Het dorp Kats op Noord-Beveland, Zeeland.

Het dorp Kats op Noord-Beveland, Zeeland. © Daniel Niessen

Belangrijke publieke voorzieningen verschralen in een hoog tempo. Zo sloot een op de tien basisscholen, verdwenen tientallen politieposten en wonen steeds meer Nederlanders niet in de buurt van een ziekenhuis of ov-verbinding. Follow the Money en De Groene Amsterdammer onderzoeken ‘de zichtbare overheid’. Die blijkt vooral aan de randen van Nederland steeds minder gemakkelijk te vinden. ‘Er wordt schandalig met ons omgegaan.’

Dit stuk in 1 minuut
  • Sinds de jaren ‘80 loopt het aantal publieke voorzieningen in veel plaatsen terug. Afstanden tot ziekenhuizen, huisartsen, scholen en bibliotheken zijn soms enorm toegenomen. Sommige dorpen verliezen een laatste voorziening, zoals een basisschool.
  • In Kats bijvoorbeeld, in de Zeeuwse gemeente Noord-Beveland, sloot de enige basisschool in 2013. Inwoners die actievoerden voor behoud ervan liepen aan tegen de muur van bestuurders. Sinds 1997 sloot in 178 plaatsen de laatst overblijvende dorpsschool. 
  • Tussen 2007 en 2019 zijn meer publieke voorzieningen verdwenen of op grotere afstand gekomen. De politie bijvoorbeeld, of een huisartsenpost, een polikliniek, een school voor voortgezet onderwijs en een bibliotheek.
  • Han Polman (D66), commissaris van de Koning in Zeeland: ‘Er is gestreefd naar efficiency, naar het concentreren van voorzieningen omdat dat ogenschijnlijk goedkoper was.’
  • Gemeenten zijn vaak niet bij machte om verdwenen voorzieningen terug te halen. En ook niet om oude te behouden. De bibliotheek in Nieuwe Pekela deed vorige maand voorgoed de deuren dicht. Raadslid Arthur van Dooren (PVV): ‘Wij zeggen al heel lang: wat verdwijnt, komt niet weer. Dat lukt je niet.’
Lees verder

Het Zeeuwse Kats, een klein dorp aan de oostkant van het eiland Noord-Beveland, beleefde AD 2013 een kleine ramp. De basisschool sloot en de 450 inwoners kwamen zo voor het eerst in bijna vier eeuwen zonder school te zitten. De dichtstbijzijnde ligt nu vijf kilometer verderop. 

‘Bij het ontstaan van Kats in 1598 had je herenboeren en mensen die op het veld werkten,’ vertelt de journalist Jan Schuurman Hess (PvdA) over zijn woonplaats. Vanuit zijn werkkamer met boekenkasten en een gerieflijke leesfauteuil heeft hij weids uitzicht over de akkers en graslanden van Noord-Beveland.

‘Er waren twee dingen die destijds als eerste werden opgericht,’ zegt hij. ‘Dat was de school, en pas daarna de kerk. Vanaf het begin van de 17e eeuw was hier onderwijs. En nu is er geen onderwijs meer.’

De schooltjesstrijd, zo noemt Schuurman Hess zijn inzet om kleine scholen open te houden. Hij had een plan bedacht om zeven kleine scholen verspreid over Nederland in een coöperatie te laten samenwerken. ‘In ieder dorp zijn mensen die hart hebben voor de school en willen helpen. Hier een accountant, daar een jurist. Dan heb je bij elkaar net genoeg expertise om de verantwoordelijkheid te nemen voor het bestuur.’

Voordat zijn plan behoorlijk was uitgewerkt, sloot de school in Kats. Maar de sluiting levert Schuurman Hess de nodige mediaoptredens op en hij valt op in andere dorpen, waar ze kampen met hetzelfde probleem: dat ze op bevel van Den Haag hun kleine dorpsscholen moeten sluiten. 

‘Ik werd gebeld door Cees van Mourik uit Gaastmeer, een dorpje in Friesland. Daar stond een schooltje van christelijke signatuur, opgericht en gefinancierd vanuit de protestantse zuil en met net zo’n lange geschiedenis als dat van Kats. Dat schooltje is in vertrouwen gegeven aan een schoolbestuur van een overkoepelende onderwijsorganisatie. Dat bestuur zit nog niet goed en wel, of het besluit het schooltje dicht te doen.’

Inwoners van Kats, Gaastmeer, Hoog-Keppel (Gelderland) en Weebosch (Noord-Brabant) werken het plan van Schuurman Hess samen uit en bieden het aan in Den Haag. In november 2013 hoort hij in een gesprek met Sander Dekker, de staatssecretaris van Onderwijs, dat zijn plan is afgewezen. 

Kamerlid Loes Ypma (PvdA) brengt hem daarna op het idee voor een petitie. Bekende politieke figuren onder wie de voormalige vicepremiers Hans Wiegel (VVD) en Lodewijk Asscher (PvdA) en Felix Rottenberg, oud-voorzitter van de PvdA, steunen het plan om kleine scholen in coöperaties te laten samenwerken – en in de Tweede Kamer is een meerderheid voor. Het experiment komt er.

Maar schoolbestuurders willen niet meewerken. Het experiment van Schuurman Hess is uiteindelijk in één gemeente, op één school geprobeerd – in het Groningse Westerbroek. ‘Dat lukte vanwege een uitzonderlijke situatie. Onderwijs was in Westerbroek nog een gemeentelijke dienst, waarvoor de wethouder verantwoordelijk was.’ Schuurman Hess weet hem wel te overtuigen.

Hij blijft op afstand betrokken bij het experiment, wat een paar jaar goed gaat. ‘Toen vielen sleutelfiguren in het dorp weg, zoals de oud-militair, een grote vent met het hart op de goede plek. Toen hij verhuisde sloot de school definitief.’ In 2018 eindigt het experiment.

Het beginnen van een nieuw schooltje in Kats loopt voor Schuurman Hess ook op een teleurstelling uit. ‘Een schoolbestuurder uit Goes zei: als er in Kats een nieuwe school komt, gaat er in een ander dorp op het eiland een dicht.’

Tussen 1997 en 2021 sluiten in totaal 1410 basisscholen. 178 plaatsen verliezen hun enige basisschool. In 2021 zijn er nog 6200 over in Nederland. 

Tot 2012 schommelt het aantal sluitingen tussen de 30 en 50, maar daarna worden het er rap meer. Het zijn de jaren waarin de overheid een bijna genadeloze efficiëntie nastreeft.

Het streven naar efficiency is ook waarneembaar bij de adviesorganen van de regering. De Onderwijsraad komt in februari 2013 met ‘Grenzen aan kleine scholen’ waarin hij adviseert de norm voor het minimumaantal leerlingen per school te verhogen van 23 naar 100: ‘Een toename van het aantal kleine scholen als gevolg van dalende leerlingenaantallen zet druk op de kwaliteit en de kosten van het onderwijs. Op termijn is dat onhoudbaar.’ 

De Tweede Kamer grijpt echter in en vraagt staatssecretaris Dekker ervoor te zorgen dat elk dorp altijd ten minste één school overhoudt. Daarop legt Dekker het advies van de Onderwijsraad naast zich neer, maar hij trekt voor kleine scholen wel een deel van hun extra vergoeding in: uit de zogeheten kleinescholentoeslag worden middelen ingezet om fusies en samenwerkingen te stimuleren. 

In de jaren met Sander Dekker op Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012-2017) sluiten gemiddeld 100 basisscholen per jaar: dubbel zoveel als alle andere jaren waarover data bekend zijn. 

De sluitingen hebben wel effect. De overheidsuitgaven aan basisonderwijs nemen in 2014 kortstondig een duik. Vanaf 2015 stijgen de uitgaven weer elk jaar, blijkt uit gegevens van het CBS.

Aan de sluitingen ligt ook een demografische verklaring ten grondslag. Het aantal basisscholieren daalde sinds 2015 met 170.000. Hoe minder scholieren, hoe minder scholen er nodig zijn. 

Als gevolg wonen steeds meer mensen steeds verder weg van primair onderwijs. 2,6 miljoen Nederlanders – een verdubbeling ten opzichte van 2007 – wonen op meer dan 1 kilometer afstand van een basisschool. De groep op meer dan 2 kilometer afstand groeide tussen 2007 en 2019 van 450.000 naar 600.000.

Het huidige demissionaire kabinet stuurt meer aan op het openhouden van kleine scholen. De kleinescholentoeslag is in 2018 weer uitgebreid. 2000 scholen met minder dan 145 leerlingen verdelen jaarlijks een extra vergoeding van 140 miljoen euro, boven op de normale bekostiging.

De basisschool is één publieke voorziening die uit het zicht verdwijnt, maar tussen 2007 en 2019 zijn er meer op grotere afstand gekomen. De huisarts of huisartsenpost bijvoorbeeld, ziekenhuizen met een polikliniek, havo/vwo-scholen en bibliotheken. 

Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in Den Haag, ziet als een van de oorzaken dat wereldwijd steeds meer mensen van het platteland naar de steden trekken. Dit zorgt ervoor dat de mensen die achterblijven ook steeds meer problemen ervaren in de leefomgeving, zorg en onderwijs.

Dat is een trend die doorzet de komende tijd, zegt hij. ‘Maar er is ook een tegenbeweging, zeker in een klein land als Nederland: want de steden trekken dit ook niet.’

Een andere oorzaak is de tanende betrokkenheid van burgers bij voorzieningen. Door de ‘ontmanteling van de verzuiling’ zijn verenigingen en stichtingen – ooit opgericht langs de lijnen van religieuze gezindheid en politiek kleur – minder belangrijk geworden. Putters: ‘Daarvoor zijn marktwerking en decentralisatie in de plaats gekomen waarbij burgers niet altijd invloed op de voorzieningen ervaren.’

Maar de politiek speelt evengoed een grote rol. Dat op lokaal en regionaal niveau het voorzieningenaanbod verschraalt, is geen ontwikkeling van gisteren of vandaag, zegt Han Polman, commissaris van de Koning in Zeeland.

‘Vanaf de jaren ‘80 is er gestreefd naar efficiency, naar het concentreren van voorzieningen omdat dat ogenschijnlijk goedkoper was. Daar zijn ook korte klappen mee gemaakt en behoorlijk wat publieke middelen mee opgebracht als bezuiniging.’

Daarnaast is de diversiteit van Nederland onvoldoende erkend, zegt Polman. ‘We zijn één koninkrijk maar een land met heel diverse regio’s en streken, met elk een heel eigen dynamiek. Je ziet dat beleidsmakers op centraal niveau, vanuit Den Haag, werken met vaste criteria en gesimplificeerde verdelingsmodellen. Het inwoneraantal werkt dan zogenaamd eenduidig, en dus zogenaamd rechtvaardig.’

Polman wijst op een kaart aan de muur: ‘Gebieden met niet zoveel inwoners en grotere afstanden, zoals Zeeland, vragen om aparte aandacht.’

De ‘dementerende overheid’

Voor dit onderzoek analyseerden De Groene Amsterdammer en Follow the Money de ‘zichtbare overheid’. Welke voorzieningen zijn er? Waar vindt de burger een politiebureau, huisarts, ziekenhuis, school, bibliotheek, brievenbus en een station? 

De overheid zelf kon ons maar beperkt helpen met het vinden van (historische) adressen van dergelijke voorzieningen. De politie bijvoorbeeld beschikte over de adressen van haar eigen bureaus vanaf 2013, het ontstaan van de Nationale Politie. Waar de bureaus voordien waren gevestigd bleef onduidelijk tot een medewerker van een depot van het PIT Veiligheidsmuseum in Arnhem op de proppen kwam met oude jaargangen van de Politie Almanak. Maar ook die bleken weinig bruikbaar gezien hun onvolledigheid en de uiteenlopende rapportagemethoden van de politiekorpsen.

Voor het openbaar vervoer kon de Reisinformatiegroep 9292 niet voorzien in historische reisinformatie, en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) beschikt alleen over schooladressen vanaf 1997.

Het ministerie van Volksgezondheid kon geen informatie geven over vroegere locaties van ziekenhuizen. Adressen van huisartspraktijken uit het verleden zijn ook niet aangetroffen. 

Elke vorm van data over publieke voorzieningen heeft zo zijn eigen gebreken. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed waarschuwde eerder dit jaar al dat het collectieve geheugen dementeert, wat het controleren van de overheid zo goed als onmogelijk maakt. 

Uiteindelijk is voor deze analyse gebruikgemaakt van rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en van datasets van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de Nationale Politie, De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Koninklijke Bibliotheek en de jaargangen van de Politie Almanak die we kregen van het PIT Veiligheidsmuseum.

Lees verder Inklappen

Het centrale, Haagse beleid wordt in regio’s als Zeeland – en niet alleen daar – ervaren als simplistisch en soms ook neerbuigend. Commissaris Han Polman herinnert aan de marinierskazerne die in Vlissingen zou worden gevestigd en toen opeens toch maar niet. 

‘Er is schandalig met ons omgegaan. Achter onze rug om werden in een soort geheime militaire operatie allerlei alternatieven onderzocht terwijl hier oefenterreinen gereed werden gemaakt, vergunningen werden verleend, bedrijven zijn verplaatst en infrastructuur is aangelegd. In meerdere opzichten was dit een bestuurlijk schandaal. Dat heeft wel geholpen om aan tafel te komen. Voor het eerst in mijn bestuurlijke rol sprak ik direct met het kabinet.’

Ruzie maken

‘We wilden niet dat Zeeland met een groot bedrag, als een soort aflaat, even rustig zou worden gehouden. We wilden een programma ontwikkelen waarin je de uitdagingen en kansen samenhangend aanpakt: energie, klimaat, kansenongelijkheid. En dan kijken wat de regio nodig heeft. Dat is eigenlijk wat je structureel zou willen. Je ziet het vaker, dat er eerst een heftige crisis nodig is voordat dingen in beweging komen.’

Polman kreeg voor een belangrijk deel zijn zin. Het Rijk investeert 650 miljoen euro in Zeeland om het wegblijven van de marinierskazerne te compenseren. Op het terrein van de beoogde marinierskazerne komt een extra beveiligd gevangeniscomplex. Daarnaast krijgt de provincie onder andere snellere treinverbindingen met de Randstad en Noord-Brabant en een huisartsenopleiding. 

‘Het vertrouwen van de burger in de overheid wordt natuurlijk heel negatief beïnvloed als overheden of gezagsdragers onderling ruzie maken en liegen en bedriegen over de belangen van een gebied of de financiering van beleid,’ zegt Polman. ‘Dan moet je je schamen.’

Ruzies over 'de buitengebieden’ waren er de afgelopen decennia genoeg. Het kabinet-Lubbers I was bijvoorbeeld halverwege de jaren ‘80 verwikkeld in felle discussies over het decentraliseren van overheidstaken naar gebieden buiten de Randstad. Zo moesten sommige rijksdiensten naar provincies met een structurele werkloosheid, schrijft Onno Ruding, die destijds minister van Financiën was, in zijn memoires

Bij Rudings aantreden als minister, in 1982, verkeerde Nederland in een economische crisis. De economie kromp, 7,4 procent van de beroepsbevolking was werkloos, en de overheid worstelde met grote begrotingstekorten.

In Limburg zijn al in de jaren ‘60 de eerste steenkoolmijnen gesloten en heerste enorme werkloosheid, ondanks de belofte van minister-president Joop den Uyl (1973-1977) dat er geen mijnsluiting zou zijn ‘zonder vervangende arbeid’. Het was niet de enige regio met massawerkloosheid. 

De oliecrises van 1973 en 1979 troffen een flink deel van de Nederlandse industrie. De fabricage van personenauto’s door DAF in Eindhoven werd overgenomen door het Zweedse Volvo, de voor Twente belangrijke textielindustrie verloor haar glans. In de vijf jaar voor Rudings aantreden verdwenen in de industrie meer dan 100.000 banen.

Spreiding van rijksdiensten

Als minister van Financiën stelde Onno Ruding zichzelf als doel om het uit de hand gelopen begrotingstekort te verminderen. Hij hamerde daarbij op het begrip ‘uitgavendiscipline’. Geld uitgeven om werkgelegenheid te verplaatsen naar gebieden buiten de Randstad hoorde daar niet bij. Support the winners, not the losers.

Het ABP, pensioenfonds voor overheid en onderwijs, ging naar Limburg waar vooral in de oostelijke gebieden de effecten van de mijnsluitingen nog voelbaar waren. De PTT – de voorloper van telecombedrijf KPN en PostNL – werd verkast naar Groningen.

Ruding (CDA) en Neelie Smit-Kroes, de minister van Verkeer en Waterstaat (VVD), verzetten zich in het kabinet tegen het ‘weggooien van geld’, maar vinden in Smits partijgenoot Jaap Scherpenhuizen, staatssecretaris op hetzelfde departement, een geboren en getogen Groninger tegenover zich. Ruding: ‘Hij zag als zijn hoofdtaak het realiseren van de verhuizing van de PTT naar Groningen. Dit was in feite ook ongeveer zijn enige politieke activiteit.’

Uiteindelijk komt de verhuizing er. In het noorden worden 3000 hoogwaardige arbeidsplaatsen gerealiseerd, in een splinternieuw gebouw. Ruding schrijft dat hij en vele anderen – vooral van de PTT – later met frustratie maar zonder verbazing vaststelden dat het een flop was geworden. 

‘Het grote nieuwe gebouw dat toen voor de PTT in Groningen was gebouwd, was inmiddels door de KPN verlaten. De KPN zetelde weer in Den Haag in een nieuw kantoor [...] Onze conclusie was dat dit spreidingspolitiek op zijn slechtst was en bovendien kapitaalvernietiging.’

De facto kwam er met Ruding een einde aan het spreidingsbeleid. Hiermee, in combinatie met de forse bezuinigingen die hij doorvoerde, begon de verschraling van het platteland. Werklozen moesten voortaan maar verhuizen om een baan te vinden, om te voorkomen dat ze – zoals Ruding het uitdrukte –  ‘liever dicht bij Tante Truus’ bleven wonen. En de overheid, die moest vooral ‘afslanken’.

Politiebureaus in Zeeland, Friesland en Zuid-Holland

In 1980 telde Zeeland nog 55 politiebureaus, zo blijkt uit de Politie Almanak. Tien jaar later waren er zelfs 67. Nadat in 1993 de politie werd gereorganiseerd, waarbij de gemeentepolitie en het korps Rijkspolitie opgingen in regiokorpsen, werd niet meer goed bijgehouden welke Zeeuwse plaatsen een eigen bureau hadden.

Na de vorming van de Nationale Politie in 2013 zijn er in Zeeland nog veertien politieposten over. Op het eiland Noord-Beveland, de dunstbevolkte gemeente van Nederland, is een wijkagent één ochtend per week aanwezig op het gemeentehuis. 

Friesland, een van de weinige andere provincies waarvan data over de jaren ‘80 en ‘90 te achterhalen is in de Politie Almanak, beschikt nog over een derde van het aantal politieposten in 1980: 26. 

In Zuid-Holland is het veel minder hard gegaan, daar neemt het aantal politiebureaus tussen 1980 en 1990 eerst nog toe van 139 naar 155. In 2013 daalt het naar 121 en in 2021 zijn er nog 101 politieposten in Zuid-Holland. 

Elk van de 167 politieteams heeft een teambureau, aanvullend daarop zijn de veel kleinere politieposten – zo veel mogelijk in de buurt van gemeentehuizen. Tot slot zijn er ‘pop-up bureaus’ en politiespreekuren in gemeentehuizen en op andere openbare locaties.

Een woordvoerder van de korpsleiding: ‘We beseffen dat mensen het belangrijk vinden dat de politie altijd dichtbij is. Voor sommigen is de symbolische waarde van een politiebureau in de wijk nog groot. De kwaliteit van onze dienstverlening zit echter niet in stenen, maar in mensen.’

Lees verder Inklappen

René Paas, de Commissaris van de Koning in Groningen (CDA), vindt net als zijn collega Polman dat provincies buiten de Randstad er keer op keer bekaaid vanaf komen. 

Paas geeft een voorbeeld. Het ministerie van Binnenlandse zaken draagt vanaf dit jaar 266 miljoen euro bij aan de bouw van 44.600 woningen. ‘Daarvan komen er 2200 in Groningen terecht, dus daar mopper ik als Commissaris niet over. Maar waar gaat de rest van die woningen naartoe? Limburg, Zeeland, Friesland, Drenthe? Niets. Ze gaan naar de Randstad. Het ministerie wilde die huizen dus met een rotvaart daar kwijt.’

Paas noemt ook het Fonds Podiumkunsten, dat namens het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 21 miljoen euro te verdelen heeft over theater- en dansgezelschappen en festivals. ‘Amsterdam krijgt daarvan iets meer dan de helft. Rotterdam, Den Haag, Utrecht krijgen ook allemaal flinke taartstukken. De drie noordelijke provincies krijgen 2 procent.’

Paas zegt te begrijpen dat Amsterdam meer voorzieningen heeft dan een dorp in Drenthe. ‘Maar meer dan de helft is idioot. Het versterkt de ongelijkheid. Aan sommige dingen is niets te doen, zoals de afstand tot bibliotheken, die is natuurlijk groter op het platteland. Maar dan moet je wel iets extra's doen als het gaat om voorzieningen die je belangrijk vindt.’

‘We hebben bosjes gemeentes met een kolossale hoeveelheid kilometers – dan is het ver rijden naar voorzieningen’

De commissaris denkt dat de rek eruit is, mede door de gemeentelijke herindelingen in Groningen. ‘We hebben nu een heel overzichtelijk bosje gemeenten met een kolossale hoeveelheid vierkante kilometers. Daar ontstaat een democratisch tekort, namelijk de nabijheid. Veel gemeenschappelijke regelingen tussen gemeenten zijn opgeruimd, want het is één gemeente geworden, maar dan is het opeens heel ver rijden naar allerlei voorzieningen.’

Dat verklaart ook deels het verzet tegen verdere gemeentefusies in Groningen. Paas zegt dat de neiging om een eigen theater, bibliotheek en zwembad open te houden groter is als zelfstandige gemeente dan als fusiegemeente.

In Groningen is vooral de zorg op grotere afstand gekomen. Inwoners moeten gemiddeld 10,1 kilometer reizen voor een ziekenhuis dat grotere operaties uitvoert. In 2007 was dat nog 8,7 kilometer. Inwoners van de gemeente Pekela vinden zo’n ziekenhuis pas 10,8 kilometer verderop

Gemeenteraadslid Arthur van Dooren (PVV) rijdt in zijn blauwgroene Mercedes door Oude en Nieuwe Pekela en wijst aan waar voorzieningen verdwenen. De twee Pekela’s zijn typische lintdorpen: langgerekte bebouwingen langs een kanaal, waardoor de afstanden snel oplopen.

Van Dooren gebaart naar hoogbouw in de verte, achter een weiland met windmolens. ‘Daar links zie je een hoog gebouw met een punt, net iets daarvoor ligt het Refaja Ziekenhuis. Maar daar zijn afdelingen weg, zoals de verloskunde. Wij zien het Refaja nu meer als een veredelde hulppost.’

Het verdwijnen van medische specialismen heeft gevolgen, zegt Van Dooren. ‘Afgelopen december kreeg bij mij in de straat een vrouw een hartstilstand. Het heeft 22 minuten geduurd voordat er een ambulance was. Dat is echt schrikbarend.’

Tegelijk is Pekela de armste gemeente van Nederland, met een gemiddeld inkomen van 25.800 euro per jaar. Elders in Oost-Groningen liggen meer gemeenten met lage inkomens. Geld om nieuwe voorzieningen te krijgen is hier niet. 

De gemeenteraad is niet bij machte om verdwenen voorzieningen terug te halen. En ook niet om oude te behouden: de bibliotheek in Nieuwe Pekela deed vorige maand voorgoed de deuren dicht. Van Dooren: ‘Wij zeggen al heel lang: wat verdwijnt, komt niet weer. Dat lukt je niet.’ 

Vicieuze cirkel

René Paas, de commissaris van de Koning, verwijst naar sociaal-geograaf Floor Milikowski, die in haar boek Een klein land met verre uithoeken waarschuwt voor de groeiende kloof tussen kansrijk en kansarm, tussen het centrum en de periferie, waardoor hoogopgeleiden en banen zich concentreren in de steden, terwijl in plaatsen als Sittard en Emmen de winkelstraten en woonwijken vervallen. 

Paas: ‘Van Groningen richting de grens, en dan naar beneden richting Drenthe en Limburg, overal zie je dezelfde problemen. Bewegingsarmoede, overgewicht, energiearmoede, jeugdwerkloosheid. Als je de voorzieningen uitholt – de bus wordt een belbus, en die wordt weer een belbus die door vrijwilligers op de weg wordt gehouden – dan wordt de drempel om er gebruik van te maken steeds hoger en doen steeds minder mensen een beroep op die voorzieningen. Dat is een vicieuze cirkel.’

Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau zegt in zijn analyse iets soortgelijks: ‘Het maakt uit waar je bent in Nederland. Aan de randen zie je een stapeling van vraagstukken: vergrijzing, teruglopende bedrijvigheid en leefbaarheid.’ 

‘Groningen kampt bijvoorbeeld al van generatie op generatie met structurele sociale problemen. Mensen hier hebben sterk het gevoel altijd al achtergesteld te worden op de rest van Nederland. Daar kwam de aardbevingsproblematiek nog eens bovenop.’

En neem het punt van de bereikbaarheid van zorg: ‘In Groningen, maar ook in Drenthe, gaat het veelal niet meer over de sluiting van ziekenhuizen want die zijn er bijna niet meer. Het vraagstuk is daar nu: hoe zorgen we ervoor dat mensen toch binnen een redelijke tijd in een ziekenhuis terecht kunnen.’

Putters ziet nog een ander fenomeen. Aan de ene kant trekt de overheid zich terug van publieke voorzieningen maar aan de andere kant – door het beleid van decentralisatie – verstevigt ze haar grip.

Daardoor ontstaat niet alleen een fysiek grotere maar ook een mentaal grotere afstand tussen niet-Randstadbewoners en publieke voorzieningen, legt hij uit.

Putters noemt als voorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). ‘Gemeenten kregen een verantwoordelijkheid zonder dat ze er altijd de knowhow voor hadden.’ Ze moesten allerlei zorgtaken regelen, gebruikten de verplichte aanbestedingsprocedures maar waren erg terughoudend in hun contacten met bijvoorbeeld de bestaande zorginstellingen en buurt- en wijkteams.

‘De gemeenten kozen er vaak voor om eerst te bepalen hoe ze de zorg zouden inrichten, pas daarna konden ze erover in gesprek met de al aanwezige aanbieders van zorg. Dat heeft geleid tot een grotere regelreflex.’

Regels geven houvast, dan doe je als gemeente in ieder geval niks verkeerd, zegt Putters. ‘Maar wat wilde de overheid met de participatiesamenleving? Dat burgers meer zelf gingen doen. Nu lopen ze vaak aan tegen een woud van regels en van dingen die niet mogen.’ 

Daar komt ook nog bij: voor de overheid zijn grote groepen mensen onzichtbaar. Putters wijst op rapporten van de Nationale Ombudsman, over burgers die laaggeletterd zijn en moeilijk digitale vaardigheden ontwikkelen.

‘Dat zijn mensen die niet weten hoe je bij een overheidsloket moet komen – bijvoorbeeld omdat er een loket is verdwenen. Deze groep heeft geen flauw idee waar ze heen moet, en loopt kans over het hoofd gezien te worden.’ Volgens de Stichting Lezen en Schrijven zijn in Nederland 2,5 miljoen mensen laaggeletterd. 

Putters: ‘Het maakt niet uit of je links of rechts bent of waar je woont. Wie hulpbehoevend is heeft iemand nodig. Voor thuiszorg, of hulp bij schulden en armoede. Er is vaak sprake van een stapeling van problemen bij juist die mensen die je zou willen ondersteunen.’

‘We hebben in ons land sociale grondrechten voor iedereen, het recht op zorg, op onderwijs, op sociale zekerheid. Alleen, de bewegingen die we nu zien leiden tot regionale verschillen – ook in kwaliteit. Wat is de ondergrens? Wat is een fatsoenlijke sociale basis die we voor iedereen in Nederland willen garanderen? Dat debat wordt onvoldoende gevoerd.’