Onderzoekers van de Universiteit van Kisangani (DRC) aan het werk in het veenmoeras in Congo. Foto: Bart Crezee

Congolees veenbos is kantelpunt in klimaatplannen

    Het pas ontdekte veenbos onder Congo is een van de grootste reservoirs van koolstofdioxide. Of dat goed is of slecht, hangt af van hoe klimaatafspraken nageleefd worden. Zijn we streng, dan fungeert het veenbos als een koolstofspons. Zijn we dat niet, dan wordt het bos een kantelpunt in klimaatverandering.

    Het was een klein bericht in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant in januari vorig jaar. ‘Congo leeft zonder het te weten op een CO2-bom’ was de kop. Eronder las ik hoe Britse onderzoekers onlangs een reusachtig veenmoeras hadden ontdekt in het hart van het Congolese regenwoud. Dit enorme veengebied, groter dan heel Engeland, bevat in de vorm van dode plantenresten evenveel CO2 als de hele wereldeconomie in drie jaar uitstoot. Het veen beslaat slechts 4 procent van het totale Congolese regenwoud, maar houdt ondergronds evenveel koolstof vast als alle bomen in de resterende 96 procent van dit op een na grootste bos op aarde.

    Als milieujournalist met een opleiding in ecologie was ik gebiologeerd door deze vondst. Hoe kan het dat een cruciaal ecosysteem van zo’n omvang jarenlang door wetenschappers over het hoofd is gezien?

    Een deel van het antwoord ligt in het feit dat dit moeras, overgroeid met een dichte jungle, op het grensgebied van de Democratische Republiek Congo (DRC) en Congo-Brazzaville ligt. Het gebied is uitgestrekt, afgelegen en kent een roerige, regelmatig gewelddadige geschiedenis. Goede metingen zijn nauwelijks voorhanden en grote delen van Centraal-Afrika zijn voor de ecologie en de klimaatwetenschap nog altijd een blinde vlek op de kaart.

    De relevantie van miljarden tonnen plantenresten is meer dan een nieuw hoofdstuk in de wetenschap alleen. Deze koolstofbom beïnvloedt ook direct onze pogingen om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen. De klimaatmaatregelen van het ene land hebben effect op het andere - en andersom.

    Ik besloot mijn journalistieke werk te parkeren en begon een promotieonderzoek aan de Universiteit van Leeds. Met de Britse en Congolese onderzoekers die het veen in Congo als eerste in kaart brachten, werk ik daar nu aan een antwoord op de vraag welke rol deze gigantische koolstofvoorraad binnen het klimaatsysteem speelt. En in het verlengde daarvan wat deze ontdekking voor klimaatbeleid wereldwijd betekent. Want: het natte veen werkt nu nog als een koolstofspons. Het neemt CO2 op uit de lucht en slaat dat op in de bodem. Droogt het veen uit of wordt het gedraineerd, dan verdwijnt de opgeslagen CO2 juist in de atmosfeer

    Weer de noodklok

    Begin oktober luidde het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) voor de zoveelste keer de noodklok. In een speciaal rapport, waaraan klimaatwetenschappers wereldwijd hebben bijgedragen, stelde de VN-organisatie dat voor 2050 alle emissies wereldwijd moeten stoppen, willen we de opwarming van het klimaat tot 1,5 graad beperken, zoals afgesproken in het akkoord van Parijs. Dat betekent dat we nog twaalf jaar hebben voor een reusachtige maatschappelijke kentering, waarbij de CO2-uitstoot in 2030 halveert en daarna naar nul duikelt. Lukt dit niet, dan is er een redelijke kans dat het stabiele leefklimaat, zoals we dat duizenden jaren hebben gekend, wegvalt, met alle humanitaire gevolgen van dien.

    Een andere manier om deze enorme opgave het hoofd te bieden, is in de vorm van het carbon budget, de totale hoeveelheid koolstof die de wereld nog mag uitstoten. Hoewel deze schattingen hoogst onzeker zijn, verwacht het IPCC dat de mensheid nog pak ’m beet 500 gigaton CO2 kan uitstoten om een tweederde kans te behouden dat de opwarming tot 1,5 graad beperkt blijft. Alleen al het net ontdekte veenmoeras in Congo bevat zo’n 112 gigaton CO2 – bijna een kwart van het resterende, wereldwijde koolstofbudget. Verlies van dit ecosysteem is desastreus voor onze kansen om klimaatopwarming te stoppen. Het betekent dat we nóg minder CO2 uit fossiele brandstoffen kunnen uitstoten.

    Ter vergelijking: de permafrost, die grote delen van Rusland en Canada bedekt, bevat minstens drie keer het wereldwijde koolstofbudget. Ook die koolstofspons wordt bedreigd door de klimaatopwarming. In tegenstelling tot de permafrost kan het tropisch veen in Congo veel makkelijker verloren gaan door landbouw of houtkap. Daarvoor hoeven we alleen maar naar Indonesië te kijken.

    Dikke lagen smeulend veen

    Tijdens de extreme droogte van 1997 ging in Indonesië zo’n grote hoeveelheid veenbossen in vlammen op, dat het waarschijnlijk de grootste brandhaard was die ooit is waargenomen. Metersdikke lagen veen, het resultaat van duizenden jaren opeenstapeling van dode plantenresten, smeulden maandenlang door. Dat veroorzaakte naar schatting 3 tot 9,5 gigaton CO2-uitstoot, vergelijkbaar met een onwaarschijnlijke 13 tot 40 procent van de wereldwijde uitstoot door fossiele brandstoffen in dat jaar.

    De concessies zijn extra zorgwekkend nu we weten van deze koolstofbom

    De branden waren hoofdzakelijk het gevolg van slecht gepland landbouwbeleid. Grote delen van het Indonesische regenwoud werden eind jaren ’90 aangestoken om ruimte te maken voor nieuwe rijstplantages. Het natte veen werd gedraineerd, waardoor het extra makkelijk vlam vatte. Eenmaal aangestoken bleken de ondergrondse branden moeilijk te doven, zoals het Duitse leger recent nog ervoer met een relatief kleine veenbrand net over de grens bij Emmen.

    In de tropen is tegenwoordig niet langer de rijstteelt, maar de productie van palmolie de grootste bedreiging voor veenbossen. Meer dan 80 procent van het wereldwijde aanbod van palmolie komt uit Indonesië en Maleisië. Driekwart van al het verlies aan veen in die regio is toe te schrijven aan de aanleg van palmolieplantages.

    Kappen in Congo

    Omdat de productie in Azië tegen haar grenzen aanloopt, verhuist die meer en meer naar West- en Centraal-Afrika. Ironisch genoeg gebeurt dat misschien juist vanwege de strengere milieueisen in Zuidoost-Azië. Effectieve controle op deze jonge sector is er in veel Afrikaanse landen vrijwel niet.

    Exemplarisch voor deze verschuiving is dat een van de grootste palmolieconcessies in het Congolese veengebied juist in handen blijkt te zijn van een Maleisisch houtkapbedrijf. Houtkap is vaak de eerste stap op weg naar grootschalige ontbossing en drainage voor palmolie. Dat Amy Ambatobe, de minister van milieu in de Democratische Republiek Congo, eerder dit jaar meer dan een half miljoen hectare aan illegale houtkapconcessies verstrekte aan twee Chinese bedrijven is zeer verontrustend, te meer omdat die deels overlappen met het net ontdekte veenmoeras. De concessies zijn in strijd met een moratorium van zestien jaar oud op nieuwe houtkap in Congo en extra zorgwekkend nu we weten van de koolstofbom onder dit regenwoud.

    Het recente IPCC-rapport noemt de rol van veengebieden niet expliciet, maar benadrukt wel hoe belangrijk het is ontbossing tegen te gaan. Zonder bescherming van het tropisch regenwoud halen we die 1,5 of 2 graden opwarming niet. Sterker: die 1,5 graad bereiken we alleen door flink gebruik te maken van negatieve emissies. In alle IPCC-scenario’s moeten we in de tweede helft van deze eeuw meer CO2 uit de lucht halen dan we uitstoten, om het teveel aan uitstoot dat we de komende jaren veroorzaken te compenseren. Veengebieden helpen hier op een natuurlijke wijze bij. In een delicaat evenwicht neemt het Congolese veen vooralsnog meer CO2 op dan het verliest en vormt het zo een natuurlijke klimaatoplossing.

    De vraag is hoe lang dit zo blijft. De kans bestaat dat het veen uitdroogt en zelf een enorme bron van CO2 wordt. Dat is een kantelpunt, waardoor de opwarming verder ontspoort. Een scenario dat klimaatwetenschappers steeds serieuzer nemen.

    Amazonewoud open voor landbouw

    Alleen ontbossing verbieden is dus niet genoeg. Effectieve bescherming van de natuurlijke klimaathulp die het Congolese veen biedt, kan alleen bestaan wanneer Nederland en andere ontwikkelde landen hun uitstoot zo snel mogelijk terugdringen. Dat is des te urgenter nu de nieuw verkozen president van Brazilië heeft aangekondigd het grootste bos op aarde, het Amazonewoud, wijd open te gooien voor land- en mijnbouw.

    Net als Brazilië moet ook de Democratische Republiek Congo zich ontwikkelen. Als een van de armste landen op aarde heeft Congo een grote behoefte aan productievere landbouw en betere infrastructuur, om de jonge, groeiende bevolking van voedsel te voorzien.

    Extractie-industrieën hebben Congo nog nooit geholpen

    Industriële houtkap en palmolie dragen daar niet aan bij. Integendeel, door de vernietiging van traditionele gemeenschapsbossen ontnemen ze juist de allerarmsten de mogelijkheid in hun levensonderhoud te voorzien. De belangrijkste palmolieplantages in de DRC zijn in handen van het in Canada geregistreerde Feronia. Het bedrijf is een van de grootste economische spelers in de regio en wordt deels gefinancierd met Europees ontwikkelingsgeld. Feronia ontstond in 2009 uit een aftakking van Unilever, die al in 1911 was opgericht om het Britse zeepbedrijf van de grondstof palmolie te voorzien. Voormalige koloniale stadsnamen als Leverville (Lusanga) herinneren aan het feit dat de broers Lever op gestolen land in koloniaal Congo de fundering legden waarop Unilever kon uitgroeien tot de multinational die het vandaag de dag is. Net als bij de huidige palmolieplantages van Unilever in Indonesië, kan sterk in twijfel worden getrokken hoezeer de lokale bevolking gebaat is bij het werk van Feronia in Congo.

    Zonder miljarden geen bescherming

    Extractie-industrieën als houtkap, palmolie, rubber of conflictmineralen hebben Congo nog nooit geholpen. Het land heeft vooral behoefte aan investeringen om kleinschalige, zelfvoorzienende landbouw productiever en klimaatbestendiger te maken. Dat scheelt ruimte, spaart het kwetsbare regenwoud en gaat armoede en honger tegen in een toekomst met meer extreme droogte.

    Tijdens de volgende grote klimaattop, begin december in het Poolse Katowice, staat het rulebook voor Parijs op de agenda. Daarin komt te staan hoe broeikasgassen worden gemeten en hoe progressie van landen ten aanzien van de klimaatdoelen wordt bijgehouden. Ook legt het vast dat ontwikkelde landen 100 miljard per jaar toezeggen, zodat ontwikkelingslanden zich kunnen aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering die zij zelf amper hebben veroorzaakt. Het daarvoor opgezette Green Climate Fund verkeert echter in een diepe crisis, onder meer omdat de VS weigert te betalen.

    Toch ligt hier de crux van de oplossing. Zonder de beloofde klimaatmiljarden kunnen we niet verwachten dat landen als Brazilië en Congo hun cruciale bossen blijven beschermen – ten koste van snelle winsten uit houtkap of landbouw. Want als Nederland haar eigen klimaatambities niet serieus neemt, kunnen we dat al helemaal niet van de allerarmsten vragen.

    Voormalig FTM-redacteur Bart Crezee verruilde de journalistiek tijdelijk voor de academische wereld. Hij wilde niet alleen schrijven over milieu- en klimaatbeleid, maar ook bijdragen aan concrete oplossingen. Als tropisch ecoloog onderzoekt hij nu in het Congolese regenwoud een van de meest koolstofrijkste ecosystemen op aarde. Dat maakte hem duidelijk dat ontwikkelde landen een veel grotere (financiële) verantwoordelijkheid te nemen hebben.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Bart Crezee

    Gevolgd door 122 leden

    Milieuwetenschapper. Schrijft over olie- en gasboringen, de energietransitie en klimaatverandering.

    Volg Bart Crezee
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren