Een paar weken geleden meldde Niko Roorda hier: ‘Ik heb een plan’. Vorige week heeft hij de doelen en de randvoorwaarden daarvan beschreven. In de nieuwe aflevering van vandaag zet hij het plan uiteen. Lees mee en denk mee!

    In de vorige aflevering introduceerde ik het model van de ‘Brede Holle Weg’, wat ik een heel mooie metafoor vind voor de weg die de mensheid vóór zich heeft liggen: een dynamische maar tegelijk relatief veilige weg. Niet iedereen vond het een geslaagde metafoor. Braavos kreeg er ‘claustrofobische gevoelens’ van, voor hem roept het een ‘statisch’ beeld op. Gert 19 moest bij de ‘weg’ denken aan ‘veel auto’s en intrinsieke verspilling’, hetgeen niet bepaald duurzaam is. Zo zie je hoe zulke beelden erg verschillend kunnen overkomen, want het woord wekt bij mij juist de associatie van een prachtig pad door de natuur waar wij als mensen wandelend, dansend of huppelend doorheen trekken: op avontuur. Lydia ziet iets dergelijks, denk ik, want zij vindt het beeld ‘juist heel mooi. Beschermend ook. Het geeft rust.’

    Ik noemde de Drie Wetten van Clarke, die ik persoonlijk zeer inspirerend vind. Het viel me een beetje tegen dat niemand daarop reageerde: blijkbaar ziet niet iedereen de schoonheid en kracht ervan. Behalve misschien Arend 8, die de ‘Wet van Pippi Langkous’ citeerde: ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.’ Ik weet niet, Arend, of je daarmee mijn ‘Eerste Wet van Roorda’ ondersteunde of juist bekritiseerde: ‘Pas als het lukt, weet je of het kan.’ Ironie is soms lastig te duiden. Hoe dan ook, Pippi’s uitspraak is natuurlijk geweldig, niet?

    Met de aflevering van deze week sluit ik Hoofdstuk 1 af. Nadat ik vorige week de doelen en de randvoorwaarden van mijn plan voor de omniconomie benoemde, zet ik deze keer de route uit. Die bestaat uit twee gedeelten. Het eerste deel, in de hoofdstukken 2 tot en met 4, is analytisch van aard. In het tweede deel, hoofdstuk 5 tot en met 8, schrijf ik over de aanpak die ik voorstel.

    1.6. Analyse en aanpak

    Deel 1: Analyse

    Nu het doel is vastgesteld, kan ik het plan verder beschrijven. Dat begint met een zorgvuldige analyse, verdeeld over de eerste vier van de acht hoofdstukken, want het is noodzakelijk om eerst goed te begrijpen wat er tot nu toe verkeerd gaat en waarom. Daar zijn al veel analyses over geschreven, maar ik heb je al gezegd dat die niet diep genoeg graven. En dus ga ik dieper.

    Hoofdstuk 2

    Om te beginnen laat ik zien dat de oorsprong van de fundamenteel onduurzame economie ligt in het falen van de economie als wetenschap.

    Dat falen heeft een aantal oorzaken. Eén ervan is, dat de economische theoretici hun werkterrein ten onrechte hebben losgeweekt uit de complexe omniconomische werkelijkheid die ik symbolisch heb getekend in Figuur 1.18. Door die isolering wordt de niet-economische context tot externaliteit verklaard die naar willekeur mag worden ge- en misbruikt, hetgeen volop gebeurt.

    Figuur 1.18. De werkelijkheid is uiterst complex. Deze afbeelding beeldt symbolisch de wortels uit van slechts één maatschappelijk probleem: de snel groeiende ongelijkheid.

    De volgende oorzaak is dat de theoretici het door hen geïsoleerde stukje werkelijkheid absurd sterk versimpelen. Op zichzelf is het logisch om modellen te ontwikkelen die de werkelijkheid op een vereenvoudigde manier weergeven. Ieder wetenschapsgebied doet dat, het kan ook niet anders. Maar in de overheersende economische modellen zijn uiterst complexe wisselwerkingen, die ik symbolisch heb getekend in Figuur 1.18, extreem versimpeld tot de eenvoudige rechtlijnige relaties van Figuur 1.19, waarin het blauwgroen gekleurde middendeel symbool staat voor het economische domein en alle grauwgrijzige gebieden eromheen voor de externaliteiten.

    Figuur 1.19. De economie versimpelt de complexe realiteit tot een klein aantal rechtlijnige objecten en wisselwerkingen. Blauw = het domein van de economie; grauw = externaliteiten. Waar de één de wortels herkent van de groeiende ongelijkheid, daar merkt een ander vooral dat ‘de’ welvaart toeneemt.

    De grootste ellende ontstaat vervolgens doordat sommige economen, nagevolgd door heel veel politici en bestuurders, vergeten (of nooit wisten) dat Figuur 1.19 een veel te grove nabootsing is van Figuur 1.18, waarna ze de conclusies uit de kinderlijke economische modellen en theorieën gaan toepassen op de echte werkelijkheid en er hun politieke en economische overheids- of ondernemingsbeleid op baseren. Nee, het is heus geen wonder dat het economische systeem van tijd tot tijd explodeert, net als het klimaat. En ook niet dat de groeiende ongelijkheid samenlevingen verscheurt, net zoals in de afgelopen paar duizend jaar herhaaldelijk gebeurde.

    Al met al maakt dat, dat het vakgebied economie in de verste verte geen volwassen wetenschap is. Ik weet het, op deze plaats in het boek bewijs ik dat allemaal nog niet, ik beweer het alleen nog maar aan de hand van een paar aardige plaatjes. Maar in hoofdstuk 2 kom ik met bewijzen.

    Daar voeg ik nog andere elementen aan toe, die samen duidelijk maken waarom ik de economie een protowetenschap noem. Daarbij kun je denken aan de constatering dat de economie de methoden van volwassen wetenschappen, met name de natuurkunde, rechtstreeks en kritiekloos kopieert – een tactiek die fysicalisering heet. Dat blijkt bijvoorbeeld doordat de economie, met name de tak die econometrie heet, probeert om de werkelijkheid net als de natuurkunde in wiskundige formules te vatten. In de natuurkunde lukt dat behoorlijk, waarschijnlijk omdat het domein van de fysica het gemakkelijkste is van alle wetenschapsdomeinen. (Mensen en ondernemingen zijn ongelooflijk veel complexer dan atomen en sterren…) Een ander aspect van de fysicalisering van de economie is het breed aangehangen geloof dat de economische wetten eenzelfde status hebben als de natuurkundige wetten. Vanzelfsprekend is dat niet waar, want in tegenstelling tot de natuurkundige wetten, die door mensen ontdekt zijn, zijn de economische wetten door mensen bedacht, net als juridisch wetten. Ze zijn een keuze. Door zo’n verkeerd beeld van de economische wetten ontstaat de illusie dat het economisch systeem niet anders kan zijn dan het is, waardoor tal van keuzemogelijkheden bij voorbaat onzichtbaar worden gemaakt.

    De illusie van de noodzakelijkheid van de economische wetten is een voorbeeld van een mythe, dat wil zeggen: niet zomaar een verhaal, maar een verhaal waarin op irrationele wijze geloofd wordt, zelfs als empirische bewijzen ze ontkrachten. De economen hebben de mythosfeer volgehangen met dat soort mythen. Een deel daarvan zijn komische vanzelfismen die ik ga beschrijven. Het is dan ook geen wonder dat in het economische vakgebied tal van scholen bestaan die elkaar bevechten om de kern van het domein. Net als mythen vormen ook deze scholen een belangrijk kenmerk van een protowetenschap. Ik gaf al het voorbeeld dat sommige economische scholen adviseren dat overheden in een tijd van economische crisis moeten bezuinigen op hun uitgaven, terwijl andere het tegenovergestelde advies uitbrengen.

    Een hoofdkenmerk van protowetenschap is verder het bestaan van foute woorden. Als je de geschiedenis van de wetenschap langsloopt, dan zie je dat iedere thans volwassen wetenschap in de protofase foute woorden gebruikte. Zo bezat de oudste echte wetenschap, de natuur- en sterrenkunde, in de protofase onder meer het woord ‘impetus’. Aan dat woord hangt een boeiend verhaal dat ik je ga vertellen, omdat het een kenmerkend voorbeeld oplevert. Latere foute woorden van andere protowetenschappen ga ik dan ook ‘impetuswoorden’ noemen. Welnu, de huidige economie gebruikt heel wat van zulke impetuswoorden.

    Een van de gevolgen van het gebruik van zulke woorden, en van het irrationele geloof in de mythen die ermee verteld worden, is het bestaan van vooroordelen. Van oogkleppen, van eenzijdige, gekleurde waarnemingen. Zo wordt de in Figuur 1.18 getoonde groeiende ongelijkheid door welgestelde economen vooral opgemerkt als een groeiende welvaart in Figuur 1.19.

    Hoofdstuk 3

    Vervolgens ga ik laten zien hoe de grote duurzaamheidsproblemen, die de levenskracht en zelfs het voortbestaan van de beschaving, de mensheid en de natuur ernstig bedreigen, hun wortels hebben in het protowetenschappelijk karakter van de economie. Voorbeelden van zulke dreigingen toonde ik al in Figuur 1.7, waar ik in de hoek van people noemde: oorlog, vluchtelingen, verscheurde samenlevingen. Planet: klimaatverandering, grootschalige uitsterving. En profit: doorschietende groei, instortende beurzen. Ik ga vertellen over ingewikkelde zelfversterkende terugkoppelingsmechanismen, over systeemtraagheden en over kantelpunten.

    Hoofdstuk 4

    Het analyserende gedeelte van het boek sluit ik af door te laten zien dat er niet uitsluitend slecht nieuws is. Ik zal er ingaan op de successen die behaald worden, bijvoorbeeld doordat het in een van de SDG’s geformuleerde doel van uitroeiing van de armoede in toenemende mate tot resultaten leidt. Deze successen zijn ongelooflijk belangrijk, ook al bieden ze geen langetermijnoplossingen, omdat we er tijd mee kopen. We kunnen er bepaalde ernstige crises mee uitstellen, waardoor we in de tussentijd tegelijk kunnen werken aan het plan dat ik voorstel voor definitieve oplossingen, dat wil zeggen, voor het herontwerp van het omniconomische wereldsysteem.

    In dat kader gaat het niet alleen om wat overheden en internationale organisaties kunnen bewerkstelligen. Ook de rol van het bedrijfsleven is van vitaal belang. Daarom schrijf ik ook over de hoofdlijnen van toekomstgericht ondernemen. Voor dat doel heb ik in de afgelopen twintig jaar een managementmethode ontwikkeld, die als model kan dienen voor het ambitieuze plan voor een herontwerp van de gehele omniconomie: de onderneming staat model voor de gehele samenleving en natuur.

    In het Engels heet de methode, die tegelijk een assessment- en een beleidsinstrument is, Future-Focused Entrepreneurship Assessment, afgekort tot FFEA. Toepassing van FFEA in bedrijven en andere organisaties heeft als effect dat hun toekomstbestendigheid en veerkracht, gebaseerd op hun identiteit, toeneemt – en daarmee ook die van de samenleving als geheel.

    Je vindt FFEA en de effecten daarvan terug in Figuur 1.20, waar ze in de politosfeer en de fenosfeer hun vanzelfsprekende plaats hebben. Daarmee sluit ik het analyserende eerste gedeelte van het boek af.

    Figuur 1.20. De Vier Sferen met de elementen die dit boek toevoegt

    Deel 2: de Aanpak

    De tweede helft van het boek beschrijft de aanpak, dat wil zeggen, de taken die in het kader van mijn plan uitgevoerd dienen te worden. Dat zijn er vier, en daarom bestaat de tweede helft net als de eerste uit vier hoofdstukken.

    Hoofdstuk 5

    De eerste taak is om het wereldwijde omniconomische systeem beter te gaan begrijpen. Dat is van doorslaggevend belang. Dat is wel gebleken, want veel van de huidige grote rampen en dreigingen zijn ontstaan doordat economen hun vakgebied gewoon niet goed begrepen (maar dachten dat ze dat wel deden).

    Verwacht niet te veel ineens! Het is niet het doel van dit boek om het omniconomische systeem ergens tussen het voor- en het achterkaft te gaan begrijpen. Zo snel gaat het niet. Een werkelijk, diepgaand begrip kan alleen ontstaan als duizenden onderzoekers van tal van disciplines hun inspanningen combineren.

    Wat ik in dit boek wel doe, is schetsen hoe zo’n proces kan verlopen. Ik doe dat door naar het verleden te kijken. Het is enorm boeiend om te zien hoe oudere wetenschappen, via een fase van protowetenschap, ontstaan zijn uit hun historische wortels in de religies, het magisch denken of de filosofie. Ik ga je laten zien dat er opmerkelijke parallellen zijn tussen het ontstaan van de natuur- en sterrenkunde in de 17e eeuw, de scheikunde in de 18e eeuw, de biologie in de 19e eeuw en de geneeskunde in de 20e. En niet te vergeten: de neuropsychologie die momenteel, in de 21e eeuw, aan het volwassen worden is. Kenmerkende verschijnselen zijn steeds: het beschikbaar komen van nieuwe instrumenten (van telescoop tot fMRI), nieuwe wiskundige technieken en nieuwe wetenschappelijke methoden, en vooral van nieuwe woorden die de oude ‘impetuswoorden’ opvolgen. Het is fantastisch om de parallel door te trekken naar de omniconomie.

    Verder kijk ik naar wat je van een wetenschap mag verwachten. Wat definieert een ‘succesvolle’ wetenschap? In de 19e eeuw zou het antwoord vermoedelijk geweest zijn: het vinden van waarheden. Maar de lessen van de 20e eeuw hebben ons geleerd dat dit nooit het doel van wetenschap kan of mag zijn; ik zal je vertellen waarom. Desondanks is een van de gewenste successen van wetenschap vanzelfsprekend dat we het betreffende vakgebied gaan begrijpen. Dat roept vanzelf de vraag op: als begrijpen niet hetzelfde is als het ontdekken van waarheden, wat is het dan wel? Ik ga daarop in, en voeg daar andere vormen van succes aan toe, zoals het uiten van voorspellingen of verwachtingen die (vaker wel dan niet) uitkomen, het opleveren van producten of diensten die we als waardevol beschouwen, en het bijdragen aan een beter bestaan in de vorm van welvaart of welzijn. Sinds de geboorte van het nieuwe GROTE verhaal ‘Duurzaamheid’ voegen we daaraan onmiddellijk de voorwaarde toe dat dat niet alleen geldt voor onszelf maar voor iedereen, nu en in de toekomst, inclusief de natuur als geheel.

    Hoofdstuk 6

    Mag dat dan? Eisen dat de wetenschap maatschappelijk gedefinieerde waardevolle dingen oplevert? Volgens de oudere wetenschapsopvatting, tot ergens in de 20e eeuw, diende wetenschap volstrekt waardenvrij te zijn: neutraal, objectief. Maar dat wetenschapsbeeld is al een poosje verouderd, en tegenwoordig wordt van veel wetenschappen – misschien niet van de astronomie, maar zeker wel van bijvoorbeeld de geneeskunde of de ecologie – verwacht dat ze juist betrokken zijn bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Het is belangrijk om dat goed uiteen te zetten. Daarna beschrijf ik dat het weliswaar een taak is van de wetenschappelijke onderzoekers om de omniconomie te gaan begrijpen en er modellen voor te bouwen die de wereld op de Brede Holle Weg brengen die ons naar de gewenste intrinsieke duurzaamheid voert; maar dat zij niet de bevoegdheid hebben om de doelen van die intrinsieke duurzaamheid vast te stellen. Want die doelen gaan uiteindelijk over de vraag: In wat voor wereld willen we eigenlijk leven?

    Welnu, de wereld is van ons allemaal. Van ieder mens. Eigenlijk ook van alle andere dieren en levenssoorten, maar die kunnen we die vraag niet voorleggen. Wat we wel kunnen is, onze mededieren en overige medewezens goed bestuderen in een poging om die vraag namens hen door mensen te laten beantwoorden. Zodat via ons, hun zelfbenoemde ‘vertegenwoordigers’, hun voorkeur toch meetelt.

    Datzelfde principe van de ‘vertegenwoordiging’ moeten we toepassen op de mensen van toekomstige generaties. Dat principe, dat ook iedere toekomstige persoon meetelt, leidt tot een ‘Vuistregel voor het nemen van Goede Beslissingen’ die ik je ga aanbieden.

    Maar voor de nu levende mensen, waaronder jij en ik, is zo’n indirecte vertegenwoordiging niet nodig. Een goed doordachte en gestructureerde Brede Maatschappelijke Discussie (BMD) dient te worden opgezet waaraan veel mensen deelnemen. Dat levert ons een waarachtige participatieve democratie op, die heel veel meer inhoudt dan de primitieve democratie waarin burgers eens in de zoveel jaar een stem mogen uitbrengen op een partij of een persoon, dan wel in een referendum een complexe vraag met heel veel facetten mogen beantwoorden met een simplistisch ‘ja’ of ‘nee’. In zo’n BMD is het streven niet om een meerderheid te laten beslissen (en dus een minderheid te laten verliezen) maar om consensus te bereiken over de beste aanpak, zodat iedereen wint.

    De uitkomsten van deze vorm van democratie, waarmee al uitstekende resultaten bereikt zijn, vormen de opdracht voor de omniconomische wetenschap: “Maak ons de wereld die we samen gekozen hebben.” Vanzelfsprekend vormt de BMD een continu, nooit eindigend proces. Herinner je je het ‘Vliegwiel’ van Figuur 1.13? Ik herhaal de figuur hier, zodat je hem niet hoeft op te zoeken. Nieuwe woorden brengen nieuwe verhalen brengen nieuw beleid brengt nieuwe effecten brengen nieuwe woorden. En zo blijft de mensheid een schitterend avontuur.

    Figuur 1.13 (herhaling). Het ‘Vliegwiel’: een cyclisch proces waarbij effecten nieuwe woorden oproepen

    Hoofdstuk 7

    Nou ja, en daarna is het dan natuurlijk de taak om de door de samenleving opdragen intrinsieke duurzaamheid daadwerkelijk te ontwerpen. Dat is een opdracht voor de wetenschappers. Een belangrijke randvoorwaarde is vanzelfsprekend dat de modellen die zij ontwikkelen niet overgesimplificeerd zijn, zodat de conclusies uit die modellen werkelijk van waarde zijn. Zodat ze de verlangde intrinsieke duurzaamheid opleveren. Dat betekent om te beginnen dat ze de wereld moeten opvatten als een complex systeem, in de betekenis zoals die in de 20e eeuw ontwikkeld is in een nieuwe tak van de wetenschap genaamd complexiteit, beter bekend onder de naam chaostheorie. Die populaire benaming is niet zo handig, want hij legt het verkeerde accent: op chaotische systemen in plaats van complexe systemen. Het is nu juist een van de taken van de omniconomische wetenschap om te voorkomen dat de complexe samenleving over de ‘rand van chaos’ valt via een van de vele dreigende kantelpunten. Dat doel kan bereikt worden door een omniconomisch systeem te ontwikkelen waarin duurzaamheid spontaan ‘emergeert’ (opduikt) dankzij de aanwezigheid van duurzame ‘attractoren’. Wat die woorden betekenen vertel ik je hier nog niet, maar ik beken dat ik ze wel al heb ingevuld in Figuur 1.20 in de logosfeer. Je kunt er natuurlijk ook al op googelen.

    Een ander wezenskenmerk van de te ontwikkelen omniconomie is dat het een echte wetenschap is. Dat wil zeggen, dat de empirische toetsing doorslaggevend is: de waargenomen feiten dus. Aan die eis voldoet de huidige economische protowetenschap niet bepaald. En dat is geen wonder, want de economie worstelt met een lastig probleem: het uitvoeren van relevante economische experimenten kan eigenlijk helemaal niet! Ja, je kunt kleinschalige experimenten uitvoeren, zoals een lokale gemeenschap met een eigen munt. Maar die experimenten, hoe inspirerend en leerzaam ook, kunnen niet goed opgeschaald worden naar het niveau van een continent of zelfs de hele wereld, want dan gaat alles opeens niet meer zoals voorheen in de lokale gemeenschap.

    In de 20e eeuw hebben enkele zeer grootschalige economische experimenten plaatsgevonden, maar die zijn niet geschikt voor herhaling (zoals de wetenschap eist): het Stalinisme in de Sovjetunie en het Maoïsme in China. Bij beide zijn honderden miljoenen mensen omgekomen of in diepe ellende terechtgekomen, en dat kunnen we niet nog eens doen.

    Maar kijk. Weet je nog dat ik zei dat nieuwe wetenschap voortkomt uit nieuwe instrumenten en denkwijzen? Die hebben we nu meer dan ooit! Ik noemde al ‘complexiteit’ als nieuwe denkwijze. Maar we hebben ook: computers, internet, virtuele werkelijkheden, big data, kunstmatige intelligentie, zelflerende systemen, zelforganisatie. En we hebben ‘artificial life’ (A-Life): nabootsingen van leven in de computer. Ik heb zelf een A-Life-programma geschreven waarin levensvormen evolueren tot fantastische en zeer succesvolle wezentjes: ‘genimals’, heb ik ze genoemd, ‘genetic animals’; ik ga je er meer over vertellen. Je kunt alvast een kijkje nemen op mijn website. Zij evolueren op basis van een ‘succesformule’ gebaseerd op het welbekende evolutieprincipe ‘survival of the fittest’. Welnu, nu komt het fascinerende idee dat ik heb.

    Op basis van de uitkomsten van de Brede Maatschappelijke Discussie, die een meetbare definitie van ‘duurzaamheid’ oplevert, formuleren de omniconomen een ‘succesformule’ die een wetenschappelijke invulling geeft van het principe ‘survival of the sustainablest’. Op basis van deze succesformule vinden tal van grootschalige omniconomische experimenten plaats in virtuele werelden! Deze experimenten kunnen uitstekend een speels karakter hebben, zoals in een MMORPG (een Massively Multiplayer Online Role Playing Game; ik heb de term geleerd van mijn (toen nog) tienerzoon), waarin honderdduizenden echte mensen elkaar online ontmoeten in een spel. In die virtuele werelden zijn variërende economische systemen geprogrammeerd die met elkaar concurreren om de duurzaamste score in de succesformule, als gevolg waarvan door evolutie steeds duurzamer omniconomische systemen ontstaan. In virtuele werkelijkheden.

    Hoofdstuk 8

    Want nu volgt de laatste stap. Het is natuurlijk leuk en aardig, om virtuele intrinsiek duurzame systemen te hebben ontdekt. Maar wij leven in de échte werkelijkheid; althans, dat vermoed ik. De laatste taak van de omniconomie is dus, om de door evolutie ontstane duurzame systemen te bestuderen, teneinde te ontdekken wat ze nu precies zo duurzaam maakt. Lukt dat, dan is het zaak om te bedenken hoe je de conclusies on de werkelijke fysieke wereld kunt invoeren. Dat zal nog niet meevallen, aangezien je daar te maken krijgt met allerlei soorten gevestigde belangen en weerstanden. Daarvoor moeten oplossingen gevonden worden, en die kunnen beslist niet worden geforceerd. Je hoeft echt niet te denken aan een soort opstand tegen de gevestigde orde, want van gewelddadige revoluties is de mens volgens mij nog nooit beter geworden. Het proces van invoering zal moeten lopen langs de lijnen van geleidelijkheid: evolutie dus, geen revolutie.

    Dat betekent dat er een manier gevonden zal moeten worden om iedereen bij de intrinsiek duurzame transitie te laten winnen. Als de transitie naast winnaars ook verliezers oplevert, zal de Brede Holle Weg nooit in consensus en vrede gevonden kunnen worden.

    Om te bereiken dat iedereen wint, zal het begrip ‘winst’ eerst op een nieuwe manier gedefinieerd dienen te worden, aangezien het huidige woord een impetuswoord is dat voor dat doel niet geschikt is. Dat is een onderdeel van de ingewikkelde opdracht om intrinsieke duurzaamheid in onze wereld te realiseren. Die taak – na het diepe graven het opbouwen – is misschien wel de moeilijkste van alle.

    Tenslotte

    Daarmee is Hoofdstuk 1 afgerond. Als je feedback gaat leveren, kijk dan liefst niet alleen naar de huidige aflevering maar naar heel hoofdstuk 1, dat wil zeggen vanaf 20 januari, als je daar de tijd voor kunt vinden.

    Volgende week begin ik met Hoofdstuk 2, waarin ik de status van de economie als (proto-)wetenschap systematisch ga onderzoeken. Ik nodig je uit om dat samen met mij te doen.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 676 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Volg Niko Roorda
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 1157 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Volg dossier