Vijf mythes over handel en de toekomst van Nederland als handelsland

    Handel is een belangrijke pijler onder het Nederlandse verdienmodel, maar is de reputatie van Nederland als handelsland wel terecht? Hella Hueck (RTL) en Robert Went (WRR) doken in de cijfers en spraken met deskundigen. Over de Nederlandse handel doen allerlei mythes de ronde, ontdekten ze. Ze bespreken er vijf en ze schetsen hun ideeën over de rol van handel in de economie van overmorgen.

    ANP-32192425_0 Beeld © EPA

    Spelen we het spel goed genoeg?

    April 2015. Vol trots loopt minister Henk Kamp van Economische Zaken over de Hannover Messe, een van de grootste industriebeurzen ter wereld. Nederland is er ook dit jaar weer goed vertegenwoordigd, met vrolijke oranje paviljoens. Want Duitsland is een belangrijke handelspartner voor Nederland. 'Een Duitse auto bestaat voor 20 procent uit Nederlandse onderdelen', vertelt de minister aan RTL Z.

    Waar is ons Roergebied?

    De minister is terecht trots op de prachtige toeleveranciers die Nederland heeft. Bosal maakt uitlaatsystemen, Nedschroef − de naam zegt het al − zorgt voor schroeven, en Inalfa produceert daksystemen. Maar 20 procent van de onderdelen, dat is wel heel veel. Vorig jaar had de Duitse auto-industrie een omzet van 384 miljard euro. Eén op de vijf auto's die over de hele wereld verkocht worden, is van een Duits merk. Waar is ons Roergebied dan, dat al die onderdelen maakt? Navraag bij het ministerie van Economische Zaken levert weinig op. De woordvoerder weet niet precies op welk onderzoek de claim gebaseerd is. We gaan te rade bij expert Marcel Timmer, hoogleraar Economische groei en ontwikkeling in Groningen, die met collega's de internationaal veel geraadpleegde WIOD-database (World Input-Output Database) heeft opgezet en bijhoudt. 'Dat getal is veel en veel te hoog', antwoordt hij. Met zijn collega Gaaitzen de Vries rekent hij voor ons uit hoeveel van de waarde van een Duitse auto dan wel uit ons land komt. Het antwoord is even schrikken: 'In 2011 draagt Nederland 1,4 procent bij in de waarde van auto's (meer algemeen mechanische vervoersmiddelen) die in Duitsland worden geproduceerd.'

    Ingehaald door Polen en Tsjechië

    Het verhaal blijkt nog complexer. Uit dit rapport van het CBS blijkt dat 20 jaar geleden bedrijven uit Nederland nog zo’n 6 procent van het staal en onderdelen leverden voor de Duitse auto-industrie. Maar we zijn sindsdien voorbijgestreefd door landen als Polen, Hongarije en Tsjechië. En hou je vast: tegenwoordig komt elektrische en optische apparatuur die in Duitse auto’s worden ingebouwd vooral uit... China. Dat China steeds meer hoogwaardige producten levert, blijkt ook wel uit wat wij zelf tegenwoordig uit China halen. De tijd van goedkope schoenen en T-shirts ligt echt achter ons: de helft van wat wij uit China importeren, bestaat uit high-tech producten, zoals mobiele telefoons en onderdelen voor netwerken en computers. GFX_grafiek_Duitse_vervoersmiddelenindustrie_hella-2-01_0   Als we kijken naar de Duitse auto-industrie, hebben we alleen onze positie voor het leveren van staal weten te behouden. De kwaliteit van ons staal is hoog en we liggen dicht bij Duitsland: transport van staal is extreem duur. Wat meer zorgen baart, is dat Nederland blijkbaar niet meer weet te profiteren van de groei van de Chinese economie. De middenklasse daar wordt rijker en wil graag in een Duitse auto rondrijden. Maar de marge op die auto blijkt vooral in Duitsland te blijven hangen en sijpelt nauwelijks door naar ons. Wat gaat hier verkeerd?

    Naar de toekomst

    Onze zoektocht naar een antwoord op deze vraag zette ons aan het denken over de toekomstbestendigheid van onze handelspositie. Er zijn nog maar weinig producten die helemaal in één land worden gemaakt. Vaak zijn tientallen tot zelfs duizenden leveranciers betrokken bij het in elkaar zetten van een auto, mobiele telefoon of vliegtuig. Meer dan tweederde van de handel in de wereld bestaat inmiddels uit onderdelen van producten. Spelen we in die internationale ketens het spel goed genoeg? Onze export is bijvoorbeeld erg gericht op West-Europa en Duitsland, maar moeten we niet meer inzicht krijgen in waar onze uitvoer uiteindelijk belandt? En weten we wel voldoende hoe onze productieketens in elkaar zitten en hoe we daar meer geld mee kunnen verdienen door er meer waarde aan toe te voegen? We zijn in de cijfers gedoken en hebben deskundigen geraadpleegd bij het CBS, de OESO, het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Universiteit van Groningen. Daaruit komt een duidelijk beeld naar voren dat nog maar nauwelijks tot het publiek en beleidsmakers doordringt.

    Mythe 1: We verdienen ruim 70 procent van ons brood in het buitenland

    iphone Beeld © iStock

    Heb je weleens goed naar de achterkant van je iPhone gekeken? 'Designed by Apple in California. Assembled in China', staat daar. Dat ene zinnetje geeft precies de essentie weer van hoe je vandaag naar internationale handel moet kijken: producten worden nauwelijks meer in één land gemaakt. Dat betekent voor de groei en de werkgelegenheid van Nederland dat we niet zozeer moeten kijken naar wát we precies maken, maar naar welke activiteiten onze bedrijven ontplooien.

    Verkeerde focus

    'Wat is ervoor nodig om Apple weer in de Verenigde Staten te laten produceren?' vroeg president Obama jaren geleden tijdens een exclusief diner met de grootste techbedrijven aan de intussen overleden Apple-baas Steve Jobs. Obama hoopte banen te creëren voor met name lageropgeleiden door de productie van al die tientallen miljoenen Apple-producten weer terug te halen naar de VS. Maar dat is helemaal de verkeerde focus. Ooit werd een product in één land gemaakt en daar in een doos of een vat gestopt. Zo exporteerde Nederland in de 17de eeuw haring, zout en textiel, en daar kochten we dan bijvoorbeeld weer graan voor terug. Die tijd ligt ver achter ons. De wereldeconomie is steeds meer in waardeketens georganiseerd. Kijk maar naar Apple en de productie van iPhones, iPads en Macs. Die productie vindt plaats in gigantische ketens die de hele wereld beslaan: meer dan een miljoen mensen en honderden leveranciers zijn betrokken bij design, productie, marketing, distributie en klantenservice van deze producten.

    In elkaar schroeven: wat schuift dat?

    Wie verdient hoeveel in dat hele proces? Dat is natuurlijk de hamvraag. Het is een paar jaar geleden grondig uitgezocht voor de iPod (zie pagina 54 van dit CBS-rapport). De prijzen zullen ongetwijfeld gedaald zijn met de jaren, maar het gaat om het idee. Een iPod die – met onderdelen die van over de hele wereld komen – in China in elkaar gesleuteld is, heeft een uitvoerwaarde naar de VS van 150 dollar. Maar nu komt het: van dat bedrag is niet meer dan vier dollar de waarde die in China is toegevoegd. Alleen die vier dollars komen in China terecht in lonen en winsten. In China worden onderdelen uit de rest van de wereld in elkaar gezet, op een manier die in Californië bedacht is. Zoveel verdien je dus niet met alleen iets in elkaar schroeven. Bovendien is het werk dat een robot dadelijk ook kan doen. Terwijl China een paar dollar per apparaat overhield aan Apple-producten die daar werden geassembleerd, boekte Apple het afgelopen kwartaal een winst van 11 miljard dollar. Het bedrijf wist een marge te halen van bijna 40 procent. Het échte geld bij Apple wordt verdiend met design, de marketing en R&D in de VS. En door maakbedrijven uit onder andere Japan en de VS, die high-tech onderdelen voor de apparaten maken.

    Het antwoord van Steve Jobs

    Steve Jobs had een vrij bot antwoord op de vraag van Obama of de productie weer naar de VS kon komen. 'Die banen komen nooit meer terug', zei hij op dat tech-diner. Maar daar hoeven de Amerikanen niet per se rouwig om te zijn, als we zien hoe weinig China aan het in elkaar schroeven van de iPod verdient. Obama had misschien beter kunnen vragen: 'Wat kan ik als overheid voor Apple betekenen, zodat je de activiteiten die je wél in Amerika doet nog beter en met meer werkgelegenheid kunt uitvoeren?'  Want het werk dat Apple in de VS creëert, is niet alleen hoogwaardiger, maar levert ook veel meer op.
    het werk dat Apple wel in de VS creëert, is hoogwaardiger én levert veel meer op
    Het besef dat we ook in Nederland op een andere manier naar onze handel moeten kijken, zou wat sneller door mogen dringen bij onze politici. Minister Ploumen van Buitenlandse Handel schreef daar een mooie Kamerbrief over, maar die kreeg nog weinig aandacht. Premier Rutte verkondigde een paar jaar geleden bij een bezoek aan het Verenigd Koninkrijk nog monter dat Nederland 70 procent van zijn welvaart verdient door handel met het buitenland. Als je onze totale export deelt door wat Nederland produceert (het bbp ligt rond de 800 miljard), dan kom je daar inderdaad ruimschoots op. Maar dat zegt helemaal niets over wat we in Nederland aan waarde toevoegen.

    Een nieuw rekensommetje

    Als je wilt weten hoeveel we met onze export verdienen, moeten de kosten van de import van grondstoffen en onderdelen die nodig zijn om iets te maken, daarvan worden afgetrokken. Marjolijn Jaarsma en Oscar Lemmers van het CBS rekenden het nog eens voor ons uit en komen tot de slotsom dat we 32 procent van ons brood verdienen met export naar het buitenland. Geen 70 procent dus – en dat scheelt een behoorlijke slok op een borrel.

    Mythe 2: Nederland industrieland

      mri scan De impact van digitalisering op de manier waarop we handel drijven, is goed te zien bij een bedrijf als Philips, een van onze grote multinationals. Eind 19de eeuw speelden de broers Anton en Gerard Philips slim in op de uitrol van elektriciteitsnetwerken door in Eindhoven gloeilampen te produceren. Maar nu moet Philips het niet meer hebben van de (led)lampjes en televisietoestellen. Het bedrijf surft mee op de nieuwe golf van digitale technologieën en wordt meer en meer een dienstverlener. 'We zijn in die zin een softwareboer geworden' , vertelde Jeroen Tas, hoofd van Philips Healthcare, laatst aan RTL Z. 'We leveren niet alleen de MRI-scanner aan het ziekenhuis waarmee een tumor in beeld gebracht kan worden' , zei Tas. 'Artsen willen veel meer informatie hebben. Dat kan ook: we kunnen tegenwoordig in cellen kijken, op DNA-niveau. Dus niet alleen de grootte van de tumor is van belang, maar ook: hoe groot is de kans op kanker? Is deze vorm kwaadaardig? Naast de scanner leveren we daarom steeds meer extra diensten. De arts kan alle aandoeningen in 3D zien bijvoorbeeld, of we leveren extra genetische informatie aan. Daar betaal je als ziekenhuis dan een maandelijks bedrag voor.'

    Steeds meer een dienstenland

    Het verhaal van Philips staat niet op zichzelf. Nederland wordt meer en meer een dienstenland. En met die diensten weten we ook over de grens steeds beter een goede boterham te verdienen. Maar liefst 60 procent van de toegevoegde waarde in onze export hebben we te danken aan de dienstensector, blijkt uit 'Waarom diensten de dienst uitmaken', hoofdstuk 4 in deze Internationaliseringsmonitor van het CBS.
    60 procent van de toegevoegde waarde in onze export danken we  aan de dienstensector
    Volgens de OESO, de club van rijke landen in de wereld, bevindt het aandeel van diensten in de export van Nederland zich aanzienlijk boven het gemiddelde van haar 34 lidstaten. Voor wie dol is op lijstjes: ons land staat na Luxemburg op de tweede plaats als het gaat om hoeveel procent van de toegevoegde waarde in de export van diensten afkomstig is. We zijn dus, als je het wilt samenvatten, veel meer een dienstenland dan een industrieland. In deze grafiek zie je hoe het belang van diensten in onze export gegroeid is sinds 1969.

    groei_diensten_export_0 Bron: CBS

    We zien aan de lichtgekleurde uiteinden rechts in de figuur dat de toegevoegde waarde in onze export uit de dienstensector anno nu voor een groot deel komt uit directe export van bijvoorbeeld financiële diensten, en voor een deel uit diensten die in industrieproducten zijn opgenomen (oranje). Denk aan 3D-software die Philips levert aan ziekenhuizen, en de software-update van de navigatiesystemen van TomTom. Maar er worden ook zaken meegerekend die bedrijven hebben uitbesteed, zoals beveiliging, catering en schoonmaak.

    Belang bij innovatie

    We kunnen industrie en diensten natuurlijk niet los van elkaar zien. Zonder industrie zou een deel van de diensten niet zijn uitgevoerd. Maar omgekeerd had de industrie ook niet kunnen uitvoeren zonder de diensten die in het productieproces zijn ingezet. De OESO en De Nederlandsche Bank wijzen er daarom op dat ons land, om te kunnen blijven exporteren, belang heeft bij een hoogwaardige en innovatieve dienstensector. Is het erg dat Nederland een dienstenland is?  Dat lijkt ons niet. We zagen eerder dat Apple juist aan zaken als marketing en R&D flink verdient. Productie vindt steeds meer plaats in ketens die zich niet aan nationale grenzen storen. Daarin wordt vooral geld verdiend aan het bedenken en ontwikkelen van producten, aan het verkopen daarvan en aan onderhoud en diensten daarna. Dat geldt nu meer dan een halve eeuw geleden, zoals mooi is samengevat in wat 'de glimlach van de waardeketen' wordt genoemd.

    glimlach_waardeketen_2_0 Bron: Kamerbrief minister Ploumen

    Landen ontwikkelen zich eerst van landbouw naar industrie en daarna van industrie naar diensten. Dat komt doordat de productiviteit in de industrie steeds verder toeneemt, waardoor goederen met minder mensen kunnen worden gemaakt en goedkoper worden – dat is met de meeste diensten veel lastiger. En het komt ook doordat taken die vroeger door bedrijven zelf werden gedaan, nu worden uitbesteed en dan als dienst tellen, zoals de accountants en schoonmaak.

    Structurele veranderingen

    Daar komen elke dag weer nieuwe diensten bij die ons leven makkelijker en leuker maken. We willen muziek streamen via Spotify, een verzekering online afsluiten, of via thuisbezorgd.nl een maaltijd bestellen. Dat zijn allemaal diensten. We worden dus meer een diensteneconomie als gevolg van structurele veranderingen in de maatschappij. We kunnen ons maar heel moeilijk voorstellen dat die trends stoppen of zelfs omkeren. Hoog tijd dus om de mythe dat Nederland een industrieland is, definitief te begraven.

    Mythe 3: We zijn de 7e exporteur van de wereld

    ANP-1600_34329334_0 Beeld © ANP

    'Gezellige oud-Hollandse leuterpraat', schreef Volkskrant-columnnist Bert Wagendorp over de toespraak van premier Mark Rutte bij de opening van Sail 2015. De speech was wat bombastisch. We moeten weer terug naar de sfeer van de Gouden Eeuw, en de wereld veroveren, was Ruttes boodschap aan De Telegraaf: 'De hele wereld kijkt naar Nederland om grote problemen op te lossen. En die kunnen we oplossen. Voedsel bijvoorbeeld, daar zijn we de op een na grootste exporteur van de wereld, we hebben de beste landbouwuniversteit in Wageningen staan.'

    Goed in landbouw

    We zijn inderdaad goed in landbouw en de export van voedsel. Voor 108 miljard euro ging er vorig jaar aan onder meer vlees, zuivel en bloemen de grens over, en dat maakt ons de tweede agro-exporteur ter wereld. De helft van deze producten ging overigens naar landen dicht bij huis: Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Maar de wereld veroveren, dat is een wel erg ambitieus doel. Als we kijken naar de exportpositie voor heel Nederland, dan wordt vaak gesteld dat we de zevende exporteur van de wereld zijn. Maar dat zijn brutocijfers. Die zeggen niet zo veel over wat we aan deze handel verdienen, en daar gaat het natuurlijk om.

    Wat verdienen we?

    Zoals we hierboven zagen zijn in de brutocijfers bijvoorbeeld ook grondstoffen en onderdelen meegeteld. Die moeten we meestal eerst importeren, om er vervolgens goederen en diensten van te maken om te exporteren. De waarde daarvan zie je terug in de importcijfers van landen, maar ook weer in de exportcijfers. Als je echt wilt weten wat een land verdient met zijn export, moet je de import er weer uit halen. Volg je het nog? Het gekke is dat dit soort cijfers heel lang niet beschikbaar waren, waardoor we dus weinig wisten over onze handelspositie wereldwijd. Sinds een paar jaar hebben we de cijfers over toegevoegde waarde wel. Prof. Marcel Timmer van de Rijksuniversiteit Groningen zocht voor ons uit hoe de top 10 van exporterende landen er dan uitziet. nl_exp_graph_0 Dan hebben we ineens een heel ander plaatje. Nederland staat met 236,4 miljard dollar aan toegevoegde waarde dankzij export op 16 in deze lijst. Daarmee staan we onder India, Spanje, Saoedi-Arabië, Australië en Mexico, en boven Brazilië, Indonesië, Polen en Singapore (dat in de brutolijst op 9 staat). Die 16de plek is helemaal niet zo vreemd: we staan op plaats 17 op lijstjes waarop landen zijn gerangschikt naar omvang van hun bbp (binnenlands bruto product: wat een land in een jaar produceert). Een van de oorzaken voor het grote verschil tussen bruto-export en export naar toegevoegde waarde, is dat een groot deel van de invoer zonder veel bewerking wordt doorgevoerd: 40 tot 45 procent van onze handel is wat 'wederuitvoer' wordt genoemd. We voeren iets in wat we daarna zonder veel bewerking ook weer uitvoeren. Je moet dan vooral denken aan groothandelaars en distributeurs van allerlei producten van internationale bedrijven – van de bananen van Chiquita tot de printers van HP. De wederuitvoer pompt onze exportcijfers lekker op, maar aan dit soort uitvoer verdienen we niet zo veel: gemiddeld acht cent per euro.

    Tesla: 'made in Holland'

    De rest (meer dan de helft dus: zo’n 55 tot 60 procent) van onze export is in Nederland gemaakt, met hulp van import van onderdelen en grondstoffen uit andere landen. Dat moet je ruim zien. Zo is Tesla volgens onze handelsdefinitie 'made in Holland': de auto wordt in de Verenigde Staten ontworpen en gebouwd, en vervolgens in onderdelen naar Nederland verscheept. Hier in Tilburg, in de 'fabriek' van Tesla Motors Netherlands, wordt de auto weer in elkaar gezet. Ook wordt de laatste software geüpload, de remvloeistof aangevuld en de auto op verschillende zaken getest: laad-ie bijvoorbeeld wel goed op? Als alles werkt gaan de Tesla's verder Europa in. Dat is toch wat meer dan 'wederuitvoer' waar we zelf bijna niets aan toevoegen. En deze activiteiten leveren ook banen op:  er werken een kleine 200 mensen bij Tesla. En wie nu bij het distributiecentrum in Tilburg wil werken, kan meteen aan de slag − ze hebben zo’n 35 vacatures op dit moment.

    Lekker belangrijk

    Maakt het wat uit hoe hoog we op dit soort lijstjes staan? Nee hoor, tenzij je het belangrijk vindt om in internationale vergelijkingen tussen landen zo hoog mogelijk te komen − maar waarom zou je? Het is belangrijker om goed uit elkaar te houden waar we het over hebben wanneer het over onze handel gaat. Door nieuwe cijfers over toegevoegde waarde kunnen we  misverstanden en verkeerde conclusies voor bijvoorbeeld overheidsbeleid vermijden. En een beter inzicht krijgen in de vraag met welke activiteiten we nou geld verdienen en banen creëren.

    Mythe 4: Het zijn vooral grote bedrijven die exporteren

    ANP-1600_33058188_0 Beeld © ANP

    Bij export denken we allemaal direct aan grote bedrijven, vooral uit de maakindustrie, zoals ASML. Maar ook door het midden- en kleinbedrijf (minder dan 250 mensen in dienst) wordt volop geëxporteerd. Direct, of indirect.

    Born-globals

    Als bedrijf een buitenlandse markt opgaan: dat heeft vaak iets weg van worstelen. Je moet eerst in Nederland voet aan de grond proberen te krijgen, daarna moet je Europa in, om vervolgens de grote stap naar de Verenigde Staten en Azië te zetten. Mkb'ers hebben door de mogelijkheden van digitalisering en e-commerce meer kansen om een 'born-global' te worden: een bedrijf dat vanaf de start internationale markten wil  bedienen. TomTom wordt vaak als voorbeeld genoemd, maar je kunt ook denken aan het Nederlandse WeTransfer, Booking.com of het Amerikaanse taxibedrijf Uber. Maar het is vaak moeilijk voor kleinere bedrijven om financiering voor exporttransacties van banken los te krijgen, bijvoorbeeld omdat het om relatief kleine bedragen gaat. Mkb'ers die met export opkomende landen willen helpen zich te ontwikkelen, kunnen onder voorwaarden geholpen worden door het Dutch Good Growth Fund, maar dat geldt maar voor een kleine groep.

    Idee gejat, kennis weg

    Hoewel internet het makkelijker maakt een wereldmarkt te bedienen, zijn acht op de tien bedrijven niet succesvol met hun internationale strategie, vertelde hoogleraar Henk Volberda op BNR. 'Er zijn veel lokale, nationale wetten waar je rekening mee moet houden. Je moet werken in een andere taal en hebt te maken met culturele verschillen. Vaak kiezen mkb'ers verkeerde partners in het buitenland en wordt hun idee gejat of lekt kennis weg.'
    20 procent van de Nederlandse winkeliers willen graag groeien over de grens, maar voelen zich geremd door regels
    Detailhandel Nederland kwam laatst met onderzoek: 20 procent van de Nederlandse winkeliers zou graag willen groeien over de grens, door webshops of echte winkels te openen. Maar ze voelen zich geremd door verschillende regels. Zo is het brandveiligheidsvoorschrift voor meubels in Engeland strenger dan in de rest van Europa. Als we dat zouden aanpakken, zou ons mkb veel harder kunnen groeien in het buitenland, stelt de belangenorganisatie.

    Exportwaarde toevoegen

    Als we door de standaard handelscijfers heenkijken, blijkt dat ons mkb het juist heel erg goed doet in het buitenland. Nederlandse midden- en kleinbedrijven hebben een groter aandeel in onze export dan in de Verenigde Staten of grotere Europese economieën het geval is. Dat komt doordat een mkb-bedrijf vaak niet zelf direct naar het buitenland exporteert, maar toch exportwaarde toevoegt omdat het een dienst of onderdeel levert aan een groter bedrijf dat wél exporteert. We hebben eerder gezien dat productie steeds meer in waardeketens plaatsvindt. Grote bedrijven werken daarin vaak samen met het mkb. Die kleine bedrijven leveren hun producten of diensten direct aan de multinational of aan een andere toeleverancier, die ze vervolgens weer exporteert. Het Nederlandse innovatieve bedrijfje Aviation Glass maakt bijvoorbeeld extra dun glas voor de luchtvaart. Bij het bouwen van zo’n groot passagiersvliegtuig zijn een kleine 6500 bedrijven betrokken uit zo’n 100 verschillende landen. Aviation Glass werkt samen met andere toeleveranciers, die op hun beurt weer leveren aan Airbus of Boeing.

    Mkb als toeleverancier

    De OESO heeft samen met de Wereldbank voor de G20 de toegevoegde waarde van de indirecte export van landen in kaart gebracht. Dan zie je dat het Nederlandse mkb een grote rol speelt in onze internationale handel, vooral in de zakelijke dienstverlening (denk met name aan onze financiële sector).
    het Nederlandse mkb speelt een grote rol in onze internationale handel, vooral in de zakelijke dienstverlening
    Opvallend is ook de toegevoegde waarde die onze auto-industrie levert. We hebben hierboven gezien dat onze positie als toeleverancier de laatste 20 jaar is afgekalfd, maar bedrijven als NedCar, Inalfa en Nedschroef voegen wel degelijk waarde toe. En daarin spelen mkb-bedrijven weer een grote rol als toeleverancier. export2_0 Grote multinationals zijn dus vaak de bedrijven die 'officieel' internationale handel drijven. Maar ons midden- en kleinbedrijf draagt daar in hoge mate aan bij en weet er stilletjes op de achtergrond vaak een heel goede boterham aan te verdienen. Er zijn daarnaast ook veel mkb-bedrijven die zelf direct naar het buitenland exporteren. Het CBS werkt aan betere cijfers over de directe en indirecte bijdrage van het mkb aan onze export, maar duidelijk is wel al dat het grootste deel van de Nederlandse export voor rekening komt van mkb-bedrijven.

    Mythe 5: De wereld is plat, grenzen spelen geen rol meer

    roze flesjes We verdienen 32 procent van ons nationaal inkomen met handel over de grens, maar werkgeversorganisatie VNO-NCW vindt dat nog lang niet genoeg. 'Een ambitie van 40 procent moet op termijn haalbaar zijn' , lezen we in de notitie 'Grenzeloos groeien' (2014). Maar een euro die wordt verdiend met export, is geen cent meer waard dan een euro die op de binnenlandse markt wordt verdiend. We kunnen best blijven groeien zonder heel veel meer te exporteren. Daar moeten we ons ook maar een beetje op gaan instellen.

    Handelsgroei stagneert

    Van 1990 tot 2008 groeide de handel in de wereld elk jaar veel sneller dan de wereldeconomie. Een steeds groter deel van de productie in de wereld werd over grenzen geëxporteerd en – dat hoort er dan ook bij – door andere landen geïmporteerd. Aan die groei van de handel is sinds de crisis een einde gekomen, en ook nu de crisis voorbij is, groeit de wereldhandel minder dan voor 2008. wereldhandel_0   Sommige economen denken dat dit tijdelijk is, en dat binnenkort de wereldhandel weer net zo snel gaat groeien als voor de crisis. Maar er zijn ook economen die denken dat de groei van de handel weleens blijvend lager zou kunnen zijn. Dat komt doordat veel meer productie nu plaatsvindt in ketens. Ook digitalisering heeft invloed op fysieke handel: dvd's, cd's en encyclopedieën zijn echt verleden tijd. Wie weet kunnen we in de toekomst dankzij 3D-technologie meer producten lokaal produceren. Ook blijken er grenzen te zitten aan wat we kunnen of willen verhandelen.

    De wereld is niet plat

    Lange tijd was de gedachte dat de wereld door globalisering steeds platter wordt. Die term komt van New York Times-columnist Thomas Friedman, die in 2005 de bestseller The World is Flat publiceerde. Maar er was ook kritiek op zijn boek, onder andere van economen die al heel lang onderzoek doen naar wat de 'home bias' in handel wordt genoemd, het thuismarkteffect. Al kun je ook in China een iPhone kopen en drinken we over de hele wereld Coca-Cola: de wereld is niet volledig plat te slaan. We hebben de neiging om dicht bij huis te handelen. Econoom John McCallum ontdekte dat de handel binnen zowel Verenigde Staten als Canada 20 keer zo groot was als grensoverschrijdende handel tussen die twee landen. Opvallend, want qua taal en cultuur liggen Canada en de Verenigde Staten behoorlijk dicht bij elkaar. Later onderzoek kwam op wat lagere getallen uit, maar steeds weer blijkt dat nationale grenzen ook in een globaliserende wereld een grote belemmering zijn én blijven voor handel. In Europa, waar al heel lang wordt gewerkt aan een interne markt, zien we hetzelfde verschijnsel. In zijn boek World 3.0 (uit 2011) schrijft Pankaj Ghemawat, de jongste hoogleraar ooit benoemd aan de Harvard Business School, over onderzoek dat uitwijst dat Duitse deelstaten vier- tot zesmaal zoveel met elkaar handelen als met EU-lidstaten.

    Normen, taal, regels, voorkeuren

    Wie naar verklaringen zoekt voor dat thuismarkteffect van handel, komt terecht bij barrières die niet simpel te slechten zijn. Zelfs als we alle quota en importtarieven afschaffen, hebben we te maken  met 'softe' handelsbarrières. Taal blijkt een heel belangrijke, en een Europese taal zien we komende jaren niet zo snel ontstaan. Ook een rol spelen de verschillen in voorkeuren van klanten, culturele verschillen, en aparte regels die door landen zijn ingesteld en vaak ook worden gekoesterd. De Nederlandse maker van de plastic drinkfles Dopper liep ertegen aan dat ze in landen als Qatar of Saoedi-Arabië het helemaal niet zien zitten om een hippe designfles bij te vullen met kraanwater: het is daar juist een statussymbool om een nieuwe fles mineraalwater open te draaien.
    Zelfs als we alle quota en importtarieven afschaffen, blijven er 'softe' handelsbarrières
    Wij denken niet dat dat thuismarkteffect snel verdwijnt. We zien juist dat nationale staten en typisch nationale trekjes en verworvenheden ook in Europa weer belangrijker worden, en dat regionale en lokale voorkeuren over bijvoorbeeld voedsel eerder meer dan minder een rol gaan spelen. Dat zie je aan de commotie in Duitsland over de gevolgen van TTIP voor regionale worsten. Kortom: misschien is het verstandig ons niet blind te staren op nog meer export. We exporteren om geld te verdienen, waarmee we de goederen en diensten kunnen kopen die we zelf niet hebben of kunnen maken, of waar anderen beter in zijn. Maar export is geen doel op zichzelf.

    Wat doen we er aan? Handel in de economie van overmorgen

    ANP-1600_33712198_0 Beeld © ANP

    Nederland staat internationaal al eeuwen bekend als handelsland. Maar het Nederlandse zelfbeeld over onze positie als handelsland is wel aan een paar correcties toe. Daar kwamen we achter toen we in de cijfers en analyses over handel in de wereld van nu doken. We ontdekten dat in Duitsland gemaakte auto's niet voor 20 procent uit ons land komen, maar voor 1,4 procent. We hebben laten zien dat we ons meeste geld niet in het buitenland verdienen, maar 32 procent van het bbp. We blijken niet in de top 10 van exporterende landen in de wereld te staan, maar op de 16de plek. We zijn een dienstenland en geen industrieland, bleek toen we keken wat we nou echt exporteren. En wat ons wel verraste: niet alleen grote bedrijven exporteren, maar ook veel ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf. graph1_0  

    Wat moeten we hiermee?

    Zoals we hebben laten zien was het niet echt moeilijk dit allemaal te achterhalen. Het CBS publiceert elke drie maanden een Internationaliseringsmonitor waarin al heel wat mythes over onze handel het loodje hebben gelegd tegen harde cijfers, Minister Ploumen schreef een Kamerbrief over hoe de internationale handel veranderd is door de opkomst van waardeketens. En de OESO, om een laatste nuttige bron te noemen, doet veel onderzoek naar mondiale waardeketens. Maar dat onze visie op handel in de steigers moet, dringt nog te weinig door bij een breder publiek en bij beleidsmakers, is onze indruk.
    al deze nieuwe inzichten moeten ook gevolgen hebben voor ons handelsbeleid. en daar mag wel een tandje worden bijgezet
    Dat zou allemaal niet erg zijn, als het alleen maar leuke weetjes waren zonder gevolgen. Maar al die nieuwe inzichten moeten ook gevolgen hebben voor ons handelsbeleid. En daar mag wel een tandje worden bijgezet. We moeten niet blijven hangen in geromantiseerde beelden over hoe het vroeger was. Natuurlijk hebben wij niet alle antwoorden, maar er zijn vijf conclusies die ons sowieso van belang lijken voor de toekomst van Nederland als handelsland.

    Conclusie 1: Stop met de exportobsessie

    Om valse discussie te vermijden: we hebben niets tegen handel. Handel levert werk, welvaart en meer keuze voor de consument op. (Een Big Mac-menu bestaat uit 20 ingrediënten van over de hele wereld; zie ons eerdere verhaal 'Hoeveel globalisering verdraagt de mens?') Toch is onze eerste conclusie dat we moeten stoppen met onze obsessie met export. Om twee redenen:
    • Het levert meer op als we onze aandacht ook richten op wat we importeren. Nu steeds meer goederen worden gemaakt met onderdelen die uit de hele wereld kunnen komen, is het voor onze bedrijven (vaak toeleveranciers) van belang de goede materialen en onderdelen te kunnen importeren. Hoe kunnen we dat beter en slimmer doen? 'We hebben het altijd maar over de export, maar import is inmiddels net zo belangrijk', zei ook Marc Groothuijse van de Kamer van Koophandel in de Volkskrant.
    • Bovendien: Nederland heeft nu al het zevende handelsoverschot in de wereld, terwijl we qua omvang de 17de economie van de wereld hebben. Dat overschot is veel te groot, volgens regels die daar in de Europese Unie voor afgesproken zijn. Het zou omlaag moeten, om andere landen binnen Europa, zoals Griekenland, Spanje en Portugal, en daarbuiten meer mogelijkheden te geven om te exporteren.
    graph2_0 Volgens Wim Boonstra, hoofdeconoom bij de Rabobank, zijn onze handelsoverschotten een hardnekkig probleem. Want de ene kant van de medaille is dat een overschot een sterke concurrentiepositie betekent, maar aan de andere kant illustreert het onze zwakke binnenlandse vraag.

    Conclusie 2: Meer aandacht voor binnenlandse markt

    Onze tweede conclusie is: vergeet de binnenlandse markt niet, want daar verdienen we nu en in de toekomst het overgrote deel van ons brood. We verdienen een respectabele 32 procent van ons nationaal inkomen over de grens, maar de rest – 68 procent – toch echt in eigen land.  De Nederlandse export moet, om het maar even heel concreet te maken, ruim twee keer zo sterk groeien als de binnenlandse afzet om hetzelfde effect op ons bbp te hebben. Wie roept dat we de lonen moeten matigen om de export nog meer te vergroten, verwart een middel – handel – met een doel. Want het gaat er toch om dat we zorgen dat we verantwoord groeien voor een aangenaam leven voor ons allemaal? Handel is daar een middel voor, niet meer en niet minder. De Financial Times schreef onlangs een kritisch artikel over het Duitse groeimodel: dat zit in een crisis, omdat het te veel van export afhangt en de binnenlandse vraag afremt door loonmatiging. Nederland mag wat dat betreft ook weleens in de spiegel kijken.

    Conclusie 3: Meer aandacht voor mkb en diensten 

    Ons derde punt: kleine bedrijven die willen exporteren, kunnen zelf proberen een positie in Europa of de wereld te veroveren. Maar voor veel kleinere bedrijven is het realistischer om te proberen onderdeel te worden van de waardeketen van een groter bedrijf dat al exporteert. Daar zou overheidsbeleid ook bij kunnen helpen: richt je met innovatiebeleid niet alleen of vooral op de bedrijven die exporteren, maar op de 'tweede ring'. Die term hebben we geleerd van onze landgenoot Fabienne Fortanier, die bij de OESO onderzoek doet naar waardeketens en handel. De 'tweede ring' zijn al die bedrijven in de industrie, maar ook in de dienstensector, die toeleverancier zijn van bedrijven die exporteren. Als zij productiever worden en nieuwe dingen bedenken, is dat ook goed voor de exporterende bedrijven die deze diensten en deelproducten nodig hebben voor wat zij exporteren.

    Conclusie 4: Handel is van iedereen

    Onze vierde conclusie borduurt voort op de vorige. Handel is niet alleen een zaak voor bollebozen die hoog opgeleid zijn en briljante nieuwe exportproducten bedenken waar veel geld mee te verdienen is. De meeste innovaties komen uit kleine verbeteringen die mensen bedenken, of zijn nieuwe combinaties van al bestaande kennis (zie ook het WRR-rapport over de lerende economie).
    De meeste innovaties komen uit kleine verbeteringen, of zijn nieuwe combinaties van bestaande kennis
    Ook de mensen die werken in kleine bedrijven en ondernemingen in de industrie en de dienstensector dragen bij aan de kwaliteit en innovatiekracht van onze economie en aan de export: we hebben daar iedereen bij nodig.  

    Conclusie 5: We weten bar weinig over handel

    Misschien wel onze belangrijkste conclusie is dat instituten als de OESO en ambtenaren bij Buitenlandse Zaken wel bekend zijn met de laatste inzichten over onze handelspositie, maar dat dit nog niet doorsijpelt naar de politiek en het grote publiek. En dat we bescheiden moeten zijn over wat we weten over ketens waarin Nederlandse bedrijven leidend zijn en hoe we die posities sterker kunnen maken. Daar is meer onderzoek voor nodig. Maar we trekken dat graag breder. Handel is té belangrijk om aan lobbygroepen en specialisten over te laten. Handel verdient de aandacht en interesse van ons allemaal. (In deze longread zijn de zeven afleveringen verwerkt over Nederland handelsland die we eerder maakten voor RTLZ in onze serie Economie van Overmorgen www.rtlz.nl/economievanovermorgen. Met dank aan de afdeling Graphics van RTLZ voor het maken van de plaatjes).   Hella Hueck is freelance journalist en presentatrice bij o.a. RTLZ en Toekomstmakers. Robert Went is econoom bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 227 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren