Steunactie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire in Rotterdam, 2022

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

75 artikelen

Steunactie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire in Rotterdam, 2022 © Joris van Gennip / ANP

Fabels en feiten over de ‘staatsontvoeringen’ na de toeslagenaffaire: zo zit het echt

Discussies over uithuisplaatsingen zijn sterk gepolariseerd, met kamp #staatsontvoeringen aan de ene kant, en kamp ‘het gaat ook heel vaak goed’ aan de andere kant. Als de emoties zo hoog oplopen, raken de feiten makkelijk ondergesneeuwd. Follow the Money scheidt de fabels van de kale feiten: wat weten we zeker over uithuisplaatsingen?

0:00
Dit stuk in 1 minuut
  • De term ‘staatsontvoeringen’ dook op na het toeslagenschandaal. Bij de betrokken ouders zijn in totaal 1675 kinderen uit huis geplaatst en die zouden nog steeds niet terug zijn. Maar inmiddels zijn 1120 van deze kinderen weer ‘uit’ de jeugdzorg. Eind 2021 waren nog 555 van hen uit huis geplaatst.
  • Een andere misvatting is dat het aantal uithuisplaatsingen hand over hand toeneemt. In werkelijkheid is dat aantal tussen 2019 en 2021 redelijk stabiel.  
  • De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzocht 45 van de 3301 nieuwe uithuisplaatsingen die in 2021 plaatsvonden. De meeste jongeren die in 2021 uit huis werden geplaatst, zijn 16 of 17 jaar. In meer dan de helft van de 45 gevallen (51,1 procent) zijn deze kinderen bij familie of vrienden van het gezin terecht gekomen. In ruim twintig van de onderzochte uithuisplaatsingen stonden zowel ouders als de jongeren achter de beslissing. In alle gevallen was sprake van ingewikkelde problemen op meerdere fronten.
  • Volgens uitgebreid Europees data-onderzoek staat Nederland wat betreft het aantal kinderen die op rechterlijk bevel uit huis zijn geplaatst, op de dertiende plaats van de 28 onderzochte landen.
Lees verder

24 maart 2022, Dit was het Nieuws. Presentator Harm Edens geeft cabaretier Peter Pannekoek het woord. Hij begint over de ophef du jour – er was weer iets met Sywert, en ook iets met Pixar die een lesbische zoen uit een film had geknipt. Pannekoek zegt dat zulke probleempjes in het niet vallen bij 1115 uithuisgeplaatste kinderen. 

Een half jaar daarvoor had het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een tabel gepubliceerd om het ministerie van Justitie en Veiligheid van informatie te voorzien. Daaruit bleek dat vanaf 2015 minstens 1115 kinderen van gezinnen die door de toeslagenaffaire waren getroffen, uit huis waren geplaatst. Volkskrant-columnist Harriët Duurvoort sprak er schande van.

Lang hield die publieke verontwaardiging niet aan. Vandaar dat Pannekoek op primetime tv een monoloog afstak over deze uithuisplaatsingen. ‘We hebben dus gewoon in Nederland 1115 kinderen, minimaal, die uit huis zijn geplaatst door de toeslagenaffaire. [..] Die kinderen zien al jaren hun ouders niet meer. Ik vind het mindblowing. Als er morgen één kind wordt ontvoerd, staat het hele land in lichterlaaie, hebben we amber alerts, zoektochten. En nu zijn er 1115 kinderen weg, en er is nog niet één kind terug. Wat is dit voor waanzin?’

‘Dat is intens treurig, ja,’ bevestigt Edens.

‘Eigenlijk zou ik het woord willen munten… dit zijn staatsontvoeringen. Letterlijk ontvoeringen door de staat.’

Het YouTube-filmpje is inmiddels ruim 121.000 keer bekeken. Onder het fragment staan 192 reacties. Het merendeel gaat er met gestrekt been in.

Op Twitter is de hashtag #staatsontvoeringen het weekend erna trending. De emoties lopen hoog op. ‘Kan iemand even het amber alert-programma hacken, en heel Nederland een sms sturen met het verzoek uit te kijken naar de 2000 door onze overheid geroofde kinderen?’ tweet iemand.  

‘Gaan we het hebben over staatsontvoeringen?’, vroeg het AD een paar dagen later aan minister voor rechtsbescherming Franc Weerwind. Hij antwoordde afwijzend: ‘Ik heb moeders gesproken en het verdriet gezien. Ik ben geschrokken van hun verhalen. Mensen die hun kinderen niet naar bed hebben kunnen brengen, die hen jaren hebben moeten missen. Maar dit is geen term die zij bezigen. En ik ook niet.’

Stemmingmakerij

De kritiek op dat heftige woord kreeg minder aandacht. Het beeld van veel te veel uithuisplaatsingen, door overheidshandelen of op basis van één enkele gebeurtenis, zou onterecht zijn. 

Dit geluid bereikte ook Peter Pannekoek. Zijn uitspraak was ‘populistische stemmingmakerij,’ zo vat hij de kritiek nu samen. ‘“Staatsontvoeringen” is een gigantisch woord, dat letterlijk niet klopt. Dat is waar: er is geen losgeld gevraagd, nee. Tegelijkertijd: er was toen geen discussie. De aandacht was weg.’

In de uitzending een week later brengt de cabaretier al wat nuance aan. Tegen Follow the Money zegt hij: ‘Een uithuisplaatsing kan ook terecht zijn. En de mensen die dit werk doen, hebben ook een onmogelijke taak. Sinds die uitzending ben ik me er nog meer in gaan verdiepen. Als je dan leest dat er ieder jaar een schrikbarend hoog aantal kinderen uit huis geplaatst wordt, dan denk ik: wat een pervers systeem is dit.’ 

Is dat aantal werkelijk stuitend hoog? Wat blijft er over van Nederland als ‘kampioen uithuisplaatsen’ als we de cijfers ontleden?

1675 ‘toeslagenkinderen’

De eerste cijfers die het CBS over ‘toeslagenouders’ publiceerde, in oktober 2021, maakten melding van 1115 uithuisgeplaatste kinderen. Nadat een halfjaar later ook alle gegevens over 2021 binnen waren en meer gedupeerden zich hadden gemeld, stelde het CBS hun aantal in april 2022 bij. De bekende toeslagenouders hebben in totaal 59.805 minderjarige kinderen. Tussen januari 2015 en december 2021 zijn 1675 van hen via de rechter bij hun vader en/of moeder weggehaald. 

Van deze 1675 kinderen waren er 1120 op 30 december 2021 inmiddels ‘uit’ de jeugdzorg. Daarvoor zijn diverse redenen: 430 zijn inmiddels meerderjarig, bij 335 kinderen is de beschermende maatregel beëindigd, bij 20 kinderen werd de beschermende maatregel tussentijds opgeheven. Bij 40 kinderen ging de voogdij naar de pleegouder. In 30 gevallen is het ouderlijk gezag hersteld. 260 kinderen staan nog onder toezicht van de kinderrechter. 

Op 30 december 2021 waren er al met al 555 kinderen nog uit huis geplaatst. Het onderzoek naar de achtergronden van deze uithuisplaatsingen is niet afgerond: er valt nog niet te zeggen of die rechtstreeks verband houden met het toeslagenschandaal. De Inspectie van Justitie en Veiligheid neemt in dit onderzoek het voortouw. Zij verwacht aan het einde van dit jaar resultaten te kunnen leveren.

Hoeveel uithuisplaatsingen zijn er?

Het CBS heeft als enige instantie landelijk zicht op hoeveel kinderen uit huis zijn geplaatst. Daarbij moet worden aangetekend dat het CBS alleen gedwongen uithuisplaatsingen kan tellen, oftewel de gevallen waar de kinderrechter aan te pas is gekomen.

Vrijwillige uithuisplaatsingen, waarmee de ouders instemmen of die ze zelf initiëren, of semi-vrijwillige, via ‘drang’ – dat wil zeggen: onder dreiging dat de rechter alsnog wordt ingeschakeld als de ouders niet meewerken – worden niet landelijk bijgehouden (zie het kader ‘Bemoeizorg, de grote onbekende’). 

Wat het tellen van uithuisplaatsingen lastig maakt, is dat een uithuisplaatsing niet als zodanig in de boeken staat. Om die te achterhalen, moet het CBS twee groepen combineren: kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel en kinderen die bij een jeugdhulpaanbieder wonen, in CBS-taal: ‘jeugdhulp met verblijf’.

Onder die laatste groep vallen echter ook alle kinderen die vanwege ‘zorginhoudelijke redenen’ niet thuis kunnen wonen, legt de woordvoerder van het CBS uit: ‘Denk aan kinderen met ernstige psychiatrische ziekten of stoornissen, kinderen met meer dan één aandoening, of kinderen met verstandelijke beperkingen die verhinderen dat ze thuis kunnen wonen. Dit zijn kinderen waarvan heel helder is dat zij alleen met een opname geholpen zijn, of die ook na hun achttiende niet zelfstandig kunnen wonen.’ 

Hoe groot deze groep precies is, is moeilijk vast te stellen. Het CBS splitst bij jeugdhulp met verblijf uit hoeveel kinderen in een pleeggezin, gezinshuis of gesloten instelling wonen (zie de tabel verderop), maar de rest valt onder ‘overig’. En die groep is groot: van de 43.900 kinderen die in 2021 niet thuis woonden, zat 42 procent – 18.435 kinderen – in deze categorie. Ook de jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die vanuit de Jeugdwet via begeleid wonen of kamertraining leren op eigen benen te staan, behoren tot deze groep.

Trekken we de grote groep ‘overig’ van alle kinderen met jeugdhulp met verblijf af, dan resteren er 25.465 kinderen van wie we zeker weten dat ze niet thuis wonen, minderjarig zijn, niet klinisch zijn opgenomen en niet in kamertraining zitten.

Bemoeizorg, de grote onbekende

Soms nemen ouders zelf het initiatief om hun kind tijdelijk elders onder te brengen. Zulke vrijwillige uithuisplaatsingen worden nergens geregistreerd. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) schat dat ongeveer de helft van alle uithuisplaatsingen vrijwillig gebeuren. 

Semi-vrijwillige uithuisplaatsingen zijn een ander verhaal. Heeft vrijwillige hulpverlening niet genoeg effect binnen het gezin, dan kan de jeugdbeschermer extra voorwaarden stellen aan de ouders om een gang naar de rechter te voorkomen. Deze ‘drang’ (of ‘bemoeizorg’) is een voorstadium van gedwongen hulp: vrijwillig, maar niet vrijblijvend. 

Het probleem is: drang is buiten de wet om ontstaan. Een tamelijk ongewenste ontwikkeling, blijkt uit de Wetenschappelijke factsheet uithuisplaatsingen die op 4 mei naar de Tweede Kamer ging. Ook omdat elke gemeente dit ‘op eigen wijze’ regelt en niet centraal staat geregistreerd hoeveel gezinnen met deze bemoeizorg te maken krijgen. Het enige dat het factsheet erover meldt, is dat dit ‘vaak’ voorkomt.

Onderzoek toont aan dat ouders ‘vervelende’ druk ervaren om mee te werken. Maar omdat drang niet bij wet is geregeld, kunnen gezinnen nergens in beroep en kunnen zij geen bezwaar aantekenen. Zonder ondubbelzinnige toestemming van ouders moet de rechter deze beslissing nemen. In de context van een ongelijke machtsverhouding tussen gezinnen en beroepskrachten is geen sprake van ondubbelzinnige toestemming. Daarom vinden de opstellers van het factsheet uithuisplaatsingen via drang ‘niet acceptabel’.

Lees verder Inklappen

Redelijk stabiel

Is de stroom uithuisplaatsingen gestaag, neemt die af of juist toe? In 2021 ontvingen 460.740 kinderen een vorm van jeugdhulp: 43.900 daarvan wonen niet thuis, nog geen 10 procent dus. Van hen verblijven er 25.465 (bijna 60 procent van de niet-thuiswonende kinderen) in pleeggezinnen, gezinshuizen of gesloten jeugdzorg. 

Tussen 2019 en 2020 daalde hun aantal, om in 2021 licht te stijgen.

De cijfers over 2021 zijn niet goed vergelijkbaar met die over 2015 tot en met 2020, waarschuwde het CBS in april 2022. Elk half jaar vraagt het CBS alle jeugdhulpaanbieders om gegevens. Toen in het voorjaar van 2021 bleek dat deze lijst niet compleet was, heeft het CBS zijn lijst uitgebreid met alle jeugdhulpaanbieders die via gemeenten zorg declareren.

Zo kwam er een ‘substantieel aantal, met name kleine jeugdhulpaanbieders’ bij, samen goed voor ruim 31 duizend jongeren met jeugdhulp extra. Relatief zit de groei ’m vooral in kinderen die in gezinshuizen komen te wonen. Niet zo gek, toonde Follow the Money eerder aan: gezinshuizen zijn aan een forse opmars bezig. 

Extreme uitschieters zijn er niet, in de afgelopen drie jaar. De ‘zekere’ aantallen (‘jeugdhulp met verblijf’ minus de categorie ‘overig’) schommelen van 25.040 kinderen in 2019 en 24.335 in 2020 tot 25.465 kinderen in 2021.

Uit huis, maar binnen de familie

Zulke nuances passen in het beeld dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd schetst. Om het feitenonderzoek dat voorafgaat aan gedwongen uithuisplaatsingen te analyseren, onderzocht de IGJ 45 zaken uit 2021. 

Dat jaar waren er volgens de berekening van de Inspectie 3301 nieuwe uithuisplaatsingen. ‘Nieuw’ houdt in dat de rechter de eerste machtiging voor uithuisplaatsing afgaf. Dat betekent dat er in dat jaar gemiddeld negen kinderen per dag voor het eerst uit huis werden geplaatst. 

De belangrijkste conclusie: in geen enkel dossier was het feitenonderzoek volledig op orde (zie het kader ‘De professionals leveren de feiten aan’). De andere conclusies waren al even nieuwswaardig. De meeste jongeren die in 2021 voor het eerst uit huis werden geplaatst, zijn 16 of 17 jaar. In meer dan de helft van de 45 gevallen (51,1 procent) komen deze kinderen bij familie of vrienden van het gezin terecht.

In ruim twintig van de onderzochte uithuisplaatsingen stonden zowel ouders als de jongeren achter de beslissing. Bij elf uithuisplaatsingen was geen van de betrokkenen het met de uithuisplaatsing eens. In de overige gevallen stemde één ouder ermee in en de andere niet, of stond de jongere erachter, maar diens ouders niet. 

In alle 45 onderzochte dossiers is sprake van ingewikkelde problemen op meerdere fronten. ‘Dit onderzoek nuanceert het maatschappelijke beeld dat voornamelijk jonge kinderen uit huis worden geplaatst, dat zij door een enkele aanleiding bij hun ouders worden weggehaald en in een instelling worden geplaatst,’ schrijft de Inspectie.

‘De professionals leveren de feiten aan’

‘Een psychiater die zegt dat een moeder niet in staat is om een kind op te voeden, is een feit. Zegt oma hetzelfde, dan is het geen feit. Wat ouders zeggen, is per definitie hun visie op de waarheid. De professionals leveren de feiten aan.’

Dit citaat uit het rapport van de IGJ over de kwaliteit van het feitenonderzoek is precies het probleem, zeggen ouders. Feiten en meningen lopen door elkaar. Dat klopt, schrijft de Inspectie op basis van kwalitatief onderzoek naar 45 dossiers. 

In de helft van de rapportages maakt de jeugdbescherming geen onderscheid tussen feiten en meningen. In 70 procent van de rapporten vermeldde de jeugdbescherming geen bron bij diagnoses. Als ouders en jeugdigen zelf hun diagnose benoemen, verifieert de jeugdbeschermer die niet bij de behandelaar.

Oude informatie (ouder dan twee jaar) duikt geregeld in rapporten en plannen op, om patronen van bijvoorbeeld huiselijk geweld of zorgmijding in een gezin aan te tonen. In vier gevallen was het nut van die oude informatie onduidelijk. En waar de ene professional feitelijke onjuistheden aanpast, voegt de ander een reactie toe, maar verandert er verder niets aan het rapport zelf.

Lees verder Inklappen

Ingewikkelde problemen 

Wat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bedoelt met ‘ingewikkelde problemen’ blijkt treffend uit deze uitspraak, waarin de rechter de uithuisplaatsing verlengt bij een erkende gedupeerde in het toeslagenschandaal. Een moeder kon haar kinderen van 2 en 4 jaar oud ‘niet de noodzakelijke veiligheid bieden’; daarom werden ze op 20 november 2020 met spoed weggehaald.

Dat was drie maanden nadat de politie, na meldingen van buurtbewoners, de kinderen met een volle luier op het balkon vond, roepend om hun moeder. De politie had aangebeld, niemand deed open, dus ‘verschaften de agenten zich toegang tot de woning’, die niet opgeruimd bleek. Moeder en haar partner lagen te slapen. De agenten kregen hen met moeite wakker. Moeder bleek onder invloed van alcohol en drugs. Het drugsgebruik was geen incident, concludeerde de politie uit wat ze aantrof in huis. 

Het gebit van het oudste kind was afgebrokkeld, de tanden waren zwart. ‘Dit wekt de indruk dat ze nooit zijn gepoetst.’ In het pleeggezin waar de kinderen naartoe gingen, verliep het douchen aanvankelijk met zoveel problemen dat ‘onduidelijk was in hoeverre de kinderen gewend waren om te douchen’.

Wat valt wie te verwijten?

De moeder uit de bovenstaande uitspraak voert aan dat haar ‘niet verweten kan worden dat zij het heel zwaar te verduren heeft gehad door toedoen van de staat. Door de chaos die is ontstaan, raakte moeder haar structuur en daardoor de kinderen kwijt.’

De kinderen zouden in juni 2021 thuiskomen, voert ze aan, maar dat kon niet doorgaan omdat haar inmiddels een huisuitzetting boven het hoofd hing. Uiteindelijk kon ze in haar huis blijven, ook omdat de overheid met 30 duizend euro doorkwam. Sindsdien is er niet meer aan thuisplaatsing gewerkt. 

Het is de vraag of dat laatste de jeugdbescherming valt te verwijten. Vaak is de hulp er gewoon niet. Dat bleek al in november 2019, toen de Inspectie voor het eerst alarm sloeg. Dat alarm is nooit verstomd: 7 september ontving de Tweede Kamer een evaluatie van de wet op de kinderbescherming, die onomwonden stelt dat de situatie ‘nog nooit zo slecht was als nu’. 

‘Kampioen uithuisplaatsen’

Betekent dit alles dat Nederland meer kinderen bij hun ouders weghaalt dan andere Europese landen, en dus ‘kampioen uithuisplaatsen’ is? Die overtuiging is hardnekkig, maar valt niet te onderbouwen. Sinds 2020 verzamelt EU DataCare, een project van Eurochild en Unicef, in de 27 landen van de Europese Unie en in het Verenigd Koninkrijk gegevens over kinderbescherming. Of liever gezegd: over kinderbeschermingssystemen, om uiteindelijk landen met elkaar te kunnen vergelijken. 

Dat kan nu namelijk niet. ‘Hoe het aantal kinderen wordt geregistreerd dat niet bij de eigen ouders opgroeit, verschilt per land,’ schrijft het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) in zijn notitie Inzicht in uithuisplaatsingen in Nederland en de rest van Europa. Plaatsingen in formele instellingen, zoals pleegzorg en gezinshuizen (of in weeshuizen, zoals in Oost-Europese landen), worden meestal wel bijgehouden. Plaatsingen bij familieleden vallen in veel landen buiten de tellingen. 

Voor Nederland nam het EU DataCare-project de CBS-cijfers over ‘jeugdhulp met verblijf’. Nederland belandde daarmee op de dertiende plaats van de 28 onderzochte landen. Stevig in de middenmoot dus, en bepaald geen ‘kampioen’. Die dubieuze eer valt Letland ten deel. Vergelijken vraagt sowieso de nodige voorzichtigheid, waarschuwt het NJi, verantwoordelijk voor het Nederlandse deel van het DataCare-project. ‘Cijfers zijn een platgeslagen weergave van een dynamische en complexe praktijk.’ 

Wel denkt het NJi dat de praktijk in Nederland veel te ingewikkeld is. ‘De hardnekkigheid van het beeld in Nederland [als kampioen uithuisplaatsen, red.] heeft eerder te maken met het jeugdbeschermingssysteem dat zoveel complexer lijkt dan dat van andere landen. Het Nederlandse stelsel is te ingewikkeld voor ouders die er mee te maken krijgen en voor buitenstaanders nauwelijks te begrijpen.’

Dat heeft consequenties, zegt NJi-onderzoeker Caroline Vink in een artikel bij de notitie. In Denemarken en Zweden is de hulpverlening volgens haar ‘meer gericht op het hele gezin en niet alleen op het kind. Hulpverleners spreken meer mét in plaats van óver het gezin. Hier in Nederland hebben we een systeem dat meer gebaseerd is op wantrouwen dan op vertrouwen.’

Het is tijd om een debat over dat wantrouwen te voeren – gewapend met de feiten.