Uitgevers die met hun auteurs kunnen delen hebben veel meer te bieden, het standaard auteurscontract kan definitief de prullenbak in.

Wie wel eens een boek heeft geschreven, heeft te maken gehad met het standaard auteurscontract, ook wel het "modelcontract voor oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk" genaamd. De eerste keer dat ik dit gedrocht in mijn handen hield was ergens in 2003. De eloquente, tevens zeer sympathieke uitgever Joost Nijsen (Uitgeverij Podium) was degene die de overeenkomst resoluut naar mijn kant van de tafel schoof. Hij was zeer vertrouwd met de inhoud. Nijsen was een jaar eerder (2002) namens de uitgeverswereld uitgezonden om het nieuwe modelcontract uit te onderhandelen. Hij nam het op tegen de opstandige "groep Geert Mak" die uit oude contract met veel misbaar door de papiervernietiger wilde draaien. Nijsen keerde terug met een schitterend resultaat. In het nieuwe contract, dat in essentie nog steeds dienst doet, gold een iets gunstiger verdeling voor de auteurs, maar veel hadden de schrijvers er niet bij gekregen. Een paar procentjes. Een fooi.

Nijsen riep destijds dat het een "mirakel" was dat het modelcontract tot stand was gekomen omdat de inzet van de Groep-Mak veel hoger lag. Volgens hem bestond er ook een volstrekt verkeerd beeld van uitgevers. "Alsof al het geld werd besteed aan dure grachtenpanden met marmeren vloeren."

Een hele eer
Als ik in 2003 over deze kennis had beschikt, had ik geweten dat de vriendelijk lachende, wat bleu ogende man tegenover me in feite een zeer geslepen onderhandelaar was. Niet dat het veel had uitgemaakt, ik was zo blij dat ik een contract kreeg aangeboden, dat het me eerlijk gezegd weinig kon schelen wat er precies in stond. Trouwens, iedere schrijver in Nederland kreeg hetzelfde contract aangeboden, zo beweerde Nijsen. Het deed me allemaal een beetje aan kartelvorming denken, maar ach, ik maalde daar toen niet om. Met een voorschot van 1.500 euro moest ik bovendien mijn knokige debutantenhanden dicht knijpen, vond hij.
Het maakte me allemaal geen reet uit. Ik wist niet beter. Ik was pas vier jaar journalist en vond het een hele eer om mijn handtekening onder een echt auteurscontract te zetten. De 45 minuten prime time televisie-aandacht die KRO's Netwerk aan mijn verhaal over een uitvinder uit Nieuwegein ging besteden, zaten toen al in de tas. De in een gerieflijk grachtenpand gevestigde Uitgeverij Podium kreeg ze er gratis bij. Het bedenken van een geschikt moment voor de lancering was toen ook niet zo moeilijk meer.

Afijn, dit is in essentie de deal waar ik zonder al te veel benul mijn krabbel onder zette (en met mij zo vele andere auteurs):

Voor paperback en/of gebonden uitgaven een royalty van:

10 procent tot en met 4.000 verkochte exemplaren;                

12,5 procent van 4.001 tot en met 10.000 verkochte exemplaren;       

15 procent van 10.001 tot en met 100.000 verkochte exemplaren;      

17,5 procent bij meer dan 100.000 verkochte exemplaren.

Dit over de de brutoverkoopprijs minus de 6 procent btw. Van de 100 procent die dan overblijft gaat grofweg 45 procent naar de tussenhandel. Dan resteert 55 procent voor uitgever en auteur. De uitgever dient daaruit de directe kosten voor het drukken, zetten, redactie, vormgeving, lithograaf en distributie te betalen. Die kosten hangen natuurlijk af van de dikte van het boek, kwaliteit van papier vormgeving, gebruik beeld etc. etc. Gemiddeld komen die directe kosten neer op ongeveer 10 procent van de brutoverkoopprijs van het boek. Hoe groter de oplage, hoe lager dit percentage. Marketingkosten moeten daar nog vanaf worden getrokken.

Niet bangelijk
Het optellen en aftrekken begon voor mij pas toen mij de afrekening van mijn royalty's over mijn boek De broncode werden toegestuurd en ik doorkreeg dat mijn uitgever grofweg twee keer zoveel aan royalty's had opgestreken dan ik. Hoe kon dat? Ik had ruim een jaar op eigen kosten en risico gezwoegd om het boek te schrijven. Het was op basis van mijn journalistieke prestatie dat er een spraakmakend verhaal lag en het was mede aan mijn inzet te danken dat Netwerk er nog eens ruim aandacht aan ging besteden. Kortom; ik had verreweg het meeste werk geleverd, het meeste risico gelopen en ook nog eens eigenhandig de publiciteit rond het boek weten aan te wakkeren. Als iemand twee keer zoveel behoorde te verdienen, dan was ik het wel. Dat vond ik toen...nee, ik vind dat nog steeds.

Nooit meer zou ik mijn handtekening onder dat vod van een standaard auteurscontract zetten, zo beloofde ik mezelf.

Dus niet. In 2009 deed ik het weer. Nu bij Mai Spijkers van Uitgeverij Prometheus. Spijkers had al meerdere non-fictie titels succesvol uitgegeven. De Prooi van naamgenoot Jeroen was en is daar het meest aansprekende voorbeeld van. De Brabander Spijkers is ook niet bangelijk aangelegd en dat was gezien de omstandigheden een key asset voor mij. Dit keer was ik namelijk niet verzekerd van televisie-aandacht, wel had ik een 100 procent garantie voor een of meerdere bezoekjes aan de rechtszaal op zak. Spijkers durfde dat aan. Na stevige onderhandelingen ging hij onder andere meebetalen aan advocatenkosten en dat was me ook wat waard. Mijn verdienmodel was er alleen nog niet veel beter op geworden.

Fifty-fifty
Nog steeds ontevreden over de verdeling van de royalty's werd ik in 2010 attent gemaakt op uitgeverij Bertram & De Leeuw. Marij Bertram en Hendrik de Leeuw hadden eerder uitgeverij Nieuw Amsterdam opgericht, maar waren na enige onmin met grootaandeelhouder Derk Sauer weer opnieuw begonnen. Ze kozen bij de start van hun nieuwe uitgeverij voor een vernieuwende aanpak. Het standaard auteurscontract werd met een boog in een smoezelig cilindrisch archief gemikt. Bertram en De Leeuw construeerden vervolgens een overeenkomst waarbij uitgever en auteur op basis van gelijkwaardigheid met elkaar in zaken gingen. Jawel: zaken. Zij zien elk boek als een afzonderlijk project waarbij opbrengsten en kosten worden geboekt en het resultaat keurig wordt gedeeld. Heel simpel, fifty-fifty. Een deal die in theorie veel beter uitpakt voor de auteur. In plaats van de 10 tot 15 procent, gaat een gemiddelde schrijver tussen de 17,5 en 22,5 procent aan royalty's opstrijken. Als uitgever en auteur de kosten tenminste onder controle hebben. Wordt er meer geld uitgegeven aan advertenties, dan drukt dat op de opbrengsten en ondervindt de schrijver daar ook de gevolgen van. De risico's worden gedeeld, zo gaat dat als je volwaardig zakelijk partner bent. Een voorschot hoort in principe niet tot de deal, is immers een sigaar uit eigen doos.

 

Geen gewoeker met Woekerpolis, hoe kom ik er vanaf?


De proof of the pudding...
Eind vorig jaar besloot ik samen met de tot inkeer gekomen verzekeringstussenpersoon René Graafsma een boekje over woekerpolissen te maken. Een handboek hoe je van het meest tragische product uit de vaderlandse financiële geschiedenis verlost kan worden; de woekerpolis. Woekerpolis, hoe kom ik er vanaf? verkocht minder dan we hadden gehoopt: tot op heden werden er 5800 exemplaren afgenomen. Een paar honderd werden er geretourneerd. Het is klaarblijkelijk makkelijker om onder valse voorwendselen een zeer prijzig ruïneus product te verkopen dan een billige uitleg hoe je weer van die rotzooi verlost kan worden. Helaas, dat is nu eenmaal het risico van het maken van een boek (nee, ik heb he-le-maal geen zin om het een "product" te noemen).

Dat ons boek geen kaskraker was geworden wist ik maanden geleden ook al. Waar ik al die tijd erg benieuwd naar bleef, was hoe het model van Bertram & De Leeuw in de praktijk zou uitpakken. Verschillende mensen uit het boekenvak hadden me van te voren gewaarschuwd: "het zal je nog tegenvallen wat er voor je overblijft".

Welnu, vrijdag ontving ik - na een half jaar in plaats van het gebruikelijke jaar - de eerste afrekening.

Voordat ik die cijfers toon zal ik eerst schetsen wat Graafsma en ik in de oude situatie aan ons werk zouden hebben overgehouden. Over de eerste 4000 boeken hadden we in het oude model 5641,14 euro verdiend (14,10377 * 4000 * 0,10). Over de overige 1571 Woerkpolis-boeken die we verkochten nog eens 2.769,63 euro (14,10377 * 1571 * 0,125). In totaal zouden we onder de voorwaarden van het standaard auteurscontract 8411,14 euro aan royalty's hebben opgestreken.

Dan nu de opbrengsten uit het model B&L:

Totale netto omzet: 43.501 euro. Totale kosten: 12.069,65 euro. Resultaat: 31.431,35 euro. Daarvan is de helft voor Graafsma en Smit: 15.715,68 euro.

Dat is 7.304,54 euro meer dan het gietijzeren modelcontract dat Joost Nijsen ooit aan onderhandelingstafel wist te smeden, zou hebben opgebracht. Het model B&L levert 87 procent meer op! Dat is een reusachtig verschil en het bevestigt wat ik al sinds de afrekening van mijn eerste boek denk: het standaard auteurscontract is een misbaksel, een soort van woekercontract dat (over het algemeen) geen recht doet aan de prestatie van schrijvers. Een voorzichtig rekensommetje leert mij dat mijn eerste twee boeken mij met het model B&L tussen de 100.000 en 120.000 euro meer zouden hebben opgeleverd.

Shit.

Bij deze verklaar ik het "modelcontract voor oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk" dood. De toekomst is aan de uitgevers die kunnen delen.

 

PS: Ik ben op dit moment bezig met Kees Kooman bezig met een boekproject over de grote wereld van het verzekeren. Eigenlijk gaat ons boek ook over het vrije marktkapitalisme. "Eerlijk over later", gaat het heten. Wanneer het precies uitkomt weten we nog niet, wel wie het gaat uitgeven: B&L.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Eric Smit
Eric Smit
Mede-oprichter van FTM. Als voormalig professioneel squasher gewend om klappen te incasseren en uit te delen.
Gevolgd door 5439 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren