Jeugdzorg in het rood

Gemeenten kregen de taak jeugdzorg goedkoper en beter te regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

44 Artikelen

Beeld © Elise Vandeplancke

Door een ongekende uittocht van medewerkers zit de jeugdbescherming volledig klem. Tussen 2015 en 2019 verlieten meer dan vijfduizend medewerkers de veertien jeugdbeschermingsorganisaties. In 2019 keerde bijna een vijfde van het personeel de jeugdbescherming de rug toe, en zat 6,9 procent ziek thuis. Honderden kinderen blijven zo verstoken van hulp. ‘Het systeem staat op klappen.’

Dit stuk in 1 minuut
  • Samen met Pointer, De Limburger, de Gelderlander, Omroep Flevoland, de Stentor, het Noordhollands Dagblad, het Haarlems Dagblad, het Leidsch Dagblad, de IJmuider Courant, De Gooi- en Eemlander, Tubantia, het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant onderzoekt Follow the Money waar de jeugdzorgmiljarden blijven. 
  • Vanaf vandaag komen we naar buiten met onze bevindingen over de jeugdbescherming. Aan deze ‘intensive care van de jeugdzorg’ besteedt een gemeente grofweg 10 procent van haar totale jeugdzorgbudget. Daarbovenop komt nog de jeugdhulp die de jeugdbeschermer vervolgens inzet.
  • De hele keten van de jeugdbescherming zit verstopt. De eerste schakel is Veilig Thuis. Daar liggen per vestiging tot 200 meldingen en tot 400 onderzoeken te wachten. Pas na hun onderzoek gaat een melding door naar de tweede schakel, de Raad voor de Kinderbescherming: daar staan nu meer dan 3300 kinderen op de wachtlijst. Dan komt de derde schakel, de gecertificeerde instellingen (GI’s). Zij houden geen eenduidige wachtlijsten (‘instroomlijsten’), bij.
  • Nu de Inspectie hamert op inkorting van de wachttijden, richten de GI's zich op het halen van de wettelijke termijnen. Maar dat lukt slecht: rapportages van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd tonen aan dat de instellingen daar in ongeveer de helft van de gevallen niet in slagen. Wat de zaak lastig maakt, is dat zowel Veilig Thuis als de GI’s geen landelijke cijfers bijhouden. Intussen is het aantal maatregelen dat de kinderrechter oplegt, sinds 2016 min of meer stabiel.
  • De jeugdbescherming komt maar moeilijk aan personeel en weet zowel nieuwe als ervaren medewerkers veelal niet binnenboord te houden. Elk jaar verlaat bijna eenvijfde van de medewerkers – samen goed voor zo’n 1000 fte – de jeugdbescherming. Dat stelt de organisatie voor grote problemen. Voor gezinnen en kinderen is het nog moeilijker: die krijgen te maken met wisselende hulpverleners.
  • Follow the Money analyseerde de jaarrekeningen van alle gecertificeerde instellingen vanaf 2014. Daaruit blijkt dat de meeste gecertificeerde instellingen wel degelijk eigen vermogen hebben. Waarom steken ze dat niet in hun medewerkers?
Lees verder

Wanneer Imad Aziz op 15 februari 2021 de rechtbank betreedt, is die zijn laatste strohalm. Zijn oudste kind heeft hij al sinds de zomer niet gezien, nadat de jeugdbescherming (JB) ingreep, zijn baby heeft hij nog nooit vastgehouden. Twee dagen voor Kerst stelde de rechter ook die onder toezicht. Over de ontwikkeling van beide kinderen zijn zorgen, en Aziz had gehoopt dat de bemoeienis van de jeugdbescherming zou betekenen dat hij tenminste omgang krijgt met zijn kinderen. 

Pas ruim een maand nadat de ondertoezichtstelling (ots) van zijn jongste inging, krijgt Aziz het eerste teken van leven van de jeugdbescherming: een brief, waarin staat dat hij voorlopig geen jeugdbeschermer toegewezen krijgt. ‘Met de huidige informatie die wij hebben, is niet gebleken dat er op dit moment sprake is van een zodanige onveiligheid van uw kinderen, dat het noodzakelijk is om de ondertoezichtstelling met spoed toe te wijzen aan een vaste jeugdzorgwerker.’ Uiterlijk eind februari is er iemand beschikbaar, belooft Jeugdbescherming Brabant (JBB). Ze geven Aziz een nummer dat hij kan bellen bij calamiteiten.

Ammehoela, denkt Aziz. Dat denkt ook zijn advocaat, Roy van Kerkhof. ‘Nu de ots binnen is, gaat de rem erop. Wel een ots aannemen maar vervolgens tweeënhalve maand niets doen is onacceptabel.’

Daarom spande Van Kerkhof een kort geding aan. Zo wil hij JBB dwingen per direct een jeugdbeschermer op de zaak te zetten. ‘In twee andere zaken, waarin mijn cliënten ook smeekten om interventie van een jeugdbeschermer, is me dat ook gelukt,’ zegt de advocaat. Nog voor de rechter zich erover zou buigen, kregen ze allebei een jeugdbeschermer toegewezen.

‘De dag dat de zaak van Aziz diende, kreeg ik telefoon: er zou die middag een jeugdbeschermer op de zaak komen. Of ik het kort geding wilde intrekken. Toen ik vroeg of die jeugdbeschermer dan meteen zou bellen met Aziz, vertelde JBB dat er een brief zou uitgaan. Omdat JBB zo nog altijd niet voldoet aan haar wettelijke plicht om binnen vijf dagen na een ots contact te leggen, gingen we dus gewoon naar de rechtbank.’

Over twee maanden is er een medewerker voor Aziz beschikbaar. Tot dan krijgt hij zijn kind niet te zien

Tijdens het kort geding betoogt de jurist van JBB dat zo’n ‘beperkt hulpaanbod’ niet uniek is voor Brabant. Net als andere gecertificeerde instellingen (GI’s) is JBB genoodzaakt een telefoonnummer te geven in plaats van een terdege opgeleide medewerker in te zetten. Net als alle GI’s kampt JBB met krapte op de arbeidsmarkt en een stijgend aantal ondertoezichtstellingen. Absoluut niet wenselijk, beaamt de jurist van JBB, maar over hooguit twee maanden is er een medewerker voor Aziz beschikbaar. Tot dan krijgt Aziz zijn kind niet te zien.

JBB delfde het onderspit, en zette daarna liefst twee medewerkers op de zaak.

Een paar maanden later kan Van Kerkhof er nog kwaad om worden. ‘Met dit soort emmertjes tegen het lek aandragen heb ik mijn handen vol. Het systeem staat op klappen. Voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming sta je in sommige arrondissementen zo zes, zeven maanden op een wachtlijst. Corona heeft dat alleen maar verergerd. De Raad kolkt over, en daarna raakt de jeugdbescherming overspoeld en beland je weer op een wachtlijst. Terwijl een ondertoezichtstelling betekent dat er per direct hulp nodig is, en daar betaalt de gemeente ook voor.’

Hoe de jeugdbescherming in elkaar steekt

Bij Veilig Thuis komen meldingen binnen van mensen die kindermishandeling vermoeden. Als die na onderzoek gerechtvaardigd blijken, geeft Veilig Thuis ze door aan de Raad voor de Kinderbescherming. Die onderzoekt de situatie door met alle betrokkenen te spreken en brengt rapport uit aan de kinderrechter. 

Op basis daarvan kan de kinderrechter een ondertoezichtstelling (ots) of een voogdijmaatregel uitspreken: het kind komt dan onder de vleugels van de jeugdbescherming (JB). Die wijst een vaste jeugdbeschermer aan, die zorgt dat kind en ouders de juiste hulp krijgen, zodat het kind zich veilig kan ontwikkelen. 

De jeugdbeschermer coördineert de zorg en schakelt de hulp in die nodig is. Daarbij is de jeugdbeschermer afhankelijk van zorgbedrijven die een contract hebben met de gemeente. Door dit verwijsrecht is de rol van de gemeente gereduceerd tot die van portemonnee: de gemeente heeft niet alleen de plicht de jeugdbescherming zelf te betalen, maar ook de hulp die zij inschakelt.

Lees verder Inklappen

Wachten, wachten, wachten – in elke schakel opnieuw

In alle onderdelen van de ‘beschermingsketen’ zijn lange wachtlijsten. Zo wachtten in 2019 bij elk van de 26 Veilig Thuis-instellingen tot tweehonderd meldingen op beoordeling, en tot vierhonderd op onderzoek. Hoeveel zaken er nu in de rij staan, kan Veilig Thuis niet zeggen: het houdt geen landelijke cijfers bij. 

Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft een lange wachtrij. In 2019 wachtten er 3192 kinderen tien dagen of langer op onderzoek, op 29 april 2021 waren dat er 3397. Van alle soorten onderzoek zijn straf- en civiele onderzoeken de grootste categorie. Daarnaast doet de Raad ook onderzoek in gezag- en omgangszaken, adoptie of afstand en schoolverzuim.


Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

"Een voorzichtige schatting is dat in de zomer van 2019 vijf- tot zeshonderd kinderen op een instroomlijst stonden bij zeven onderzochte GI’s"

Over de instroomlijsten bij de gecertificeerde instellingen vallen geen betrouwbare cijfers te geven, schrijft de Inspectie in haar signalement van november 2019. Geen enkele organisatie registreert namelijk op dezelfde manier. ‘Sommige GI’s halen een kind van de instroomlijst als een (papieren) inschatting van de veiligheid is gemaakt. Andere doen dat pas als de maatregel methodegetrouw en met een vaste jeugdbeschermer wordt uitgevoerd. Een voorzichtige schatting is dat in de zomer van 2019 vijf- tot zeshonderd kinderen op een instroomlijst stonden bij zeven onderzochte GI’s.’

Hoe lang een kind op een instroomlijst staat, is evenmin hard te krijgen. ‘De voorzichtige inschatting is ‘enkele maanden’, want die wordt het meest genoemd,’ schrijft de Inspectie. 

Wettelijk is de jeugdbescherming verplicht binnen vijf dagen contact te leggen met een kind onder toezicht of voogdij. Binnen zes weken moet een plan van aanpak klaar zijn. Binnen drie maanden moet vervolghulp zijn gerealiseerd. Het regelen van vervolghulp is op dit moment het grootste struikelblok: die is er namelijk vaak niet. Of de wachtlijsten zijn lang, of de gemeente heeft geen contract met de zorgaanbieder, of het budgetplafond is bereikt, of de gemeente vindt de hulp te duur.

Per direct hulp nodig

In uitspraken op rechtspraak.nl schemert inmiddels het toenemend chagrijn van kinderrechters over de schrale beschikbaarheid van jeugdbeschermers door: ‘Al langere tijd blijkt er geen vaste jeugdbeschermer voor het gezin te zijn en niemand van de GI die bekend is met de zaak was ter zitting aanwezig. De kinderrechter verzoekt de GI zeer dringend per omgaande een vaste jeugdbeschermer voor [naam kind] aan te stellen en met spoed actie te ondernemen.’ 

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd constateerde in november 2019 in het rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd dat de jeugdbescherming niet in staat is de aan haar toevertrouwde kinderen te helpen. ‘De inspecties vinden de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering nu wordt uitgevoerd niet acceptabel en zijn van oordeel dat door het Rijk, gemeenten en instellingen ingezette maatregelen en actieprogramma’s hier op korte termijn geen adequaat antwoord op bieden.’

Kortom, actie was nodig, en wel meteen. In oktober 2020 oordeelde de Inspectie in een tussenrapportage zo mogelijk nog harder. ‘In mei 2020 – een half jaar na het uitbrengen van het rapport – waren er nog bijna achthonderd kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zonder vaste jeugdbeschermer. Voor een groot deel van de gezinnen geldt dat contacten tussen medewerkers van een gecertificeerde instelling en kinderen en hun ouders niet tijdig plaatsvond en plannen van aanpak niet tijdig opgesteld. [...] Niets doen is geen optie.’

Marktwerking werkt niet 

Sinds de Inspectie dat schreef, verloor nieuwkomer Briedis haar certificering en trokken dertien wethouders de stekker uit de Zeeuwse GI Intervence. ‘Dat het überhaupt mogelijk is dat een gecertificeerde instelling omvalt, is schokkend,’ vindt Arina Kruithof, bestuurslid van Jeugdzorg Nederland. ‘Wij hebben de wettelijke taak voor de meest kwetsbare kinderen te zorgen. Daarom zijn wij ook tegen marktwerking.’

Vanaf 2015 onderhandelen de GI’s jaarlijks met gemeenten over de tarieven. Gemeenten betalen voor het uitvoeren van een ondertoezichtstelling (tussen de 9500 en 11.000 euro per jaar per kind) en een voogdijmaatregel (ongeveer 7000 euro per jaar per kind). ‘Ieder jaar opnieuw is het onduidelijk of het tarief wel voldoende is. Daar kun je geen gezonde toekomst op bouwen,’ zegt Kruithof. ‘Ook lopen de tarieven die gemeenten betalen, steeds verder uiteen. Wat een GI voor een voogdijkind in bijvoorbeeld Overijssel krijgt, kan zo 20 tot 25 procent schelen met het tarief voor een voogdijkind in Amsterdam. Dat is raar. Wij pleiten voor een landelijk tarief, dat overal hetzelfde is.’

Al die verschillende tarieven zijn ook het Leger des Heils een doorn in het oog. Het Leger des Heils en de William Schrikker Stichting zijn de enige GI’s die landelijk werken. Dat betekent dat het Leger des Heils met 42 gemeentelijke regio’s en een aantal losse gemeenten aan tafel zit om afspraken te maken over de tarieven. Zo’n 10 procent van hun staf is met deze gemeentelijke bureaucratie bezig. Bij een aantal gemeenten werkt het Leger onder de kostprijs, terwijl het overal dezelfde zorg levert. ‘Gemeenten sturen op lage tarieven,’ zegt kapitein en bestuursvoorzitter Harm Slomp. ‘Gemeenten moeten kiezen tussen een zwembad openhouden of een kind hulp bieden, maar wij voeren als private partij gewoon een overheidstaak uit. Wij rijden niet in Maserati’s.’ 

Volgens Jeugdzorg Nederland moet het tarief met minstens 25 procent omhoog. Niet alleen om de jeugdbescherming financieel gezond te maken, ook om het aantal uren uit te breiden die een jeugdbeschermer aan een gezin kan besteden. ‘De afgelopen jaren hebben we absoluut de tering naar de nering gezet. Maar de bodem is nu echt bereikt,’ zegt Kruithof. ‘Uiteindelijk moet elke organisatie duurzaam gezond zijn om de wettelijke opdracht uit te voeren. Met deze beperkte middelen kunnen wij niet doen wat nodig is. Niet goed genoeg, in elk geval.’

Voldoende vermogen

Hoeveel GI’s zitten nu werkelijk aan de grond? Follow the Money analyseerde de jaarrekeningen vanaf 2014 van alle veertien GI’s. Daaruit blijkt dat ze lang niet allemaal kampen met geldgebrek. Integendeel: in totaal stond in 2019 bij de GI’s voor 85,1 miljoen euro op de bank. Het totale eigen vermogen was 48,7 miljoen euro. Sinds 2014 wisten ze, ondanks een omzetdaling van in totaal 180 miljoen, gezamenlijk 2,3 miljoen euro aan eigen vermogen bij te boeken. Geen vetpot, maar ook geen hoge financiële nood. 

Gezamenlijk hielden de GI’s 22,6 miljoen winst over tussen 2014 en 2019, gemiddeld genomen 1,6 ton per jaar per instelling. ‘Slechts drie gecertificeerde instellingen draaiden in 2019 verlies,’ zegt hoogleraar financial accounting Jeroen Suijs, die op verzoek van Follow the Money de analyse doornam. ‘De winstcijfers nemen over de jaren voor de meeste GI’s niet af. Anders gezegd: ik zie geen negatieve trend in de cijfers. Daardoor gaan bij mij geen alarmbellen rinkelen.’

Analyse toont grote regionale verschillen

Voor de financiële analyse onderzochten we alle gecertificeerde instellingen die jeugdbescherming en jeugdreclassering mogen leveren. In de afgelopen jaren zijn meerdere organisaties gefuseerd; inmiddels zijn er veertien GI’s. Om de jaren 2014 tot en met 2019 met elkaar te kunnen vergelijken, voegden we de jaarrekeningen van de gefuseerde organisaties samen.

Voorheen werden jeugdbeschermingsorganisaties via de provincies gefinancierd. Sinds 2015 moeten gemeenten deze zorg betalen. Sindsdien moet elke GI jaarlijks met tientallen gemeenten onderhandelen over de tarieven. 

In 2015 is de markt opengezet voor bedrijven die jeugdbescherming willen bieden. Toetreden tot deze markt is tot nu toe alleen Briedis gelukt, een coöperatie van zzp’ende jeugdbeschermers. Omdat het een kleine, startende organisatie was, hebben we Briedis niet meegenomen in onze vergelijking. Ook Nidos, dat onder het ministerie van Justitie en Veiligheid valt, hebben we niet meegenomen in de analyse: Nidos stelt geen jaarrekeningen beschikbaar.

Grote verschillen tussen GI’s

De verschillen tussen de GI’s zijn groot. JB Gelderland staat er verhoudingsgewijs het beste voor. In 2020 had zij een eigen vermogen van 7,8 miljoen euro, een groei van 4,8 miljoen euro in de afgelopen zes jaar. Die groei geeft een vertekend beeld, zegt bestuurder Arno Lelieveld. ‘Er was ten onrechte een voorziening opgenomen. In werkelijkheid nam het eigen vermogen met 1,5 miljoen euro af. Desondanks staat de organisatie er financieel goed voor. We zullen dit vermogen voor een belangrijk deel investeren in innovatie en het oplossen van knelpunten.’

Sommige GI’s zijn door een diep dal gegaan, zoals JB Overijssel. Zij raakte in 2017 bijna haar certificaat kwijt. In 2018 verscheen een kostprijsonderzoek van organisatieadviesbureau Berenschot, waarna de tarieven werden verhoogd. Vanaf dat moment zit JB Overijssel weer in de lift. Vorig jaar is het certificaat voor drie jaar verlengd en de IGJ is volgens bestuurder Ruud Brinkman tevreden. ‘De kwaliteit is in de basis goed op orde en die bouwen we nu verder uit,’ zegt Brinkman. Belangrijke aandachtspunten zijn de verhoogde (administratieve) werkdruk en agressie tegen het personeel.

JB West (regio Haaglanden en Zuid-Holland) staat er na het Zeeuwse Intervence in 2019 het slechtst voor. West wijt de slechte financiële positie aan de lage tarieven vóór 2019. ‘Dat wij hebben moeten interen op ons eigen vermogen, vinden wij niet erg. Wij zijn ons geld aan de kinderen blijven besteden,’ zegt bestuurder Joost van der Hulst. Dankzij een voorschot van de inkoopregio’s heeft JB West kunnen overleven. De financiële vooruitzichten zijn volgens West rooskleurig.

Hoge kosten

JB Brabant en JB Rotterdam Rijnmond hebben in verhouding hoge huisvestingskosten. In 2014 betaalde JB Rotterdam Rijnmond nog 6 miljoen euro voor de huisvesting, in 2019 was dit fors gedaald: 2,1 miljoen euro. JB Brabant betaalde in dat jaar 2,6 miljoen euro. Inmiddels heeft JB Brabant een aantal huurcontracten opgezegd en zijn de kosten lager. 

Op de post accountants- en advieskosten scoorden Intervence en JB Brabant een aantal jaren heel hoog. Brabant gaf daar van 2016 tot en met 2019 zo’n 3 miljoen euro aan uit, deels vanwege een reorganisatie. Bij de automatiseringskosten steekt JB Regio Amsterdam er in verhouding ver bovenuit. In totaal gaf Amsterdam hier in zes jaar 13,8 miljoen euro aan uit, terwijl Rotterdam hier in diezelfde periode 3,6 miljoen euro voor betaalde.

Beloning topfunctionarissen

De JB’s Samen Veilig Midden-Nederland (SVMN), Regio Amsterdam, West (regio Haaglanden en Zuid-Holland) en Brabant hebben sinds 2014 in verhouding de meeste medewerkers die onder de Wet normering topinkomens (WNT) vallen. SVMN beloonde bestuurders en directeuren in zes jaar in totaal met 2,8 miljoen euro. JB West en Regio Amsterdam elk met zo’n 2 miljoen. JB Brabant scoorde van 2015 tot en met 2017 hoog. Volgens SVMN zijn de vele topfunctionarissen te verklaren door de fusie in 2015 van Bureau Jeugdzorg Utrecht en Bureau Jeugdzorg Flevoland en de samenvoeging met Veilig Thuis Utrecht. Momenteel heeft SVMN twee bestuurders, net als JB West en JB Amsterdam. Opvallend is dat het Friese Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, een van de kleinste GI’s, ook twee bestuurders heeft.

De totale bestuurskosten van alle veertien GI’s bedroegen in 2014 3,6 miljoen euro. Ondanks de enorme omzetdalingen daalden de bestuurs- en directiesalarissen in 2019 slechts naar 3,3 miljoen euro.

Lees verder Inklappen

Exodus

Wat wel alle alarmbellen doet afgaan, is hoeveel jeugdbeschermers er de brui aan geven. Telden de jeugdbeschermingsorganisaties in 2015 nog 5966 voltijdbanen, vier jaar later zijn dat er 1002 minder. In de chaotische tijd na de decentralisatie moesten alle GI’s reorganiseren. Daarnaast verdwenen er banen: enerzijds omdat rechters minder maatregelen hebben uitgesproken, anderzijds omdat bij de decentralisatie de toegang tot jeugdzorg is weggehaald bij de jeugdbescherming. Veel jeugdbeschermers vertrokken naar wijkteams of Veilig Thuis, de nieuwe toegangspoorten. Ze verdienen daar vaak hetzelfde, maar dragen daar minder verantwoordelijkheid en lopen minder risico. 

Ook de rotten in het vak haken nu af, waardoor de jeugdbescherming haar collectieve geheugen verliest

De werkdruk bleef stijgen, de administratie nam toe en zaken werden steeds complexer. Ook het in 2015 ingevoerde tuchtrecht helpt niet. ‘Je doet het nooit goed bij ouders. Je bent te laat, te vroeg of je krijgt het verwijt dat je partijdig bent. Sommige ouders zijn zelfs fysiek agressief en online krijgen jeugdbeschermers het te verduren. Het gaat tot doodsbedreigingen aan toe,’ zegt Maaike van der Aar van vakbond FNV.

