© ANP / Lex van Lieshout

Hoe marktwerking onze lokale democratie nieuw leven in kan blazen

  • Vroeger mocht Jan met de Pet helemaal niet stemmen. Kortom: vroeger is een rekbaar begrip. TIjden veranderden en dat zullen ze blijven doen.
  • In een bedrijf staat efficiency voorop, bij de overheid zorgvuldigheid. Is de genoemde regel mbt indirecte kosten dan wel van toepassing?
  • Precies wat de schrijver bedoelt: "De waan van de dag".
  • survivorship bias? Tevens zal IBM meer eigenschappen hebben dan alleen een aparte afdeling.
  • Waarom onderscheid? Waarom niet alles via RWW of alles via wijkbewoners? Waarom niet RWW laten bepalen wat kansrijk is? Komt willekeurig ove
  • Wat moet ik hier mee? Wethouders die zich laten leiden door maatschappelijke conjunctuur op sociale media?
  • Of kijk naar de tekenfilm Dombo beeld en geluid nodig hebt als overtuiging dat olifanten kunnen vliegen.

Veel Nederlanders zijn bang dat hun omgeving verloedert. Omdat ze zich door de gemeente niet serieus genomen voelen, kiezen ze voor populistisch rechts. Wat kunnen gematigde politici doen om dat vertrouwen terug te krijgen? Econoom Hein Vrolijk doet in dit essay een concreet voorstel.

Sinds de uitvinding van de verzorgingsstaat kunnen burgers naar de gemeente stappen wanneer zij het idee hebben dat de buurt verloedert. Tenminste, daar gaan we van uit. Kapotte lantaarnpalen, losliggende stoeptegels, onveilige verkeerssituaties: even een melding maken, en de gemeente komt zo snel mogelijk in actie. Maar gebeurt dat ook echt?

Nou, nee. Of in elk geval een stuk minder makkelijk dan zou moeten. Want in de afgelopen decennia is dat proces op verschillende manieren onnodig ingewikkeld gemaakt.

Hoe krijg je bijvoorbeeld persoonlijk contact met iemand binnen het gemeentelijk apparaat als je niet overweg kunt met de digitale klachtenformulieren? Formulieren die weliswaar ruim voorhanden zijn, maar voor digibeten toch allesbehalve gebruiksvriendelijk? En wat te doen wanneer de nodige verbeteringen achterwege blijven en de gemeente niets meer van zich laat horen? Of als we zien dat in buurten waar welgestelden en hoogopgeleiden wonen de openbare ruimte wél goed verzorgd wordt?

‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’

Dan gaan we mopperen. Niet langer bij de gemeente, maar op de gemeente. En op de (plaatselijke) politiek.

Precies op deze manier ontstaat de onvrede die Chris Aalberts beschrijft in zijn boek over de aanhang van Wilders. ‘Burgers zijn bang dat de wijk zal afglijden. Stemmen op de PVV is hun antwoord.’ Deze opgekropte frustratie kan worden samengevat in de uitspraak: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.’ Het zal niemand verbazen dat volgens een SCP-onderzoek VVD’ers veruit de gelukkigste mensen zeggen te zijn, terwijl PVV’ers helemaal aan de andere kant staan.

Dat de parlementaire democratie in het huidige tijdsgewricht niet meer zo goed werkt, dat is een wagenwijd open deur. Toch weet lang niet iedereen wat er dan precies mis is. Daarom eerst een overzicht van de grootste problemen.

Gigantische doorlooptijd

Zeker op wijk- en dorpsniveau zien we dat de verantwoordelijke ambtenaren meer bezig (moeten) zijn met elkaar dan met hun ‘doelgroep’: ze blijven maar overleggen of mailen over wie verantwoordelijk is voor wat. Tegelijkertijd moeten ze achterhalen welke wet- en regelgeving op provinciaal, landelijk of EU-niveau in het geding is. En hoe de diverse oplossingen passen in de voorkeuren van hun ambtelijke en politieke bazen, die vaak voortdurend meebewegen met de ‘maatschappelijke conjunctuur’ op de sociale media.

