlijke situatie leiden. Amerika overwoog eveneens pre-emptive buying in te zetten: het preventief opkopen van strategische materialen in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië om te verhinderen dat ze in Japanse handen vielen. Al die maatregelen zouden – zonder Amerika direct bij de oorlog te betrekken – de Japanse expansieplannen in de kiem kunnen smoren.

"Kreeg Japan sancties opgelegd, dan was de kans groot dat het buurlanden zou aanvallen om gewapenderhand zijn behoefte aan grondstoffen te bevredigen"

De regering Roosevelt was het met de WPSP-studiegroepen eens dat sancties Japan in ernstige moeilijkheden zouden brengen. Het land beschikte nauwelijks over eigen grondstoffen en moest ijzer, koper, aluminium, staal, nikkel, legeringen, rubber, machines, werktuigen, auto’s, olie etcetera – maar ook een reeks gerede producten – invoeren uit de VS, het Britse imperium en Nederlands-Indië. Als Japan sancties kreeg opgelegd, dan was de kans groot dat het buurlanden (waaronder Nederlands-Indië) zou aanvallen om gewapenderhand zijn behoefte aan grondstoffen te bevredigen. Evenmin was uitgesloten dat Japan de Britten uit hun koloniën in het Verre Oosten zou verdrijven, wat voor de Amerikaanse aanvoer van grondstoffen slecht nieuws was. 

Roosevelt kreeg het advies een wereldomspannend niet-Duits blok onder Amerikaanse leiding in het leven te roepen. Daarnaast adviseerde het WPSP de president om de Japanse expansie in te dammen, op economische en militair-strategische gronden. Voorkomen moest worden dat Japan Zuidoost-Azië zou bezetten, want dat zou de broodnodige aanvoer van grondstoffen naar Groot-Brittannië – met zijn spilfunctie in de Amerikaanse strategische plannen – afsnijden. Bovendien was het onwenselijk dat de positie van het Britse Imperium in Azië zou worden aangetast.

Grand Area

Het concept dat de WPSP-werkgroepen in de loop van 1941 op papier hadden gezet en dat Grand Area werd genoemd, kon na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) de prullenbak in. Grand Area was ontworpen om de geopolitieke situatie en de daaruit voortvloeiende dreigingen te analyseren. Nu Amerika zelf aan de oorlog deelnam, konden concrete plannen worden uitgewerkt. Er kwam een nieuw plan op tafel, maar de naam Grand Area bleef behouden. 

De plannenmakers gingen ervan uit dat de VS na de oorlog mondiaal een leidende politieke, militaire en economische rol zouden spelen. Het idee dat binnen de CFR en aanverwante kringen al zo’n twintig jaar in zwang was, kreeg nu concreet gestalte: een geïntegreerde liberale wereldeconomie, die het Amerikaanse bedrijfsleven de kans bood om mondiaal te exporteren, te investeren en toegang te krijgen tot grondstoffen. Import en export zouden zo vrij mogelijk moeten worden – zo weinig mogelijk onderhevig aan handelstarieven en andere handelsbelemmeringen. De nieuwe Grand Area zou na de oorlog worden geïntegreerd in een nieuwe, open wereldeconomie, waarin ook plaats was voor het overwonnen Duitsland en Japan.

De plannenmakers verwachtten niet dat Sovjet-Unie, met zijn eigen economisch systeem, deel zou uitmaken van de Grand Area. Erg was dat niet, want de Sovjet-economie was op wereldschaal van geringe betekenis. Bovendien was het onverenigbaar met het Amerikaanse economische systeem. Dat Europa, als onderdeel van de door Amerika geleide Grand Area, opnieuw moest worden ingericht naar Amerikaanse inzichten, leed geen twijfel.

"Japan heeft het moeilijk met Trumps ongeïnteresseerdheid in multilaterale ontmoetingen als de East Asia Summit en de G7. Beide gremia zijn voor Japan van cruciaal belang"

Trump heeft dat alles op losse schroeven gezet, ook in Japan. Amerika smeedde na de oorlog een hechte band met de voormalige vijand en Tokio hecht daar sterk aan. Maar die band past niet in het MAGA-denken van Trump, met als gevolg dat ook de relatie met Japan onder druk staat. Dankzij de diplomatieke vaardigheden van premier Shinzo Abe is het niet tot een openlijke uitbarsting gekomen, al heeft Abe veel met Trump te stellen vanwege de eenzijdig opgelegde staaltarieven (die overigens ook Tawain, China en de EU treffen). Trump heeft zich voorts eenzijdig teruggetrokken uit het Trans-Pacific Partnership (TPP), wat Japan (net als Australië, Nieuw Zeeland, Mexico en Peru) rauw op het dak viel.

De voorgenomen terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Zuid-Korea stelt Japan bloot aan de gevaarlijke nukken van Kim Jong-un. Trump heeft geprobeerd de betrekkingen met Noord-Korea, die sinds de Koreaanse oorlog (1950-1953) ijzig waren, te herstellen. Op zich lovenswaardig. Maar het is moeilijk te volgen waarom hij de Noord-Koreaanse dictator eerst uitschold voor ‘little rocket man’, hem ‘fire and fury’ beloofde als hij niet luisterde, en vervolgens ‘liefdesbrieven’ met Kim Jong-un wisselde. Trump heeft met zijn ‘diplomatie’ tot dusver niets anders bereikt dan loze beloftes.

Japan heeft het ook moeilijk met Trumps ongeïnteresseerdheid in multilaterale ontmoetingen als de East Asia Summit en de G7. Beide gremia zijn voor Japan van cruciaal belang. Met Angela Merkel, de bondskanselier van de andere grote vijand uit de Tweede Wereldoorlog, die net als Japan succesvol in het door Washington uitgedachte geopolitieke systeem werd geïntegreerd, staat Trump eveneens op gespannen voet. Het omgekeerde geldt voor Rusland, waarvoor de naoorlogse Amerikaanse presidenten nauwelijks een goed woord over hadden – afgezien van de korte periode waarin het zich leek te transformeren in een democratie. 

De contouren van wat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank zouden worden, zijn begin 1942 al zichtbaar

De Grand Area was het kerngebied, maar kon worden uitgebreid met nieuwe landen. Het was geen statisch maar een dynamisch concept, van waaruit de Verenigde Staten de naoorlogse wereldeconomie wilde ontwikkelen. De integratie in de Grand Area was lastig: al die landen met hun eigen specifieke economieën, grondstoffen en goederenproductie, moesten samen een economisch fungerende eenheid gaan vormen.

Volgens de WPSP-groep Economie & Financiën waren voor de Grand Area een aantal financieel-monetaire maatregelen nodig om de valuta van de verschillende landen te stabiliseren en convertibel te maken. Ook zouden er internationale bancaire instituties moeten komen om de economische ontwikkeling van achtergebleven gebieden aan te pakken en het broodnodige investeringskapitaal te verstrekken. De contouren van wat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank zouden worden, zijn begin 1942 al zichtbaar. Terwijl de oorlog nog in volle gang was, en de overwinning nog lang niet in het vizier, hadden de Amerikanen de naoorlogse wereldorde al goeddeels in de steigers gezet.