Woningmarkt

Verhoren (slot): verhouding tussen corporatie en gemeente onduidelijk

In de laatste verhoren van het parlementair onderzoek naar de woningcorporaties stond de gespannen verhouding tussen gemeente en woningcorporatie centraal.

De openbare verhoren van de Parlementaire Enquêtecommissie waren ook op de laatste dag nog interessant. De getuigen waren Marnix Norder, voormalig bouwwethouder van Den Haag, en Professor Johan Conijn, een grote autoriteit op volkshuisvestelijk gebied. Enkele bekende thema’s kwamen aan de orde, maar een nieuw onderwerp was de relatie tussen de gemeenten en de corporaties. Norder heeft als voormalig wethouder 10 jaar ervaring met die samenwerking. Commissielid Peter Oskam wilde van hem weten hoe de machtsverhouding tussen die twee ligt: Norder: ‘We waren te veel onderhandelingspartijen op hetzelfde niveau. Je kunt als gemeente niets afdwingen. In mijn visie moet de gemeentelijke woonvisie tot stand komen met alle partijen, maar die moet dan wel bindend zijn.’

Volgens Norder was het in Den Haag, met zijn zes grote corporaties, soms mogelijk om met een andere partij in zee te gaan, als het met de eerste kandidaat niet was gelukt. ‘Maar dat kan lang niet altijd. Iedere corporatie heeft zo zijn eigen wijken in de stad en wil geen projecten in wijken van andere corporaties.’

'In andere gemeenten kwam je ook [corporatie] investeringen tegen als een zwembad. als het WSW het borgde, zat het blijkbaar goed'

Investeringscapaciteit

Norder vertelde dat hij in de loop van zijn wethouderschap anders tegen nevenactiviteiten is gaan aankijken. In zijn beginjaren was het normaal als een gemeente probeerde om allerlei taken neer te leggen bij een corporatie: ‘Ze hadden de investeringscapaciteit en ook een soort verantwoordelijkheidsbesef. Zelf zijn we daar nooit heel ver in gegaan, maar een schoolgebouw in een wijk kon volgens mijn toenmalige inzichten uitstekend neergezet worden door een corporatie. Maar eigenlijk hoorde zo’n investering bij de gemeente thuis. In andere gemeenten kwam je ook investeringen tegen als een zwembad. Het uitgangspunt was in feite dat als het WSW het borgde, het blijkbaar goed zat.’

Een rare trend waarmee Norder in de topdagen van de sector werd geconfronteerd, was een zekere afkeer van sociaal bouwen. ‘Ik heb meegemaakt dat een corporatie 500 oude, te kleine sociale woningen in de stad wilde slopen en er 300 woningen voor terug wilde zetten. Ik wilde dan dat minimaal de helft van die 300 nieuwe woningen sociaal zou zijn, maar de corporatie wilde maar 30 procent doen. Dat was mij veel te gortig. Dat is het aantal dat ik eiste van een commerciële partij. Van een maatschappelijke onderneming verwachtte ik echt meer. Die trend zag je vooral bij Staedion, Vestia en Haag Wonen.’

'Gemeentes moeten leren denken in regio's. Niet elke gemeente heeft studentenhuisvesting nodig, een regio wél'

Oskam wilde weten of er binnen Haaglanden, het samenwerkingsverband van negen gemeenten, ook gemeenten waren met minder interesse in sociale huisvesting: ‘Ja, dat zag je wel. Er waren gemeentes die vonden dat je het meer aan de markt moest overlaten. Westland en Wassenaar waren gemeente waarbij je dat zag.’

Norder zei het heel belangrijk te vinden als gemeenten leren denken in regio’s. ‘Niet iedere gemeente hoeft aan studentenhuisvesting te doen, maar in de regio moet wel genoeg woonruimte zijn voor zo’n doelgroep. Dat moet je allemaal afstemmen, anders krijg je leegstand of juist tekorten.’

Novelle

Ook Johan Conijn zei dat er veel fout was gegaan in de samenwerking tussen de gemeenten en de corporaties. Hij stelde dat een gemeente moet bepalen wat maatschappelijk gewenste investeringen zijn. In de woon-novelle die nu voorlicht in de Kamer zag Conijn een veelbelovende verschuiving in de goede richting. ‘In het BBSH (de set van regels die gelden voor de corporatiesector) staat nu dat corporaties het gemeentelijk beleid in acht moeten nemen. De formulering in de novelle is: de corporatie moet de woonvisie van de gemeente naar alle redelijkheid invullen.’ Die aanscherping maakt volgens Conijn niet alleen de positie van de corporatie duidelijker, maar biedt ook een veel betere mogelijkheid aan de overheid om te kijken of de corporatie de afspraken met de gemeente goed nakomt.

Conijn: 'Ik ben me ervan bewust geworden hoe risicovol een gedoogbeleid voor nevenactiviteiten is'

Hiërarchisch

Commissielid Oskam vroeg Conijn waarom een duidelijke, hiërarchische verhouding geen oplossing was. Conijn: ‘Dan krijg je weer een soort gemeentelijk woonbedrijf. Het is nu zo dat de directeur/bestuurder eindverantwoordelijk is voor de corporatie. Hij moet dus ook verantwoordelijk zijn voor de prioriteiten en kunnen bepalen of iets financieel haalbaar is of niet.’ 

Aan het eind van het verhoor vroeg voorzitter Roland van Vliet aan Conijn wat hem gedurende de verhoren was opgevallen. Conijn: ‘Ik heb een scherper beeld gekregen van de gevolgen van zelfregulering in de corporatiesector. Verder ben ik me ervan bewust geworden hoe risicovol een gedoogbeleid voor nevenactiviteiten is. Dat begon al in 1999 en is veel te lang doorgegaan.’

   

 

Peter Hendriks is gastauteur van Follow the Money. Hij is als zelfstandig consultant gespecialiseerd in het doorlichten van woningcorporaties in opdracht van Raden van Toezicht. De komende maanden zal hij voor Follow the Money de parlementaire enquete naar de woningcorporaties volgen en van commentaar voorzien.

Email: P.Hendriks.Senior@Gmail.com

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Peter Hendriks

Gevolgd door 1262 leden

Redacteur Woningmarkt. Signaleert en analyseert problemen waarmee Nederlanders op zoek naar woonruimte worden geconfronteerd.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Woningmarkt

Gevolgd door 1525 leden

In de afgelopen jaren kwam bij verschillende woningcorporaties het ene schandaal na het andere naar boven. Het bekendste geva...

Volg dossier