"Zodra in een organisatie de indirecte kosten niet meer in verhouding staan tot de directe, dan weet je dat het helemaal verkeerd zit"

Economisch gezien kun je deze voorbereidende activiteiten als indirecte kosten beschouwen, terwijl de directe kosten betrekking hebben op het ‘eindproduct’ — de daadwerkelijke verbeteringen in de wijk. Zodra in een organisatie de indirecte kosten niet meer in verhouding staan tot de directe, dan weet je dat de boel helemaal verkeerd zit. Alsof een kanon wordt gebouwd om een mug dood te schieten.

Het gevolg is een gigantische doorlooptijd. Anders gezegd: de burger die in de wijk iets aankaart moet heel lang wachten tot er eindelijk wordt gehandeld – als zijn klacht of verzoek überhaupt serieus wordt genomen.

Niet alleen de overheid heeft hier last van. Ook commerciële bedrijven laten de indirecte kosten, ook wel overhead genoemd, vaak enorm uit de hand lopen. Maar zij kunnen zich dit niet te lang veroorloven, want dan gaan de klanten gewoon naar de concurrent. Een overheidsorgaan daarentegen, kan eindeloos doorgaan op de verkeerde weg. Het maakt ook niet uit of er een linkse of een rechtse meerderheid in de gemeenteraad zit; dit is een systeemfout, en staat los van politieke voorkeuren. En in tegenstelling tot een klant heeft de burger geen alternatieven, waardoor een corrigerend mechanisme ontbreekt.

Decentralisatie – het overhevelen van taken en bevoegdheden van de rijksoverheid naar gemeenten – maakt de zaak alleen nog maar erger. Niet alleen moet er een nieuwe afdeling worden opgetuigd, ook blijkt al gauw dat er nóg meer overleg nodig is. Want de verticale lijnen – tussen rijksoverheid en gemeenten – blijven gewoon bestaan, en moeten nu dus ook nog worden gecombineerd met nieuwe, horizontale lijnen.

Het is hoog tijd om het roer helemaal om te gooien

Daar komt nog eens bij dat gemeenten steeds groter moeten worden, vanuit de gedachte dat schaalvergroting de efficiëntie verhoogt en de dienstverlening verbetert. Weer zo’n veronderstelling die verkeerd blijkt te zijn.

Het is dus hoog tijd om het roer helemaal om te gooien. Gelukkig zijn er mogelijkheden.

Op wijk- en dorpsniveau zou de parlementaire democratie – waarbij de gemeenteraad de beslissingen neemt en de ambtenaren die uitvoeren – zich moeten terugtrekken ten behoeve van een vorm van wijkdemocratie. De gemeente bepaalt dan de hoogte van het wijkbudget en de elementaire spelregels omtrent de verdeling ervan, maar de rest mag de wijk zelf bepalen.

Nu is natuurlijk de vraag: hoe moet dat worden georganiseerd en uitgevoerd?

Eerst zal ik twee voorbeelden geven van recente initiatieven waarbij een wijkdemocratie al wordt geprobeerd, in Nieuw-Dordrecht en in Groningen. Op basis van deze twee experimenten, en de fouten die hierbij gemaakt worden, presenteer ik mijn eigen voorstel.

In Nieuw-Dordrecht doen ze het zelf

Even terug naar november 2013. Enkele bewoners van Nieuw-Dordrecht, een dorp binnen de gemeente Emmen van ongeveer tweeduizend inwoners, richten een dorpscoöperatie op. Hun uitgangspunt is simpel: wat de gemeente doet, kunnen wij zelf veel beter en goedkoper.

‘Dergelijke efficiency kan een gemeente nooit bereiken’

Voormalig coöperatiebestuurder Wim Hassink geeft inVrij Nederland een voorbeeld: ‘De snelheid van het verkeer is hier in het dorp een groot probleem. Je kunt wel van die blauwe palen met handjes kopen, maar die kosten drieduizend euro per stuk. Met de verkeersgroep maken we die nu zelf voor vijfhonderd euro. Of we kopen ze tweedehands. Dergelijke efficiency kan een gemeente nooit bereiken.’

Daarnaast is het voor een dorpscoöperatie veel makkelijker om de ingewikkelde aanbestedingsregels te omzeilen. Zo is de omlegging van een fietspad door vrijwilligers uitgevoerd voor een kwart van de normale prijs.

Op 5 oktober 2017 is de eerste stemronde over de zogeheten burgerbegroting van 18.000 euro. Dat is het bedrag dat de gemeente jaarlijks besteedt aan het onderhoud van groenvoorzieningen, de begraafplaats en het sportpark – iets dat nu door vrijwilligers wordt uitgevoerd. De dorpelingen kunnen het beschikbare bedrag verdelen over vijf ingediende projecten, variërend van het herstel van een gedenkmonument (500 euro) tot het opknappen van De Koepel (25.000 euro), zodat deze verwaarloosde accommodatie midden in het dorp voor allerlei festiviteiten kan worden gebruikt.

Dat klinkt als een succesvol project. Toch zijn er in de uitvoering een aantal moeilijkheden.

Het grootste probleem lijkt de houding van betrokken ambtenaren te zijn. Zo heeft het ruim twee jaar geduurd om de beschikbare burgerbegroting uit te rekenen. En de toezegging dat het dorp op een groot aantal terreinen ‘regelluw’ zou worden, betekende in de praktijk dat ambtenaren van geval tot geval bekeken wat wel en niet onder regelluw valt.

"Een coöperatie waarbij de dorpelingen zichzelf opwerpen als bestuurders, levert complicaties op"

En het aantal gemeenteambtenaren is niet gedaald, terwijl dat toch heel wat meer zou besparen dan die luttele 18.000 euro. Zoals gezegd: omdat de indirecte kosten meestal veel hoger zijn dan de directe.

Omdat het budget zo klein is, komt er een probleem bij, namelijk dat de projecten hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend op vrijwilligers draaien. Dat geeft moeilijkheden als straks het enthousiasme van het eerste uur is weggeëbd. Of als de inwoners minder vrije tijd hebben. Zo werkt het grootste deel van de plaatselijke beroepsbevolking in de bouw, een branche die na enkele jaren van slapte weer op volle toeren draait.

Het derde probleem is de rol van de dorpelingen die de drijvende kracht achter dit experiment vormen. Het eerste bestuur van de dorpscoöperatie moest in 2016 aftreden omdat de plaatselijke bevolking te weinig inzage kreeg. Wie kan garanderen dat dit niet nog een keer zal gebeuren? Een coöperatie waarbij de dorpelingen zichzelf opwerpen als bestuurders, levert dus complicaties op.

In Groningen doen ze het halfslachtig

Het tweede initiatief, in de Groningse Oosterparkbuurt, lijkt op het eerste gezicht meer perspectief te bieden. De Coöperatieve Wijkraad (CWR), die 1 januari jongstleden van start ging, kan ‘vrij beslissen’ over het beschikbare budget – maar liefst twee ton per jaar, vertelt Frank Brander mij aan de telefoon. Brander is vanuit de gemeente als aanjager bij dit experiment betrokken.

De geringe interesse is niet vreemd: de CWR-leden ontvangen slechts 125 euro vergoeding per maand

En daarnaast, zo lezen we in de spelregels, ‘kan de CWR invloed uitoefenen op de besteding van het gemeentebudget dat betrekking heeft op de Oosterparkwijk’.

 Bovendien wordt in dit experiment het lotingssysteem gehanteerd. Maar omdat van de vijftig bewoners die zijn ingeloot slechts negen hebben toegezegd, is er een extra lotingsronde nodig om de twee nog resterende ‘vacatures’ op te vullen. De belangrijkste reden voor afzegging is dat de meeste mensen het volgens Brander veel te druk hebben voor dit soort tijdrovende activiteiten. Gevolg is dat mensen met een uitkering, en dus met relatief veel vrije tijd, nu zijn oververtegenwoordigd in de CWR. Op deze manier is het belangrijkste voordeel van het lotingssysteem – dat álle lagen van de wijkbevolking zijn vertegenwoordigd – volledig verdwenen.

De geringe interesse uit andere lagen van de bevolking is niet vreemd. De CWR-leden ontvangen slechts 125 euro vrijwilligersvergoeding per maand. Volgens Brander is dit het maximale bedrag om te voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde er netto op achteruit gaat. Voor een werkende wijkbewoner is zo’n ‘fooi’ natuurlijk te weinig om aan zo’n tijdrovende onderneming deel te nemen.

Naast elf wijkbewoners telt de CWR zes leden van de gemeenteraad. Maar hoewel de raadsleden een minderheid vormen, hebben ze een grote voorsprong bij de uitvoering. Zodra de CWR een besluit heeft genomen, moet namelijk worden uitgezocht wie de klus het best of het goedkoopst kan klaren, welke ambtenaren hierbij betrokken worden, enzovoort.

Dit pilotproject zal zijn gestart met goede bedoelingen, maar het werd een ratjetoe

Hierbij kunnen de ingelote wijkbewoners niet anders dan zich grotendeels laten leiden door de raadsleden, die immers veel betere ingangen hebben in het gemeentelijk apparaat. Precies om die reden, de onvermijdelijke rol van ambtenaren en partijpolitieke belangen, ben ik ook sceptisch over de belofte dat de wijkraad ‘vrij’ kan beslissen over het beschikbare budget.

De belangrijkste doelstelling van het Groningse experiment zou iets moeten zijn als ‘meer zelfredzaamheid voor de wijkbewoners’. Maar wat lezen we in de spelregels? ‘Een grotere legitimiteit van besluitvorming; meer eigenaarschap in de wijk, van zowel de problemen als de oplossingen; meer betrokkenheid in de wijk en toename van diversiteit van betrokkenen; toename van efficiëntie en kwaliteit van diensten.’

 Kortom: een ratjetoe aan doelstellingen waar de beleidsmaker alle kanten mee op kan, en waar de gemiddelde wijkbewoner niets aan heeft.

 Natuurlijk, dit pilotproject zal zijn gestart met goede bedoelingen. Maar als je dan ziet dat bij het eerste besluit de CWR niet verder komt dan het opruimen van zwerfvuil en hondenpoep, kun je je afvragen of die goede bedoelingen niet zijn verworden tot gewoon weer een nieuwe verhulling van een oude systeemfout: een kanon om op een mug te schieten.

Een markt voor gemeenschapsprojecten

Mijn voorstel voor lokale democratie gaat een stuk verder dan deze twee initiatieven. In het kort: creëer een markt voor wijk- en dorpsactiviteiten, hierna aangeduid als gemeenschapsprojecten.

"‘Het voortouw nemen’ kan heel gauw omslaan in ‘de lakens uitdelen’"

Het algemene principe is dat iedere bewoner met voorstellen kan komen om de wijk fraaier, veiliger, en schoner te maken – grotendeels vergelijkbaar met de aanpak in Nieuw-Dordrecht. Daarnaast kan iedereen – ook mensen en organisaties buiten de wijk – een bijdrage leveren aan de realisering van de goedgekeurde voorstellen. Welke voorstellen worden goedgekeurd en door wie ze worden uitgevoerd, ligt volledig bij de Raad voor Wijze Wijkers (RWW) of Dorpelingen (RWD); de gemeente stelt alleen het wijkbudget en de spelregels vast.

De RWW bestaat louter uit wijkbewoners, dus geen ambtenaren of raads- en andere partijleden. Het lot bepaalt welke wijkbewoners zitting mogen nemen in de RWW, voor twee of drie jaar. Het lotingssysteem garandeert per definitie dat alle lagen van de wijkbevolking betrokken zijn bij de besluitvorming. Zo ontstaat een gezamenlijk gevoel – ‘dit is van ons en dit hebben wij bereikt’, eerder dan wanneer een paar buurtbewoners het voortouw nemen. Want ‘het voortouw nemen’ kan heel gauw omslaan in ‘de lakens uitdelen’, zoals je in Nieuw-Dordrecht en in veel wijkcomités kunt waarnemen.

Om te voorkomen dat alleen mensen met een uitkering in de raad belanden, krijgen de leden van de RWW geen fooi, zoals in Groningen, maar een redelijke beloning, uitgaande van het minimum-uurloon. De leden van de RWW – die op persoonlijke titel optreden en dus formeel geen achterban hebben – beslissen over (ik doe maar een voorstel) de helft van het wijkbudget, zodat de geselecteerde projecten snel kunnen starten. Over de andere ingediende projecten vindt een stemming plaats waaraan uitsluitend wijkbewoners mogen meedoen die minimaal twee jaar in de wijk wonen. (Voor een uitgebreidere beschrijving, zie dit artikel op FTM, waar ik het voorstel presenteer als complementair aan het garantie-inkomen, mijn alternatief voor het basisinkomen.)

Wat heeft het verfoeide marktdenken met wijkdemocratie te maken?

Ongetwijfeld roept mijn voorstel allerlei vragen op. Hoe verhoudt dit zich tot de bestaande wet- en regelgeving? Is het geen probleem dat door loting de RWW straks voor de helft bestaat uit laaggeschoolden? En waarom ineens over een markt beginnen? Wat heeft het verfoeide marktdenken met wijkdemocratie te maken?

Ik zal deze vragen achtereenvolgens behandelen.

Leren van de Chinezen, en van IBM

Zoals ze in Nieuw-Dordrecht aan den lijve hebben ondervonden, krijgt een wijkraad altijd te maken met allerlei regels, procedures en wetten die ooit parlementair-democratisch tot stand zijn gekomen. Dat betekent dat de wijkraad afhankelijk is van ambtenaren die voortdurend roet in het eten kunnen gooien bij de selectie en uitvoering van gemeenschapsprojecten, door zich te beroepen op de bestaande wet- en regelgeving.

Mijn oplossing voor dit probleem ontleen ik aan een van de pijlers van het economisch succes van de Volksrepubliek China. De leiders van dit land zaten in de jaren 80 met de volgende vraag: hoe kunnen we westerse kapitalistische bedrijven aantrekken – die we zo hard nodig hebben vanwege hun kapitaal, technologische kennis en toegang tot de Europese en Amerikaanse afzetmarkten – zonder onze socialistische planeconomie op te geven?

De Chinese overheid heeft dit dilemma opgelost door economische zones in te stellen. De westerse bedrijven die zich daar moesten vestigen, hoefden zich niet te houden aan de wet- en regelgeving die in de rest van China gold. En daarbij ging het niet alleen om de speciale belastingtarieven voor buitenlandse bedrijven, zoals men vaak denkt. Het principe van de economische zones is zó succesvol gebleken dat veel Aziatische en Afrikaanse landen deze bestuurskundige innovatie sinds die tijd hebben overgenomen.

Ook IBM, een van de grootste tech-bedrijven ter wereld, heeft dit principe toegepast. Om te kunnen overleven in de technologische revoluties die de afgelopen decennia in de computerindustrie hebben plaatsgevonden, heeft IBM op tijd een aparte afdeling opgericht, met als enige taak om te bedenken hoe de nieuwe concurrentie verslagen kon worden. Deze afdeling werd ver weg van het hoofdkantoor gevestigd, en hoefde zich niet te houden aan de procedures en spelregels die voor de rest van IBM golden. Vrijwel alle bedrijven die mainframes maakten – de verre voorlopers van pc’s – zijn inmiddels verdwenen, behalve IBM.

We maken onvoldoende gebruik van ‘tacit knowledge’

De RWW moet eveneens buiten de bestaande wet- en regelgeving kunnen opereren, en zonder bemoeienis van gemeentelijke politici en ambtenaren – maar natuurlijk wel met doelstellingen en spelregels die door de gemeenteraad worden vastgesteld.

Diplomacratie terugdringen

Dan het tweede bezwaar. Om wijze beslissingen over de wijk te kunnen nemen, daarvoor heb je toch een bepaalde basisopleiding nodig? Is het dan geen probleem dat bij loting de RWW voor bijna de helft bestaat uit laaggeschoolden? Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we eerst twee concepten introduceren: diplomocratie en tacit knowledge, ook wel aangeduid als ‘persoonlijke kennis’.

Diplomacratie verwijst naar de nieuwe scheidslijn in de samenleving – die van opleidingsniveau – en is de titel van het boek dat bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille in 2010 publiceerden. In hun ogen hebben we de opkomst van populistische partijen als de PVV grotendeels te danken aan de toenemende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden. De laagopgeleiden zijn naar rechts opgeschoven omdat hun zorgen en problemen door de overwegend linkse hoogopgeleiden zijn genegeerd.

Dat brengt ons bij het tweede concept. Want door het steeds grotere belang dat wordt gehecht aan diploma’s, maken we onvoldoende gebruik van tacit knowledge. Dit concept, ontwikkeld door Michael Polanyi, kunnen we kortweg samenvatten met de uitspraak: je weet meer dan je (aan anderen) kunt vertellen.

"Je hebt geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de buurt"

Neem zoiets als fietsen. Om te kunnen fietsen heb je specifieke kennis nodig, maar probeer die kennis maar eens te verwoorden. Aan iemand die nog nooit heeft gefietst kun je onmogelijk uitleggen wat hij moet doen om zich overeind te houden op twee smalle bandjes. Het is een kwestie van kijken, van proberen met vallen en opstaan.

Dat je geen uitgebreide scholing nodig hebt om goed te kunnen functioneren – dus dat laaggeschoolden vaak even ‘deskundig’ zijn als middelbaar of hoger opgeleiden – is van toepassing op veel activiteiten in het sociale domein. Denk aan het opvoeden van kinderen.

 En het geldt dus ook voor de selectie van gemeenschapsprojecten op wijkniveau. Je hebt immers geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de buurt.

 Dat neemt natuurlijk niet weg dat de RWW soms experts moet inschakelen om de mogelijke consequenties van bepaalde beslissingen te kunnen overzien, zoals de jury in het Amerikaanse rechtssysteem eveneens deskundigen kan raadplegen. Ook daar is de selectie van juryleden op loting gebaseerd, zodat er sprake is van een combinatie van laag- en hoogopgeleiden. Volgens Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Tilburg, zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat juryrechtspraak op het gebied van gerechtelijke dwalingen en strafmaat tot andere uitkomsten leidt dan de Nederlandse rechtspraak. Mensen die beeld en geluid nodig hebben om zich te laten overtuigen, verwijs ik naar de film 12 Angry Men, met een mooie hoofdrol voor Henry Fonda.

De twee gezichten van de markt

De derde vraag – wat heeft het verfoeide marktdenken met wijkdemocratie te maken? – roept ongetwijfeld de meeste emoties op, en ook de meeste misverstanden. Ik moet altijd grinniken als notoire tegenstanders van het marktdenken enthousiast vertellen over een of andere markt waar ze hun boodschappen doen. Ze hebben blijkbaar niet door dat de markt twee gezichten heeft.

Het Duitse energiebeleid is een mooi voorbeeld van een georganiseerde markt

Aan de ene kant is er de zogeheten ‘vrije markt’, die binnen de kortste keren ontaardt in cut throat competition of juist in onderlinge prijs- en andere afspraken. En deze markt zie je terug in de vorming van mega-concerns die door fusies en overnames groot genoeg zijn geworden om de regels van het spel naar hun hand te zetten. Met als uitkomst dat de kleintjes het onderspit delven, waarvan de consument de dupe wordt.

 Kijk naar een willekeurige maffiafilm en zie daar het meest extreme voorbeeld van een vrije markt: de handel in illegale goederen, zoals in alcohol ten tijde van de drooglegging in de VS. En heden ten dage de markt voor hard- en softdrugs.

Maar aan de andere kant is er de ‘georganiseerde markt’. Daar valt veel positiever over te oordelen – althans, wanneer zij is gebaseerd op simpele regels en principes die voor alle marktpartijen begrijpelijk zijn en door iedereen als redelijk en rechtvaardig worden beschouwd. Een mooi voorbeeld is het Duitse energiebeleid.

De superioriteit van het marktmechanisme om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, staat kernachtig beschreven in het korte artikeltje dat Friedrich Hayek in 1945 publiceerde.

Hayek? Dat is toch de man die met zijn boek The Road to Serfdom de inspiratiebron was voor de neoliberale politiek van Thatcher en Reagan? Klopt, maar ook hier is het onverstandig om het kind met het badwater weg te gooien, zoals Ewald Engelen keurig uitlegt inDe Groene Amsterdammer.

Een ander nadeel van de aanbestedingsprocedure: er wordt vooral op prijs geconcurreerd

Bij een markt zijn er aan de ene kant mensen en organisaties met specifieke behoeften (de vraagzijde) en aan de andere kant mensen en organisaties die aan hun wensen willen en kunnen voldoen (de aanbodzijde). Het marktmechanisme moet ervoor zorgen dat vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd, wat meestal geleidelijk en door trial and error geschiedt.

Dit aanpassingsproces krijgt in mijn voorstel gestalte doordat de RWW een platform creëert (niet alleen via internet) waarop vragers en aanbieders hun voorlopige ideeën kenbaar kunnen maken. Zodat anderen de mogelijkheid hebben om daarop te reageren en vruchtbare ideeën kunnen uitgroeien tot levensvatbare gemeenschapsprojecten, waaruit de RWW vervolgens een selectie maakt.

Aanbesteding is geen oplossing

Een dergelijk marktmechanisme – grotendeels volgens de benadering van Hayek – is duidelijk op een heel andere leest geschoeid dan de bureaucratische, ingewikkelde en weinig transparante aanbestedingsprocedures die neoliberale economen en politici hebben verzonnen om marktwerking te stimuleren in het (semi-)publieke domein. Want dit marktinstrument bevriest juist het zoek- en aanpassingsproces dat volgens Hayek het marktmechanisme zo superieur maakt. Wederom een gevalletje kanon-mug.

In mijn voorstel zijn het een paar simpele spelregels die voor voldoende concurrentie zorgen: iedereen kan een gemeenschapsproject indienen, en iedere buurtbewoner kan kennis nemen van deze projecten en daarover een stem uitbrengen.

Een ander nadeel van de aanbestedingsprocedure, zeker in tijden van bezuinigingen, is dat vooral op prijs wordt geconcurreerd, waardoor slechte projecten met een lage prijs het winnen van goede projecten die wat duurder zijn. In mijn voorstel wordt prijsconcurrentie daarom bewust uitgeschakeld, door slechts één prijsniveau te hanteren: iedereen die meedoet aan de uitvoering van een gemeenschapsproject, of zitting heeft in de RWW, krijgt het minimum-uurloon.

"Vroeger stemde Jan met de Pet meestal links; tegenwoordig is dat overwegend rechts"

Op deze manier zal de RWW de ingediende voorstellen louter op inhoudelijke gronden beoordelen, en niet op prijsverschillen. Het minimumloon is gekozen omdat het een prikkel vormt voor mensen met een lager inkomen, zodat bijvoorbeeld mensen met een bijstandsuitkering er financieel op vooruitgaan, wanneer zij (full- of parttime) een bijdrage leveren aan de uitvoering van een gemeenschapsproject. Voor mensen die méér verdienen dan het minimumloon is het een middel om hun intrinsieke motivatie te tonen: ‘Ik doe niet mee om mijn eigen beurs te spekken maar omdat ik het project zo leuk en waardevol vind.’

Waarom een minimum-uurloon? Omdat we moeten aanmoedigen dat zo veel mogelijk mensen een bijdrage leveren, en dat kan voor velen alleen als ze het kunnen combineren met hun eigen baan (waar ze vaak aanzienlijk meer verdienen). Zelfs een miljonair kan zich beschikbaar stellen, maar hij krijgt niet meer dan het minimum-uurtarief.

Minder, minder, minder

Vroeger stemde Jan met de Pet meestal links, tenzij hij zich bij een katholieke of protestantse zuil meer thuis voelde. In het huidige tijdsgewricht stemmen de laagopgeleiden overwegend rechts. Zoals vroeger de meeste arbeiders weinig vertrouwen hadden in de praatjes van de rechtse bovenklasse, zo hechten de mensen die nu aan de onderkant leven weinig waarde aan de plannen die de – meestal (gematigd) linkse – hogeropgeleiden voor hen hebben verzonnen.

Dit gebrek aan vertrouwen – misschien onterecht vanuit de plannenmakers bezien maar meestal terecht als je het perspectief van hun ‘doelgroep’ hanteert – geldt ook voor de rechtspraak. Het SCP meldde eind vorig jaar dat 66 procent van de hoogopgeleiden (zeer) veel vertrouwen in de rechtspraak heeft, tegenover 39 procent van de middelbaar opgeleiden en slechts 28 procent van de laagopgeleiden. Vermoedelijk is dit laatste percentage nog te optimistisch, want lageropgeleiden doen niet graag mee aan enquêtes.

Voor oplossingen moet links maar eens te rade gaan bij de particuliere sector

Is het nog overdreven om te spreken van een noodtoestand met code supperrood?

Voor oplossingen moet links maar eens te rade gaan bij de particuliere sector. Vroeger was het hoofdkantoor van de grotere ondernemingen meestal een waterhoofd omdat de bedrijfsleiding de diverse bedrijfsonderdelen van bovenaf wilde sturen en controleren. De laatste decennia kiezen steeds meer bedrijven voor een klein hoofdkantoor door zo veel mogelijk activiteiten over te laten aan zelfsturende teams of regionale kantoren. Anders gezegd: door de ‘persoonlijke kennis’ op decentraal niveau voorrang te geven boven ‘academische kennis’ op centraal niveau.

Buurtzorg NL en de Zweedse Handelsbanken (inmiddels ook in Nederland actief) worden vaak als mooie voorbeelden genoemd – mede omdat ze goed gedocumenteerd zijn – maar er zijn vele andere bedrijven die deze weg zijn ingeslagen; google maar op Lean, Reinventing Organizations en Organizing Locally.

Zoals wel vaker het geval is, zijn (semi-)overheidsbedrijven heel wat trager in de erkenning dat ze in een doodlopende straat zijn beland. Zo is vanaf 1995 in het beroepsonderwijs het aantal docenten (die zorgen voor directe kosten, zoals ik eerder heb genoemd) ongeveer gelijk gebleven, terwijl het management en ondersteunend personeel (indirecte kosten) binnen tien jaar tijd bijna is verdubbeld. Aangezien in de tweede groep het gemiddelde salaris relatief hoog is, zijn de verschillen in euro’s nog veel groter.

Volgens interne bronnen nemen de overhead-kosten bij de Hanze Hogeschool bijna de helft van het totale budget in beslag. Ik vermoed dat we de sterke toename van de werkstress in het (hoger) onderwijs aan deze variant van het kanon-mug-probleem te danken hebben. Want de docenten worden naast hun eigenlijke werk ook nog eens belast met allerlei extra taken die hen door staffunctionarissen en managers worden opgelegd.

Een noodtoestand vraagt om radicale oplossingen

Dit soort onzinnige toestanden zien we ook in de zorg, en een vergelijkbaar proces vind je bij gemeenten en andere overheden. Veel te veel ambtenaren die vooral elkaar bezig moeten houden. En een extra probleem: politici willen zich voortdurend profileren en roepen van alles waar dan weer extra ambtenaren voor nodig zijn om die oprispingen handen en voeten te geven – of juist een stille dood te laten sterven. Heeft de gemiddelde wijkbewoner hier iets aan? Nee, die ziet de elementaire voorzieningen verslechteren, de gemeentelijke lasten toenemen, en zijn stem verloren gaan in het verbale en digitale geweld van de overheid. Oud-politicus Jacques Wallage stelt het in zijn kersverse boek als volgt: ‘De politiek heeft de democratie gejat.’

Een noodtoestand vraagt om radicale oplossingen, dat kunnen we leren van de nationaal-populistische partijen. Nóg meer politici, ambtenaren en sociale wetenschappers erbij betrekken werkt averechts, vooral voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. We moeten juist vrijplaatsen creëren waar ze niet te veel worden lastiggevallen door allerlei regeltjes, en dus ook niet door ambtenaren die deze moeten interpreteren, uitleggen en controleren. De gemeente moet zich vooral richten op het faciliteren van uiteenlopende experimenten met de wijkdemocratie. Want alleen door trial and error kunnen we achterhalen wat werkt.

Net als ouders bij hun kinderen, moet de overheid zichzelf zo veel mogelijk overbodig maken, en zich beperken tot het ontwerpen van simpele en rechtvaardige spelregels. Dat is de beste manier om te voorkomen dat bij de volgende verkiezingen nóg meer mensen gewoon thuis blijven, of met hun middelvinger gaan stemmen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Hein Vrolijk

Zelfstandig onderzoeker en docent met een haat-liefde verhouding met de economische wetenschap.

Lees meer

Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

Volg Hein Vrolijk
Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren