Minister Wiebes (EZ) en premier Mark Rutte tijdens het Tweede Kamerdebat over de omstreden memo's over afschaffing van de dividendbelasting, 25 april 2018
© ANP / Jerry Lampen

De versleten argumenten voor afschaffing van de dividendbelasting

    Alle debatten, memo’s en vergeten herinneringen ten spijt, zet het kabinet de afschaffing van de dividendbelasting door in het Belastingplan 2019. Het wetsvoorstel wordt met Prinsjesdag verwacht. Jan van de Streek blikt vooruit en licht toe hoe hij de plannen beoordeelt.

    Aanstaande dinsdag wordt het intussen hoogst omstreden wetsvoorstel tot afschaffing van de dividendbelasting verwacht. Sinds de bekendmaking van het plan in het regeerakkoord is de dividendbelasting onderwerp van discussie. Afgelopen week deed een aantal fiscaal-juridische en economische wetenschappers op de valreep nog een duit in het zakje. Nieuwe gezichtspunten leverde dat echter niet op.

    De dividendbelasting kan naar mijn mening het beste worden getypeerd als een inkomstenbelasting van buitenlandse portfolio-aandeelhouders in Nederlandse beursgenoteerde multinationals. Zo’n bedrijf houdt maximaal 15 procent in op het uitgekeerde dividend, en draagt die ingehouden dividendbelasting af aan de Belastingdienst. De buitenlandse portfolio-aandeelhouder kan de Nederlandse dividendbelasting doorgaans verrekenen met inkomstenbelasting die hij in zijn thuisland moet betalen.

    Vanwege deze mogelijkheid tot verrekening wordt ook wel gezegd dat het afschaffen van de dividendbelasting vooral de buitenlandse schatkisten spekt. Na afschaffing van de dividendbelasting valt er logischerwijs niets meer te verrekenen door de portfolio-aandeelhouder, zodat het buitenland het elders uitgekeerde dividend volledig in de heffing kan betrekken.

    Is afschaffing verstandig?

    Bij de beantwoording van de vraag of het verstandig is de dividendbelasting af te schaffen, moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee typen argumenten: economische, en juridische.

    Het zijn naar mijn mening de economische argumenten die op dit dossier de doorslag horen te geven. De juridische argumenten voor of tegen afschaffing leggen mijns inziens onvoldoende gewicht in de schaal. Mensenrechten zijn bijvoorbeeld niet in het geding. Hemelbestormend gezegd: de afschaffing van de dividendbelasting moet de totale welvaart van Nederland vergroten. Volgens het kabinet is de afschaffing van de dividendbelasting goed voor het vestigingsklimaat, omdat de kosten van (het aantrekken van) kapitaal lager worden. Dit zou van belang zijn voor een bepaald type bedrijven, te weten hoofdkantoren van beursgenoteerde ondernemingen. Deze vestigingsklimaatimpuls is bedoeld om bestaande hoofdkantoren te behouden, en buitenlandse hoofdkantoren van beursgenoteerde ondernemingen aan te trekken.

    Economische argumenten ontbreken

    Het probleem hiermee is dat er totaal geen economische studies te vinden zijn die een dergelijke impuls van het afschaffen van een dividendbelasting aantonen. Ook het gezonde boerenverstand verzet zich ertegen. Het probleem is mijns inziens dat de onderbouwing die het kabinet geeft, maskeert dat de werkelijke reden voor afschaffing van de dividendbelasting is gelegen in situationele factoren van de twee grote Nederlands/Britse multinationals, te weten oliebedrijf Shell en levensmiddelenbedrijf Unilever. Alleen voor hen is de afschaffing een factor van belang, vanwege hun dubbele hoofdkantorenproblematiek. De belastingruling uit 2004 voor Shell getuigt hiervan; de absentie van dividendbelasting was voor sommige Britse aandeelhouders van belang om akkoord te gaan met Nederland als hoofdkantoorlocatie.

    Het gebruik van een dergelijk diffuus begrip is symptomatisch voor het gebrek aan argumenten

    Unilever staat voor dezelfde uitdagingen. Door vol te houden dat het gaat om het integrale vestigingsklimaat van Nederland, zakt het kabinet steeds verder weg in een argumentenmoeras, vooral als er wordt doorgevraagd. Ambtenaren zoeken zich binnen de burelen van ministeries intussen suf naar een onderbouwing van het vestigingsplaatsargument. Tijdens het vragenuur op 11 september hoorde ik de minister-president zeggen dat afschaffing van de dividendbelasting goed is voor de ‘structuur van de Nederlandse economie’. Het gebruik van een dergelijk diffuus begrip is symptomatisch voor het gebrek aan argumenten.

    Ook het afgelopen donderdag gelanceerde offensief van een aantal wetenschappers overtuigt niet. Zouden we de wereld moeten afstruinen op zoek naar de allerlaatste aandeelhouder die nog bereid is te investeren in een Nederlandse multinational, dan kan de dividendbelasting in theorie een rol spelen. Maar in de praktijk lijkt de rol van deze zogenoemde ‘marginale’ aandeelhouder beperkt. Bovendien: Wie is die marginale aandeelhouder eigenlijk? Vaak zal het gaan om beleggingsvehikels in een belastingparadijs die nergens belasting (willen) betalen. Voor hen vormt de Nederlandse dividendbelasting – mijns inziens terecht – een marginale kostenpost.

    Deal tussen Nederland en twee Brits/Nederlandse multinationals

    Het enige economisch argument dat overblijft en potentieel telt, is dat de afschaffing van de dividendbelasting een goede transactie is tussen Nederland aan de ene kant en Shell en Unilever aan de andere kant. Wel of geen goede deal dus; kent u dit criterium nog uit de Nieuwsuur-uitzending van 16 juni 2018? Daarin stelde de president-directeur van Shell Nederland Van Loon dat de belastingruling, inhoudende dat Shell geen dividendbelasting hoeft in te houden op de B-aandelen, een ‘goede deal’ is voor Nederland.

    Om de transactie met Shell en Unilever op zijn merites te beoordelen moeten mijns inziens de volgende vragen worden beantwoord:

    • Hoe groot is de kans dat Shell en Unilever het hoofdkantoor buiten Nederland situeren als de dividendbelasting niet wordt afgeschaft?
    • Wat  betekenen het hoofdkantoor van Shell en Unilever voor de Nederlandse economie?

    • Is de (verwachtings)waarde van deze twee risico’s het budgettair waard om de dividendbelasting af te schaffen?

    Ik vermoed dat het prijskaartje voor Nederland héél hoog is. Hoofdkantoorlocatiekeuzes worden zelden ingegeven door de fiscaliteit; vaak zit het hoofdkantoor van een multinationaal nagelvast aan het thuisland. Het gaat daarbij om andere factoren dan fiscaliteit. In het geval van Shell en Unilever bestaan er evenwel twee thuislanden, waarbij er eentje afvalt in het geval van een fusie tot een enkel hoofdkantoor. Het belang van de hoofdkantoren van Shell en Unilever voor de totale Nederlandse economie lijkt mij relatief verwaarloosbaar. Zo bestaat een hoofdkantoor vooral uit een bundeling van concerndiensten. In termen van internationale fiscale winstbepaling: veel waarde wordt daar niet gecreëerd. Bovendien staat de aanwezigheid van een hoofdkantoor los van bijvoorbeeld de research and development die Unilever samen met de Universiteit van Wageningen uitvoert.

    Het enige wat overblijft is, wat ik noem, het Volberda-argument: de aanwezigheid van deze twee hoofdkantoren is goed voor de uitstraling van Nederland. Dit argument weerklinkt ook in het champions-league-betoog van de minister-president.

    Juridische argumenten

    Nu de juridische argumenten. Het eerlijkheidsgehalte van de dividendbelasting wordt door critici wel in twijfel getrokken. Dat kan overigens bij een heleboel belastingen worden gedaan. Het feit dat Nederland buitenlandse aandeelhouders in Nederlandse multinationals belast zou onrechtvaardig zijn, en het feit dat die heffing zich uitstrekt over alle winsten, dus ook de buitenlandse winsten van Nederlandse multinationals, zou extra onrechtvaardig zijn. De dividendbelasting zou gevonden geld zijn voor de Nederlandse schatkist en een tolheffing.

    Al het dividend dat via een Nederlands hoofdkantoor aan buitenlandse portfolio-aandeelhouders wordt uitgekeerd, is dus de klos en wordt getroffen door Nederlandse dividendbelasting. De onrechtvaardigheid zit dan met name in het feit dat het geld niet is verdiend in Nederland, maar in het buitenland. We moeten echter niet vergeten dat het uitgekeerde dividend wel degelijk een band heeft met Nederland vanwege (de regie van) het hoofdkantoor. Sommige landen hanteren zwakkere aanknopingspunten om tot heffing over te gaan. Van belang voor het wel of niet afschaffen lijkt dit allemaal niet; het zijn immers de economische argumenten die tellen bij dit fiscale beleidsvraagstuk.

    Het internationale discours

    Wel van belang is of het heffen van een dividendbelasting op dividenden uitgekeerd aan buitenlandse portfolio-aandeelhouders past bij de huidige stand van het internationale belastingrecht. Het antwoord is een volmondig ‘ja’. In de reguliere verdeling van heffingsrechten tussen landen kan het hoofdkantoorland 15 procent heffen en het woonland van de portfolio-aandeelhouder 85 procent. Internationaal bezien wordt het dus sowieso als eerlijk gezien dat wij dividendbelasting heffen. Als we dit een onjuiste verdeling vinden, zouden we dit bij voorkeur moeten aankaarten in OESO-verband, niet in Den Haag.

    Zo’n principiële, maar zuivere, opstelling van Nederland zou een ommezwaai in ons fiscale verdragsbeleid impliceren

    Als Nederland voor een ‘Alleingang’ kiest, moeten we consequent zijn. Dat betekent dat als we de rollen omdraaien (Nederland is woonland van de aandeelhouder, een ander land is het hoofdkantoorland), dat Nederlandse aandeelhouders de door het buitenland ingehouden bronheffing op dividend hier niet meer zouden kunnen verrekenen. Een dergelijke principiële, maar zuivere, opstelling van Nederland zou een ommezwaai in ons fiscale verdragsbeleid impliceren en een heronderhandeling van onze belastingverdragen (ongeveer 100). Ik zie het niet gebeuren – wat het opportunistische karakter van de afschaffing van de dividendbelasting onderstreept.

    Al die juridische procedures van buitenlandse beleggingsmaatschappijen

    Er wordt wel beweerd dat de dividendbelasting discriminatoir is en dat het einde van de dividendbelasting sowieso in zicht is. De dividendbelasting zou in strijd zijn met het Europese recht. De NOS berichtte recent dat een budgettaire tegenvaller dreigt van 1,7 miljard euro na een uitspraak van het Europese hof over Deense dividendbelasting. Hans de Boer van werkgeversorganisatie VNO-NCW speelde deze kaart nog dit weekend in het Algemeen Dagblad. Volgens hem is de dividendbelasting juridisch onhoudbaar.

    Deze bangmakerij is volstrekt onterecht. De procedures over de Nederlandse dividendbelasting gaan simpelweg over oud-vaderlands recht. De zaken zijn aangespannen door buitenlandse beleggingsfondsen, die de dividendbelasting terugclaimen die door Nederlandse multinationals is ingehouden. Dit omdat Nederlandse beleggingsfondsen, bijvoorbeeld Robeco, dat ook konden. Per 1 januari 2008, dus al meer dan 10 jaar geleden, is de Wet op de dividendbelasting aangepast. De slagingskans van dergelijke claims is sindsdien beduidend kleiner, zo niet nihil. De procedures over het oud-vaderlandse recht lopen nog steeds omdat bij een juridisch geschil nu eenmaal veel komt kijken.

    Bovendien hebben de meeste landen een dividendbelasting en zijn de procedures in die landen geen aanleiding om tot afschaffing van de dividendbelasting over te gaan. Hoogstens vormen ze een argument voor een wetswijziging die recht doet aan een uitspraak van het Europese hof.

    Toekomst, ook voor de dividendbelasting

    Tot slot de buitenlandse portfolio-aandeelhouder. Wordt zo iemand gediscrimineerd ten opzichte van een Nederlandse portfolio-aandeelhouder, die voor het rendement op zijn aandelen forfaitair wordt belast in box 3? Een Nederlandse portfolio-aandeelhouder wordt tegen een vast tarief van 30 procent belast in de inkomstenbelasting over een paar procent van de waarde van de aandelen. De ingehouden dividendbelasting krijgt hij terug van de Belastingdienst. In de Wet op de dividendbelasting is een vergelijkbare mogelijkheid opgenomen voor de buitenlandse portfolio-aandeelhouder. Indien de ingehouden dividendbelasting van (maximaal) 15 procent méér bedraagt dan wat de buitenlandse portfolio-aandeelhouder zou hebben betaald in box 3 indien hij in Nederland had gewoond, kan hij het verschil terugkrijgen van de Belastingdienst.

    Ik geef meteen toe dat dit natuurlijk een administratief bewerkelijke gang van zaken is. Gelukkig is er licht aan het einde van de tunnel. De maatschappelijke acceptatie van het forfaitaire stelsel van box 3 breekt zienderogen af. Ook de Hoge Raad is kritisch.

    Dit kabinet wil stappen nemen om de daadwerkelijk door een particulier genoten inkomsten uit vermogen – waaronder rente, huur én dividend – weer in de heffing te betrekken. Dat zou betekenen dat het verschil in behandeling zich automatisch oplost: zowel binnenlandse als buitenlandse portfolio-aandeelhouders worden dan voor het werkelijk ontvangen dividend belast. De afschaffing van de dividendbelasting past mijns inziens dan ook niet goed bij de aankomende stelselherziening in de inkomstenbelasting.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 294 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren