Premier Mark Rutte maakt een praatje met VVD-prominent Frits Bolkestein
© ANP/OLAF KRAAK

    In een serie van vier essays beschrijft Maarten van der Kloot Meijburg de ingrijpende politieke gevolgen van het Verdrag van Maastricht. In deze eerste bijdrage geeft de auteur een inleiding en laat hij zien hoe de neoliberale ideologie het Europese politieke en economische beleid in de handen legde van een kleine groep centralistische bestuurders.

    In zijn boek The Road to Serfdom (1948) ageerde Friedrich Hayek tegen het socialisme dat met een centraal geplande economie de verdeling en toewijzing van alle middelen en goederen laat verrichten door een kleine groep planners. Die groep zou volgens Hayek niet in staat zijn om rekening te houden met alle relevante informatie. Onenigheid over de praktische uitvoering van een economisch plan, in combinatie met met de ontoereikendheid van het centrale beheer van middelen, zou dwang altijd noodzakelijk maken om de geplande doelen te bereiken. Een tirannie van de planners zou het gevolg zijn en van vrije burgers zouden slaven worden gemaakt. Hayek riep burgers daarom op de strijd aan te gaan met de planners en die te vervangen door de vrije markt. Die markt zou alle individuele burgers en bedrijven toegang verschaffen tot relevante informatie, op basis waarvan ze zouden beslissen over de aanwending van hun middelen. Concurrentie, gevoed door die beslissingen, zou op de vrije markt voor een optimale verdeling en toewijzing van middelen en goederen voor alle individuele burgers zorgen.

    ‘There is no alternative’

    De ideeën van Hayek werden dertig jaar geleden gemeengoed. De invloedrijke econoom Milton Friedman, een ideologische erfgenaam van Hayek, speelde daarbij een belangrijke rol. Met zijn boek Capitalism and Freedom legde hij het fundament onder een nieuwe vrijemarktideologie. De basisgedachte daarvan is dat economische vrijheid een noodzakelijke voorwaarde is voor politieke vrijheid. Friedman betoogt in zijn boek daarom:

    Het soort economische organisatie dat op directe wijze economische vrijheid genereert, namelijk competitief kapitalisme, garandeert tegelijkertijd ook politieke vrijheid, omdat het economische van politieke macht scheidt en op die manier wederzijdse versterking mogelijk maakt.

    Deze ideeën over vrijheid sloten goed aan op het gedachtegoed van de culturele revolutie van de jaren ’60, met haar anti-autoritaire houding en nadruk op de vrije keus van het individu. En door de afwezigheid van een alternatieve ideologie — het socialisme had al voor de val van de muur als alternatief afgedaan — werd de neoliberale ideologie tot pensée unique verheven. Margareth Thatcher gaf hiervoor in de jaren ’80 van de vorige eeuw het startschot met haar slagzin ‘there is no alternative’.

    Neoliberalisme alom

    Zo kon Friedmans kapitalistische vrijheidsideologie zich vanaf die tijd als een inktvlek over de wereld verspreiden en onze levens gaan domineren. En het waren niet alleen de liberalen die Friedman’s ideologie omarmden. Zo ruilden de sociaal-democraten met hun 'derde weg' hun oude ideologie — een in het socialisme geworteld streven naar een egalitaire maatschappij door staatsgeleide hervormingen van het kapitalisme — in voor een pseudo-neoliberale ideologie van competitief kapitalisme. Ook de conventionele christendemocratie heeft de afgelopen dertig jaar haar christelijke, op de gemeenschap gerichte politiek sterk door het neoliberale individualisme laten beïnvloeden. Noch de sociaaldemocraten (inclusief de arbeiderspartijen), noch de christendemocraten hebben echter ooit openlijk toegegeven dat hun politiek in feite neoliberaal is.

    "Noch de sociaaldemocraten noch de christendemocraten hebben ooit openlijk toegegeven dat hun politiek in feite neoliberaal is"

    Mede door die cognitieve dissonantie kwam in 1992 het Verdrag van Maastricht tot stand en werd ook de Europese Unie (EU) een neoliberaal project. Het Verdrag ontketende in de EU een competitiedrift die moest aanzetten tot creatieve destructie van de planmatige economische aanpak van de Europese verzorgingsstaten. De vrije krachten van de markt zouden ervoor zorgen dat het politieke, maatschappelijke en economische landschap zou worden herschapen in een door de onzichtbare hand gedomineerde heilstaat.

    In vier essays over de economie, innovatie, datatechniek en democratie beschrijf ik hoe er door het Verdrag van Maastricht een kleine Europese groep planners kon ontstaan die de vrijemarktideologie als dictatoriaal instrument gebruikte en hoe dat tot het verval van Europa heeft geleid. In het laatste essay geef ik een aantal uitgangspunten die een aanzet geven om Europa voor verder verval te behoeden.

    Essay 1: neoliberaal markfundamentalisme vergroot de ongelijkheid

    In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de sociaal-politieke orde gedomineerd door de denkbeelden van de Britse econoom John Keynes, die uitging van actief overheidsingrijpen in de economie. Westerse overheden creëerden verzorgingsstaten met rechtstreekse investeringen in de vraag op macro-economisch niveau. Dit Keynesiaanse anticyclische begrotingsbeleid zorgde voor een ongekende economische groei in de na-oorlogse decennia. Vanaf de jaren '70 stagneerde de groei echter, mede onder invloed van de Amerikaanse terugtrekking in Vietnam en de boycots van de OPEC-landen. Veel westerse landen belandden in een financiële en economische crisis, die leidde tot de afbraak van de Keynesiaanse sociaal-politieke orde.

    Vanaf de jaren '80 werd de Keynesiaanse aanpak in de ban gedaan, eerst in de VS en daarna het VK, en ingeruild voor de neoklassieke aanpak. Volgens die aanpak moet de rol van de overheid zo veel mogelijk beperkt worden om economische activiteit te laten sturen door marktprikkels. De vraag en aanbod van geld (de geldhoeveelheid) wordt daarbij gezien als een belangrijk instrument om economische activiteit te sturen. Deze monetaristische aanpak, aangevuld met andere ideeën over het terugdringen van de verzorgingsstaat, is in de loop der tijd bekend komen te staan als neoliberalisme — vooral door toedoen van de critici.

    De Keynesiaanse aanpak werd ingeruild voor de neoklassieke

    Door de culturele revolutie van de jaren ’60, met haar anti-autoritaire houding, nadruk op de vrije keus van het individu en losse postmoderne moraal, verloren de westerse samenlevingen hun gemeenschapszin. Deze ontwikkeling, in combinatie met de financiële en economische crisis van de jaren '70 en het ontbreken van een ideologisch alternatief na de val van de Berlijnse Muur, werd de voedingsbodem voor een politiek klimaat dat vanaf midden jaren '80 de zorgvuldig door Friedrich Hayeks Mont Pelerin Society (MPS) voorbereide opmars van het neoliberaal kapitalisme mogelijk maakte.

    Onder invloed van het neoliberale denken, verschoof het uitgangspunt voor de organisatie van de samenleving van de gemeenschap naar het individu. Burgers moeten volgens het neoliberalisme worden geprikkeld om hun eigen individualiteit te ontwikkelen, op zoek te gaan naar een eigen moraal en vooral om een eigen verantwoordelijkheid te ontwikkelen in plaats van een gemeenschappelijke. Voor het besturen van de maatschappij is de sturende hand van de overheid daarom op veel plekken vervangen door de onzichtbare hand van de markt. Maar in tegenstelling tot de neoklassieke liberale visie, is het volgens het liberalisme niet de taak van de overheid om markten te laten functioneren door haar eigen rol te beperken, maar door deze markten zelf te construeren.

    Natuurlijk systeem

    Het neoliberale gedachtegoed gaat uit van een evenwichtsmodel waarin het economische systeem wordt voorgesteld als een systeem dat altijd terugkeert naar een toestand van rust en optimaal evenwicht. Voor het gemak wordt de wereld in het model als stationair verondersteld, en de markt als een natuurlijk systeem dat zichzelf beheerst, geen verspilling duldt en het beste gedijt in een omgeving met zo min mogelijk interventie. De ondernemer wordt gezien als de crux van het systeem en competitie als haar belangrijkste sociale mechanisme. Voor de neoliberaal is de staat er dus niet om op markten te letten, maar om ze te creëren en te koesteren. De staat moet dienstbaar zijn aan de markt en de ondernemer en competitie ruim baan geven.

    "Voor de neoliberaal is de staat er niet om op markten te letten, maar om ze te creëren en te koesteren"

    Deze ideologie, waarbij de markt de centrale rol inneemt, heeft zich vanaf de jaren negentig verder verspreid over de westerse wereld. Met het Verdrag van Maastricht uit 1992, waarin de oprichting van een Economische en Monetaire Unie (EMU) en de invoering van de Europese eenheidsmunt werd vastgelegd, werd ook de Europese interne markt een neoliberaal project. Zoals Frits Bolkestein in zijn tijd als Eurocommissaris duidelijk maakte, werd de Europese agenda van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal vanaf die tijd gebaseerd op de principes van het neoliberalisme.

    De Europese unie werd geneoliberaliseerd zonder dat het Europese electoraat zich daarover echt kon uitspreken. Europese wetgeving dwong Europese nationale regeringen om voortaan in te zetten op beleid dat op marktwerking is gericht en wordt gekenmerkt door privatisering, belastingverlagingen, deregulering, vrijhandel en bezuinigingen op de overheidsuitgaven om de rol van de publieke sector te verkleinen. De Europese interne markt veranderde in een open marktplaats waar bedrijven, vooral multinationals, naar believen konden shoppen voor arbeid met de laagste prijzen en voor de laagste belastingtarieven.

    Met de oprichting van de Europese Centrale Bank (ECB) in 1998 en de introductie van de euro werd het ordoliberalisme (de Duitse variant van het neoliberaal kapitalisme) en daarmee het monetarisme de enige leidraad voor het financiële beleid in de eurozone. Handhaving van prijsstabiliteit door interventie op de kortlopende rente en de geldhoeveelheid is de belangrijkste hoeksteen van zulk beleid, en de onafhankelijk van de staat opererende ECB is daar primair voor verantwoordelijk, evenals voor het toezicht op financiële instellingen. De ECB, en in haar kielzog de financiële sector, konden door die verantwoordelijkheid een economische beslissingsmacht ontwikkelen die steeds losser van de soevereine Europese staten is gaan opereren.

    De ECB heeft een enorme invloed op de economie

    Met zijn macht om kortetermijnrentes, het aanbod van krediet en liquide activa te beïnvloeden heeft de ECB een enorme invloed op de economie. De vraag is echter gerechtvaardigd of de ECB bij de uitvoering van haar taken niet te veel oog heeft voor het deelbelang van financiële sector en daardoor te weinig rekening houdt met het algemeen belang. Een goed voorbeeld daarvan is de recente aankoop van pakketten obligaties van grote olie-, gas- en automobielbedrijven door de ECB. Volgens onderzoek van Corporate Europe Observatory (CEO) heeft de ECB, in het kader van haar omstreden beleid om schuldpapier op te kopen om de economie te stimuleren en de inflatie aan te jagen, voor miljarden aan obligaties van grote olie-, gas- en automobielbedrijven gekocht met het geld dat is geschapen uit het financiële verruimingsprogramma. De bank doet dat om de economische groei aan te jagen, maar lapt daarmee de gemaakte klimaatafspraken van Parijs aan haar laars. De Verenigde Naties hebben tekst en uitleg aan de ECB gevraagd, maar deze houdt vast aan haar beleid en beroept zich op haar onafhankelijkheid.

    Symbiotische relatie

    De groei van de economie speelde altijd al een centrale rol in het Europese regeringsbeleid, maar met de komst van het neoliberalisme werden abstracte economische waarden het primaire uitgangspunt van dat beleid en werd krediet de belangrijkste aanjager van economische groei. Onder invloed van dat beleid ontwikkelde zich een symbiotische relatie tussen overheden en kapitaalmarkten. Eerstgenoemden hebben goedkoop krediet nodig voor economische groei, laatstgenoemden hebben die kredietvraag nodig om te blijven groeien en renderen. Om de private kredietvraag te stimuleren werden geld- en kapitaalmarkten in de jaren negentig geliberaliseerd. De kredietverlening werd versoepeld en de handel in financiële producten aangemoedigd. Het beleid van groeiende kredietverlening roomde, door de aan kredietverlening gekoppelde rentelasten en dealmarges voor financiële instellingen, wel een steeds groter deel van het besteedbaar inkomen en de bedrijfswinsten af. Dit effect beperkte de bestedingen en investeringen in de reële economie. In principe althans, want het negatieve effect werd grotendeels teniet gedaan door de positieve wisselwerking tussen financiële (de economie van het geld) en de reële economie.

    Met de komst van het neoliberalisme werd krediet de belangrijkste aanjager van economische groei

    Hoe ziet die wisselwerking eruit? Bij prijsstijging van financiële activa, bijvoorbeeld huizen of aandelen, krijgen mensen het gevoel dat ze over meer geld beschikken. Ze zien die extra rijkdom vaak als een reden om meer uit te geven en deze uitgaven stimuleren de bedrijfswinsten. Stijgende bedrijfswinsten stimuleren stijgende lonen en/of bedrijfsinvesteringen, en die investeringen zorgen weer voor stijgende prijzen van activa. Daardoor neemt het vertrouwen in de economie toe, hetgeen mensen ertoe aanzet om meer te besteden. Dit vergroot de bedrijfswinsten weer, en die stimuleren op hun beurt de waarde van (financiële) activa. Tot op dat moment leidt de wisselwerking tussen de financiële en reële economie tot economische groei. Maar door de toegenomen waarde van de activa worden financiële instellingen gestimuleerd om het bedrag te vergroten dat zij aan activabezitters willen uitlenen als percentage van de waarde die van activa. Activabezitters kunnen, met andere woorden, de hefboom vergroten en deze hefboom stimuleert vooral de prijzen van financiële activa.

    Dit zichzelf versterkende effect zorgt ervoor dat het percentage aan schulden harder groeit dan de reële economie. Vanaf de jaren ’90 tot aan 2008 is hierdoor de geaggregeerde private schuld in de Europese landen ten opzichte van het bruto binnenlands product (bbp) bijna verdrievoudigd. Dit betekent dat ondernemingen en huishoudens gemiddeld genomen drie keer meer schuld hebben ten opzichte van hun inkomen. Geheel volgens neoliberaal recept verschoof de groei van die schuld van de staat naar de private sector. De staatsschuld bleef in dezelfde periode vrij stabiel, rond de 70 procent van het bbp.

    Zeepbellen

    Door de groeiende private schuldenberg ontwikkelde de financiële economie zich sneller dan de reële economie, en dan komt er een moment dat er activa-zeepbellen ontstaan. Als die zeepbellen uit elkaar spatten omdat er geen reële economische activiteit aan ten grondslag ligt, verandert de positieve wisselwerking in een negatieve wisselwerking. Het procyclische beleid van de financiële sector om kredietverlening op te voeren in goede tijden en sterk te beperken in slechte tijden zorgt er vervolgens voor dat we in een crisis belanden. Sommige economen wezen al vroeg op het gevaar van de almaar oplopende schuldenberg. In 2009 kon de Groningse econoom Dirk Bezemer daarom zijn artikel voor Financial Times de titel Why some economists could see the crisis coming geven. Het was ook niet de eerste crisis. Al sinds de toepassing van de neoliberale economische uitgangspunten wordt de economie geplaagd door activa-zeepbellen gevolgd door crises, zoals onder andere Bon Duego duidelijk maakt in zijn artikel uit 2012 The Reproduction of Neoliberalism and the Global Capitalist Crisis.

    Financiële activiteiten hebben slechts marginaal bijgedragen aan de productiviteit van de eurolanden

    Hoewel de toename in financiële activiteiten initieel voor economische groei en voor de groei van het aantal arbeidsplaatsen zorgde (vooral in de financiële sector, de van financiering afhankelijke bouwsector en, paradoxaal genoeg, marktcontrolerende overheidinstituties), hebben die activiteiten slechts marginaal bijgedragen aan de productiviteit van de eurolanden. De gemiddelde productiviteitsgroei (gemeten als productie per gewerkt uur) daalde van gemiddeld 2,5 procent in de periode 1980-1995 naar gemiddeld minder dan 1 procent in de periode 2000-2014. Dit werd ook veroorzaakt doordat veel van het kapitaal dat wordt aangetrokken door grote ondernemingen, niet wordt geïnvesteerd in bedrijfsactiviteiten, maar wordt gebruikt om wetgevings- of belastingarbitrage te plegen.

    Zo trok Apple in 2013 via de markt 17 miljard euro vreemd vermogen met een extreem lage rente aan. Dat geld werd niet gebruikt om te investeren in nieuwe producten of business, maar om dividend aan aandeelhouders uit te kunnen keren. Apple barst van de cash, maar veel van dat geld zit in offshore accounts en zou worden belast als het zou worden gerepatrieerd. Met het goedkope geld konden de aandeelhouders worden betaald en de rente kon van het resultaat in het thuisland worden afgetrokken. The Economist maakt in het artikel 'The Dark Art' inzichtelijk hoe wijdverbreid dit soort belastingarbitrage is en hoe goed grote multinationale bedrijven er in zijn.

    Piketty split

    Tegelijkertijd vond er, zoals Adrew Sayer in zijn boek Why We Can’t Afford the Rich aantoont, wel een overdracht van kapitaal plaats, 'from those who make their money by producing new goods or services to those who make their money by controlling existing assets and harvesting rent, interest or capital gains. Earned income has been supplanted by unearned income.'

    Niet voor niets ontstond vanaf de jaren ’90 de zogenoemde Piketty split: de onderste 90 procent van de huishoudens ziet haar vermogensaandeel in het nationaal inkomen stelselmatig dalen terwijl de rijkste één procent hun aandeel met dezelfde gelijkmatigheid zien stijgen. Dat is ook logisch, want daar waar investeringen in gewone activa waarde creëren voor alle burgers, zorgen investeringen in financiële activa vooral voor waardeonttrekking in de vorm van huur, rente, of dividend die slechts de waarde van de portfolio’s van vermogensbezitters vergroot. Zo wordt de reële economie van de EU onder invloed van het neoliberalisme vooral een financiële economie waarin de ECB en de financiële sector aan de knoppen draaien.

    Volgens het CBS was het bankwezen in 2014 goed voor meer dan 7 procent van het Nederlandse bbp

    Burgers kiezen nog steeds hun regeringen, maar door bovenstaande ontwikkelingen gaan onafhankelijk van de overheid opererende, financiële markten met hun macht om de kredietwaardigheid van landen te beprijzen steeds nadrukkelijker de keuzes voor het economisch beleid bepalen. Het economisch klimaat wordt daardoor sterk beïnvloed door het grillige kortetermijngedrag van speculanten op de financiële markten.

    Die invloed wordt nog versterkt door een andere ontwikkeling: de introductie, eind jaren tachtig, van een andere methode om het bbp te bepalen. De voorheen als onproductief geoormerkte bancaire activiteiten worden sindsdien als productieve activiteiten meegewogen in de bbp-index. Bancaire diensten gaan zo op papier bijdragen aan de Europese welvaart. Zo is, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek, het bankwezen in 2014 goed voor meer dan 7 procent van het Nederlandse bbp. Volgens de econome Diane Coyle wordt die bijdrage flink overschat, iets wat politici moeilijk kunnen of willen begrijpen. Diane Coyle legt in haar boek GDP uit waarom:

    Why does it matter that the contribution of the financial services industry in the GDP is overstated? The answer is that political leaders shape economic policy around key sectors. During the financial crisis, the industry’s lobby has had a substantial impact on political decisions about regulatory reforms, not just because investment banks make donations to political parties, but also because politicians genuinely believe the financial industry to be fundamentally important to jobs and economic growth.

    De lobby was effectief. Ondanks de negatieve rol die de financiële sector bij het veroorzaken van de kredietcrisis heeft gespeeld, bleef de positie en invloed van de sector in Europa onaangetast. In zijn boek Het Financiële Regime geeft Joseph Vogel duiding aan de invloed van de financiële sector op de samenleving:

    Het positioneert zichzelf als parademocratische uitzonderingsmacht. Het bindt door middel van schulden en verplichtingen. Het past de sociale en politieke orde aan de financieel-economische risico’s aan. En herintroduceert de perfidious future (Keynes) midden in onze samenleving.

    "Veel Europese regeringen grijpen de crises volgens neoliberaal recept aan om de rol van de overheid verder te beperken"

    Creatieve destructie

    Deels ontkoppeld van democratische controle, ontstaat een losbandige kapitalistische orde waarin kapitaalmarkten een economische groei aanjagen die ons uiteindelijk in crises doen belanden. Die crises worden volgens neoliberaal recept door veel Europese regeringen aangegrepen om via creatieve destructie de rol van de overheid verder te beperken. De destructie treft dan ook vooral de bestaande maatschappelijke en institutionele structuren door gemeenschapszin te vernietigen en deze te vervangen door rendementszin.

    Er ontstaat een losbandige kapitalistische orde

    Die collectief gedragen structuren voor ziektekosten, sociale woningbouw, betaalbaar en toegankelijk onderwijs, sociale zekerheid en rechtsbijstand voorzien in een patroon waarmee de maatschappelijke waarden van een samenleving op een solidaire manier worden vormgegeven. Met dergelijke collectieve voorzieningen verenigt de staat losse individuen tot een collectief van burgers met een gezamenlijk belang. Door het rücksichtloze snijden in deze voorzieningen en het streven naar efficiënt bestuur en doelmatigheid, worden waarden als proportionaliteit, de binding van het bestuur aan het recht en de waarborging van grondrechten gerelativeerd. Het breekt de sociale en staatsrechtelijke ruggengraat van onze samenleving die ervoor zorgt dat mensen zich via de staat met elkaar verbonden weten. En juist die verbondenheid tussen staat en burger is nodig om de markt goed te laten werken.

    De crux van de neoliberale ideologie is de vrije markt. Mensen en bedrijven moeten vrij zijn om te hun eigen keuzes te bepalen, want als ze niet datgene kunnen doen wat voor hen het meest profijtelijk is, verliezen ze de prikkel om te investeren en te innoveren. Het probleem is dat de vrije markt als een autonoom opererend en op zichzelf staand object alleen in theorie bestaat. In de praktijk bestaat de vrije markt helemaal niet; een markt lijkt alleen maar vrij. Veel politici lijken de beperkingen die eraan ten grondslag liggen echter zo onvoorwaardelijk te accepteren dat ze die beperkingen niet meer willen zien.

    In de praktijk bestaat de vrije markt helemaal niet

    In de praktijk is de markt altijd een integraal onderdeel van de maatschappij, en wordt haar vrijheid beperkt door regels die het gevolg zijn van politieke en maatschappelijke keuzes. De vrijheid van de markt kan daarom niet objectief worden gedefinieerd. De mate van marktvrijheid is altijd een politieke en/of maatschappelijke definitie. Er is derhalve altijd een overheid nodig die met regels en instituties zorgt voor het vertrouwensdraagvlak om vrije markten te laten werken. Iets dat Nobelprijswinnaar Douglas North al in zijn boek Institutions, Institutional change and Economic performance uit 1990 al duidelijk maakte en dat wordt bevestigd door een paper van Charles Jones, The facts of economic growth uit 2015.

    Omdat in de praktijk markten nooit geheel vrij zullen zijn, leidt neoliberaal beleid op basis van de aanname dat markten vrij zijn in de praktijk tot een inefficiënte economische aanpak. Met dat inzicht heeft de neoliberale ideologie moeite. Het is een blinde vlek in de ideologie die de markt heilig heeft verklaard en de overheid in de ban heeft gedaan. Die blinde vlek is ook de reden dat regeringen van neoliberale snit te makkelijk wegkijken van de sociale en institutionele gevolgen van hun beleid om de verzorgingsstaat om te bouwen naar een participatiesamenleving op basis van het vrijemarktprincipe. Veel EU-landen blijven daarom vasthouden aan het stimuleren van marktwerking en procyclisch monetair beleid. En dit terwijl de gewenste verkleining van de overheid uitblijft (in Europa bleven de publieke uitgaven als percentage van het bbp schommelen rond de 55 procent tot 2008 en stegen deze zelfs sterk na 2008) en de uitdijende kloof tussen rijk en arm economische groei ondermijnt.

    Dit laatste effect is ook het gevolg van de promotie van het eigenwoningbezit. Het neoliberale idee achter eigenwoningbezit is dat het burgers welvarender en zelfredzamer zou maken, en veel Europese overheden hebben daarom de afgelopen decennia het eigenwoningbezit gepromoot. Deze ontwikkeling pakte echter vooral goed uit voor de meer kapitaalkrachtige burger. Voor minder kapitaalkrachtige burgers die geen eigen huis konden bemachtigen was de ontwikkeling een stuk minder positief, zoals de sociaal geograaf Rowan Arundel recent aantoonde in zijn proefschrift De mythe van massaal woningbezit . Arundels onderzoek maakt tevens duidelijk dat overheden het toegenomen woningbezit hebben gebruikt om onderdelen van de welvaartsstaat te verschralen. De redenering daarachter was dat als iedereen een eigen huis heeft, en daarmee zijn vermogen vergroot, de pensioenvoorziening versoberd kan worden. Dat huizenprijzen ook kunnen dalen terwijl de waarde vande hypotheekschuld gelijk blijft, wordt in deze redenering niet meegenomen.

    De politiek van het eigenwoningbezit draagt substantieel bij aan de kloof tussen arm en rijk

    Daarnaast komt, mede door de crisis, een steeds groter deel van de woningen in de vrije sector in het bezit van beleggingsinstellingen of van kapitaalkrachtige burgers die al een huis hebben. Zij verhuren hun woningen tegen relatief hoge huren aan mensen die zich geen koophuis kunnen veroorloven. Die huurders zijn vervolgens zoveel geld kwijt aan woonlasten dat ze niet genoeg kunnen sparen om zelf een huis te kunnen kopen. Bovendien is het door de toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt de laatste twintig jaar voor grote groepen, vooral jongeren en flexwerkers, steeds minder gemakkelijk geworden om een hypotheek te krijgen. Dit werd voor de crisis gemaskeerd door soepele leenregels en bankstrategieën die vooral op groei en rendement en veel minder op risico waren afgestemd. De politiek van het eigenwoningbezit draagt daardoor substantieel bij aan de vergroting van de kloof tussen arm en rijk. Het neoliberale kapitalisme is daarmee aanjager van een trend die vermogende mensen rijker maakt ten koste van mensen met modale inkomens.

    Harde waarheid

    Ondanks het falen van de neoliberale economische aanpak worden Europese regeringen gedwongen deze voort te zetten via de door de ECB afgedwongen begrotingsnorm van 3 procent en staatsschuldplafond van 60 procent. Dit neoliberale idee — dat een hoge schuldgraad slecht is en besparingen goed zijn — is gebaseerd op onderzoek van de economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff. Zij claimden dat een schuldgraad van meer dan 90 procent van het bbp de economische groei sterk afremt. Inmiddels is gebleken dat het onderzoek niet deugde en berustte op foute gegevens, vertekende gewichten en een slordige fout in een Excel-spreadsheet.

    De harde waarheid veranderde niets aan het economische beleid in de EU

    Die harde waarheid veranderde echter niets aan het economische beleid in de EU. Er wordt daarom extra bezuinigd, de sociale vangnetten worden verder uitgehold, nog resterende publieke diensten worden geprivatiseerd en de arbeidsmarkt wordt verder geflexibiliseerd. Dit bezuinigingsbeleid wordt verkocht als het tijdelijke zuur, noodzakelijk om te voorkomen dat de financiële markten hun vertrouwen verliezen in de Europose economie. Dat zou het economisch herstel vertragen en volgende generaties opzadelen met onze lasten. VVD’er Johannes Witteveen, oud-minister van Financiën, noemde dit argument in een recent interview met het programma Altijd Wat en in een artikel in Het Financieele Dagblad ‘een heel onjuiste en populistische opvatting. Wanneer je geleend geld investeert in de juiste hervormingen, geef je de conjunctuur een duwtje in de goede richting. Wanneer je alleen maar bezuinigt in tijden van recessie, gaan consumenten minder besteden met negatieve effecten op bedrijven, komt er minder productie met meer werkloosheid en daardoor weer meer overheidsuitgaven en minder belastinginkomsten. De begroting wordt daardoor nog ongunstiger.’

    Helaas wordt er, mede onder invloed van de staatsschuldafspraken uit hoofde van het akkoord van Maastricht, niet geluisterd naar de oude liberaal. Europese overheden investeren daarom, ondanks de extreem lage rente op staatsschuld, veel te weinig in noodzakelijke hervormingen zoals de infrastructuur van industrie en energie. Geheel in de neoliberale traditie moet niet de overheid maar de markt — met behulp van het monetaire stimuleringsbeleid van de ECB — burgers en bedrijven uit de crisis helpen.

    Het ECB-beleid is erop gericht om via kwantitatieve geldverruiming (vergroting van de geldvoorraad door een centrale bank door middel van de aankoop van effecten zoals staatsobligaties) en renteverlaging krediet goedkoper te maken om zo bestedingen en investeringen te stimuleren, de koers van de euro te laten dalen om de export te laten stijgen en daarmee de werkgelegenheid te stimuleren. De rente van de centrale banken staat inmiddels bijna op nul en kan vanwege de zogenaamde liquiditeitsval niet verder worden verlaagd (mensen houden dan contant in plaats van giraal geld aan) terwijl de economie zeer beperkt groeit en de inflatie extreem laag blijft.

    Het ECB-rentebeleid is verworden tot een verkapte subsidie voor banken

    Zoals John Kay in zijn boek Others people’s money aangeeft, is het ECB-rentebeleid verworden tot een verkapte subsidie voor banken, waarmee nieuwe financiële activa-zeepbellen worden gecreëerd. Als tegenprestatie geven de banken onderpand aan de ECB. De ECB heeft inmiddels 1200 miljard euro geleend aan banken, maar tegen onderpand van zeer lage kwaliteit. Intussen blijft de kredietgroei in de reële economie, ondanks de lage rente en kwantitatieve verruiming, beperkt en zal dat waarschijnlijk nog lange tijd zo blijven. Dit wordt ook veroorzaakt doordat veel landen — vooral Zuid- en Zuidoost-Europese — met probleemleningen blijven kampen en doordat banken door de eisen van Bazel III zeer selectief zijn geworden in het verstrekken van krediet. Het monetaire beleid van de ECB werkt niet en dat had iedereen kunnen weten, want in Japan werkte het ook niet. Ondertussen is er voor budgettair stimuleringsbeleid binnen de EU weinig ruimte. Het wachten is op de volgende financiële crisis. Edin Mujagic geeft op FTM aan waarom:

    Normaliseert de ECB het beleid niet, dan leert de monetaire geschiedenis ons dat allerlei onheil ons wacht, waaronder hoge inflatie. Ook financiële instabiliteit komt dan om de hoek kijken, en om die te voorkomen moeten de aandelenkoersen hoog blijven en de rentes laag. Echter, om dat voor elkaar te krijgen moet de dosis toegediende monetaire drugs almaar hoger worden om voor hetzelfde effect te zorgen. Ooit zal dat natuurlijk ophouden. Het gevolg zal, inderdaad, financiële instabiliteit zijn.

    Dynamisch systeem

    De wereld is dan ook geen stationair systeem dat altijd terugkeert naar een toestand van optimaal evenwicht en rust, zoals in het Neoliberale model wordt aangenomen. Het is een dynamisch systeem gedreven door maatschappelijke keuzes, waarin tijdelijke situaties van rust en stabiliteit worden opgevolgd door snelle veranderingen naar nieuwe min of meer stabiele toestanden.

    Een studie van ING toont dat het Nederlandse bezuinigingsbeleid honderdduizend banen kostte

    In de echte wereld leiden de neoliberaal kapitalistische paradigma’s daarom tot economische en sociale crises. De Europese, op marktfundamentalistische denkbeelden gebaseerde bezuinigingspolitiek heeft dan ook sinds 2008 een economische en sociale ravage aangericht. Terwijl de banken met staatsgeld werden gered om de belangen van vermogensbezitters te beschermen, gingen vier miljoen banen verloren. Een recente studie van ING geeft aan dat het Nederlandse bezuinigingsbeleid alleen al honderdduizend banen kostte. Eén op tien werkende mensen in Europa leeft vandaag onder de armoedegrens en een kwart van de bevolking loopt het risico op armoede of sociale uitsluiting. Onder deze armen zijn opvallend veel werkende mensen en gepensioneerden. 

    "De grote zakenbanken hebben al weer gigantische posities opgebouwd in afgeleide financiële producten"

    Door het bezuinigingsbeleid heeft er in Europa een overdracht plaatsgevonden van arbeid naar kapitaal en van arm naar rijk die tot een enorme verbreding van kloof tussen de haves en have nots heeft geleid. De 1 procent heel rijke individuen zagen hun rijkdom sinds 2008 met maar liefst 41 procent stijgen terwijl de middeninkomens hun vermogen met hetzelfde percentage zagen dalen. Niet alleen de vermogenverschillen zijn toegenomen, maar ook de inkomensverschillen indien vermogensinkomsten en belastingontduiking in de berekeningen worden meegenomen. Dit weet Jesse Frederik op De Correspondent goed duidelijk te maken. De inkomensverschillen zijn volgens hem daarom ook in inkomensegalitaire landen als Nederland en Noorwegen waarschijnlijk veel groter dan de officiële statistieken weergeven.

    De groei van het bbp in de Europese Unie nam na 2000 sterk af

    De groei van het bruto binnenlands product in de Europese Unie nam na 2000 sterk af. Vanaf 2008 was er door de economische crisis en de problemen met de euro nauwelijks groei. Na 2013 is er weer sprake van een beperkte groei van rond de 1 procent. Veel economen voorzien in Europa een structureel beperkte groei met een lage arbeidsproductiviteit, die wordt veroorzaakt door hoge schulden, beperkte investeringsgroei en een vergrijzende bevolking. Het neoliberale beleid van meer concurrentie en minder overheid, privatiseringen, bezuinigingen en het terugdringen van staatsschulden heeft zijn beloften van meer groei, welvaart en welzijn niet waar kunnen maken.

    Volgens de Duitse historica en filosofe Guérot heeft de EU marktcompetitie ingeruild voor burgercompetitie door bedrijven in Europa de mogelijkheid te bieden te shoppen tegen de laagste lonen en belastingen. De EU-lidstaten zijn in een race to the bottom verwikkeld die tot nog meer vermogens- en inkomensongelijkheid leidt en de economie in veel Europese landen verder zal doen stagneren. Niet alleen de liberalen, maar juist ook de christendemocraten en sociaaldemocraten hebben daaraan meegewerkt met een op neoliberale leest geschoeide politiek. Ze zijn daarom medeverantwoordelijk voor een neoliberale vrijemarktpolitiek van verelendung, maar blijven dat ontkennen.

    Zo blijven de lidstaten meewerken aan het neoliberale monetaire beleid dat wel weer even voor economische groei zorgt, maar ook een nieuwe financiële bubbel zal creëren die de volgende crisis zal veroorzaken. De grote zakenbanken hebben al weer gigantische posities opgebouwd in afgeleide financiële producten. De posities in die producten bedroegen voor JPMorgan Chase en Deutsche Bank in 2012 respectievelijk 70.000 miljard dollar en 55.000 miljard dollar. Die laatste waarde is gelijk aan de totale waarde van alle bezittingen van de VS. Als in de toekomst de nieuwe crisis leidt tot de deconfiture van één van die banken, zal een bancaire systeemcrisis niet zo makkelijk meer met geld van de belastingbetaler kunnen worden opgevangen. Het zal mogelijk de genadeklap voor de Europese Unie zijn. Dat is economy stupid en maakt de overstap naar een ander economisch beleid noodzakelijk.

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid