Vladimir Poetin en Donald Trump op de G20-top in Osaka, Japan; juni 2019
© AP / Susan Walsh

Trumps nalatenschap: de ondermijning van de VS als wereldleider (2)

Met diplomatieke finesse – en veel geld – wist Amerika zich al tijdens de Tweede Wereldoorlog te verzekeren van zijn leidende rol op het wereldtoneel. Die positie is in de decennia daarna alleen maar belangrijker geworden. Juist daarom was het isolationistische beleid van president Trump een radicale breuk met het verleden. Vandaag het tweede deel van het onderzoek van gastauteur en historicus Gerard Aalders naar Amerika’s naoorlogse diplomatie.

Op 7 december 1941 viel Japan de Amerikaanse marinebasis in Pearl Harbor aan. Op 11 december verklaarde Hitler de VS de oorlog. In zijn oorlogsverklaring verwees Hitler naar de eerder beschreven ‘stille oorlog’ die Amerika op de Atlantische Oceaan tegen Duitse schepen en onderzeeërs voerde. De oorlog die zich tot december 1941 voornamelijk tot Europa en Noord-Afrika had beperkt, was nu een wereldoorlog.

De Amerikaanse regering ging er al sinds midden mei 1941 vanuit dat oorlog met de As-mogendheden onvermijdelijk was. In februari 1942 werkte het State Department, in nauwe samenwerking met de Council on Foreign Relations (CFR), aan plannen voor een wereldomspannende Grand Area onder Amerikaanse leiding. Het State Department kreeg, toen Amerika eenmaal in oorlog was, ruim geld tot zijn beschikking zodat het deskundigen kon aanstellen om de rol van de VS in de naoorlogse politiek verder uit te werken. Dat betekende niet dat de CFR buitenspel kwam te staan. Haar rol bij de totstandkoming van een naoorlogs plan voor de wereldeconomie bleef substantieel.

Eind december 1941 installeerde het State Department het Advisory Committee on Postwar Foreign Policy (ACPFP). Harley Notter, een van de architecten van de naoorlogse politiek, zag het scenario als volgt voor zich:

‘We, as a principal power among the victors, would share the heavy responsibility of all the victors in determining the character of the postwar world; we would participate in the war settlements; we would decisively influence the nature of any organisation of international peace to follow. The opportunity in recognition of the imperative need – to build a just and enduring peace would assuredly be forthcoming.’

Onderminister Sumner Welles had al in het najaar van 1939 een comité in het leven geroepen om te onderzoeken hoe een vreedzamere wereld tot stand kon worden gebracht. De VS zouden hun enorme macht moeten gebruiken om orde in de wereld te scheppen. Niet uit onbaatzuchtige redenen, maar omdat het in Amerika’s eigen belang was oorlogen uit te bannen. Welles was een adept van president Woodrow Wilson, die na afloop van de Eerste Wereldoorlog een grote internationale rol voor de VS zag weggelegd. Door het wijdverbreide isolationisme in de Amerikaanse politiek was daarvan niets terecht gekomen.

De Amerikaanse expansie stoelde op de gedachte dat economische voorspoed de sleutel was tot binnenlandse politieke en economische stabiliteit

Een van de taken van het ACPFP was het oprichten van een nieuwe wereldorganisatie, wat zou resulteren in de Verenigde Naties. De droom om Amerika van een lokale grootmacht te laten uitgroeien tot een speler op wereldniveau, werd haalbaar – dankzij de oorlog. Het militaire apparaat dat nodig was om overal ter wereld transportlijnen (land-, zee- en luchtroutes) en Amerikaanse belangen te beschermen, werd tijdens de oorlog in hoog tempo opgebouwd. Hoewel dat netwerk in de eerste plaats diende om de oorlog te winnen, kwam het na de oorlog van pas om de mondiale Amerikaanse belangen te verdedigen.

De Amerikaanse expansie stoelde op de gedachte dat economische voorspoed de sleutel was tot binnenlandse politieke en economische stabiliteit. De beste manier om dat doel te verwezenlijken, was een liberale wereldeconomie met zo min mogelijk obstakels.

Economische openheid was de voedingsbodem voor politiek liberalisme en democratie. Het promoten van de democratie, overal ter wereld – uiteraard naar Amerikaans model – was voor Washington van eminent belang: het bevorderde vrede en stabiliteit, wat de Amerikaanse veiligheid ten goede kwam. Wan t tegelijkertijd vreesde Amerika anarchistische toestanden in het naoorlogse Europa, met mogelijk desastreuze gevolgen. Er heerste een reële angst dat de Sovjet-Unie Europa onder de voet zou lopen.

Economische expansie als voorwaarde voor welvaart berustte niet op objectieve criteria. Eerder was het een geloof, maar wel een inspirerend geloof. De Amerikaanse hegemonie kan niet los worden gezien van de inrichting van de Amerikaanse maatschappij en zijn economie. Oorlogen waren in dat scenario onwenselijk: die brachten de economie in gevaar.

Afscheid van het protectionisme

Op al deze fenomenen had het War and Peace Studies Project (WPSP) al in 1940 en 1941 gewezen. Grip krijgen op situaties, overal ter wereld, was essentieel voor de Amerikaanse welvaart. Het betekende ook dat werkloosheid als destabiliserende factor en als aanjager van sociale onrust beter in de hand kon worden gehouden. De depressie van de jaren dertig en de sociale onrust en ellende die zij had ontketend (met alle politieke consequenties van dien), lagen de architecten van de naoorlogse wereld vers in het geheugen. De herinnering aan protectionistische handelsmaatregelen in de crisisjaren, met als gevolg verscherping van de economische malaise, had hen het besef bijgebracht dat een dergelijke crisis in de toekomst moest worden vermeden.

De protectionistische handelsmaatregelen in de crisisjaren hadden de malaise verscherpt. Een dergelijke crisis moest in de toekomst worden vermeden

Wat de plannenmakers voor ogen stond, was voor alle partijen profijtelijk. Vrije markten en investeringsmogelijkheden waren voor de welvaart van andere landen even belangrijk als voor Amerika. Amerika had natuurlijk ook belang bij florerende buitenlandse economieën: die zouden in staat zijn, desnoods met leningen, om goederen te kopen in de Verenigde Staten.

Dat principe is terug te zien in de naoorlogse Marshallhulp. Europa kon toen, dankzij Amerikaanse leningen, Amerikaanse producten kopen én haar eigen infrastructuur herstellen. Tegelijkertijd stelden de Marshallhulp-leningen Europa in staat zichzelf economisch te ontwikkelen, zodat het na verloop van tijd zijn eigen importen kon betalen; dus zonder nog afhankelijk te zijn van Amerikaanse leningen. De plannen die de Amerikanen hadden voor de naoorlogse wereld, vereisten echter wel een aantal maatregelen om het internationale betalingsverkeer soepel te laten verlopen. Ook moesten er investeringsmogelijkheden komen voor economieën, zodat zij zichzelf konden ontwikkelen.

Met die traditie heeft Donald Trump radicaal gebroken: hij wilde precies het tegenovergestelde. Hij droomde van tariefoorlogen en dacht dat die makkelijk waren te winnen. Hoe hij bij die gedachte kwam is niet na te gaan, maar hij meende dat het zijn Make America Great Again-politiek ten goede zou komen. Dat getuigt van een pijnlijk gebrek aan historische kennis en economisch inzicht.

Wederopbouw

Washington voorzag voor de naoorlogse tijd een enorme geldschaarste en gebrek aan alles. Productiefaciliteiten waren verwoest. Handel, industrie, scheepvaart en complete infrastructuren moesten worden herbouwd. Bij gebrek aan kapitaal zouden de uitgemergelde landen handelsbarrières opwerpen en hun importen tot een minimum beperken. Dat zou tot gevolg hebben dat de VS hun overschotten niet kwijt konden. De Amerikaanse zware industrie – tijdens de oorlog enorm in omvang toegenomen – moest op vredesproductie overschakelen, maar zou wegens gebrek aan buitenlandse koopkracht zijn nieuwe producten niet kunnen afzetten.

Bij sociale onrust in de door de oorlog getroffen landen van Europa en Azië had Amerika niets te winnen. Integendeel. Het zou moeilijk in te schatten politieke gevolgen met zich meebrengen. Amerika was begaan met het lot van die landen, maar dat betekende niet dat het zijn eigen belangen uit het oog verloor:

‘While the United States is concerned with the reconstruction and development of other countries for their sake, our principal interest in bringing about an expanded volume of American investment abroad arises out of concern for our own welfare. After the war, our economic policy will be aimed at full employment and full utilization of a greatly enlarged industrial plant. These objectives, however, cannot be realized unless we find new outlets for products of farm and factory – outlets that will be steady and profitable after war demands have dropped off.’

De kosten van de wederopbouw – denk aan fabrieken, spoorwegen, huizen, gebouwen, bruggen – zouden astronomisch zijn, maar het ontbrak de door de oorlog getroffen landen aan geld. Washington realiseerde zich dat ‘de doelmatige en vreedzame inzet van ’s werelds toegenomen zware industrieën, een bouwtempo vereist dat niet eerder is vertoond’. Amerikaanse financiële hulp was geboden, maar dat had ook voordelen: Amerika zou de inrichting van de industrie kunnen sturen, en daarmee invloed krijgen op nationale economieën – en dus op het reilen en zeilen van die landen.

"Pas wanneer de economische ontwikkeling in het buitenland de groei van hun eigen handel in gevaar bracht, moest Amerika zijn kapitaalverschaffing terugschroeven"

Natuurlijk zou die financiële hulp op den duur concurrentie genereren voor de VS, zodra die landen zelf gingen exporteren. Maar dat was overkomelijk: Amerika zou zich dan meer moeten specialiseren. Pas wanneer de economische ontwikkeling in het buitenland de groei van hun eigen handel in gevaar bracht, moest Amerika zijn kapitaalverschaffing terugschroeven.

In Washington boog men zich over de vraag in welke vorm Amerika geld voor de buitenlandse wederopbouw moest verstrekken. Een lening, een gift, een vorm van Lend-Lease – zoals tijdens de oorlog was gebeurd – of wellicht een combinatie daarvan? Het geld hoefde niet per se rechtstreeks door de Amerikaanse regering te worden verstrekt. Men kon ook denken aan een internationaal agentschap of fonds. Dat was zelfs beter:

‘An international agency on which all countries were represented could, without provoking the same amount of resentment, exercise a detailed supervision over the internal development and investment policies of borrowing countries. As the principal supplier of funds, the United States could presumably exercise at least a veto power over the operations of the agency.’

Men besefte in Washington goed dat Amerika zich beter terughoudend kon opstellen. De openlijke opkomst van een United States Empire zou weerstand oproepen.

Over de strategie hoe de naoorlogse wereld in te richten, is zorgvuldig nagedacht. Het vereiste soms hoogwaardige staaltjes van diplomatie. Wrijvingen moesten waar mogelijk worden voorkomen, in het belang van alle betrokken landen. Trump deed zijn uiterste best – gezien zijn veelvuldige beledigingen van bevriende staatshoofden – die politiek radicaal op zijn kop te zetten.

De Wereldbank, het IMF en de Verenigde Naties

In 1941 en 1942 stelde het WPSP voor om instituten op te richten die konden helpen de naoorlogse liberale wereldeconomie soepel te laten functioneren. Alle landen hadden hun eigen monetaire systeem en valuta. Er moest een systeem komen om hun onderlinge betalingen efficiënt te laten verlopen. Naast Europa zou ook voor economisch achtergebleven gebieden investeringskapitaal beschikbaar moeten komen, zodat ook zij hun natuurlijke rijkdommen konden exploiteren. Verhoging van hun levensstandaard – en daarmee hun koopkracht – bood Amerika gelegenheid zijn export naar die landen op te schroeven. De voorstellen van het WPSP hebben geleid tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank for Reconstruction and Development, beter bekend als de Wereldbank.

Het overwonnen Duitsland en Japan moesten na de oorlog in het systeem van de Grand Area worden geïntegreerd. De plannen voor het IMF en de Wereldbank (uitgewerkt door het State Department, in nauwe samenwerking met de CFR) werden in juli 1944 op de conferentie van Bretton Woods gepresenteerd. Vertegenwoordigers van alle geallieerde landen waren in het Amerikaanse plaatsje bijeengekomen om over ingrijpende voorstellen te debatteren. Bretton Woods is voor de naoorlogse wereld van enorme betekenis geweest.

De notie dat afzonderlijke landen niet in staat waren de gevolgen van cyclische, economische bloeiperiodes en depressies op te vangen, vond weerklank. Internationale samenwerking bood betere perspectieven om de economische cycli en massale werkloosheid in tijden van economische neergang (en de daarmee gepaarde gaande sociale onrust) het hoofd te bieden. De inrichting van handel, economie en het monetaire stelsel zou gebaseerd moeten zijn op internationale afspraken.

Trump brak met de opvatting dat samenwerking in nieuwe verbanden noodzakelijk is, en er alleen zo een stabiel perspectief is. Voor hem kwam Amerika op de eerste plaats en de rest van de wereld moest het zelf maar uitzoeken; het betekende een radicale breuk met de politiek van al zijn voorgangers.

De notie dat afzonderlijke landen niet in staat waren de gevolgen van cyclische, economische bloeiperiodes en depressies op te vangen, vond weerklank

Op de conferentie van Bretton Woods stemden 44 landen in met de oprichting van het IMF en de Wereldbank; een brede acceptatie voor de herinrichting van de wereldeconomie. Het is wel de vraag of al die landen werkelijk enthousiast waren over de herinrichtingsplannen, maar vanwege Amerika’s dominante positie in de strijd tegen Duitsland en Japan hadden ze geen keus. Groot-Brittannië moest bovendien tolereren dat de invloed en positie van het pond sterling verloren ging ten gunste van de Amerikaanse dollar. De waarde van de valuta van de deelnemende landen werd in Bretton Woods gekoppeld aan die van de Amerikaanse dollar, die daarmee officieel de belangrijkste munt ter wereld werd. De dollar werd gekoppeld aan een vaste goudprijs van 35 dollar per ounce.

Het IMF en de Wereldbank zijn gespecialiseerde onderdelen van de Verenigde Naties. Het Amerikaanse voorstel voor oprichting van beide instituten is later met Groot-Brittannië, Frankrijk, de Republiek China en de Sovjet-Unie nader uitgewerkt. Op de conferentie van Dumbarton Oaks in Washington DC (najaar 1944) werd overeenstemming bereikt over de oprichting van de VN, die ruim een jaar later (op 24 oktober 1945) plaatsvond in San Francisco.

Teloorgang van de Britse hegemonie

Onder leiding van president Roosevelt hebben de VS een einde gemaakt aan de dominante positie van Groot-Brittannië in de wereld. De Britse premier Churchill was door zijn afhankelijkheid van Roosevelt in zo’n precaire positie geraakt dat die hem concessies kon afdwingen.

Het Britse koloniale handelsblok was Roosevelt, bevlogen ijveraar voor een liberale wereldeconomie, een gruwel. Amerika, ooit zelf een Britse kolonie, ijverde bovendien voor het zelfbeschikkingsrecht van volkeren. Koloniën moesten zelfstandig worden, wat Churchill een verwerpelijke gedachte vond. Roosevelt zag koloniën als potentiële brandhaarden, aangezien de bevolking zich steeds meer van haar positie bewust werd en onafhankelijk eiste. Daardoor liepen spanningen op en dreigden opstanden. Over hun bodemschatten hadden de inwoners geen zeggenschap.

Roosevelt vond dat verwerpelijk, waarbij natuurlijk meespeelde dat Amerika zelf toegang tot die rijkdommen wilde. Investeren in koloniën was ook buitengewoon lastig aangezien de moederlanden dat afhielden. Dat terwijl de Verenigde Staten na de oorlog over kapitaalreserves zouden beschikken die groter waren dan van enig ‘ander volk dat ooit op deze aarde heeft gewoond’. Daar kwam bij dat sommige koloniën belangrijke handelsroutes controleerden. Kortom: koloniën pasten niet in de liberale wereldeconomie die Roosevelt voor ogen stond.

Op 14 augustus 1941 bood Roosevelt premier Churchill het Atlantic Charter ter ondertekening aan. Het was een intentieverklaring, maar wel een met grote gevolgen voor de gehele wereld. Het Atlantisch Handvest was om politieke redenen (en als steuntje in de rug voor Churchill, die het in het Britse parlement moest verdedigen) in vage bewoordingen gesteld, maar over de bedoeling op termijn kon geen twijfel bestaan.

Het Atlantic Charter verklaarde dat de VS en Groot-Brittannië zouden streven naar bevordering van vrije internationale handel en dat alle volkeren ter wereld recht hadden op zelfbeschikking. Dat betekende niets minder dan afschaffing van de koloniën.

Verder stelde het Handvest dat iedereen onder gelijke voorwaarden toegang kreeg tot grondstoffen (inclusief die in de koloniën). Ook kondigde het Atlantisch Handvest de oprichting aan van een permanente wereldorganisatie die de vrede moest handhaven. De contouren van Bretton Woods waren zo al in 1941 in het Atlantic Charter waarneembaar.

Roosevelt begreep heel goed dat hij Churchill een wurgcontract door de keel duwde; een oorlog binnen de oorlog. Alles wat Churchill tegenwierp, veegde Roosevelt van tafel. Wie oorlog tegen fascistische slavernij voerde, moest ook bereid zijn de wereld te bevrijden ‘van een achterlijke koloniale politiek’. Door het Charter te ondertekenen, erkende Churchill impliciet dat de oorlog op Roosevelts voorwaarden zou worden gevoerd en dat de Britse suprematie zou worden vervangen door die van Amerika.

Op 24 september 1941 schaarden de geallieerde landen, waaronder Nederland, zich achter de beginselen van het Handvest. Op 1 januari 1942 werden de intenties van het Atlantic Charter herbevestigd; ditmaal in een officieel, bindend verdrag: de Declaration by the United Nations. Daarmee had ook Nederland het einde van zijn koloniale tijdperk ingeluid.

De handtekening onder de Declaration was snel gezet, de belofte nog sneller verbroken

Alle landen met koloniën die hun handtekening plaatsten, tekenden daarmee voor de afschaffing van hun wingewesten, accepteerden mondiale vrijhandel en onderschreven de onbelemmerde toegang tot grondstoffen. Sommigen deden dat in de hoop dat ze na de oorlog gewoon de draad konden oppakken. Zo kon de Nederlandse regering in ballingschap te Londen, inclusief koningin Wilhelmina, maar moeilijk begrijpen wat de afspraak eigenlijk behelsde en achtte zij die ‘niet opportuun’. Volgens de regering was de Declaration niet van toepassing op de interne verhoudingen binnen al bestaande koloniale rijken. Indië was geen kolonie, maar een integraal onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Ook de Sovjet-Unie heeft de Declaration ondertekend. Voor Stalin was de coalitie van de Geallieerden primair een gelegenheidsverbond dat hij nodig had om Hitler te verslaan. Wat betreft de naoorlogse wereld had hij zijn eigen agenda, wat overigens geen geheim was. Stalins oorlogvoering steunde, net als van de overige geallieerde landen, deels op Amerikaanse materiële hulp. Dus tekende hij.

De handtekening onder de Declaration was snel gezet, de belofte nog sneller verbroken. Zelfbeschikking en vrijhandel in de door Stalin bezette gebieden heeft er nooit ingezeten. Roosevelt was zich daarvan al in 1943 bewust, maar wist ook dat hij er niets tegen kon doen. Hij vond het geen ramp: Amerika had geen vitale, economische belangen in midden- en Oost-Europa. Pure Realpolitik dus. 

De naoorlogse wereld die de plannenmakers in Washington voor ogen stond, is voor een belangrijk deel werkelijkheid geworden. Het was een wonderbaarlijk knap staaltje van geopolitieke planning. Donald Trump heeft er gedurende zijn presidentschap alles aan gedaan om de erfenis van zijn voorgangers naar de schroothoop van de geschiedenis te verwijzen. Het ziet er naar uit dat zijn opvolger Joe Biden de draad weer zal oppakken en – waar mogelijk – de veranderingen die Trump heeft doorgevoerd, zal terugdraaien. Dat is nu al waarneembaar bij de benoeming van ministers in zijn regering, die op 20 januari zal aantreden.