© Matthias Leuhof

Banenlek naar subsidieparadijzen is moeilijk te dichten

In de Europese Unie woedt al decennia een concurrentiestrijd om de goedkoopste werkkrachten. Vooral Oost-Europese landen lokken bedrijven met voordelige arbeidsvoorwaarden en riante subsidies – soms zelfs uit EU-potjes. Hierdoor verdwenen al tienduizenden banen uit Nederland, en staan werknemers en hun rechten onder druk. Follow the Money onderzoekt het 'offshoring' van werk naar lagelonenlanden in de Unie en het mogelijke effect van de coronacrisis.

Dit stuk in 1 minuut
  • In Enschede staan bijna duizend banen op de tocht omdat bandenfabrikant Apollo Vredestein zijn productie verhuist naar Hongarije. Daar zijn de arbeidskosten lager en kreeg de fabrikant bovendien bijna 100 miljoen euro subsidie voor de bouw van een nieuwe fabriek.
  • In enkele jaren tijd verloor Nederland al tienduizenden banen door verplaatsing van productie naar het buitenland; meestal naar lagelonenlanden elders in Europa. Bedrijven dreigen soms met vertrek naar het buitenland als werknemers niet met slechtere arbeidsvoorwaarden akkoord gaan.
  • Om bedrijven te lokken, houden overheden in Midden- en Oost-Europa de arbeidskosten bewust laag. Ze delen riante subsidies uit en pronken met fondsen van de Europese Unie. Vooral in de automobielindustrie leidde dit tot grote verschuivingen op de Europese arbeidsmarkt.
  • De Europese Commissie blokkeerde al voor honderden miljoenen euro aan ongeoorloofde staatssteun. Maar de Hongaarse subsidie aan Apollo werd wel goedgekeurd.
  • Door de coronacrisis zien bedrijven ook nadelen van het uitbesteden en verplaatsen van productieprocessen. Dit leidt waarschijnlijk niet tot het terughalen van banen, maar tot meer automatisering.
Lees verder

Ze zijn bitter, in Enschede. Sommige werknemers waren al dertig jaar in dienst bij de bandenfabriek toen hen in maart het nieuws overviel dat Apollo Vredestein de lokale productie drastisch terugschroeft. Inclusief uitzendkrachten komen bijna duizend mensen op straat te staan. Officieel niet als gevolg van de splinternieuwe fabriek in een Hongaars gehucht op een uur rijden van Boedapest. Zes jaar geleden heeft het Nederlandse personeel de nieuwe Oost-Europese collega’s nog opgeleid; het kreeg toen de verzekering dat zij slechts een ‘aanvulling’ zouden zijn. En dan nu, als een donderslag bij heldere hemel: De bandenfabriek in Enschede is niet ‘concurrerend’ meer. Het veel goedkopere Hongarije moet soelaas bieden.


Benoit Rivallant, topman Apollo Vredestein

"In Enschede zijn de arbeidskosten te hoog om op oude voet door te gaan"

Wie kijkt naar wat Hongarije te bieden heeft, kan Apollo Vredestein uit winstoogpunt moeilijk ongelijk geven. De loonkosten zijn er slechts een kwart van de kosten hier. Bovendien gaf de Hongaarse overheid een zak geld van bijna 100 miljoen euro om de fabriek op poten te zetten. Kom daar maar eens om in Nederland, met zijn keurige salarisschalen en vakkundig dichtgetimmerde cao’s. Hoewel topman Benoit Rivallant volhoudt dat de nieuwe Hongaarse fabriek niet de reden is voor de reorganisatie in Enschede, erkent hij dat de arbeidskosten er te hoog zijn om op oude voet door te gaan. Hij waagde niet eens een poging om nog in Nederland over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen. Zo goedkoop als de Hongaren, zullen de Hollandse vakbonden toch niet gaan.

Vredestein Banden

Bandenfabriek Vredestein wordt vlak na de oorlog in Enschede opgericht. In 1971 komt het bedrijf voor 100 procent in handen van het Amerikaanse B.F. Goodrich. De fabriek groeit snel en levert luchtbanden voor onder meer personenauto’s, vrachtwagens en landbouwvoertuigen aan 125 landen. 

Vanwege de oliecrisis neemt de Nederlandse staat in 1976 49 procent van de aandelen van Goodrich over. De overige aandelen komen niet veel later in handen van de Stichting tot voortzetting van Vredestein en vallen uiteindelijk onder het Russische Amtel

Jarenlang lopen de zaken relatief goed, tot de bandenfabriek in 2009 – na het faillissement van Amtel – wordt overgenomen door het Indiase Apollo Tyres van de familie Kanwar. Die koestert de ambitie om met haar bedrijf tot de top 10-bandenfabrieken van de wereld te horen. Daarvoor laat de familie in eerste instantie het oog vallen op Hongarije, maar door de onzekere politieke situatie daar klapt de deal. 

Vredestein daarentegen biedt de Kanwars een gespreid bedje. Ze kunnen de boel voor 175 miljoen euro overnemen. Maar niet veel later heropent Hongarije de gesprekken met Apollo Tyres. In 2014 leidt dat tot een deal waarbij de Hongaarse overheid 95,7 miljoen subsidie beschikbaar stelt (pakweg een vijfde van de kosten) voor de bouw van een nieuwe Apollo-fabriek op Hongaarse bodem. Wanneer de fabriek eenmaal draait, verdwijnt er steeds meer productie van Enschede naar Gyöngyöshalász. 

In maart 2020 wordt aangekondigd dat er 750 voltijdbanen verdwijnen uit Enschede, samen met nog 150 uitzendbanen. Zo’n 350 tot 400 arbeidsplaatsen blijven (voorlopig) over voor de productie van landbouwbanden en premium-banden voor dure auto’s.

Apollo Vredestein heeft twee vestigingen in Enschede en een hoofdkantoor in Amsterdam.

Lees verder Inklappen

De overheid voelt zich niet geroepen om voor de Enschedeërs in de bres te springen. De ministers Eric Wiebes (Economische Zaken) en Wouter Koolmees (Sociale Zaken) schrijven hierover aan de Tweede Kamer: ‘De economie is voortdurend in beweging met verschuiving van activiteiten als bijkomend gevolg. Het is aan de leiding van een onderneming om adequaat te handelen in belang van de continuïteit van een onderneming als geheel en van alle stakeholders, waaronder de werknemers.’ Het is de opstelling die Nederland al decennia inneemt. In Midden- en Oost-Europa zijn arbeidskrachten nu eenmaal goedkoper en daar is weinig aan te doen. Bovendien verdienen veel van onze bedrijven dik aan de Europese vrije markt, wat de onwelgevallige neveneffecten ruimschoots compenseert. In de woorden van toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Karien van Gennip (2005): 'Nederland als geheel wordt er beter van.' Discussie gesloten.


Karien van Gennip, oud-staatssecretaris EZ

"Nederland als geheel wordt beter van vrije markt in Europa"

Intussen zagen vooral de minder rijke regio’s van ons land, met veel laaggeschoolde arbeidskrachten, tienduizenden banen verdwijnen naar het buitenland. Het CBS becijferde in zijn recentste rapportage dat alleen al tussen 2014 en 2016 30.000 banen verdwenen door verplaatsing van productie, waarbij vooral de Nederlandse maakindustrie werd geraakt. Bandenfabriek Apollo Vredestein is een goed voorbeeld. Lokale werknemers moeten het afleggen tegen hun veel goedkopere oosterburen, een handje geholpen door het agressieve wervingsbeleid van Hongarije.

Leegloop

Het is een kunstje dat menig Midden- en Oost-Europees land inmiddels aardig onder de knie heeft. Sinds de val van de muur hebben de meeste voormalige Oostbloklanden razendsnel hun economie geliberaliseerd om zich in te vechten op de internationale markten. Vooral in de auto-industrie zorgde dit voor enorme verschuivingen; dankzij de grote Europese autoreuzen die er wel brood in zagen de productie van onderdelen zoveel mogelijk aan lagelonenlanden uit te besteden. Zoals Carl-Peter Forster, voormalig CEO van General Motors Europe – eigenaar van onder meer Opel – in 2004 plompweg zei: ‘Go out of Germany or go out of business.’

Sindsdien is dat adagium blijven klinken, ook al ging het bijna altijd om kerngezonde bedrijven. In een relatief recente enquête antwoordde bijna de helft van de ondervraagde ondernemingsraden in de Duitse autobranche dat er tussen 2011 en 2016 werk is verdwenen naar Midden- en Oost-Europese landen. De sector verloor in tien jaar tijd (2005 - 2016) een kleine 100.000 banen. Dat was niet louter een logisch gevolg van bevolkingskrimp, zo blijkt uit de pogingen van de Duitsers om het lek te dichten. Al in de jaren negentig accepteerde de vakbond IG Metall dat er – om de leegloop naar Midden- en Oost-Europa af te remmen – met zogenaamde ‘openingsbepalingen’ mocht worden afgeweken van de stringente Duitse arbeidsovereenkomsten. Ook de Duitse overheid trok de portemonnee en dekte in 2005 bijvoorbeeld voor 30 procent de bouw van een BMW-fabriek in Leipzig (Oost-Duitsland) om te voorkomen dat de productie naar Tsjechië zou gaan. Zo wisten Duitse autobedrijven ook in het thuisland optimaal te profiteren van de dreigende concurrentie uit het oosten.


Martin Krzywdzinski, deskundige arbeidsmobiliteit

"In lagelonenlanden trekken werkgevers aan het langste eind"

Maar ook de Duitsers kregen het lek niet gedicht. Sinds hun toetreding tot de Europese Unie hebben landen als Tsjechië, Hongarije en Polen hun arbeidswetgeving alleen maar verder geflexibiliseerd om zo aantrekkelijk mogelijk te blijven voor multinationals. Omdat ze niet deelnemen aan de euro kunnen ze hun munt naar believen devalueren en de lonen laag houden. 'Kijk alleen al naar de minimumlonen in die landen,’ zegt de Duitse socioloog Martin Krzywdzinski, die al jaren de trek van de Duitse automobielindustrie onderzoekt. 'Hun loonbeleid is altijd zeer terughoudend geweest. En hoewel de lokale regelgeving vaak op papier relatief vakbondsvriendelijk is, hebben de vakbonden in de praktijk maar weinig rechten en macht. De werkgevers trekken aan het langste eind.'

Recent zag Krzywdzinski zelfs een nieuwe verplaatsingsgolf onstaan. Autobedrijven worstelen met verscherpte Europese milieumaatregelen, en met technische uitdagingen die grote investeringen vergen. 'Daarom zetten ze druk op hun toeleveranciers om de kosten te verlagen, die dan op hun beurt weer hun heil zoeken in lagelonenlanden. De fabrieken die het nog in Duitsland uithouden, zijn vaak sterk gespecialiseerd. Als je slechts een productieplaats bent, wordt het op de lange termijn heel moeilijk om te overleven.'

Bedekte termen

Ook in Nederland ondermijnt de concurrentiedruk van lagelonenlanden de positie van werknemers. Zo probeerde Apollo Vredestein enkele jaren terug nog de arbeidsvoorwaarden te versoepelen, vertelt Gerard van Dijk van CNV Vakmensen. Het ging bijvoorbeeld om de invoering van een ongunstiger dienstrooster en een terughoudend systeem voor het uitbetalen van overuren. ‘Nooit werd expliciet gezegd dat de gehele productie misschien zou worden verhuisd. Hooguit werd in bedekte termen te kennen gegeven dat de concurrentie op de internationale markt groot is, en dat we in Nederland daarom wendbaar moeten zijn.' De vakbonden hielden destijds voet bij stuk en alle flexibiliseringsplannen werden ingetrokken. ‘Totdat in maart plots werd aangekondigd dat de hele boel naar Hongarije gaat,’ zegt Van Dijk. 'Toen is ons niets meer gevraagd.'

Het is een verhaal dat overal in Nederland wordt verteld. Een kleine greep: gaskleppenfabriekant Honeywell in Emmen besloot in 2009 de hele assemblageafdeling naar Tsjechië te verhuizen en ontsloeg daarbij 150 man. In 2014 annuleerde generatorenfabriek Brush in eerste instantie de overheveling van productie naar datzelfde land doordat de werknemers weigerden de Tsjechen voor hun banen op te leiden, om vier jaar later alsnog de kogel door de kerk te jagen. Signify, het voormalige Philips Lightning, verhuist al jaren stapsgewijs de productie naar Midden- en Oost-Europa. Schuifdakenfabriek Inalfa sneedt vorig jaar flink in het banenbestand in het Limburgse Venray, nadat het in de jaren daarvoor de productie steeds meer naar het oosten had verschoven. 


Gerard van Dijk, CNV Vakmensen

"Zo laag als daarginds kunnen wij niet gaan"

En zelfs in de bloeiende dienstensector vallen klappen, zoals de ontslagronde die ING in 2016 aankondigde, waarbij 2300 banen verloren gaan. Uit onderzoek van De Volkskrant bleek dat ‘digitalisering’ maar deels een excuus vormt. Ook het wegsluizen van werk naar lagelonenlanden is een belangrijke factor. Van Dijk van CNV Vakmensen ziet het met lede ogen aan: 'Dan is het boem! Fabriek of kantoor gesloten, mensen op straat, productie naar Oost-Europa. Voor ons rest er dan weinig ruimte om zo’n besluit aan te vechten, laat staan om nog over arbeidsvoorwaarden te onderhandelen. Zo laag als daarginds kunnen wij toch niet gaan.'

Fit for the future

In de jaren voorafgaand aan zo’n verhuizing wordt op werknemers soms flink druk uitgeoefend om slechtere arbeidsvoorwaarden te accepteren. Vakbondsbestuurder Janwillem Compaijen (FNV) noemt als voorbeeld bloedzakkenfabrikant Fresenius in Drenthe, waar het al lange tijd onrustig is. Compaijen loopt er de deur plat om ontslagen te voorkomen. 'In 2011/2012 ontstond het idee om de fabriek fit for the future te maken, vertelt hij. 'Onderdeel daarvan was afmijning van de arbeidsvoorwaarden. In 2015 werden vervolgens alsnog 120 banen geschrapt vanwege productieverplaatsing naar Tsjechië. Inmiddels is het plan om de rest van het werk naar de Dominicaanse Republiek over te brengen. De overgebleven werknemers worden dan ingezet voor het maken van sondevoeding, waarbij opnieuw een kwart zijn baan zal verliezen en de overigen er slechtere arbeidsvoorwaarden voor terugkrijgen.' 

De directeur verkoopt de reorganisatie intussen als een nieuwe investering, zo komt naar voren in diverse regionale mediaberichten. En met succes. Uit een recente rapportage blijkt het ministerie van Economische Zaken het Drentse banenverlies zelfs te noteren als banenwínst. Vakbond FNV is evenwel naar de rechter gestapt om te voorkomen dat nu ook het sociaal plan opzij wordt geschoven.

Besparing op loonkosten is drijfveer nummer één

Een kleine rondgang langs zijn vakbondscollega’s levert Compaijen tal van vergelijkbare voorbeelden op. Zelf was hij in 2015 nog betrokken bij een cao-conflict met Essity in Hoogezand, waar onder meer incontinentiemateriaal van het merk TENA wordt vervaardigd. De onderhandelingen dreigden uit te lopen op een staking. Tot de werkgever uitlegde dat de Groningers dan naar nieuwe machines konden fluiten. Die zouden naar de productielocatie in Polen gaan, ten koste van de werkgelegenheid in Hoogezand. Gauw kozen de werknemers eieren voor hun geld. In dezelfde regio zou de glasvezelfabriek van het Amerikaanse chemieconcern PPG gesloten worden als de werknemers niet akkoord gingen met slechtere arbeidsvoorwaarden. Ook de werknemers van de Niemeyer-tabaksfabriek, in eigendom van British American Tobacco, zagen hun rechtspositie afbrokkelen, evenals de mensen van Unilevers Ben & Jerry’s in Hellendoorn

Het zijn met name de multinationals die naar believen schuiven met mankracht, becijferde het CBS. Van de ondernemingen met een moederbedrijf buiten de EU haalde bijna een kwart in een paar jaar tijd de activiteiten weg uit Nederland; van de Nederlandse bedrijven slechts 3 procent. Besparing op loonkosten stond met stip op één van de genoemde drijfveren.

Subsidiepotten

Maar personeelskosten zijn niet de enige reden om te verhuizen. Vaak krijgen bedrijven die hun productie overbrengen naar Midden- of Oost-Europa daar nog eens flink geld op toe. Sinds de val van de muur heeft de regio het tot zijn beleid gemaakt om multinationals letterlijk over de grens te trekken met enorme investeringssubsidies. Hongarije spant daarbij de kroon, blijkt uit onderzoek van de Hongaarse nieuwssite Index. Tussen 2004 en 2016 keerde Boedapest aan ondernemingen ongeveer 750 miljoen euro uit voor het creëren van banen. In acht van de tien gevallen ging het geld naar autobedrijven. Uiteraard pikte vooral de Duitse autosector een graantje mee. Mercedes deed de beste zaken met Boedapest en streek circa 75 miljoen euro op. Maar ook Audi – onderdeel van het Volkswagenconcern – kreeg een goede deal: zo’n 15 miljoen euro voor 150 banen op Hongaarse bodem.

Dikwijls scheren Oost-Europese landen met hun stimuleringsregelingen langs de rand van het betamelijke. Tussen 2007 en 2014 onderzocht de Europese Commissie maar liefst 20 gevallen van staatssteun aan de auto-industrie, bij elkaar ter waarde van bijna een miljard euro. Hongarije, Polen en Roemenië leverden daarvan het leeuwendeel. Slechts 441 miljoen euro aan subsidiegeld bleek door de beugel te kunnen. De Commissie werd ook nog geïnformeerd over 44 andere gevallen van steun aan de autosector, maar de bedragen daarvan waren te klein voor nader onderzoek. Alles bij elkaar telden ook die verdachte overheidsdouceurtjes op tot 862 miljoen euro. 

Werkgeversorganisatie VNO-NCW

"Het spel moet zuiver zijn, zonder onterechte subsidies of illegale voordelen"

De Nederlandse werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft moeite met dit soort praktijken. ‘Als het gaat om concurrentievervalsing en gebrek aan een eerlijk speelveld zijn er zeker zorgen,’ zegt woordvoerder Edwin van Scherrenburg. ‘Zo zijn er inderdaad geluiden dat landen soms bedrijven met staatssteun naar zich toe weten te halen. Dat gaat echt niet alleen maar om Oost-Europa, we lopen er ook bij andere landen weleens tegenaan. We mogen allemaal concurreren op factoren als beroepsbevolking, goed vestigingsklimaat etcetera, maar het spel moet wel zuiver worden gespeeld: dus zonder onterechte subsidies of illegale voordelen.’ De werkgeverskoepel vindt dat de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie doorgaans goed optreden tegen ongeoorloofde staatssteun. Van Scherrenburg: ‘Al is het soms moeilijk te achterhalen hoe en wat er precies gebeurd is, en duren dit soort zaken lang.’

Beste dealtjes

De Hongaarse pot geld voor Apollo Vredestein is zo’n zaak die door de Commissie werd bekeken. De Indiase multinational Apollo Tyres, sinds 2009 eigenaar van bandenfabrikant Vredestein, kreeg in 2014 van de Hongaarse overheid in totaal 95,7 miljoen euro voor de bouw van een nieuwe bandenfabriek in het arme noorden van het land. Volgens de deal waren daarmee 975 banen gemoeid. De Commissie keurde het goed: er was geen sprake van ongeoorloofde marktverstoring. Het subsidiebedrag was binnen het toegestane maximum gebleven; de markt voor autobanden werd er niet onevenredig door verstoord; en er werd werkgelegenheid gecreëerd in een onderontwikkelde regio. 

Gerard van Dijk van CNV Vakmensen vindt het onbegrijpelijk: 'Het ironische is dat de fabriek in Enschede zelfs nog garant stond voor de financiering van de fabriek in Hongarije. Maar wat het voor de werknemers hier kon betekenen, is niet eens overwogen.' De PvdA en het CDA hebben daarom vragen gesteld aan de Europese Commissie. Ze willen weten waarom de verschuiving van banen tussen regio’s in de EU niet als factor is meegewogen bij de beoordeling van de staatssteun, en of die toets daartoe eigenlijk wel de mogelijkheid biedt.

Brussel lijkt wel op meer vlakken toegeeflijk ten opzichte van bedrijven die heel makkelijk van land naar land hoppen, op zoek naar de beste dealtjes. Al in 2006 verbood de Europese Unie het gebruik van EU-fondsen voor subsidiëring van productieverplaatsing van multinationals, maar in 2010 bleek de praktijk fluïde. Journalisten van het Bureau of Investigative Journalism en de Financial Timesontdekten dat ondernemingen die hun zaakjes naar het oosten verkasten, ter plaatse alsnog een beroep konden doen op allerhande EU-potjes. Zoals de Franse autoleverancier Valeo, die zijn productie naar Polen overhevelde en daar ongeveer 5 miljoen euro aan Europees geld binnenharkte voor de financiering van bedrijfsactiviteiten.

Verkooppraatjes

Er zijn meer aanwijzingen dat EU-geld een factor is in het investeringsbeleid van multinationals. In hun recent verschenen onderzoek beschrijven Gergö Medve-Balínt en Vera Scepanovic hoe internationale ondernemingen in Midden- en Oost-Europa volop van EU-subsidies profiteren. Ze plozen de geldstromen in Polen en Roemenië na, en ontdekten dat tussen 2007 en 2013 vooral de internationale auto-industrie de beschikbare EU-fondsen opslurpte. Bij elkaar ging het om honderden miljoenen euro; geld dat eigenlijk bedoeld was voor het lokale midden- en kleinbedrijf. 

Niet voor niets roemen lokale consultants de EU-potten in hun verkooppraatjes. Zoals István Réczicza van het grote advocatenkantoor Dentons, die expliciet in zijn gids voor Hongarije de beschikbaarheid van EU-fondsen noemt. Of Claus Frank van het internationale accountantsbedrijf HLB, die de ruimschoots beschikbare Europese onderzoekssubsidies voor de auto-industrie aanprijst


Elias van Herwaarden, consultant bedrijfslocaties

"Ze pronken met subsidies, zoals westerse landen ook jaren deden"

De Nederlandse consultant Elias van Herwaarden ziet ook dat er met overheidssubsidies en EU-fondsen wordt gepronkt om interesse van bedrijven te wekken. ‘Het wordt genoemd om de indruk te creëren dat er veel geld beschikbaar is,’ zegt hij. ‘Het is een spelletje dat Midden- en Oost-Europese landen inmiddels goed hebben leren spelen, overigens afgekeken van westerse landen, die dat ook jarenlang hebben gedaan.’ 

Zo kon het gebeuren dat diplomatieke vertegenwoordigers van Bulgarije en Roemenië anderhalf jaar geleden met een workshop in Brussel aan Belgische ondernemers duidelijk maakten hoe ze optimaal van de in hun landen beschikbare EU-fondsen kunnen profiteren. En ook de Nederlandse ambassades in Midden- en Oost-Europa loodsen hun landgenoten graag naar EU-middelen, blijkt uit deze nieuwsbrief van de ambassade in Boedapest uit 2014. Daarin wordt nog eens aangestipt dat ondernemers ook in de toekomst erop kunnen rekenen dat er trouw gerapporteerd wordt over mogelijkheden om bij Europees geld te komen.

Van Herwaarden: 'Ieder land heeft zijn eigen investeringsorgaan dat heel actief probeert investeringen aan te trekken. Als je als land bijvoorbeeld de automobielsector als prioriteit hebt, stuur je specialisten naar bedrijfscongressen om daar contacten te leggen. Soms worden specifieke ondernemingen heel goed in de gaten gehouden; om die op precies het juiste moment te kunnen werven.' Zelf raadt hij bedrijven af om louter vanwege de beschikbaarheid van publieke fondsen de productie te verplaatsen. ‘Je kunt je business case niet bouwen op subsidies.’

Zere plek

De Europese Commissie is voor de juiste besteding van EU-fondsen afhankelijk van lokale autoriteiten. In het Financial Times-artikel uit 2010 legt de Duitse Europarlementariër Markus Pieper (CDU) de vinger op de zere plek: 'Het is niet in het belang van landen als Polen en Hongarije om de subsidiëring van productieverplaatsingen te vermijden – zij willen investeringen aantrekken. Maar als de auto-industrie naar Oost-Europa verkast, hoeft de EU niet ook nog de kers op de taart te leveren.'

Bij Apollo Tyres is er vooralsnog geen aanwijzing dat er ook EU-fondsen in het spel zijn. Niet dat het de werknemers in Enschede veel uitmaakt, zij verbazen zich erover dat de Europese Unie zomaar toestaat dat hun werk wordt weggeconcurreerd door een land dat de arbeidskosten kunstmatig laag houdt, en de fabrikant bovendien een grote zak geld schenkt. 

Vakbondsman Edwin Atema (FNV), die voor de transportsector al jaren vecht tegen oneerlijke concurrentie uit Oost-Europa, constateert dat het in Brussel simpelweg ontbreekt aan ‘een brede visie op de Europese arbeidsmarkt’. Hij noemt de bekende malafide constructies waarmee Oost-Europeanen in het westen worden uitgebuit, met als neveneffect dat de arbeidsrechten van lokale werknemers eveneens onder druk staan. Atema: 'Er is een race to the bottom gaande op goedkope lonen, waar alleen de bedrijven van profiteren. In die concurrentieslag zie je dat de werknemersrechten díe er zijn, vaak niet eens worden gehandhaafd. Er zou door de Europese Unie heel radicaal aan de knoppen gedraaid moeten worden om dat de goede kant op te krijgen.' 

Ook arbeidssocioloog Valeria Pulignano, die veel onderzoek heeft gedaan naar Europese arbeidsverhoudingen, constateert dat zowel de werknemers in het westen als in het oosten van Europa de dupe zijn van de concurrentieslag op loonkosten. Ze mist adequate regelgeving. 'Aangezien de positie van de vakbonden in Europa de afgelopen decennia is verslechterd, lukt het hen niet goed om door te dringen tot de Europese overheden,’ zegt Pulignano. 'Maar natuurlijk gaat het eigenlijk om oneerlijke concurrentie, waaraan de Europese Unie iets zou moeten doen. We hebben behoefte aan coördinatie, maar er gebeurt niets.'


Valeria Pulignano, arbeidssocioloog

"Het is oneerlijke concurrentie, daar moet de EU iets aan doen"

In Nederland pleitten de vakbonden en werkgevers er vorig jaar voor om binnen de EU te streven naar ‘opwaartse sociale convergentie,’ oftewel het verkleinen van verschillen in levensomstandigheden tussen Europese burgers. Meer gelijke beloning voor werk is daar onderdeel van. Zoals FNV-voorman Han Busker het verwoordde: ‘Daarmee geven we aan dat we geen concurrentie willen op de laagste kosten en de laagste prijzen.’ 

Consultant Van Herwaarden vraagt zich echter hardop af hoe erg het is dat bepaalde banen uit West-Europa verdwijnen. 'Sommige activiteiten zullen mettertijd inderdaad vertrekken naar elders. Maar zie Ierland, dat van een aardappelland is getransformeerd naar de thuisstaat van veel grote biochemische bedrijven. Daarmee worden weer heel veel banen geschapen.' Nederland heeft volgens hem eveneens slim ingespeeld op veranderende markten, waardoor de economie goed is blijven draaien. ‘Ook de flexibilisering van de arbeidswetgeving is erg belangrijk geweest. Dan kun je erop wijzen dat dit voor de bevolking niet makkelijk was, maar het heeft Nederland geen windeieren gelegd.’

Aardappelland

In een reactie stelt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat dat globalisering voor Nederland netto een gering effect heeft op de aantallen arbeidsplaatsen, maar regionaal inderdaad negatief kan uitpakken. Het is dan in de eerste plaats aan provincies en gemeenten om maatregelen te treffen. Maar de Rijksoverheid springt soms ook bij. Als voorbeeld noemt de woordvoerder de Regio Deal Twente, waarvoor het Rijk 30 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld om de Twentse economie en werkgelegenheid te stimuleren.

‘Corona leidt vooral tot meer automatisering’

De vraag is nu welke effecten de coronacrisis zal hebben op het verplaatsen en uitbesteden van bedrijfsonderdelen en -processen. Overal in Europa leggen fabrikanten als Apollo hun productie tijdelijk stil. De financiële consequenties zijn nog lang niet te overzien, laat staan de langetermijngevolgen voor werknemers. Tijdens de eurocrisis bleek het offshoren enigszins terug te lopen vanwege de totale vermindering van industriële activiteiten. Ook nu zijn er speculaties dat bedrijven de risico’s van internationale bevoorradingsketens willen afdekken, en productieprocessen gaan terughalen

Consultant Van Herwaarden verwacht dat de coronapandemie vooral leidt tot een automatiseringsslag. ‘Door de handelsoorlogen en klimaatvraagstukken dachten veel bedrijven al na over hun impact,’ zegt hij. ‘Maar deze crisis zorgt er echt voor dat de realiteit met een mokerhamer in het gezicht wordt geslagen. Het was lange tijd doodgemakkelijk om productie en dienstverlening maar naar lagelonenlanden te sturen. Nu moeten bedrijven aan risicomanagement gaan doen. De concentratie in lagelonenlanden zal worden teruggeschroefd. Het terughalen van activiteiten zal echter niet in de vorm van banen zijn, maar samenvallen met toenemende automatisering.’ 

Sportschoenenfabrikant

Als voorbeeld noemt Van Herwaarden het Zwitserse Ypsomed, dat ook in Nederland actief is met producten voor diabetespatiënten. Sinds de jaren 80 produceerde het insulinepompen in Mexico, maar de productie werd teruggehaald naar Zwitserland na investeringen in technologie, automatisering, en betere samenwerking met Europese leveranciers. Hierdoor verbeterde de flexibiliteit van Ypsomed en werden de productiekosten lager. ‘Dit zijn nu nog eerder uitzonderingen dan regel,’ zegt Van Herwaarden. ‘We hebben als “luie” Europeanen heel wat van dit soort innovatiekansen laten liggen.’ 

Tegelijkertijd bewees sportschoenenfabrikant Adidas dat reshoring makkelijker klinkt dan het is. In 2016 en 2017 opende het bedrijf volledig geautomatiseerde fabrieken in de Verenigde Staten en Duitsland ter vervanging van de lagelonenproductie in Azië. Vorig jaar moest het bedrijf echter erkennen dat de kosten alsnog te hoog uitpakten en heeft het de hele boel weer teruggedraaid. Zoals de Rabobank in een snel opgetikt coronarapport concludeert: ‘Efficiëntie wint het uiteindelijk toch van schokbestendigheid.’

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Lise Witteman

Gevolgd door 668 leden

Onze vrouw in Brussel. Volgt lobby's, legt netwerken bloot en bijt politici, belangenbehartigers en bestuurders in de enkels.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren