© AFP / NICOLAS TUCAT

Verboden op het gras te lopen

    Frankrijk is in de ban van de massa-protesten van de 'gele hesjes'. De directe aanleiding: een verhoging van de accijnzen op brandstof. Maar de ware oorzaak van deze acties ligt dieper, betoogt Ewald Engelen.

    Het riekt weer eens naar revolutie in de straten van Parijs. Nu al drie weekenden achtereen hebben de zogenaamde ‘gele hesjes’ met hun duizenden de Champs-Élysées onveilig gemaakt. Commentatoren spreken van uitzonderlijk gewelddadige demonstraties en berichten van doelbewuste beschadigingen aan Franse iconen als de Arc de Triomphe, dat symbool van Franse grootsheid en het lijden van de Eerste Wereldoorlog. Minstens zo opmerkelijk is dat de demonstranten het vooral gemunt leken te hebben op de wijken waar de elite woont. Het waren de Audi’s, Mercedessen en BMW’s van de rijken die smeulend de beelden vulden van de journaals van zaterdag en zondag.

    De directe aanleiding voor de demonstraties was de verhoging van de accijnzen op diesel en benzine door de regering Macron. Reden voor veel commentatoren om de demonstratie weg te zetten als een doodordinair belastingoproer, vergelijkbaar met het Poujadisme van de jaren vijftig.

    Wat mij betreft is dat te makkelijk. De stemmen die uit de schaarse interviews met demonstranten die in de Nederlandse en Britse media opduiken, leren dat het verzet voortkomt uit veel diepere bronnen van onvrede en bezorgdheid, die zowel economisch als politiek van aard zijn. 

    Net als in Nederland is de bancaire crisis van 2008, veroorzaakt door onoordeelkundige blootstellingen aan de Amerikaanse huizenmarkt, in Frankrijk ‘opgelost’ door de balans van de staat als buffer te gebruiken. De kosten die daarmee waren gemoeid, zijn in de jaren erna in de vorm van hogere lasten en slechtere diensten afgewenteld op de burger.

    De burger mag voor de kosten opdraaien, terwijl het grootbedrijf wordt ontzien

    In Frankrijk gebeurde dit weliswaar in een veel trager tempo dan in Nederland. Dat verklaart de Franse begrotingstekorten en het Nederlandse begrotingsoverschot, alsmede de relatief betere inkomenspositie van Franse huishoudens: op de ranglijst van rijkste Europese landen prijkt Frankrijk met een besteedbaar inkomen van 20.038 euro per persoon per jaar op de dertiende plaats en Nederland met een bedrag van 18.823 euro per persoon per jaar op een schamele vijftiende plaats.

    En net als in Nederland is de afwentelingspolitiek sinds de crisis in hoge mate regressief geweest: het zijn de armen en kwetsbaren (huurders, uitkeringsgerechtigden en andere verzorgingsstaatafhankelijken) die het gelag van het bancaire feestje hebben mogen betalen, terwijl de rijken en het grootkapitaal het ene na het andere belastingdouceurtje in hun zak hebben mogen steken: speciale belastingtarieven voor Britse bankiers om ze naar Parijs te lokken, de afschaffing van de vermogensbelasting in Frankrijk, lagere tarieven voor de vennootschapsbelasting en het voornemen van Rutte-3 om de dividendbelasting af te schaffen in Nederland. 

    Bovendien hebben de stimuleringsmaatregelen in de vorm van kwantitatieve verruiming van de Europese Centrale Bank (ECB) geleid tot een spoedig herstel van activa als huizen en aandelen en daarmee van de vermogensposities van de ‘werkende rijken’, zoals de grafieken van Atkinson, Piketty en Saez laten zien. Terwijl van de honderden miljarden euro’s die de ECB sinds de zomer van 2012 in het financiële systeem heeft gepompt, er nog geen stuiver in de reële economie terecht is gekomen. Het gevolg: werknemers wachten tien jaar na de crisis nog altijd op de eerste echte loonstijgingen.

    Door het klimaatverdrag van Parijs is daar sinds een jaar of wat de discussie over duurzaamheid bijgekomen: hoe verdelen we de onvermijdelijke kosten van de overgang van een economie die draait op fossiele brandstoffen naar een economie die draait op hernieuwbare energie? En weer is het patroon hetzelfde, zowel in Nederland als in Frankrijk: de burger mag voor de kosten opdraaien, terwijl het grootbedrijf wordt ontzien. In Frankrijk neemt dat de gedaante aan van een forse verhoging van de accijnzen op diesel en benzine, die de Franse automobilist naar de elektrische auto of het openbaar vervoer moet jagen, terwijl diezelfde burger door diezelfde staat met allerlei fiscale lokkertjes jarenlang de ‘schone’ dieselauto is ingelokt – wat onlangs door de Financial Times terecht het grootste Europese beleidsdebacle van de afgelopen jaren werd genoemd. Alleen al daarom is het een affront, ware het niet dat het Franse spoorwegennet door de fixatie op de Thalys en Parijs in de periferie steeds grotere gaten is gaan vertonen en er voor veel Franse forenzen dus geen betaalbaar en betrouwbaar alternatief voor de auto voorhanden is.

    Voor de Franse middenklasse is de maat vol: wie niet horen wil, moet maar voelen

    En in Nederland neemt het de gestalte aan van klimaattafels,waar de maatregelen worden vastgesteld die ervoor moeten zorgen dat Nederland gaat voldoen aan de afspraken die in 2015 in Parijs zijn gemaakt. Aan die tafels zitten bedrijven en ngo’s, de onderhandelingen staan onder leiding van oud-politici, maar er is geen burger te bekennen.

    En dus komen de kosten voor het gasvrij maken van Nederlandse woningen vrijwel volledig bij diezelfde burger te liggen. Terwijl Shell-topvrouw Marjan van Loon het bestaat om te melden dat Shell zich alleen aan de afspraken zal houden als de overheid er een fikse scheut subsidie bij doet, onder het motto ‘ik denk dat we in deze fase een (fiscaal) zetje nodig hebben.’

    Vanuit het perspectief van de burger ziet dat er als volgt uit: een van de rijkste bedrijven ter wereld, dat duimendik boter op zijn hoofd heeft omdat het al in de jaren negentig wist dat fossiele brandstof klimaatverandering veroorzaakt, dat bovendien een van de grootste vervuilers ter wereld is, durft met droge ogen te eisen dat ik moet opdraaien voor hun duurzaamheidskosten. 

    En dat is maar één voorbeeld van het misselijkmakende chantagespel dat multinationals nu al jaren met burgers spelen, en waar politici van de middenpartijen zich maar al te graag voor lenen. Kijk maar naar de dividendbelasting, de belastingafspraken (tax rulings), belastingontwijking, de bankencrisis, het topsectorenbeleid dat multinationals een greep heeft gegeven op de wetenschapsgelden, de ontwikkelingssamenwerking die in het teken is komen te staan van exportbevordering, het migratiebeleid, etcetera. 

    Voor de Franse middenklasse is de maat vol. Wie niet horen wil, moet maar voelen. En dus eisen ze lagere belastingen (waar Macron deze week aan tegemoet is gekomen door de accijnsverhoging van tafel te vegen). En – vooral – een plek aan tafel. De gele hesjes snappen dondersgoed dat het duurzamer moet. Maar dan wel rechtvaardig en dus volgens het principe dat de vervuiler betaalt, in plaats van dat de vervuiler bepaalt — zoals momenteel gebeurt. 

    En de Nederlandse middenklasse? De ondoordachte en naar corruptie riekende afschaffing van de dividendbelasting had een ontbrandingsmoment kunnen zijn, maar werd het niet. Het wachten is op de volgende aanleiding, die er onvermijdelijk zit aan te komen.

    Of misschien had Karl Marx toch gelijk, toen hij (naar verluidt) zei dat er in Nederland nooit een revolutie zou uitbreken, omdat je hier niet op het gras mag lopen.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ewald Engelen

    Gevolgd door 1550 leden

    FTM-columnist van het eerste uur, financieel geograaf aan de UvA en actief voor de Partij voor de Dieren.

    Volg Ewald Engelen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren