Toenmalig SP-leider Agnes Kant verklaarde in 2009 Nuon tot publiek bezit, vanwege de dreigende verkoop van de nutsbedrijven aan buitenlandse energiebedrijven.
© ANP / Koen Verheyden

Vijftien jaar na de liberalisering van de energiemarkt: winnaars en verliezers

    Vijftien jaar geleden werd de energiemarkt geliberaliseerd. Energiebedrijven werden opgesplitst in netbeheerders en energieleveranciers, en die laatsten mochten voortaan met elkaar concurreren. Follow the Money maakt de balans op en identificeert een aantal winnaars en verliezers.

    De afgelopen maanden vielen twee energiebedrijven om: EnergieFlex en Robin Energie. Daarbij raakten tienduizenden Nederlanders hun teveel betaalde voorschotten kwijt. Voormalige klanten mailden hun eindafrekening naar FTM, waaruit blijkt dat zij nog enkele honderden tot soms ruim 2.600 euro tegoed hebben. Zij zullen hiervan geen cent terugzien. De totale schade loopt in de tientallen miljoenen.

     

    Het omvallen van de bedrijven hoort bij de liberalisering van de energiemarkt in 2004. Sindsdien mogen energieleveranciers naar hartelust concurreren en kunnen ze dus ook failliet gaan. Voor de faillissementen van EnergieFlex († 2018) en Robin Energie († 2019) vielen Trianel († 2012), Orro Energie († 2012) en Go Energie († 2008) al om. Follow the Money maakt na 15 jaar de balans op. Wat heeft de liberalisering opgeleverd? Wie zijn de winnaars, wie zijn de verliezers? Wat zijn de risico’s voor de toekomst en wat kan er beter?

    Met ‘de ‘liberalisering van de energiemarkt’ wordt een verandering in de organisatie van deze sector bedoeld. Voor 2004 waren energiebedrijven in Nederland, net als in de meeste Europese landen, in handen van provincies en gemeenten. Energiebedrijven waren nutsbedrijven en beheerden zowel de centrales waar energie werd opgewekt, als de stroomnetten en de leveringssystemen waarmee die energie bij de eindgebruiker werd afgeleverd en afgerekend.

    ‘De nutsbedrijven waren steeds minder goed in staat om slim op de vraag en aanbod van energie te reageren’

    Binnen de Europese Unie ontstond eind jaren ’90 de wens om van de energiesector een vrije markt te maken, waar verschillende aanbieders met elkaar kunnen concurreren. Hoogleraar Regulering van Energiemarkten aan de Rijksuniversiteit Groningen Machiel Mulder legt uit: ‘Een belangrijke voorwaarde daarbij was dat energieopwekkers en de energienetwerken losgekoppeld zouden worden. Anders zou een energiebedrijf dat ook een energienet beheert, de voorkeur kunnen geven aan zijn eigen opgewekte energie. Van een echte vrije markt is dan geen sprake.’

    De traditionele nutsbedrijven waren steeds minder goed in staat om slim op de vraag en aanbod van energie te reageren, zegt hoogleraar Ordening van de Energiemarkten aan de Universiteit van Amsterdam en TNO-onderzoeker Annelies Huygen: ‘Vroeger waren er Elektriciteitsplannen, die werden steeds voor tien jaar opgesteld. De publieke elektriciteitsbedrijven schatten in hoeveel elektriciteit er nodig was en zij bouwden ook de bijbehorende centrales. De overheid keurde deze plannen goed. Vanaf de jaren ’90 mochten grote private partijen, zoals Akzo Nobel en Tata Steel, zelf ook elektriciteit produceren met warmtekrachtcentrales. De productiecapaciteit in Nederland nam daardoor toe. In het publieke systeem waren zodoende minder centrales nodig. De traditionele nutsbedrijven hadden echter grote moeite die ontwikkeling goed in het Elektriciteitsplan in te passen. Ze bleven nieuwe centrales bouwen, terwijl die door de toename van het aantal private centrales eigenlijk niet meer nodig waren. Zo ontstond een overschot aan productiecapaciteit, die later weer afgeschreven moest worden. Heel inefficiënt.’

    Verkoop energiebedrijven

    De energieproducenten en netbeheerders moesten dus worden gesplitst. Geen land in Europa ging daarbij zo ver als Nederland. Mulder: ‘Brussel vond het ook goed als de netbeheerders en stroomproducenten in aparte business units waren ondergebracht, met een Chinese muur ertussen, maar wel met dezelfde aandeelhouder. Het was zelfs prima geweest als de overheid aandeelhouder was gebleven. In verschillende landen is dat ook het geval: de Zweedse energieproducent Vattenfall is nog altijd in publieke handen en het RWE is grotendeels in handen van Duitse gemeenten.’

    Nederland besloot als enige om netbeheer en energieopwekking en -levering in volledig gescheiden bedrijven te gieten. Het netbeheer kwam in handen van publieke bedrijven als Stedin, Liander en TenneT. Het verzorgen van de energie-infrastructuur is dus nog altijd een overheidstaak.

    Het bleek een miskoop: Vattenfall moest alleen al tussen 2009 en 2015 ruim 5,5 miljard euro op Nuon afschrijven

    De zes energieproducenten Nuon, Essent, Eneco, Delta en (de voorlopers van) E.ON en Electrabel werden daarvan losgeknipt. De aandelen van deze energiebedrijven, die nu op een vrije markt met elkaar en met nieuwkomers moesten concurreren, kwamen in handen van de provincies en gemeenten die eerder eigenaar van de nutsbedrijven waren.

    Deze lokale overheden besloten hun aandelen te verkopen. De timing was perfect: half Europa was er toen namelijk van overtuigd dat consumenten elk jaar meer energie zouden afnemen. Zodoende werd er veel te veel voor de energiebedrijven geboden. Nuon, met de provincie Gelderland als grootste aandeelhouder, werd in 2009 voor het astronomische bedrag van 9,5 miljard door het Zweedse staatsbedrijf Vattenfall gekocht. Het bleek een miskoop: Vattenfall moest alleen al tussen 2009 en 2015 ruim 5,5 miljard euro op Nuon afschrijven. Het debacle leidde in Zweden tot een parlementaire enquête.

    Essent, met Noord-Brabant als belangrijkste aandeelhouder, werd in hetzelfde jaar voor 9,3 miljard verkocht aan het RWE, dat voor een belangrijk deel in handen is van een aantal Duitse gemeenten. Ook het RWE moest miljarden op deze investering afschrijven. Hier zijn dus duidelijke winnaars en verliezers te identificeren. Winnaars: Noord-Brabant en Gelderland. Verliezers: Duitsland en Zweden.

    Nutsbedrijven verdienden dubbelop

    Het RWE en Vattenfall hebben teveel betaald voor Essent en Nuon omdat het aankoopbedrag was gebaseerd op de hoge winsten die deze nutsbedrijven boekten. De klanten van de nutsbedrijven betaalden vaak te veel voor hun energie. Voor de provincies en gemeenten was dit een mooie manier om aan extra inkomsten te komen: de hoge energietarieven belandden via de winstuitkering immers in de provincie- of gemeentekas. De miljarden die met de verkoop van Essent en Nuon binnenkwamen, waren dus voor een belangrijk deel te danken aan de hoge energierekening die de klanten van Nuon en Essent jarenlang hadden betaald.

    Het is overigens discutabel of de miljarden die de gemeenten en provincies met de verkoop binnenkregen op een correcte manier zijn uitgegeven. Investico, een platform voor onderzoeksjournalistiek, deed uitgebreid onderzoek naar het democratisch tekort bij het uitgeven van deze gelden. Een SP-Statenlid herinnert zich: ‘Voorafgaand aan vergaderingen vroegen andere partijen of ik hun plannen wilde steunen. Prima, geld zat. Dus voor ik door de draaideur van het Provinciehuis was, had ik alweer een paar miljoen uitgegeven.’

    Tevens is het de vraag of de miljarden die Nuon en Essent opbrachten, eerlijk over Nederland zijn verdeeld. Er zijn provincies en gemeenten waar geen cent terechtkwam.

    Kortom: het is zonneklaar dat de provinciale en gemeentelijke overheden die aandelen in Nuon en Essent hadden, flink hebben geprofiteerd van de veel te hoge verkoopprijs van de energiebedrijven. Het is echter te kort door de bocht om te concluderen dat ook de burgers in die provincies en gemeenten hebben geprofiteerd.

    Lees verder Inklappen

    Inmiddels is de markt voor energiebedrijven veranderd. Eneco, met de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Dordrecht als belangrijkste aandeelhouders, staat al ruim een jaar nadrukkelijk te koop. De verwachte opbrengst ligt tussen de 2 en 3 miljard euro, stukken minder dus dan indertijd voor Nuon en Essent werd betaald. De dividenduitkeringen aan de provincies en gemeenten die Eneco-aandelen bezitten, bedragen momenteel zo’n honderd miljoen per jaar.

    Lagere energieprijzen voor de consument

    Hoewel de verkoop van energiebedrijven een van de duidelijkste gevolgen van de liberalisering van de energiemarkt is geweest, is dit volgens de hoogleraren Mulder ‘nooit het uitgangspunt geweest,’ zegt hij. ‘Het doel van de liberalisering was het stimuleren van innovatie en efficiëntie, het aanwakkeren van concurrentie op de groothandelsmarkt en lagere energieprijzen voor de consument.’

    Of die belofte van lagere prijzen is ingelost, is onduidelijk. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat de prijzen die energiebedrijven voor elektriciteit en gas rekenen, tussen 2009 en 2019 met respectievelijk 31 procent en 20 procent zijn gestegen. In die periode bedroeg de totale Nederlandse inflatie zo’n 16 procent. De prijzen die de energiebedrijven rekenen, zijn dus sneller gestegen dan de gemiddelde inflatie. Maar of de liberalisering die prijsstijging beïnvloedde, valt niet te zeggen. De energiemarkt is een behoorlijk geïntegreerde Europese markt, waar veel factoren een rol spelen. Zo daalden de gemiddelde energieprijzen tussen 2014 en 2017 flink, omdat grote wind- en zonneparken werden aangesloten, die zodra het stevig waait of de zon flink schijnt spotgoedkope elektriciteit leveren.

    Wat betreft de afgelopen anderhalf jaar was de enorme prijsstijging vooral aan drie factoren te wijten: België moest een aantal kerncentrales een onderhoudsbeurt geven, de CO2-prijs stijgt en vanwege onduidelijkheid over Brexit en Trump. Mulder: ‘Of de energieprijzen meer of minder gestegen zouden zijn in een niet-geliberaliseerde markt, valt simpelweg niet te zeggen.’

    Overstappen of blijven?

    Wel is duidelijk dat sinds de liberalisering verschil is ontstaan tussen klanten die nooit van energieleverancier veranderen en mensen die regelmatig overstappen. Voor wie geregeld van energieleverancier verandert, liggen flinke financiële voordelen klaar. Welkomstbonussen van honderd tot tweehonderd euro zijn niet ongebruikelijk, en regelmatig wordt energie tegen bodemprijzen aangeboden. EnergieFlex bood bijvoorbeeld energie ‘tegen groothandelsprijzen’ aan. Uiteraard worden deze ‘voordeeltjes’ betaald door de klanten die blijven.

    Uit onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) blijkt dat bij 73 procent van de overstappers de prijs een belangrijke motivatie was. Service (9 procent), klantvriendelijkheid (6 procent) of het groene stroomaanbod (17 procent) van de nieuwe energieleverancier volgen op gepaste afstand. Wanneer een bedrijf niet hoog op de prijsvergelijkingslijstjes staat, zijn veel minder mensen bereid ernaar over te stappen.

    Overstappen levert de consument gemiddeld 310 euro op

    Vandaar dat energiebedrijven klanten lokken met enorme kortingen of welkomstbonussen. Volgens vergelijkingssite Gaslicht.com levert een overstap de consument gemiddeld zelfs 310 euro op. Het gevolg is wel dat een bedrijf de eerste contractjaren nauwelijks aan de overstappende consument verdient, of zelfs verlies maakt.

    Toch maken de meeste energieleveranciers winst. Zo behaalde Essent in 2017 een positief resultaat van 234 miljoen, in 2016 van 213 miljoen euro. Die winst danken de energiebedrijven aan de klanten die niet overstappen, door insiders sleepers genoemd. Zij krijgen geen actietarief en betalen in feite extra om de overstapbonus van de nieuwkomers te bekostigen. Het aantal sleepers neemt elk jaar iets af, maar nog altijd is de klantentrouw groot: volgens de ACM stapte de helft van de Nederlanders nog nooit over, of langer dan drie jaar geleden. Hen zou je de verliezers van de liberalisering kunnen noemen.

    Marketing en promotie

    Dat gaandeweg meer mensen bereid zijn tot een overstap, heeft alles te maken met de enorme budgetten die sinds de liberalisering aan marketing besteed worden. Zo heeft Essent sinds de overname door het RWE in 2009 ruim 550 miljoen euro uitgegeven aan ‘marketing en sales’. Nuon gaf sinds de overname door Vattenfall, ook in 2009, een vergelijkbaar bedrag aan marketing uit. Dat betekent dat alleen al deze twee bedrijven in 10 jaar tijd ruim een miljard euro aan marketing hebben besteed.

    Alleen al Essent en Nuon hebben in 10 jaar tijd ruim een miljard euro aan marketing besteed

    Dat geld ging onder meer naar voetbalclubs. Energiedirect (onderdeel van Essent) sponsort PSV, Qurrent (onderdeel van Greenchoice, voorheen onderdeel van de Stichting Doen) staat op het shirt van Feyenoord, EnergieFlex sponsorde NEC Nijmegen en NAC Breda, Pure Energie (onderdeel van windpark-exploitant Raedthuys) staat bij FC Twente op het shirt en Essent steunde FC Groningen. De deal met FC Groningen kostte Essent volgens sportmarketingbureau SportNext 1,2 miljoen per jaar; met de PSV-deal zou 6 tot 7 miljoen euro per jaar gemoeid zijn.

    Ook intermediairs kunnen mooie vergoedingen tegemoet zien als ze nieuwe klanten aanleveren. EnergieFlex betaalde de Consumentenbond 50 euro per klant die via het door hen georganiseerde Energiecollectief overstapte. Televisieprogramma Kassa onthulde onlangs dat telemarketeers die mensen tot een overstap verleiden, een vergoeding krijgen van 30 tot 190 euro per klant. De vergelijkingswebsite Energiemarktspecialist.nl vertelde FTM dat ‘commerciële jongens’ die mensen via telefoon of aan de deur benaderen, ‘tot wel tienduizenden euro’s per maand aan overstapvergoedingen’ opstrijken. ‘Ze beloven de klant dat het hier om de beste energiedeal gaat, maar ze "vergeten" erbij te zeggen dat dit vooral goed is voor hun eigen verdienmodel.' (Overigens verdienen prijsvergelijkers zelf ook aan de liberalisering van de energiemarkt.)

    Uiteindelijk worden deze marketingbudgetten natuurlijk verdisconteerd in de energieprijzen. Essent, dat 2,3 miljoen elektriciteits- en 1,9 miljoen gasaansluitingen heeft, besteedde in 2017 volgens het jaarverslag 102 miljoen euro aan marketing. Dat is 24,29 euro per aansluiting, oftewel een kleine 50 euro per huishouden met gas en stroom van Essent. Hoogleraar Mulder: ‘Marketing kan een nuttig instrument zijn om consumenten te informeren over nieuwe aanbiedingen en nieuwe bedrijven. Zonder die informatie zouden minder mensen profiteren van goedkope contracten. Niettemin is het goed mogelijk dat winst die sinds de liberalisering door een efficiëntere bedrijfsvoering is geboekt, nu teniet wordt gedaan door de torenhoge marketingkosten.’

    Rode loper voor nieuwkomers

    Sinds de liberalisering van de energiemarkt is het voor nieuwe toetreders behoorlijk eenvoudig een energiebedrijf te beginnen. Alles wat je nodig hebt, is een leveringsvergunning van de ACM. Dat betekent vooral veel formulieren invullen. Ook de kosten zijn te overzien: de vergunning voor het leveren van gas en elektriciteit aan kleingebruikers kost bijvoorbeeld nog geen 2.500 euro.

    Dit heeft als nadeel dat mensen zonder ervaring en met twijfelachtige bedoelingen zich makkelijk op de markt kunnen begeven. Zo blijkt uit onderzoek van Follow the Money naar de faillissementen van EnergieFlex en Robin Energie dat de eigenaren van deze bedrijven flinke sommen geld uit hun bedrijf haalden. EnergieFlex stak bijvoorbeeld geld in de sportschool die eigenaren Siva Kandiah en Sathees Sampar bezitten. Ook gingen er tonnen naar de persoonlijke bv’s van Kandiah en Sampar. Robin Energie leende 1,5 miljoen euro aan eigenaar Ronald Ruskauff, zonder dat daar aflossingsverplichtingen of garantiestellingen tegenover staan. In al deze gevallen lopen de geldstromen via gelieerde bv’s die officieel buiten het faillissement vallen, al moet nog duidelijk worden hoe de curatoren hierover oordelen. Vooralsnog hebben deze eigenaren dus flink van de liberalisering van de energiemarkt geprofiteerd.

    Lees verder Inklappen

    Stabiliteit

    In de geliberaliseerde energiemarkt wordt inmiddels steeds meer van de consument verwacht. In 2004 kon je bij negen leveranciers kiezen tussen twee verschillende energiecontracten. Vijftien jaar later zijn er bijna zestig leveranciers actief, die samen honderden verschillende contracten aanbieden.

    Het vergelijken van die contracten wordt wel eenvoudiger. Energiemaatschappijen zijn tegenwoordig verplicht voor elk type contract alle aanbiedingen, kortingen en variabele bedragen samen te vatten in een enkel termijnbedrag. Dit maakt de keuze overzichtelijker. Uit het onderzoek van de ACM blijkt dat ruim eenderde van de klanten denkt hier maximaal een uur voor nodig te hebben. Bijna 80 procent van de klanten verwacht minder dan een dag nodig te hebben.

    Er zijn echter zaken waar je als consument en potentiële overstapper maar moeilijk achter komt: denk aan de financiële stabiliteit van een leverancier, of de achtergrond en professionaliteit van de eigenaren van een energiebedrijf. ‘Je kunt van een klant niet verwachten dat hij de jaarrekeningen gaat napluizen,’ zegt hoogleraar Huygens. De gevolgen van een eventueel faillissement zijn evenwel groot: klanten die teveel betaalde voorschotten hebben uitstaan, kunnen dan vrijwel zeker fluiten naar hun geld. Huygens heeft wel een suggestie: 'Je zou kunnen denken aan een soort collectieve verzekering, zoals bij banken ook bestaat. Mocht de bank omvallen, dan is je eerste honderdduizend euro spaartegoed altijd gegarandeerd.’

    Daarnaast zou er aandacht moeten komen voor mensen met schulden. Omdat zij vaak geen kant op kunnen, zijn de marketingkosten per klant relatief laag. Daarom richten veel energieleveranciers zich expliciet op deze goedkope groep klanten. Mulder: ‘Hier ligt een taak voor de ACM. Als energiebedrijven zich expliciet richten op kwetsbare groepen, zoals mensen met schulden, dan moet zo’n bedrijf extra goed in de gaten worden gehouden.’

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ties Joosten

    Gevolgd door 1046 leden

    Journalist. Schrijver. Haven. Klimaat. Feyenoord. Soms wat hiphop. Voorheen hoofdredacteur van Blendle.

    Volg Ties Joosten
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren