De varkenshouderij is efficiënter dan ooit, maar kent alleen verliezers

Varkensvlees gaat tegenwoordig voor twintig cent per kilo onder de kostprijs over de toonbank. Het is tekenend voor een industrie waarin overleven door schaalvergroting tijdenlang het devies is geweest. Loopt de sector nu tegen zijn eigen grenzen op, en is het einde van het bedrijfsmodel in zicht?

Op een steenworp afstand van attractiepark Slagharen loopt Herman Nijhof zijn dagelijkse ronde over zijn bedrijf. Op het keurig verzorgde erf hangt de geur van varkens en klinkt zacht de muziek uit het nabijgelegen attractiepark die door de wind wordt meegedragen. Nijhof loopt langs zijn SUV — een erfenis uit betere tijden — naar zijn twee varkensstallen. Elke stal biedt plaats voor 2500 varkens. Iedere dag mengt Nijhof het voer in de voerkeuken. Voor ieder groeistadium van het varken is een verschillende samenstelling nodig. Als de genetisch gemodificeerde soja, raap, maïs en het overige voer gemengd zijn, gaan ze via een buizensysteem automatisch naar de stallen. Het voer komt binnen in een grote gele bak. De varkens, twaalf stuks per hok van tien vierkante meter, zetten hun snuit onder die gele ton tegen een stang, waarna het voer in een bak van tachtig centimeter breed valt.

De noodzakelijke ronde van Nijhof voert enkel langs de voerkeuken, het kantoor en tweemaal door de stallen. Daar controleert hij of de voerbakken en de spuitkraantjes niet verstopt zitten en kijkt of de beesten nog gezond zijn. Op de computer of bij de ingang van de stal kan hij alle gegevens zien. Dat was wel anders toen hij in 1985 met zijn bedrijf begon. Hij en zijn vrouw Angelica hadden toen zeshonderd vleesvarkens, 35 kalveren, vijftig melkkoeien en nog veertig hectare grasland. Ze gingen met de kruiwagen langs elk dier om het te voeden. Een dagtaak op zich. Tegenwoordig zijn de runderen van het bedrijf verdwenen en is het aantal varkens bijna vertienvoudigd naar vijfduizend stuks — volstrekt onwerkbaar in 1985. Op de akkers heeft het gras plaatsgemaakt voor maïs, om zo een deel van het voer zelf te produceren en de voederkosten te verminderen.

Op de akkers heeft het gras plaatsgemaakt voor maïs, om een deel van het voer zelf te produceren

Kernbegrip daarbij is de voederconversie; het percentage van het voer dat door het varken wordt omgezet in gewicht. In vier maanden tijd moeten de varkens naar de slachterij. Hopelijk voor Nijhof wegen ze dan ruim honderd kilo, en dat betekent dat ze in die tijd tachtig tot negentig kilo moeten aankomen.

De varkenscyclus

In 2009 bouwde Nijhof zijn eerste varkensstal voor 2500 varkens, en in 2012 zette hij er nog zo’n stal bij. Hij besloot uit te breiden toen de prijzen in de lift zaten. Dergelijk opportunisme is wijd verbreid in de varkenshouderij, en dat verklaart de varkenscyclus: een periode van ongeveer vijf jaren van groei en voorspoed, waarin boeren massaal uitbreiden, afgewisseld met vijf mindere jaren waarin aanbod de vraag overstijgt waardoor de prijzen kelderen. Nijhof is uiteraard bekend met het fenomeen, ‘maar sinds de nieuwe stal er staat is het alleen maar achteruit gegaan.’ Er zijn namelijk nogal wat kosten bijgekomen.

Efficiëntie

Het feit dat Nijhof nu makkelijk vijfduizend varkens in zijn eentje kan verzorgen, toont de ontwikkelingen in de sector. ‘Hij zou er ook wel achtduizend in zijn eentje aankunnen,’ legt Robert Hoste uit. Hij is econoom varkensproductie aan de het het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van de Universiteit Wageningen en houdt zich bezig met de economische kant van de varkenssector — waaronder schaalvergroting en alles wat bij het productieproces komt kijken. ‘Op sommige bedrijven heb je met vijfduizend varkens nog niet de optimale schaalgrootte te pakken,’ zegt Hoste. ‘Als hij een spuitrobot aanschaft, is zijn kostprijs gemiddeld genomen weer lager.’ Het toont de enorme efficiëntieslag die in de varkenshouderij is gemaakt. De grootte van de bedrijven blijft toenemen, terwijl het aantal varkenshouders afneemt. ‘Gemiddeld genomen halveert het aantal varkenshouders iedere tien jaar,’ concludeert Hoste.

Voederconversie

De varkens van Nijhof eten stuk voor stuk ongeveer 2,5 kilo voer per dag. Vroeger was dat meer. Dat heeft te maken met de voederconversie, het belangrijkste getal op de beeldschermen in zijn stoffige kantoor. Nederlandse varkens zijn het kampioen in het omzetten van voer naar lichaamsgewicht. De varkens komen als biggetjes van tien weken oud met een gewicht van ongeveer 25 kilo binnen. De mannetjes zijn dan gecastreerd om berengeur te voorkomen en de staartjes zijn gecoupeerd om het staartbijten te verminderen. Over vier maanden stappen ze in de vrachtwagen op weg naar de slachterij. Tegen die tijd wegen ze tussen de 110 en 120 kilo. In de tussenliggende periode doorlopen de varkens drie stadia: in de eerste zes weken krijgen ze meer soja voorgeschoteld, in de ‘groeifase’ (week 16 tot 20) en de ‘opmestfase’ (week 20 tot 26) loopt het percentage eiwitten in het dieet steeds iets verder terug. Het voer is in de loop der jaren verfijnd tot een uitgekiend dieet. De varkens zijn als fabrieksarbeiders en moeten aan keiharde doelstellingen voldoen.

Negentig tot tachtig kilo aankomen in zo’n korte periode betekent ruim twee kilo voer per dag omzetten naar achthonderd gram lichaamsgewicht. Toen Nijhof begon, moest hij zijn varkens ruim drie kilo per dag voorschotelen voor hetzelfde resultaat. In de jaren ’60 was er zelfs ruim vier kilo nodig.

De consument wil zo min mogelijk vet in zijn vlees, en dat betekent een uitdaging voor de fokkers

Het efficiënt omzetten van voer naar vlees is vanuit economisch perspectief handig voor de boer, maar de consument is ook veeleisender geworden. Die wil tegenwoordig zo min mogelijk vet in zijn vlees. Dat betekent een uitdaging voor de fokkers. Die hebben de biggen die meer vlees dan spek aanzetten, gekruist. ‘Dat gebeurt al lang, maar dat zijn relatief kleine stapjes. Je gaat niet ineens een big fokken dat in plaats van 800 naar 1000 gram groei per dag gaat,' zegt Hoste.

Zeugstapel

De echte winst in de fokkerij is behaald bij het aantal biggen dat een zeug produceert. Hoste laat een grafiek zien met een duidelijk stijgende lijn. ‘Deze laat ik vaak aan Zuid-Koreanen zien, die zijn dan enorm onder de indruk. De Koreanen zitten namelijk nog hier’ — hij wijst linksonder het getal zeventien aan, het aantal biggen dat een zeug per jaar produceerde rond 1980. ‘Toen ik in 1990 begon, dacht ik dat het maximaal aantal biggen per zeug wel zo rond de 25 zou liggen.’ De lijn van de grafiek zit sinds 2014 tegen de dertig aan. Hoste: ‘In Denenmarken lopen ze op dat gebied voor op Nederland, in ieder geval qua levend geboren biggen. Er is daar een bedrijf dat gemiddeld veertig biggen per zeug per jaar speent. Kennelijk kan het, maar of je het moet willen is een andere vraag.’

‘Kennelijk kan het, veertig biggen per zeug per jaar, maar of je het moet willen is een andere vraag’

Het gevolg van de steeds meer biggen producerende zeugen is dat het aantal varkens gelijk blijft terwijl het aantal zeugen afneemt. ‘Dit is een belangrijk onderdeel van de huidige crisis,’ aldus Hoste. Hij pakt een andere grafiek met een dalende trend. In Nederland zijn ongeveer een miljoen zeugen. Over heel Europa waren het er in 2009 ruim twaalf miljoen. ‘Eigenlijk moet het aantal zeugen ieder jaar met een procent of twee, tweeënhalf krimpen. In 2013 was de prijs voor een big erg hoog, en die tienduizenden varkenshouders in Europa heb je niet aan een touwtje, die beslissen zelf wat ze doen. Die zijn dus meer zeugen gaan houden en dus ook meer biggen gaan produceren.’ De huidige crisis in de varkenshouderij is dus al in 2013 in gang gezet.

Crisis

En crisis is het zeker in de varkenshouderij. Zoals FTM-columnist Hans Baaij vorige week schreef is de prijs van varkensvlees zelfs nooit zo laag geweest. Met de huidige opzet van Nijhofs bedrijf gaat zijn varkensvlees voor twintig cent per kilo onder de kostprijs over de toonbank. ‘De biggen kosten als ze bij mij op bedrijf aankomen nu ongeveer vijftig euro per stuk. Dan vreten ze hier voor ongeveer zeventig euro aan voer op voordat ze naar de slachter gaan.’ Een varken kost de boer dus sowieso 120 euro. Daar zitten de kosten van de mestafwerking, energieverbruik, water, rente, aflossing en arbeid nog niet bij. ‘Met een prijs van 1,40 euro per kilo draai ik ongeveer quitte. Nu kan ik niets investeren of aflossen. In principe heb ik een prijs van 1,50 euro nodig om echt wat te kunnen doen. Ik heb het geluk dat mijn stallen nog nieuw zijn. Als ik reparaties moet gaan bekostigen, lukt dat met de huidige prijs echt niet.’

‘Ik heb het geluk dat mijn stallen nog nieuw zijn. Als ik reparaties moet gaan bekostigen, lukt dat met de huidige prijs echt niet’

Die hoge kostprijs in Nederland is voor een groot gedeelte te wijten aan de regelgeving omtrent het afwikkelen van mest. Nederlandse varkenshouders betalen met acht cent per kilo slachtgewicht verreweg de hoogste prijs voor de mestafwikkeling. De boer ziet niets van de maatregelen terug in de winst. De milieumaatregelen knagen aan de toch al dunne winstmarges, terwijl de boeren geen hogere prijs krijgen voor hun varkens, dit tot grote frustratie van Nijhof. ‘Vroeger kon je het op je eigen land kwijt, en de akkerbouwers schreeuwden er om. Nu moet je de akkerbouwers betalen.’ Voor de mestafwikkeling komt er eens in de zoveel tijd een vrachtwagen het bedrijf op. Die heeft een heel grote centrifuge en scheidt de dikke van de dunne mest. ‘Die vrachtwagen verstookt een hoop diesel. Je bent al vier euro per kuub kwijt, alleen aan het scheiden. Dan betaal je nog voor het transport en de akkerbouwer wil er ook geld voor hebben. Al met al ben je ruim twintig euro per kuub mest kwijt. Dat is de dunne mest, dan is er nog de dikke mest. Die dikke mest wordt een uur verwarmd tot zeventig graden, dan wordt het opgeslagen en uiteindelijk gaat het een keer naar het buitenland. In Duitsland hebben ze die regels helemaal niet, die pakken dus al veel meer op een varken.’

Schaalvergroting

Volgens Robert Hoste zijn de grenzen in zicht van schaalvergroting, efficiënter met voer omgaan en meer biggen uit een zeug halen. De winst uit innovaties gaat niet meer zo hard als eerst, het rendement van de investeringen zakt verder weg. ‘Je loopt als het ware tegen een onzichtbare grens aan. Je moet dan gaan zoeken naar alternatieven, in plaats van het najagen van kostprijsverlagingen.’ Wat de varkenshouders zou helpen is volgens Hoste niet zozeer individuele schaalvergroting, maar groepsverbanden starten. Een soort coöperaties dus. Alle andere partijen in de veehouderij zijn groot: er zijn niet meer dan vijf slachterijen en vijf retailers, en de voerders zijn ook allemaal vrij groot. Om een vuist te kunnen maken moeten ‘varkenshouders als een keten intern coöpereren, en extern concurreren.’ Een soort groepsschaalvergroting.

‘Je moet gaan zoeken naar alternatieven, in plaats van het najagen van kostprijsverlagingen’

Het is de enige manier voor varkenshouders om een vuist te maken. Want Nijhof heeft in de markt ook het een en ander zien veranderen. ‘Vroeger kon je bij ik-weet-niet-hoeveel slagers je varkens kwijt, je onderhandelde over de prijs en dat ging prima. Tegenwoordig bepaalt VION de weekprijs, onder druk van  grote retailers als Albert Heijn en Jumbo. Iedereen, inclusief de voerders, pakt gewoon nog steeds zijn marges, terwijl de boeren de klappen van de markt krijgen.’ Hoste ziet dat anders. De slachter VION is voor Nijhof een grote speler, maar Hoste neemt ook plaats in een internationale groep varkenseconomen. Vanuit dat perspectief is ‘VION eigenlijk prijsnemer.’ De supermarkten opereren door heel Europa en bepalen overal de prijzen. Hoste: ‘Boeren kunnen een betere prijs krijgen als ze zich weten te onderscheiden. In groepsverband is het makkelijker om biologisch te produceren, of bijvoorbeeld een Beter Leven-keurmerk te realiseren.’

Het klinkt als een logisch idee, maar voor Nijhof is het nog maar de vraag of hij het lang genoeg volhoudt om zich bij een groep varkenshouders aan te sluiten. Als de prijzen nog verder zakken is het snel gedaan met zijn onderneming. Maar volgens Hoste is er hoop. Hij verwacht in 2017 betere tijden. De reden? De varkenscyclus.

Biggensterfte neemt toe

Op 5 april maakte Varkens in Nood de jongste cijfers over biggensterfte bekend. Het aantal biggen dat per jaar sterft stijgt volgens de actiegroep naar de zes miljoen. Omdat zeugen steeds meer biggen produceren, zijn de biggen per worp steeds zwakker. Hierdoor overlijdt een steeds hoger percentage biggen in de eerste levensfase.

In 2015 werden 35,7 miljoen biggen geboren. Hiervan waren 2,7 miljoen biggen al dood bij de geboorte. Van de 33 miljoen levend geboren biggen stierven 4,5 miljoen in de eerste levensweken (13,8 procent) en 1,5 miljoen varkens ruim 4 procent op latere leeftijd. Het aantal varkens dat voor de slachtleeftijd sterft, komt uit op 6 miljoen. Dat is circa 18 procent, tegenover 17,4 procent in 2014 — een stijging van 400.000 dode dieren.

Varkens in Nood publiceerde in 2009 beelden van levende biggetjes in zogenaamde kadavertonnen. Naar aanleiding van die beelden richtte toenmalig minister Verburg (CDA) van landbouw de werkgroep Bigvaliteit op. Het doel van de werkgroep was om uiterlijk in 2018 de biggensterfte te hebben teruggedrongen tot 10,5%. Sinds 2013 is er volgens Varkens in Nood niets meer van die werkgroep vernomen.

Lees verder Inklappen