De uittocht bij de GI’s is daardoor al jaren hoog. In 2018 ging bijna 18 procent uit dienst, een jaar later was dat 19 procent. En dat is ‘bovengemiddeld’, zo staat ook in het toekomstplan Zonder twijfel voor het kind, een publicatie van alle GI’s. Ook het ziekteverzuim onder medewerkers in loondienst is bovengemiddeld: dat lag in 2019 op 6,9 procent.

Als er voor iedere vertrekkende of zieke jeugdbeschermer nu een ervaren kracht klaarstond, zou dat nog te doen zijn. Maar dat is niet het geval, zegt Van der Aar: ‘Zelfs mensen die nog niet lang in dienst zijn, vertrekken snel. Inmiddels haken ook de oude rotten in het vak af, waardoor de jeugdbescherming haar collectieve geheugen verliest. Kwaliteit en kennis lopen zo de deur uit.’

‘Het personeel heeft met de voeten gestemd,’ zegt kapitein Harm Slomp van het Leger des Heils, ‘zo simpel is het.’ Om de uitstroom te stelpen, steekt het Leger des Heils de komende tijd meer energie in het inwerken van nieuwe krachten. Maar of dat volstaat? Slomp: ‘Af en toe nieuwe mensen verwelkomen naast de harde kern is te doen. Maar nu er steeds meer nieuwe mensen bijkomen, die ook weer snel van baan wisselen, is het voor ons als organisatie eigenlijk niet meer houdbaar.’

De GI’s hebben moeite om nieuwe krachten te werven, want ‘de animo om bij de gecertificeerde instellingen te gaan werken, is niet groot’, tekent de Inspectie op. En als ze over de drempel zijn, lukt het de GI’s niet bijster goed om ze vast te houden: ‘Enkele gecertificeerde instellingen geven aan dat zij als opleidingsinstituut fungeren voor het sociaal domein.’

Productie draaien

Niet voor elke branche is een uitstroompercentage van 19 procent desastreus. Voor de jeugdbescherming wel, zegt Paul Boselie, hoogleraar bestuurs- en organisatiewetenschap. ‘Het betekent bijna zeker dat ze afscheid nemen van dit werk. Dan ben je ze dus kwijt. Een grote zorg, want het houdt ook in dat de relatie tussen jeugdbeschermer en gezin verbroken raakt. Bij zulke hoge uitstroomcijfers kan dat in één gezin meer dan eens gebeuren.’

Productie draaien is noodzakelijk om de exploitatie sluitend te krijgen

Hoe minder mensen er zijn om het werk te doen, hoe groter de werkdruk voor de achterblijvers. In de toekomstplannen van de GI’s speelt een ‘verantwoorde caseload’ dan ook een centrale rol. Gemiddeld heeft een fulltime jeugdbeschermer nu tien tot veertien gezinnen onder zijn hoede, oftewel vijftien tot twintig kinderen. Dat is niet verantwoord, zegt Arina Kruithof van Jeugdzorg Nederland: ‘Een ideale caseload bestaat uit hooguit zes tot acht gezinnen, dus tien tot vijftien kinderen.’ Maar dat krijgt het overgrote deel van de GI’s niet voor elkaar. Productie draaien is immers noodzakelijk om de exploitatie sluitend te krijgen, zo tekende Berenschot in 2018 op.

Om lange wachtlijsten voor te zijn, beperken GI’s het aantal uren. Een jeugdbeschermer mag maximaal twee uur per week aan een gezin besteden. In die tijd moet hij contact onderhouden met alle betrokkenen, die contactmomenten schriftelijk vastleggen, een plan van aanpak schrijven, de benodigde hulp in gang zetten, zittingen voorbereiden en bijwonen en dat allemaal tot op de minuut vastleggen in een tijdschrijfsysteem. Ook de reistijd valt binnen die twee uur. 

En dat dus maal tien, of zelfs veertien.

Dossier

Jeugdzorg in het rood

De gemeenten zouden jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis?

Volg dit dossier

‘In dit beperkte aantal uren kunnen jeugdbeschermers niet voldoende zorg leveren,’ stelt hoogleraar jeugdstrafrecht Mariëlle Bruning. ‘Cliënten en ouders klagen dat ze een jeugdbeschermer nauwelijks zien of dat ze telkens weer nieuwe jeugdbeschermers krijgen. Je zou willen dat ze meer contact met cliënten hebben.’ Precies dat is de bedoeling van dat landelijke, hogere tarief dat Jeugdzorg Nederland wil, legt Arina Kruithof uit: ‘Het Rijk moet meer geld beschikbaar stellen aan gemeenten, zodat zij voldoende tijd kunnen inkopen.’

Jeugdbescherming is verantwoordelijk voor ongeveer 10 procent van de gemeentelijke uitgaven aan jeugdzorg. De jeugdzorgdatabase van Follow the Money laat zien dat het beslag dat de jeugdbescherming op het totale jeugdzorgbudget legt, per gemeente flink verschilt: in 2019 lag dat percentage tussen de 2,5 en 11,1 procent. Zo gaf de gemeente Waddinxveen dat jaar 11,1 procent (957.000 euro) uit aan jeugdbescherming en jeugdreclassering, Enschede 10,1 procent (4,9 miljoen), Amsterdam 9,2 procent (30,4 miljoen), Arnhem 8,4 procent (4 miljoen) en Harderwijk 4,7 procent (782.358 euro).

JB Brabant ligt al enige tijd in de clinch met gemeenten over de tarieven. De Jeugdautoriteit is ingeschakeld om de impasse te doorbreken. JBB heeft vorig jaar 3 miljoen verlies geleden. De omzet kelderde de afgelopen jaren: vrijwillige maatregelen voert JBB nauwelijks meer uit, en spoedeisende zorg wordt minder ingezet. Die twee uur per gezin is volgens JBB nauwelijks haalbaar. ‘We zijn er soms wel 40 uur per week mee bezig. Dat komt door de intensiteit en de wachtlijsten bij jeugdzorgorganisaties die we voor hulp moeten inschakelen. Daarom is het belangrijk om de wachtlijsten aan te pakken,’ zegt bestuurder Rinda den Besten.

Miljonair uit gebrek

Slechts één branche spint garen bij het personeelsprobleem van de GI’s: de uitzend- en detacheringsbureaus. Waar een ervaren kracht in loondienst 60.000 euro kost, betaalt een GI voor het extern inhuren van exact dezelfde medewerker tot wel een ton per jaar. 

In zes jaar tijd betaalden de GI’s samen meer dan 110 miljoen euro voor de inhuur van personeel

Maar de GI’s moeten wel, want ze hebben zich te houden aan de wettelijke termijnen waarbinnen een kind en gezin geholpen moeten zijn. Vanaf 2016 stegen de inhuurkosten explosief, zo blijkt uit de analyse van Follow the Money. Kochten de GI’s in 2016 voor in totaal 15,8 miljoen externe hulp in, een jaar later liepen die inhuurkosten op tot 25,4 miljoen. In zes jaar tijd betaalden de GI’s samen meer dan 110 miljoen euro voor de inhuur van personeel. Dat is 4,7 procent van de totale personeelskosten.

In 2017 spande JB West de kroon, met 5,5 miljoen euro inhuur. In de loop van dat jaar sloot zij een contract met detacheringsbureau Advizo, specialist in jeugdzorgpersoneel. Pieter van Reeuwijk en Wim Karels richtten Advizo eind 2014 op. Van Reeuwijk werkte jarenlang in de jeugdzorg, ook als zzp’er bij GI’s. Hij zag de uitzendkrachten komen en gaan en besloot zelf medewerkers in te werken en op te leiden, zodat ze vervolgens in vaste dienst kunnen treden.

Dat bleek een gat in de markt. ‘De GI’s waren zo druk met het regelen van hun financiën dat ze blij waren dat wij ze de werving en opleiding van personeel uit handen namen. Tijdelijk zijn ze meer geld aan ons kwijt, maar op de langere termijn profiteren ze er juist van.’ Na zo’n zes maanden komt het personeel van Advizo in dienst bij West. De afspraak is dat minimaal 80 procent van het ingehuurde personeel in dienst moet komen. Dat is gelukt, en volgens West is er een relatief laag verzuim en verloop bij de aangenomen trainees. 

Uit een rondgang langs de GI’s blijkt dat Advizo met minimaal de helft van de gecertificeerde instellingen samenwerkt. Hoe vaak en hoeveel, dat verschilt. Wel zegt Van Reeuwijk in actie te moeten komen zodra er wachtlijsten dreigen te ontstaan. ‘Geen enkele GI wil een wachtlijst op haar geweten hebben.’


Regiecentrum Bescherming en Veiligheid

"Wij vinden inhuur te duur en je haalt geen rendement uit het opleiden van de externe inhuur"

Sinds de start in 2015 hebben de twee eigenaren in hun privé-bv’s een gezamenlijk vermogen opgebouwd van 4,1 miljoen. ‘Dat geld komt niet alleen van jeugdzorg en jeugdbescherming. We leveren bijvoorbeeld ook voor de gehandicaptenzorg, ggz en andere zorg in gemeenten. We hebben daarnaast ook andere bedrijfsactiviteiten, zoals aankoop, verkoop en de verhuur van vastgoed. We zijn hard gegroeid, maar daarom hebben we ook een buffer nodig om kosten te dekken en risico’s op te vangen.’

Bureau Jeugdzorg Limburg en het Friese Regiecentrum Bescherming en Veiligheid huren het minst extern personeel in. ‘Wij vinden inhuur te duur en je haalt geen rendement uit het opleiden van de externe inhuur,’ stelt het Regiecentrum. 

De andere GI’s werken naast Advizo vooral met grote uitzendbureaus als Maandag. Gevraagd naar hun aandeel in de ‘jeugdzorgmarkt’ laat Maandag weten het ‘niet chique’ te vinden om over inhuur of inhoud te praten met Follow the Money. 

Waarom weten detacheringsbureaus deze medewerkers wel binnen te halen en GI’s niet? ‘Voor ons is het ook niet makkelijk om aan personeel te komen,’ relativeert Van Reeuwijk. ‘Iedereen vist in dezelfde vijver. Onze jonge mensen, die net van school komen, zijn onze wandelende reclameborden. Als wij goed voor ze zijn, dan vertellen ze dat aan anderen door, zodat die ook bij ons komen werken. Bovendien werken wij met zeer slimme softwaretools en hebben we een goed personeelsbeleid.’ Het jonge personeel kan na twee jaar ervaring in de jeugdzorg ingezet worden als jeugdbeschermer.

Gewoon nee zeggen

Hoe raken de GI’s uit deze vicieuze cirkel van weglopende medewerkers, in wier plaats ze duur extern personeel moeten inhuren? Jeugdzorg Nederland zoekt de oplossing in hogere tarieven en betere arbeidsvoorwaarden voor de gehele jeugdzorg. Een gezamenlijk arbeidsmarktbeleid komt er niet: daarvoor verschillen de regio’s volgens Jeugdzorg Nederland te sterk.

Wim Groot, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Universiteit Maastricht betwijfelt of extra geld de oplossing is. En daarbij: ‘Waarom gebruiken ze hun eigen vermogen niet om de jeugdbescherming te verbeteren? Het is niet nodig om zulke grote reserves aan te houden.’

Volgens Jeugdzorg Nederland moeten de instellingen een weerstandsvermogen hebben. ‘De meeste bestuurders zeggen niet te kunnen voldoen aan de norm voor een gezond vermogen. Als je het eigen vermogen gebruikt, wordt het weerstandsvermogen nog kleiner,’ zegt de woordvoerder. 

Groot stelt dat voor GI’s andere normen gelden. ‘Ze voeren een belangrijke publieke taak uit, waarbij ze het monopolie hebben om jeugdbescherming te bieden. Jeugdbescherming zal altijd nodig zijn. De normale bedrijfsrisico’s die te maken hebben met concurrentie en het eventueel wegvallen van de markt gelden hier dus niet.’


Paul Boselie, hoogleraar bestuurswetenschap

"Laat het een probleem worden, laat zien dat de grenzen zijn bereikt. Het personeel betaalt de prijs en uiteindelijk is de cliënt de dupe"

Paul Boselie, hoogleraar bestuurs- en organisatiewetenschap vindt dat bestuurders een visie moeten ontwikkelen. ‘Wat kunnen we bijvoorbeeld doen aan de administratieve druk? Dat is een klus, maar maak het concreet. En ga als bestuurder ook eens bij grote bedrijven kijken. Hoe pakken zij problemen aan en wat kunnen zij daarvan leren? Ze moeten out of the box gaan denken.’ 

Daarnaast moeten managers en bestuurders voor hun mensen staan, meent hij. ‘Ze mogen ook nee zeggen. Laat het een probleem worden, laat zien dat de grenzen zijn bereikt. Hoe groot is het probleem als je gewoon doorgaat? Het personeel betaalt de prijs en uiteindelijk is de cliënt de dupe.’

Ook jeugdrechtadvocaat Reinier Feiner vindt dat GI’s alleen zaken moeten aannemen waarvoor ze de mankracht in huis hebben. ‘Dat gebeurt nu niet. GI’s nemen nu alles aan en zeggen dan ‘zo goed mogelijk’ te handelen. Triageren is nodig. Een GI moet zeggen: het is code zwart, de ic ligt vol. Je kunt niet iedereen helpen.’

Wie zich in ieder geval niet geholpen voelen, zijn Imad Aziz en zijn kinderen. Na zijn kort geding op 15 februari knapte er iets. De omgang stokte wederom, er volgde weer een gang naar de rechter, waarin Aziz inzette op een fifty-fifty omgangsregeling. Het lukte niet. ‘Mijn oudste zie en spreek ik al 467 dagen niet. Mijn jongste is 15 maanden en die heb ik nooit mogen ontmoeten. Enkele weken geleden heb ik besloten om niets meer te willen. Zolang men niet openstaat voor verandering, heeft het geen zin.’