Vertrouwen is goud

7 Connecties

Het debat over geld(creatie) dreigt een semantische discussie te worden. Toch is er een essentieel verschil tussen 'peer to peer lending' en 'banklending'. Uiteindelijk vormt 'vertrouwen' de basis van ons geldsysteem.

Het debat over geldcreatie begint Bijbelse proporties aan te nemen. Niet alleen in Nederland, maar internationaal. Zelfs onder (monetaire) economen bestaat er geen eenduidigheid over de vraag wat geld precies is en hoe het gecreëerd wordt. Niet zo vreemd dus dat hierover een Babylonische spraakverwarring is ontstaan. Het woord ‘geld’ alleen al schept verwarring, zoveel is zeker. Het dreigt thans zelfs een definitiekwestie te worden, terwijl het wellicht beter is om te kijken wat er nu precies gebeurt in de verschillende stadia van geldschepping en de rol die overheden, centrale banken, kredietinstellingen en particulieren daarbij vervullen. De vraag of geld een ‘schuld’ is staat daarbij niet zelden centraal.

Het geldscheppingsproces

Voor Stichting Ons Geld betekent geldschepping de schepping van nieuw geld. ‘Dat is helder woordgebruik’, zo voegt men er aan toe. Verder vindt de Stichting: ‘degene die beslist over de geldschepping mag geen belang hebben bij het gebruik ervan’. Volgens de Stichting is dat thans wel het geval en wel met name de banken hebben volgens die zienswijze belang bij geldschepping (want ze trekken er onder meer rente van). Daarom wil de Stichting de geldcreatie overlaten aan een constitutionele overheidsmacht, een ‘politiek onafhankelijk’ instituut, te vergelijken met de rechterlijke macht.
Dat 'politiek onafhankelijke' instituut bestaat formeel al
Nu zou men tegen deze zienswijze kunnen riposteren dat zo’n onafhankelijk instituut formeel al bestaat en waakt over de geldhoeveelheid in omloop, te weten onze centrale bank - op Europees niveau gebeurt dat hoofdzakelijk en in toenemende mate door de ECB, maar dat terzijde. Ook zou men kunnen riposteren dat ‘politiek onafhankelijk’ een relatief begrip is. Absolute onafhankelijkheid bestaat per definitie niet, ook niet bij de rechterlijke macht. Ook die is niet honderd procent onafhankelijk, rechters passen de interpretatie van een wetsartikel niet zelden op eigen wijze toe. Zij zijn tenslotte ook maar mensen. Is dat erg? Welnee, het is onvermijdelijk. Hetzelfde kan gezegd worden van monetair beleid, ook dat is alleen op papier politiek onafhankelijk. Wie bijvoorbeeld kijkt naar het beleid van de ECB de afgelopen jaren, kan moeilijk volhouden dat dit politiek onafhankelijk is, ook al wil de Europese Centrale Bank ons dat graag doen geloven. Dat is een illusie.

Verschillen

Laten we ons daarom concentreren op het centrale thema van de Stichting: wat gebeurt er precies als er nieuw geld geschapen wordt? Om de belangrijkste bron van verwarring als voorbeeld nemen: iedereen kan geld scheppen, maar er is een fundamenteel verschil tussen particuliere geldcreatie en de geldschepping door commerciële banken. Om dat inzichtelijk te maken is het aan te bevelen het verschil duidelijk te maken tussen geldschepping bij ‘peer-to-peer lending’ (het lenen en terugbetalen van geld tussen particulieren) en wat er gebeurt met de geldhoeveelheid in omloop als er van de bank geleend en afgelost wordt. Maar eerst een opmerking ter voorkoming van misverstanden. Het behoeft geen betoog – zelfs niet voor de mensen van de Stichting - dat bancaire kredietverlening een belangrijke rol speelt in de (groei van de) macro-economie. Maar is er wél een belangrijk verschil tussen bancaire geldcreatie en ‘peer-to-peer lending’. Dat zit zo. Stel, u wilt een nieuwe laptop kopen maar u heeft het benodigde bedrag niet (laten we voor het gemak zeggen dat die nieuwe laptop 1000 euro kost). U kunt dan twee dingen doen: u leent het geld van een kennis, die het geld van diens bankrekening overmaakt naar de uwe, of u gaat naar de bank (bijvoorbeeld door uw creditcard te gebruiken in de computerwinkel). Wat gebeurt er macro-economisch in beide gevallen? In het eerste geval wordt de bankrekening van uw kennis gedebiteerd (verminderd) met 1000 euro en die van u gecrediteerd (vermeerderd) met 1000 euro. U betaalt vervolgens met dat geld de computerfirma, die hetzelfde bedrag kan bijschrijven op zijn bankrekening. Macro-economisch is er geen nieuw geld geschapen: het geld is slechts van ‘eigenaar’ verwisseld (van uw kennis via u naar de computerfirma) en u bent de trotse bezitter van een nieuwe laptop. U heeft een schuld aan uw kennis, maar uw bankrekening is niet veranderd door de transacties. Er staat evenveel (of even weinig) op als voor de aankoop van de laptop. Hoe anders is het als u het geld voor de laptop niet leent via uw kennis, maar via de bank, bijvoorbeeld door uw kredietkaart te gebruiken bij aankoop. Want wat gebeurt er dan? In dat geval wordt uw rekening bij de bank gedebiteerd (verminderd) met 1000 euro en die van de computerfirma gecrediteerd (vermeerderd) met hetzelfde bedrag. Er is nieuw geld gecreëerd.

De andere kant van het verhaal

Natuurlijk is dit maar de helft van het verhaal, want wat gebeurt er als de schuld moet worden terugbetaald? U zult moeten sparen om uw kennis terug te betalen en hetzelfde geldt voor uw debetstand bij de bank. Maar er is macro-economisch wel een verschil. In geval van terugbetaling aan uw kennis verandert de geldhoeveelheid in omloop niet. Er is evenveel geld in omloop als ervoor. Ook verandert er balans-technisch niets op de balans van de kredietinstelling, die fungeerde slechts als ‘doorgeefluik’. Maar in het geval dat u geld leent bij de bank en daarmee uw aankoop financiert verandert er bij terugbetaling (aflossing) van de banklening wel degelijk wat: de geldhoeveelheid in omloop wordt in dat geval met 1000 euro verlaagd, er wordt als het ware geld ‘vernietigd’. Voor een goed begrip van wat geldcreatie is en welke rol bancaire kredietverlening speelt in de economie, is het goed om dit verschil te onderkennen.
Je zou verwachten dat economen zouden snappen wat geldcreatie is
Je zou verwachten dat economen zouden snappen wat geld(creatie) is, of er in elk geval eensluidend over denken, maar niets is minder waar. Er zijn economen die vinden dat geld gedekt moet zijn door fysieke waarden zoals goud en zilver; er zijn er ook die vinden dat het er niet toe doet hoe geld gecreëerd wordt. Het bekendste voorbeeld van zo’n econoom is de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Paul Krugman. Beide standpunten noem ik extreem.

Augusto Graziani

Blijft nog over de claim van de Stichting Ons Geld, dat een bank niet mag profiteren van haar geldscheppingsprivilege. De begin vorig jaar overleden Italiaanse econoom, professor Augusto Graziani, stelde zich in dat verband de simpele vraag: waarin verschilt een monetaire economie van een ruilhandel economie? (how does a monetary economy differ from one in which trade occurs by barter?). Volgens Graziani moet geld voldoen aan drie voorwaarden om ‘geld’ genoemd te kunnen worden. Deze drie voorwaarden zijn: 1. geld moet een token currency zijn (anders is het louter een ruilmiddel en geen monetair middel); 2. geld moet geaccepteerd worden als middel tot final settlement van de transactie (anders zou het louter krediet zijn en geen geld); en 3. geld behoort geen privileges of seigniorage op te leveren voor de uitgever ervan. En de enige manier waarop aan deze drie voorwaarden is voldaan, is volgens Graziani wanneer betalingen worden gedaan door beloften van een derde partij om de transactie te betalen, en tegenwoordig is dat een bank: “The only way to satisfy those three conditions is to have payments made by means of promises of a third agent, the typical third agent being nowadays a bank.” Hij voegde daar nog aan toe dat wanneer een betaling via een cheque eenmaal gedaan is er geen debet en credit relatie meer bestaat tussen partijen. De ene is crediteur en de ander is debiteur bij dezelfde bank. “This insures that, in spite of making final payments by means of paper money, agents are not granted any kind of privilege”, aldus Graziani. De betekenis van de inzichten van deze econoom is vooral dat banken een essentiële rol spelen in ons betalingsverkeer en een niet weg te denken factor vormen in de economie. Volgens Graziani is geld eenvoudigweg een belofte van een derde partij om te betalen voor goederen. En de belangrijkste twee ‘derden’ zijn overheden en banken.
De zorgen van de Stichting zijn geenszins weggenomen
Zijn daarmee de zorgen van de Stichting weggenomen? Geenszins. Neemt het voorstel van de Stichting om de geldcreatie toe te vertrouwen aan een politiek onafhankelijk instituut die zorgen weg? Dat lijkt mij niet. Ik zie niet in wat dat voorstel au fond toevoegt aan de bestaande instituten. Uiteindelijk is vertrouwen de basis van geld. En ja, dat vertrouwen kan worden beschaamd. Juist ook door banken en overheden, bijvoorbeeld wanneer zij ongelimiteerd geld in omloop brengen of transacties doen plaatsvinden die niets meer met de reële economie van doen hebben, maar louter zijn gericht op het behalen van transactiewinst. De opinie over ‘vertrouwen’ als basis van geld, het privilege van geldscheppende instellingen en het toezicht daarop hangt sterk af van hoe je tegen de wereld aankijkt. Het gelddebat zal dus voorlopig nog wel even doorgaan.