Hoe de Tweede Kamer leunt op onderzoeken die elke lobbyist het eigen gelijk geven

3 Connecties
4 Bijdragen

Wetenschappelijk onderzoek moet feiten boven water krijgen en de waarheid blootleggen. Zodra onderzoek wordt ingezet voor lobbydoeleinden verdwijnen de nobele doelen van de wetenschap echter in een politiek moeras, vertroebeld door belangen en omgeven door een mist van twijfel. Hoe komt een Kamerlid tot een standpunt als het afhankelijk is van partijdig onderzoek?

Het is een van de oudste en meest controversiële trucs uit het lobbyboekje: twijfel zaaien over wetenschappelijk onderzoek door zelf tegenonderzoek te financieren of te steunen. Bekend en berucht is de wijze waarop Big Tobacco jarenlang de wetenschappelijke consensus over de schadelijkheid van roken trachtte te ondermijnen. Dat bedrijven intern hele andere opvattingen hebben, vormt daarbij geen enkel beletsel. Zo stelde eind vorig jaar het Openbaar Ministerie van de staat New York een onderzoek in naar ExxonMobile. Reden hiervoor was dat het bedrijf klimaatsceptici met miljoenen dollars sponsorden, terwijl zijn eigen toponderzoekers binnenskamers al jaren op de gevaren van klimaatverandering wezen.

Kamerleden zijn nauwelijks in staat om zelf voor onderzoeken te zorgen die leidend zijn in het debat

Wetenschappelijk onderzoek is een voorname manier voor bedrijven, ngo’s en  belangenverenigingen om hun eigen boodschap te onderbouwen. Onderzoek op bestelling levert meestal — niet geheel toevallig — welgevallige conclusies op voor de opdrachtgever. Het maakt dergelijke onderzoeken ook direct verdacht. Toch vormen ze vaak de basis voor politieke discussies. Kamerleden zijn namelijk nauwelijks in staat om zelf voor onderzoeken te zorgen die leidend zijn in het debat.

Eind vorige maand ontstond op dezelfde dag in de Tweede Kamer discussie over twee verschillende onderzoeken die de problemen blootleggen rond zowel de gebrekkige mogelijkheden voor Kamerleden om zelf opdracht te geven voor onderzoek, als de afhankelijkheid van betaald onderzoek. Opvallend was dat het kabinet in beide gevallen een discutabele rol speelde.

Juichrapport

Lodewijk Asscher presenteerde begin dit jaar enthousiast een onderzoek van het onderzoeksbureau Regioplan. Tot Asscher’s tevredenheid concludeerde het bureau dat het algemeen verbindend verklaren van cao’s 'naar behoren functioneert en dat er geen reden is tot fundamentele wijzigingen', aldus Asscher in de begeleidende brief aan de Kamer. Asscher was alleen even vergeten om de wetenschappelijke kritiek op het rapport mee te sturen. Het was VU-econoom Pieter Gautier die opmerkte dat kritische bijdrages — waaronder die van hem —  helemaal niet aan de Kamer waren aangeboden. De eindconclusie was dus minder eenduidig dan het rapport van Regioplan deed vermoeden.

Het is Steven van Weyenberg, D66-Kamerlid, niet bekend of onwelgevallige kritiek vaker achterwege wordt gehouden: ‘Ik kan niet weten, wat ik niet weet. In dit geval trok Pieter Gautier zelf die aan de bel. Wel heb ik het vermoeden dat de uitkomst van te voren al vaststond.’ Van Weyenberg diende het verzoek voor het onderzoek in en ergert zich aan de tegenwerkende houding van de minister, die weinig voelt voor aanpassingen aan het verbindend verklaren van cao’s: ‘Asscher heeft zijn verontschuldigingen aangeboden voor het niet meesturen van de kritiek, maar wilde vervolgens niet reageren op de verbeterplannen die in het rapport staan. Hij ontraadde zelfs een motie om dat te doen.’


Steven van Weyenberg, D66

"Ik vermoed dat de uitkomst van het onderzoek al van tevoren vaststond"

Onderzoeksopzet

De gang van zaken laat zien hoeveel moeite een Kamerlid moet doen om een deugdelijk rapport in handen te krijgen waar het zelf opdracht voor heeft gegeven. In dit geval vraagt het Kamerlid een, door de minister ongewenst, onderzoek aan; vermoedt vervolgens dat de uitkomst al vaststaat; komt er bij toeval achter dat een onwelgevallig deel ontbreekt en kan er niet voor zorgen dat de minister een reactie geeft op de inhoud.

Om te waarborgen dat er niet toegeschreven wordt naar een vooraf bepaalde conclusie, rest Kamerleden niet veel meer dan zich al vroeg te bemoeien met de onderzoeksopzet. Ook Van Weyenberg wijst daarop, maar hij beaamt ook dat het nu ad-hoc gebeurt.  Het heeft simpelweg niet de hoogste prioriteit bij Kamerleden. Alleen bij vooraf ingeplande beleidsdoorlichtingen, waarbij onderzocht wordt hoe goed beleid in de praktijk werkt, is in de procedure gewaarborgd dat Kamerleden actief meebeslissen over de onderzoeksopzet.

Tegenover de obstakels voor Kamerleden om zelf als opdrachtgever op te treden, staan de ontelbare rapporten en onderzoeken die betaald zijn door belanghebbenden. Bij tal van deze onderzoeken zijn er echter twijfels over de geldigheid en waarde van de uitkomsten, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat er een opdrachtgever met een specifiek belang achterzit.

Ministerie en lobby onder een hoedje

Op dezelfde dag waarop duidelijk werd dat Asscher de kritiek niet mee had gestuurd, verscheen in Trouw een opmerkelijk artikel over een onderzoek uit 2012 naar de kosten van statiegeld. Toenmalig CDA-staatssecretaris van milieu in het eerste kabinet-Rutte, Joop Atsma, maakte in dat jaar aan de Kamer duidelijk dat het statiegeldsysteem 'peper- en peperduur' is. Hij beriep zich daarbij op cijfers uit een rapport van de commerciële onderzoekstak van de Wageningen Universiteit. Een rapport dat werd uitgevoerd in opdracht van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), de grootste lobbyclubs voor afschaffing van het statiegeldsysteem, zo bleek later.

Atsma had het rapport alleen nooit mogen gebruiken. Het was slechts een concept waarin onderbouwing van de cijfers ontbrak, wat de staatssecretaris in verlegenheid bracht. Uit stukken die Trouw heeft ingezien blijkt dat het ministerie daarop een zeer sturende rol heeft ingenomen in het verdere onderzoek, waarbij een hoge ambtenaar persoonlijk intervenieerde. Wat daar uit moest komen was vanaf het eerste moment al duidelijk. In een opzet van het onderzoek schreef onderzoeker Thoden van Velzen: 'Voorlopige conclusie, statiegeld is het duurste systeem van allemaal'. In samenspraak met de eigenlijke opdrachtgevers werd er alles aan gedaan om die conclusie te staven en het vege lijf van Atsma te redden.

Minister: ‘Sturing kan niet’

Bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI)  van de Wageningen Universiteit kwamen veertien klachten binnen over het onderzoek; allemaal ingediend door een fabrikant van inname-apparatuur voor statiegeldflessen en twee milieuorganisaties. Het CWI oordeelde over een klacht niet-ontvankelijk te zijn, de overige dertien waren ongegrond en dus concludeerde de commissie dat de wetenschappelijke integriteit niet geschonden was. Wel erkende het CWI dat het onderzoeksproces onzorgvuldig uitgevoerd. Zo was niet duidelijk genoeg wie de opdrachtgevers waren en voldeed het conceptverslag niet aan de wetenschappelijke gedragscode.

In het debat dat afgelopen week werd gehouden over de invloed van bedrijfslobby's in de Tweede Kamer keurde minister Henk Kamp van Economische Zaken elke sturing op onderzoeksresultaten ten stengste af, al vermeed hij een expliciete verwijzing naar het betreffende onderzoek. ‘Een ambtenaar mag wel contact hebben met een onderzoeker om bijvoorbeeld relevante informatie te geven, maar hij mag geen invloed uitoefenen op de uitkomsten van het onderzoek. Je moet nooit een onderzoeker gaan vertellen wat hij moet concluderen, dan heeft het onderzoek ook geen zin​.’


minister Henk Kamp

"Je moet nooit een onderzoeker gaan vertellen wat hij moet concluderen, dan heeft het onderzoek ook geen zin"

 

Statiegelddebat als wetenschappelijke warzone

Het verhaal over Atsma past in de jarenlange strijd over de toekomst van het statiegeldsysteem. Zowel voor- en tegenstanders van het systeem slaan het publiek en beleidsbepalers met stapels onderzoeken om de oren om hun zaak te onderbouwen.

Als het statiegelddossier een oorlog is, dan vormen allerlei deelonderwerpen kleine slagvelden waarin onderzoek een beproefd wapen is. Neem bijvoorbeeld de vraag hoeveel Nederlanders het afschaffen van het statiegeldsysteem steunen. TNS Nipo voerde namens het Afvalfonds Verpakkingen een onderzoek uit en kwam uit op 70 procent. Tegenstanders, zoals milieuclubs verenigd in het Recycling Netwerk, vonden de vraagstelling gestuurd, volgens hen was het slechts 19 procent.

Ook was er veel te doen over de kosten van het systeem. Atsma beriep zich op het controversiële Wageningse onderzoek waarin de kosten 6 cent per fles bedroegen. Tegenonderzoek door het onderzoeksbureau CE Delft stelde dat het slechts de helft was. CE Delft werd op haar beurt weer ingehuurd door de grootste fabrikant van inleverapparatuur voor PET-flessen en het bestuur van het bureau had banden met milieu-organisaties. Ook bij dit onderzoek werden kritische kanttekeningen geplaatst. TNO legde op verzoek van de Kamer de beide onderzoeken naast elkaar en concludeerde onder andere dat de methode van CE Delft ‘niet compleet is en daarom niet voor een kostenanalyse bruikbaar is’.

Opportuun meten: 'mijn lunch bestond vandaag voor 90 procent uit fruit, want ik at één hamburger en negen druiven'

Aan de kwaliteit van rapporten over het inzamelen en recyclen van afval wordt eveneens sterk getwijfeld. Positieve cijfers hierover kunnen ertoe leiden dat het statiegeldsysteem wordt vrijgegeven. NederlandSchoon, een stichting die gefinancierd wordt door de verpakkingsindustrie, concludeerde dat 95 procent van het zwerfafval bestond uit sigarettenpeuken; drankenverpakkingen vormden slecht een klein deel hiervan. Wiskundige Ionica Smeets stelde dat het tellen van afvaleenheden wel een erg opportune manier van meten was. Waar dat toe kan leiden toont ze aan met een treffend voorbeeld: ‘Mijn lunch bestond vandaag voor 90 procent uit fruit, want ik at één hamburger en negen druiven.’

Weer ander onderzoek stelde dat de industrie voldeed aan eisen voor het hergebruik van kunststoffen. Staatssecretaris Atsma nam het rapport van Nedvang, een lobbyorganisatie voor de verpakkingsindustrie, over. Zijn eigen Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) oordeelde echter dat de gebruikte cijfers onbetrouwbaar waren.

Standpunt bepalen

Onderzoeken waarbij de cijfers niet kloppen, de vraagstelling opportuun is of de onderzoeksmethode rammelt. Hoe ga je daar mee om als Kamerlid? En hoe kom je tot een standpunt als de onderbouwing steunt op dubieus onderzoek?

‘Ik bekijk de onderzoeken allemaal, ze gaan niet ongelezen de prullenbak in,’ zegt Remco Dijkstra. Het VVD-Kamerlid stelde in tegenstelling tot zijn collega’s geen kritische Kamervragen over het Wageningse statiegeldonderzoek, maar vroeg zich juist af of de klachten bij de integriteitscommissie bedoeld waren om het onderzoek te ondermijnen. Dijkstra doet dus weinig moeite om het wederzijdse wantrouwen te verkleinen. Toch ziet hij in de opstelling van de Kamer een mogelijkheid om dergelijke impasses te doorbreken. ‘De Kamer heeft gevraagd om TNO de twee onderzoeken onder de loep te laten nemen. Dan ligt het resultaat natuurlijk ergens in het midden. Het zou wel kwalijk zijn als vervolgens het onderzoek van TNO wordt betwijfeld, want dan blijf je aan de gang.’

Voor het bepalen van zijn standpunt spelen zulke onderzoeken naar eigen zeggen overigens een kleine rol. ‘Voor mijn hele portefeuille heb ik een aantal leidende principes waarop ik plannen beoordeel. Daarbij maakt het dan niet zoveel uit of een ingeleverde fles 3 of 6 cent kost.’

Datzelfde geldt voor Yasemin Çegerek, het PvdA-Kamerlid is een heel andere mening toegedaan dan haar coalitiegenoot; voor haar is het milieu-aspect de voornaamste reden om statiegeld niet af te schaffen. Ook op dat gebied bestaan er echter tegenstrijdige onderzoeken. ‘De onderzoeksvraag is heel bepalend voor de uitkomst, dus daar moet je heel scherp op letten. Wel mag je ervan uitgaan dat een onderzoek door een universiteit of gerenommeerd onderzoeksbureau voldoet aan de wetenschappelijke eisen,’ aldus Çegerek.

Achter de feiten aan

Stientje van Veldhoven van D66 stelde zich pragmatischer op in het statiegelddossier en is dus een gewild lobbydoelwit. ‘De stapel rapporten op mijn bureau werd steeds groter. Al die onderzoeken klopten feitelijk wel, maar je moet als Kamerlid dan heel goed opletten wat ze écht meten’, aldus Van Veldhoven. ‘Uiteindelijk neem je in de afweging ook mee in hoeverre de belangenclub in staat is om een deugdelijk onderzoek aan te leveren. Dan moet wel alleen kenbaar zijn wie het heeft betaald. Op dit moment is dat nog te vaak onduidelijk.’

Om iets minder de speelbal te worden van alle ingestoken informatie heeft Van Veldhoven gevraagd of het ILT de onderzoeken onderwerpt aan een peer review, waarbij gekeken wordt of er wel voldaan is aan de wetenschappelijke normen. Het probleem van de peer review is dat die er nog altijd niet is, terwijl het debat al maanden verder is.

Om te controleren of de cijfers deugen moet de Kamer zelf nieuw onderzoek aanvragen

De Kamer moet dus altijd corrigerend optreden door zelf nieuw onderzoek aan te vragen om te controleren of de cijfers deugen. Belangenclubs en bedrijven hebben dan allang de kaders bepaald waarbinnen de discussie plaatsvindt. Bovendien draait de discussie alweer over een ander onderwerp als er maanden later een nuancering komt op eerder gepubliceerde cijfers. Het kan dus zomaar gebeuren dat het besluit om bijvoorbeeld statiegeld af te schaffen of te behouden, geschiedt op basis van onderzoek dat een loopje neemt met de werkelijkheid.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Pieter van der Lugt

Gevolgd door 249 leden

Pieter van der Lugt (1990) studeerde politicologie aan de Radboud Universiteit. Tijdens zijn studie zette hij zijn eerste sta...

Dit artikel zit in het dossier

De #Lobbycratie

Gevolgd door 2222 leden

Leven we in een lobbycratie of is lobbyen een wezenlijk element van een gezonde democratie? Zeker is dat de lobbywereld wordt...

Volg dossier