© Wikimedia Commons / David Iliff (CC-BY-SA 3.0)

Twee ‘rechtse’ voorstellen om ongelijkheid terug te dringen

Opinie
30

    De ongelijkheid in opleidingsniveau drijft een wig in onze samenleving, aldus S. de Beter. Bovendien wordt deze tweedeling steeds erger. Eerder al zagen we hoe neoliberaal Milton Friedman met zijn ideeën voor een garantie-inkomen verrassend progressief bleek. Hoe zit dat met onderwijs?

    De maatschappelijke tweedeling in Nederland heeft zijn wortels vooral in het onderwijs. Bij deze stelling zullen velen waarschijnlijk denken aan het basis- en voortgezet onderwijs, met zijn onderscheid tussen zwarte en witte scholen. Dat is zeker een groot probleem maar ik wil het hier echter vooral hebben over wat er daarna aan onderwijs wordt genoten. Of, beter gezegd: over wie er na het verstrijken van de leerplichtleeftijd juist verstoken blijft van onderwijs. En over hoe de tweedeling op het gebied van beroepsgericht onderwijs kan worden verkleind door het garantie-inkomen te combineren met een ander voorstel van Milton Friedman, de onderwijsvouchers.

    Grof gezegd is de Nederlandse arbeidsmarkt qua opleiding onder te verdelen in twee groepen: aan de ene kant staat de bevoorrechte groep die na de middelbare school verder heeft kunnen studeren, oftewel de hoogopgeleiden; aan de andere kant van het spectrum staan die na het behalen van hun 16e (leerplichtleeftijd) of 18e (kwalificatieplicht) levensjaar veelal zonder diploma de arbeidsmarkt betreden: de laagopgeleiden. Deze laatste groep krijgt na verloop van tijd in toenemende mate last van de grillen van de conjunctuur en van onvoorspelbaar overheidsbeleid. Hierdoor verdwijnen ze geleidelijk van de arbeidsmarkt en komen daarna nog maar moeilijk aan de bak, behalve misschien in het grijze of zelfs zwarte circuit.

    Bij de laagopgeleiden ligt de arbeidsparticipatie aanmerkelijk lager dan bij middelbaar- en hoogopgeleiden

    De gevolgen van deze tweedeling kunnen we onder meer aflezen uit de verschillen in arbeidsparticipatie. Bij de laagopgeleiden ligt deze met 52% aanmerkelijk lager dan bij middelbaar- (74%) en hoogopgeleiden (84%), een verschil dat het laatste decennium steeds groter is geworden. 

    Voor zover ze nog aan het arbeidsproces deelnemen, dan relatief vaak op tijdelijke basis, zo blijkt uit een CPB-Achtergrondrapport: 'Van de laagopgeleiden werkt 31,4% op een flexibel contract, terwijl dat voor hoogopgeleiden maar de helft is, 14,7%' (p.20). Bovendien hebben ze dan veel minder kans op een vast contract: 'Hoogopgeleiden hebben 22% kans één jaar later een vast contract te hebben, laagopgeleiden 14%. De kans één jaar later geen werk te hebben is 11% voor hoogopgeleiden en 19% voor laagopgeleiden.' (p.6). Veel laagopgeleiden hebben dus als enige zekerheid dat ze tot hun AOW in onzekerheid verkeren. 

    Verlangen naar de AOW

    Het spreekt voor zich dat je nu eenmaal minder jaren opleiding nodig hebt om metselaar te worden dan medisch specialist. Dit verschil in onderwijstraject was vroeger helemaal geen probleem, toen de beroepsopleiding in principe voldoende was om de rest van je werkzame leven je brood te verdienen. Dat is vanwege technische, economische en maatschappelijke veranderingen echter steeds minder het geval. Je hele leven bij dezelfde baas werken, dat is misschien nog wel weggelegd voor veel hoogopgeleiden — vooral zij die bij de (semi-)overheid in dienst zijn; voor de laagopgeleiden geldt dat een stuk minder. Bedrijven, ook in de collectieve sector, worden vaker gereorganiseerd, functies worden opnieuw gedefinieerd, nieuwe organisatieprincipes worden toegepast en vervolgens weer ingeruild voor nieuwe hobby’s van stafleden en management.

    Ik begrijp heel goed dat de mensen wiens arbeidsleven er in grote lijnen zo uit ziet, intens verlangen naar hun AOW — en dus gaan stemmen op partijen die het meest overtuigend pleiten voor een zo laag mogelijke AOW-leeftijd. Ik begrijp ook dat ze boos zijn op de andere helft van Nederland, die ze — niet bepaald ten onrechte — als de maatschappelijke elite beschouwen. Die elite pakt de maatschappelijke tweedeling namelijk misschien wel met woorden, maar niet met daden aan.

    Het is niet vreemd dat laagopgeleiden oververtegenwoordigd zijn in de achterban van de PVV

    Het is daarom ook niet vreemd dat laagopgeleiden oververtegenwoordigd zijn in de achterban van de PVV: niet omdat ze dom zijn, zoals sommige linkse intellectuelen hooghartig denken, maar vooral omdat ze protesteren tegen een maatschappij die hun kwaliteiten onvoldoende waardeert en die ze dwingt zich te voegen in een stramien dat niet het hunne is.

    Doorleren is geen optie

    De ‘onderste helft van Nederland’ net zo lang laten doorleren als de ‘bovenste helft’ is natuurlijk geen oplossing. Die jongens en meisjes zijn juist blij dat ze van school af kunnen: ze werken liever met hun handen en in de praktijk. Op boekenwijsheid zitten ze niet te wachten, en op die leeftijd evenmin op ‘algemene vaardigheden’ als presenteren en discussiëren, vaardigheden die ook in het lager en middelbaar beroepsonderwijs steeds meer afgevinkt moeten worden. Ook D66, de partij die altijd zo hamert op beter onderwijs, kiest bij het mbo alleen voor doorleren.

    Bovendien is die oplossing gebaseerd op de veronderstelling dat een startopleiding voldoende is om zonder problemen de AOW-leeftijd te halen. Die veronderstelling geldt misschien nog wel voor de ‘bovenste helft,’ omdat latere bijscholing daar meestal afdoende is en tot de tertiaire arbeidsvoorwaarden behoort. Voor de meeste mensen in de onderste helft kan die aanname daarentegen regelrecht de prullenmand in. Ten eerste omdat de AOW-leeftijd steeds verder naar boven gaat, wat voor laagopgeleiden een groter probleem is dan voor hoogopgeleiden: zij zijn veelal eerder — en meestal onder slechtere arbeidsomstandigheden — gaan werken. Ten tweede, omdat laaggeschoolde functies sterk onderhevig zijn geworden aan veranderingen op technologisch, organisatorisch en maatschappelijk terrein. Een derde reden hangt daar sterk mee samen: door het tempo van de veranderingen is bijscholing alleen voldoende voor de korte termijn. Voor de wat langere termijn zullen de meesten een heel ander vak moeten leren; dat gaan hun huidige werkgevers natuurlijk niet betalen.

    "Juist laagopgeleiden moeten het recht krijgen zich te laten om- of bijscholen"

    Daarom is het belangrijk dat juist laagopgeleiden het recht krijgen zich te laten om- of bijscholen waar en vooral wanneer zij dat zelf willen — en zonder daarvoor afhankelijk te zijn van hun baas. Dit recht op ‘Leren-op-Leeftijd’ (LoL), wat ik beter vind klinken dan het ouderwetse ‘volwassenenonderwijs’ of het modieuze lifelong learning, kan worden gerealiseerd door twee voorstellen van Milton Friedman te combineren: het garantie-inkomen — dat ik heb besproken in de vorigetwee delen — en de onderwijsvouchers. 

    Keuzevrijheid door onderwijsvouchers

    Het basisidee van de onderwijsvouchers is heel simpel. Ieder kind krijgt als het ware een chequeboek voor een X aantal jaren basis- en voortgezet onderwijs. Met die vouchers kunnen zijn ouders terecht bij iedere organisatie die over de benodigde papieren beschikt om op bepaalde niveaus onderwijs te geven. Voor Friedman was zo’n chequeboek een middel om de ouders minder afhankelijk te maken van de plaatselijke openbare school: met die vouchers kunnen ouders hun kinderen ook naar een particuliere school sturen, eventueel in een andere wijk, dorp of stad.

    Mijn voorstel daarentegen heeft betrekking op het onderwijs na de leerplichtleeftijd. Geef iedere jongere vanaf zijn of haar achttiende recht op bijvoorbeeld vijf jaar onderwijs, in de vorm van vouchers met een geldbedrag dat uitsluitend aan onderwijs mag worden besteed. Voor het overige zijn zij helemaal vrij om een keus te maken uit de aangeboden onderwijsvoorzieningen, waar en wanneer hen dat goed dunkt.

    Geef iedere jongere vanaf hun achttiende recht op vijf jaar onderwijs

    Ze kunnen die vouchers meteen opmaken, zoals de meeste jongeren met middelbaar onderwijs waarschijnlijk zullen doen; ze kunnen ze echter ook verspreiden over hun werkzame leven. Een metselaar kan zich op zijn 25e en 35e laten bijscholen, zich op zijn 45e gedurende twee jaar laten omscholen tot verpleegkundige  en zelfs op zijn 60e de laatste voucher benutten om zich te bekwamen in een hobby waarmee hij zijn laatste levensjaren wil vullen.

    Wat we daarnaast ook moeten toestaan, is het leren in een productiebedrijf, bijvoorbeeld in een vorm van een combinatie van stage en studie. Als het gaat om leren ‘met de handen’ — zoals bij metselaar, automonteur of schilder — of om tacit knowledge — kennis die je alleen kunt verwerven door veel te oefenen —  kan dat beter ter plekke gebeuren dan in een of andere onderwijsfabriek. Voor alle duidelijkheid: ik heb het niet over bijscholing voor de huidige functie, maar over het onderwijs ten behoeve van een nieuw beroep, functie of baan.

    Bijkomend voordeel is dat een werkgever veel makkelijker in zee zal gaan met een nieuwe werknemer die de benodigde kennis en vaardigheden nog grotendeels ontbeert. Zij kunnen immers een maatwerk-afspraak maken over de verdeling van de kosten: de nieuwe werknemer kan (een deel van) zijn of haar onderwijsvoucher inzetten; de werkgever de opleidingsplek, plus een financiële vergoeding die bovenop het garantie-inkomen komt.

    Een theaterstuk wordt er ook niet beter van als de regisseur de belangrijkste toneelrol gaat spelen

    Het spreekt voor zich dat deze vouchers zowel bij particuliere als publieke onderwijsinstellingen, bedrijven of leerplekken kunnen worden besteed. De overheid moet er uitsluitend voor zorgen dat bepaalde wetten worden nageleefd of specifieke maatschappelijke prioriteiten worden gerealiseerd. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat voor de uitvoering van deze taken louter ambtenaren worden ingezet. De belangrijkste meerwaarde van de overheid ligt in regievorming; een theaterstuk wordt er meestal niet beter van als de regisseur de belangrijkste toneelrol gaat spelen.

    Dwangbuis

    Het systeem van onderwijsvouchers is ook in het voordeel van de bevoorrechte groep jongeren die momenteel na hun 18e nog een paar jaar kunnen studeren. Die zitten namelijk eveneens in een dwangbuis: na de middelbare school nog één jaar reizen of werken, dat kan nog wel, maar daarna moet toch echt snel doorgestudeerd worden. Op latere leeftijd een compleet nieuwe studie doen is in Nederland namelijk zeer ongebruikelijk en in de praktijk vrijwel onmogelijk. De Open Universiteit biedt weliswaar een alternatief, maar als je die studie naast je werk en je gezin moet doen, duurt het helemaal erg lang. Het garantie-inkomen maakt de weg pas echt vrij: je kunt dan immers besluiten — of dreigen — om je baan op te zeggen en een intensieve studie te volgen die je betere kansen op de arbeidsmarkt geeft. Leren-op-Leeftijd wordt ook gestimuleerd door in principe iedereen een vast contract met een maximum van zeven jaar te geven, gevolgd door een sabbatical van zeg een half jaar, zie hier punt 3.

    Het vouchersysteem verlost de studenten en onderwijsinstellingen tevens van die domme outputfinanciering. Dit product uit de koker van neo-liberale economen lijkt op papier zo efficiënt: geef onderwijsinstellingen een financiële prikkel om de studenten zo snel mogelijk naar de eindstreep te brengen, dan zullen ze er alles aan doen om hen goed onderwijs te geven. Hoe naïef kun je zijn!

    In de praktijk geeft het onderwijsinstellingen vooral een prikkel om zoveel mogelijk studenten aan te trekken. En om onderwijsgelden te verspillen aan reclame en andere windowdressing. Als de studenten eenmaal binnen zijn, dan benut je als universiteit vooral de mensen die ze toch niet kan ontslaan — of de flexwerkers die juist weer snel op straat gezet kunnen worden. Verder laat je de masterstudenten snel afstuderen, eventueel met een ‘genade-zesje’ en bij voorkeur op onderzoeksthema’s en -methoden die de universitaire onderzoekers zelf prefereren. Zo zorg je er voor dat het onderwijs zo min mogelijk ten koste gaat van het onderzoek, want daar word je uiteindelijk op afgerekend. Kortom: op de huidige Alma Mater wordt steeds meer gekloond en geklooid, wat leidt tot verspilling en aantasting van de keuzevrijheid — voor studenten, maar uiteindelijk ook voor docenten. 

    "Op de huidige Alma Mater wordt steeds meer gekloond en geklooid, wat leidt tot verspilling en aantasting van de keuzevrijheid"

    Het systeem van onderwijsvouchers scoort op deze twee criteria aanzienlijk beter. Als je zelf mag beslissen waar en wanneer jij je eigen onderwijsgeld besteedt, dan wil je waar voor je geld. Je wilt iets leren waarmee je echt vooruit kunt, iets om je toekomstplannen te realiseren of een felbegeerde baan te bemachtigen.

    Bovendien zorgen onderwijsvouchers voor veel meer diversiteit en gezonde wedijver. Je bent immers niet alleen aangewezen op de gevestigde onderwijsinstellingen, die elkaar eerder na-apen dan dat zij met uiteenlopende onderwijsconcepten durven te werken. Ook bedrijven of ngo’s kunnen de onderwijsmarkt op, en zullen waarschijnlijk de aansluiting tussen schoolbanken en werkplek een stuk beter realiseren. 

    Het kruimelwerk voorbij

    Er wordt in Nederland al heel lang nagedacht over — en geëxperimenteerd met — onderwijsvouchers. Deze gingen tot dusver niet erg ver en hadden een beperkt toepassingsgebied. Illustratief is het meest recente voorbeeld, het 'experiment vraagfinanciering' dat door het ministerie van OCW is opgezet. Om te beginnen komt er slechts een kleine groep in aanmerking, namelijk alleen de mensen die willen doorleren. Ook het eerdere adviesrapport 'Flexibel hoger onderwijs voor volwassenen' zegt niets over onderwijs voor de ‘onderste helft van Nederland’ die behoefte heeft aan heel ander onderwijs.

    Het succes van Trump en Wilders maakt één ding heel duidelijk: een groot deel van de bevolking wil radicale oplossingen

    Bovendien geeft de voucher slechts een korting van 1250 euro op het collegegeld. Dat collegegeld mag maximaal 3750 euro bedragen — niet per jaar, maar per module! De student moet voor het resterende bedrag gaan bedelen bij zijn of haar werkgever, of zelf bijpassen. Ook in het laatste geval blijven ze afhankelijk van hun werkgever, omdat deze dan het inkomen verschaft waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Precies hierom is een garantie-inkomen dus benodigd.

    Vertonen vrijwel alle Nederlandse experimenten met onderwijsvouchers een vergelijkbaar kruimelwerk, het achterliggende principe is in ons land wel op een andere manier gerealiseerd — met name voor het lager en voortgezet onderwijs. Ik doel op de Grondwetswijziging van 1917. Vanaf 1848 is er weliswaar vrijheid van onderwijs, maar alleen de openbare scholen kregen geld uit de staatskas. Vanaf 1917 geldt de bekostiging uit algemene middelen ook voor de niet-openbare scholen. Dit betekent dat de keuzevrijheid niet wordt belemmerd door financiële consequenties, een principe dat eveneens wordt gerealiseerd door ieder kind een voucher te geven, zoals Friedman bepleit.

    Ook nu, precies honderd jaar later, hebben we een radicale beslissing nodig, maar dan door een garantie-inkomen in te voeren en de ‘onderste helft’ van Nederland dezelfde onderwijsrechten te geven die de bovenste helft momenteel de facto geniet. Het succes van Trump en Wilders maakt één ding heel duidelijk: een groot deel van de bevolking wil radicale oplossingen en zal niet langer genoegen nemen met kleine aanpassingen van de huidige structuren. De onverwachte successen van politici als Bernie Sanders en Jeremy Corbyn laten echter ook zien dat de progressieve beweging terrein kan terugwinnen door daar even radicale oplossingen tegenover te stellen.

     

    Een iets uitgebreidere versie van dit artikel wordt gepubliceerd op http://eco-simpel.nl/2017/02/16/ook-onderste-helft-nederland-recht-op-eigen-onderwijs/

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid