Screenshot uitzending
© Nieuwsuur

Twee keer mis: Jetten en Baudet over de rol van de rechter

Hoogleraar staatsrecht Wim Voermans buigt zich over het non-debat dat Rob Jetten en Thierry Baudet afgelopen week bij Nieuwsuur voerden over de rechtspraak, en wast beide politici de oren. ‘In een democratische rechtsstaat heeft de wetgever de rechterlijke macht grotendeels aan een touwtje.’

Grote memorabele politieke debatten: we hebben er in Nederland niet zoveel van. Met enige moeite kunnen sommigen zich nog het debat herinneren tussen Hans Wiegel en Joop den Uyl in Gronings congrescentrum Het Tehuis 20 oktober 1972. Een piepjonge Wiegel verwijt daar sociaaldemocraten te weinig begrotingsdiscipline en zegt vervolgens, wijzend naar den Uyl: ‘Sinterklaas bestaat. Daar zit-ie, achter de tafel.’ Of de confrontatie tussen Pim Fortuyn en Ad Melkert op 6 maart 2002 tijdens een televisie-uitzending op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen. (‘Voetnoten, professor,’ verwijt Melkert Fortuyn, ‘blijf even meerekenen’ en beleerderig: ‘hoofdstuk 6, vers 3, mijnheer Fortuyn’.) Wat van zulke debatten meestal beklijft en overblijft zijn niet de argumenten, maar de botsing. Het grootste gelijk klapt tegen een ander soort gelijk, waarbij het grootste gelijk tot eigen ongeloof aan het wankelen raakt. 

Het Nieuwsuur-debat tussen Jetten en Baudet van 29 januari 2020 over de onafhankelijkheid van rechterlijke macht gaat waarschijnlijk niet als gedenkwaardig de annalen in, al was het wel een mooi voorbeeld van ‘mommunicatie’ (Simplisties Verbond, 1975). In elk geval bewees Rob Jetten (D66) in dat debat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Nederland geen dienst door er met Baudet (FvD) over te debatteren. 

Jetten gaf eerlijk toe dat hij – in weerwil van adviseurs die hem hadden gezegd niet over onafhankelijke rechtspraak met Baudet in debat te gaan – toch maar was gekomen, omdat er iemand voor onafhankelijke rechtspraak moest opstaan. Hij had beter naar die adviseurs kunnen luisteren, want nu gaf hij Baudet wel heel makkelijk een doekje, een Pim Fortuyn-momentje. Ook al omdat Jetten niet erg goed was voorbereid (verwijzingen naar de – niet relevante – Amerikaanse Rosa Parks-zaak van het Amerikaanse Hooggerechtshof, gekkigheid over middeleeuwse rechtspleging in Frankrijk en Engeland en allerlei ‘anders-willekeur-visioenen’) en daardoor niet erg overtuigend de zaak en de waarde van onafhankelijke rechtspraak naar voor bracht. Wat paniekerig probeerde hij zijn gehoor bang te maken, door vol te houden dat politici die willen praten over rechtspraak en de vraag of die al dan niet onafhankelijkheid is, ‘spelen met vuur’ en daarmee ‘de democratische rechtsstaat ondermijnen’.

Jetten liet, te blij met zijn eigen grootste gelijk, na het grote ongelijk van Baudet aan te tonen

Er is niets wat die democratische rechtsstaat meer ondermijnt dan taboeïsering van bepaalde onderwerpen, zelfs als dat debatten betreft over de positie van de onafhankelijke rechter. Tamboereren op dat grootste gelijk van de ongeoorloofdheid van die discussie helpt helemaal niet. Dat is koren op de molen van Baudets anti-establishmentscampagne. 

Jammer, die fout van Jetten want hij liet, te blij met zijn eigen grootste gelijk, na het grote ongelijk van Baudet aan te tonen. 

Want ongelijk heeft Baudet. Wat hij naar gewoonte doet, is dingen door elkaar gooien. Hij mengt kritiek op rechterlijke uitspraken met kritiek op de hele rechterlijke macht. Hij creëert fantomen als ‘activistische’ rechters, linkse rechters, als altijd afgetopt met een moeilijk woord ‘dikastocratie’ (rechtersheerschappij) dat zijn gymnasium-achtergrond en intellectualiteit moet suggereren. Maar zijn verhaspeling getuigt van denkfouten of van bewuste retorische trucs.

Natuurlijk, er zijn de afgelopen maanden heel wat rechterlijke uitspraken geweest die de politiek in verlegenheid brachten. Daarbij is het goed te bedenken dat het zeer verschillende uitspraken betreft, in zeer verschillende zalen, berecht door zeer verschillende rechtscolleges. In de stikstofzaak, bijvoorbeeld waarover de Raad van State in het voorjaar van 2019 besliste, was eigenlijk niet meer aan de hand dan dat de bestuursrechter gewoon de bestaande stikstofregels, zoals ze waren bedoeld, toepaste; daar zat geen snipper activisme of creatieve interpretatie in. Het Gerechtshof den Haag wees in mei 2019 een door Milieudefensie aangespannen zaak over toepassing van klip en klare Europese luchtkwaliteitsregels die we in Nederland niet naleven juist weer af. Conservatieve of té behoedzame rechtspraak zou je dat kunnen noemen.

In november 2019 oordeelde de rechtbank Den Haag in een voorlopige uitspraak in kort geding dan weer dat de Nederlandse Staat zich – op basis van verdragsverplichtingen – (meer) moet inspannen om de Nederlandse kinderen van Syriëgangers naar Nederland te halen. Ook weer niet zo grensverleggend (andere rechters in Europa deden hetzelfde onder dezelfde verdragen), maar enfin – in ieder geval niet in lijn met het kabinetsbeleid.

En als klap op de vuurpijl bracht december 2019 de uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-zaak, waarin werd vastgesteld dat het lakse beleid van Nederland bij het terugdringen van de CO2-uitstoot strijd oplevert met Europees beschermde mensenrechten. Daar kun je zeker kritiek op oefenen;  artikel 2 EVRM (het recht op leven) wordt door de Hoge Raad geïnterpreteerd (en opgerekt) op een manier waarvoor eigenlijk geen basis te vinden is in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en dan ook nog eens zonder dat deze interpretatiekwestie ooit aan het Straatsburgse hof kan worden voorgelegd (geen hoger beroep meer mogelijk). Geen goede uitspraak wat mij betreft, maar zo’n uitspraak zegt niets over de ‘politisering’ of de kwaliteit van rechtspraak of rechters als zodanig. En het is al helemaal geen reden om zorgen te hebben over de kleur of signatuur van rechters en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechtspraak. Er wordt recht geïnterpreteerd in die uitspraak, een verplichting geconcretiseerd voor in wezen één geval, maar er wordt geen recht of regeling ‘gemaakt’. Dat kan alleen de wetgever. 

Al die omstreden rechterlijke uitspraken uit 2019 hebben één ding gemeen: ze zijn het gevolg van uitstelgedrag van de politiek, die wel de principes en regels duidelijk afsprak maar er vervolgens niet naar handelde

Jazeker, het grensgebied tussen interpretatie en creatie zit vol met tinten grijs en rechters zijn ook maar mensen, met bepaalde (politieke) voorkeuren. Niets om als zodanig benauwd over te worden. Rechters in Nederland zijn namelijk ook vaklui, opgeleid in het rechterlijke ambacht, meestal met ruime ervaring, gebonden aan strenge regels bij berechting. In belangrijke zaken beslissen ze meervoudig, en van de uitspraken van hun colleges is meestal hoger beroep mogelijk. En rechters kijken – in tegenstelling tot politici – niet verder dan de aan hen voorgelegde zaak: wat zegt het recht over dat ene geschil dat aan hen wordt voorgelegd, en hoe moet dat recht ‘juist’ worden toegepast?

En jazeker, zulke uitspraken in één zaak kunnen grote gevolgen hebben voor andere zaken, politiek en beleid. Kijk maar naar de Urgenda-zaak. Hoe moeten we in ’s hemelsnaam in een jaar de CO2-uitstoot met procenten naar beneden krijgen? En hoe moet dat met die stikstof, de (land)bouw en die mogelijk geradicaliseerde kinderen uit Syrië? Maar je kunt je afvragen of je de boodschapper hier de schuld moet geven. Want al die omstreden rechterlijke uitspraken uit 2019 delen, naast alle verschillen, eigenlijk maar één ding: ze zijn het gevolg van uitstelgedrag van de politiek, die wel de principes en regels duidelijk afsprak maar er vervolgens niet naar handelde. Tja.

"In een democratische rechtsstaat heeft de wetgever de rechterlijke macht grotendeels aan een touwtje"

Ik heb nooit gesnapt waarom buitenlandse voorbeelden zoveel gewicht in de schaal leggen wanneer we in Nederland praten over ‘de democratische rechtsstaat’. Geleerddoenerij met aanhaling van de Amerikaanse Rosa Parks-zaak of Minervaans aandoende wijsheid als ‘dikastocratie’ zoals in de Nieuwsuur-uitzending van afgelopen week. Maar vooruit dan, als het zo moet, laten we dan wel een relevant voorbeeld kiezen over de positie van de rechterlijke macht in ons bestel.

In The Federalist no. 78 (een krantenfeuilleton dat beoogde de lezers te doen instemmen met de ontwerp-grondwet van de VS) van zaterdag 14 juni 1788 noemt Alexander Hamilton de rechterlijke macht de zwakste de drie overheidsmachten die kenmerkend zijn voor een rechtsstaat. ‘Of the three powers [...], the judiciary is next to nothing,’ volgens Hamilton, ‘It may truly be said to have neither FORCE nor WILL, but merely judgment.’ Nu zijn er inmiddels wel meer dan twee eeuwen verstreken sinds die uitspraak en is ook de Amerikaanse (vaak gekozen) rechter lang niet meer zo willoos of machteloos als Hamilton beweert, maar in wezen is die rechterlijke macht nog steeds de meest afhankelijke macht van de drie overheidsmachten. Als de wetgever (bij ons: parlement en bestuur) een rechterlijke uitspraak – zelfs met alle garanties die opleiding en benoeming, mogelijkheden van hoger beroep en collegiale oordeelsvorming bieden – niet bevalt, dan kan de wetgever daar rauwelings een eind aan maken door de regels te veranderen. Je kunt zelfs de besliste zaak door verandering van het recht terugdraaien. In een democratische rechtsstaat heeft de wetgever de rechterlijke macht grotendeels aan een touwtje. De politiek kan de rechtspraak corrigeren, zoals de rechtspraak (hetzij in mindere mate) politieke uitkomsten kan corrigeren.

Het spel van en de balans in de democratische rechtsstaat is ingewikkeld en dat geeft niet: onderschat de burgers, de kiezers niet

Onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak en rechters zijn naast democratie en volksvertegenwoordigers de belangrijkste stutten onder ons democratisch rechtsstatelijke bestel. Maar die hele notie van de democratische rechtsstaat is wel een bak wurmen vol tegenstrijdigheden. Volksvertegenwoordigers die wetten mee maken, wetten die dan weer worden uitgevoerd door machtige bestuurders (regering, ministers etc.), maar bestuurders (regering) die die wetten weer zelf voorstellen, een parlement met twee huizen dat de regering moet controleren, een Tweede Kamer die dan weer zelf een kabinet voortbrengt, en een onafhankelijke (dat wil zeggen: niet rechtstreeks gekozen) rechter die wetten toepast, maar ook controleert of de overheid zich aan het recht houdt en die individuele burgers en instellingen en de rechten die zij hebben, beschermt.

Een duizelingwekkend circus, ons bestel, van radertjes, machten en gewichten die elkaar per saldo in balans houden. Alleen te begrijpen en goed te bedienen als je het uiteindelijke doel ervan begrijpt: op een nette manier individuele belangen en vrijheden (waaronder rechten) in balans te houden met de belangen van democratische meerderheidsbesluitvorming (democratie). Dat moet je niet plat willen slaan door er een karikaturen van te maken in de vorm van grillige volksvertegenwoordigers die alleen maar aan kortetermijndenken doen, of activistische linkse rechters die vanuit een schuttersputje met een eigen agenda meerderheidsbesluiten torpederen.

Het spel van en de balans in de democratische rechtsstaat is ingewikkeld en dat geeft niet: onderschat de burgers, de kiezers niet. Die begrijpen dat veel beter dan wel wordt gedacht – kiezers zijn niet dom. Dat betekent niet dat ze het dan ook maar eens moeten zijn met de uitkomst. Een ander kenmerk van die democratische rechtsstaat is dat er ongezouten, zelfs onheuse kritiek moet kunnen worden geoefend (zelfs in het Grieks, als het moet). Er is niks levensgevaarlijks aan politieke kritiek op rechterlijke uitspraken, op de samenstelling van gerechten of aan discussie over benoemingseisen aan rechters. In een proefschrift (Onder de rechter) van een aantal jaar geleden laat Hendrik Gommer zien dat het in veelpartijen- en minderhedenland Nederland heel gezond is dat de rechter middenin de samenleving staat – politieke voorkeur en al.

Daar staat tegenover dat het (daardoor) ook geen probleem is dat politici kritiek uitoefenen op rechtszaken (zelfs als die nog onder de rechter zijn), of op rechters. Wel is enig wederzijds institutioneel respect van belang. Niet bij iedere verkeerde wet of onberaden motie schreeuwen om een geheel andere staatsrechtelijke inrichting van de Tweede Kamer, minder leden of nieuwe verkiezingen, komt per saldo het vertrouwen in en werk van het parlement ten goede, net zoals het voor de aanvaarding van rechterlijke uitspraken per saldo helpt als vooraanstaande (of minder vooraanstaande) politici niet bij elke uitspraak samenzweringstheorieën debiteren of praten van politiek bevooroordeelde rechters.

Het mag, maar de vraag is of het ook maar iemand helpt. En dat die democratische rechtsstaat van ons, met al zijn instituten en regels, ook voorwerp van passies, emoties en hevige politieke controverse is, en niet louter een levenloos technocratenforum, is alleen maar goed en gezond. Het is juist de opwinding van die hartslag die haar in leven houdt. 

• • •

Wim Voermans is hoogleraar Staats- en bestuursrecht bij de Afdeling staats- en bestuursrecht van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Gastauteur

Gevolgd door 338 leden

FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.