Pasgeboren kalfje https://www.flickr.com/photos/40803964@N08/4496751983/
© Sander van der Wel (CC BY-SA 2.0)

Het restafval van de zuivelindustrie: drie kalfjes per minuut

In de Nederlandse zuivelindustrie worden honderdduizenden kalfjes geboren waar eigenlijk geen markt voor is. Ze zijn het afval van de melkproductie. Follow the Money volgt het leven van zo'n stierkalfje en beschrijft welke geldstromen zijn leven bepalen.

Frederique vraagt door

Luister naar de podcast bij dit artikel

Frederique de Jong in gesprek met Ties Joosten

Nederland is dol op zuivel. Per persoon consumeren we ruim 320 kilo melk per jaar, waarmee we wereldwijd in de top 3 staan. Daarnaast exporteren we jaarlijks voor miljarden aan zuivelproducten.

De koe hoort bij het Nederlandse landschap, vinden we. Er bestaat een stichting Weidegang, die zich ten doel stelt om koeien in de wei te krijgen. Er bestaan subsidieregelingen voor koeien die buiten komen. En ieder voorjaar trekken stedelingen naar het platteland om te kijken naar huppelende koeien die de weide weer in mogen. Landbouwminister Carola Schouten mag de deuren openen, Hart van Nederland is erbij.

Nu hebben melkveehouders een klein nadeel. Het lukt namelijk maar niet om koeien melk te laten geven zonder dat ze eerst zwanger zijn geweest en een kalf hebben gebaard. Het is niet anders, zo werkt de natuur.

Kalfjes behandelen we als afval. Letterlijk. Ze zijn een restproduct van de zuivelindustrie

En dus worden de koeien telkens opnieuw bezwangerd. Meestal krijgt een Nederlandse melkkoe in haar tweede levensjaar haar eerste kalf. Daarna wordt ze grofweg elk jaar opnieuw bezwangerd, voordat ze (als ze 6 of 7 is) wordt geslacht. Tijdens haar leven zet een Nederlandse koe drie tot vier kinderen ter wereld. In totaal worden in Nederland ruim 1,5 miljoen kalveren geboren.

Hoe trots we op onze koeien zijn, is niet af te zien aan de manier waarop we met hun kinderen omgaan. Kalfjes behandelen we als afval. Letterlijk. Ze zijn een restproduct van de zuivelindustrie, waaruit alleen door een rigoureuze focus op kostenefficiëntie en de beschikbaarheid van een enorme bak subsidie nog een klein beetje financiële waarde te peuren valt.

In dit verhaal volgen we zo’n kalfje – hoera: het is een jongetje! – en brengen in kaart welke geldstromen zijn leven bepalen.

Mama

Hoewel Nederlandse bedrijven en consumenten dol zijn op koeienmelk, hebben ze er steeds minder geld voor over. In december 1995 kreeg een boer voor een liter melk omgerekend 36 eurocent. In december 2019, bijna een kwart eeuw later, was dat nog steeds 36 eurocent. Let wel: de inflatie tussen 1995 en 2019 was volgens het CBS ruim 58 procent. De reële waarde van de melk die een melkkoe produceert. is sinds 1995 dus meer dan gehalveerd. Tegen een dergelijke waardedaling zijn veel boeren niet opgewassen: sinds 1995 is het aantal melkveebedrijven in Nederland ruimschoots gehalveerd.

Als de Nederlandse melkveehouderij in een vrije markt zou opereren, was er waarschijnlijk geen melkboer meer overgebleven. Maar dit is geen vrije markt. Enorme subsidiestromen voorkomen dat de melkveehouderij verder ineen stort. Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer uit 2019 blijkt dat liefst 35 procent van het gemiddelde inkomen van een melkveehouder bestaat uit subsidie, waarvan de Europese basisbetalingsregeling de belangrijkste is. Uit deze notitie van de universiteit van Wageningen blijkt dat Nederlandse melkveebedrijven jaarlijks 400 tot 500 miljoen aan Europese subsidies kregen. Daar komen nog nationale en regionale subsidies bij. Ondanks deze subsidieregen zit nog altijd een derde van de melkveehouders onder het Nederlandse modaalinkomen van 33.000 euro per jaar.

Als de kosten niet uit een stijgende melkprijs betaald kunnen worden, moet de hoeveelheid verkochte melk maar omhoog

Ondertussen stijgt de totale hoeveelheid melk die een koe tijdens haar leven produceert enorm. Gaf een gemiddelde koe in 1995 nog 23.950 liter melk, in 2019 was dat 31.553 liter – een stijging van bijna 32 procent. Ook mama koe wordt dus steeds verder uitgemolken.

Ons kalfje is dus in de eerste plaats geboren omdat de boer steeds meer melk op de markt moet brengen. Het diertje is de logische uitkomst van een grote subsidiestroom: zonder de inkomensondersteuning aan melkveehouders was een veel groter deel van hen al lang failliet gegaan. Er was dan simpelweg geen moederkoe geweest om te bezwangeren.

Papa

Hoewel een melkkoe elk jaar opnieuw bezwangerd moet worden, zal ze nooit een volwassen stier zien. In Nederland wordt een koe al decennia zelden op natuurlijke wijze gedekt. In plaats daarvan koopt de melkveehouder ‘rietjes’ met in vloeibaar stikstof ingevroren stierenzaad, dat hij zelf bij een tochtige koe insemineert.

Zo’n rietje kost tussen de 15 en 60 euro. Vermenigvuldig dat met de ruim 1,5 miljoen kalveren die jaarlijks in Nederland geboren worden (waarbij niet elke inseminatie tot een zwangerschap leidt), en het is duidelijk dat de handel in stierenzaad een miljoenenindustrie is. Na de Verenigde Staten en Canada is Nederland ’s werelds grootste sperma-exporteur.

Stierenzaad: inteelt en fokwaarde

Het grootste bedrijf in de stierenspermasector is de Coöperatie Rundveeverbetering (CRV), die in het gebroken boekjaar 2018-2019 een jaaromzet behaalde van 171 miljoen euro (winst: 5 miljoen). Met haar concurrenten in de sector gaat CRV al jaren rollebollend over straat. CRV beheert namelijk ook het belangrijkste stamboek waarin de kwaliteiten van vrijwel alle Nederlandse koeien wordt bijgehouden. Op basis daarvan worden de kwaliteiten van Nederlandse fokstieren berekend. Concurrenten beweren dat CRV met deze fokwaarden sjoemelt, om zijn eigen stieren beter te laten scoren. CRV is hier echter nooit voor veroordeeld.

Ook zijn er klachten dat CRV haar klanten toestaat hun koeien telkens met het sperma van een select groepje topstieren te bezwangeren. Dat leidt tot inteelt. Bij het belangrijkste Nederlandse melkveeras, de Holstein-Friesian, ligt de inteelt al jaren tussen de 4 en 5 procent. In 2011 zette het toenmalige Productschap Vee, Vlees en Eieren (PVV) volgens Het Financieele Dagblad kanttekeningen bij CRV’s werkwijze: ‘Fokkerij-organisaties moeten streven naar een zo laag mogelijk inteeltpercentage: liefst minder dan 1 procent.’

Lees verder Inklappen

Een van de nieuwste technieken in de stierenzaadbranche is het seksen van sperma, oftewel zaadcellen op geslacht selecteren. Dit gebeurt met bisbenzimide (ook wel Hoechst 33342 genoemd), een synthetische kleurstof die zich goed aan dna hecht. Als je daar vervolgens een ultraviolette laser op richt, straalt de kleurstof blauw licht uit. Omdat X-chromosomen in een dna-streng wat groter zijn dan Y-chromosomen, straalt sperma waaruit meisjes geboren worden (X) meer blauw licht uit dan sperma waaruit jongetjes geboren worden (Y). Op deze manier kun je voor de conceptie bepalen wat het geslacht van een kalfje wordt.

Een nadeel van het seksen van sperma is dat veel zaadcellen verloren gaan, zo blijkt uit onderzoek. Het gekleurde zaad moet namelijk in hoog tempo onder een computergestuurde microscoop geleid worden, waar de hoeveelheid blauw licht gemeten wordt. Dit gebeurt onder hoge druk, waardoor de zaadcellen schade oplopen. Ze zijn nadien gemiddeld genomen minder bewegelijk, er treden chromosomale afwijkingen op en het celmembraam beschadigt. Bovendien houd je minder zaadcellen over. Hierdoor is de kans op bevruchting kleiner dan bij ongesekst sperma.

Een ander nadeel: de bisbenzimide, de ultraviolette laser en de computergestuurde microscoop kosten geld. Gesekst zaad is dus duurder dan ongesekst zaad. Het voordeel is wel dat je met een redelijke mate van zekerheid kunt bepalen wat het geslacht van het kalfje wordt.

Melkveeboeren maken deze kosten-baten-afweging meerdere keren per jaar. Bij elke inseminatie moeten ze beslissen of ze kiezen voor duurder, gesekst stierenzaad, of voor goedkoper, ongesekst zaad. Een rietje ongesekst sperma van zwartbontstier Tabasco kost bij Tellus Tigra bijvoorbeeld 29 euro. Het gesekste Tabasco-zaad kost echter 49 euro – waarbij de kans op bevruchting bovendien kleiner is.

Ons stierkalfje komt pas ter wereld nadat de boer een uitgebreide rekensom heeft gemaakt

Een boer vervangt jaarlijks maximaal zo’n 30 procent van zijn kudde. Omdat zijn koeien constant melk moeten blijven geven, insemineert de boer ze elk jaar opnieuw en worden er veel meer kalfjes geboren dan hij nodig heeft voor dat vervangingspercentage. Ook voor een deel van vaarsjes (de meisjeskalfjes) heeft hij dus niet altijd plek. Het heeft dan weinig zin om expliciet voor meer meisjes te kiezen; vandaar dat het goedkopere, ongesekste zaad meestal de voorkeur heeft.

Duidelijk is dat ons stierkalfje pas ter wereld komt nadat de boer een uitgebreide rekensom heeft gemaakt, met de prijs van het zaad als uitgangspunt. Het is de boer die bepaalt van welke stier hij het zaad koopt en wanneer de koe wordt geïnsemineerd. De prijs die hij voor het zaad betaalt, stroomt naar bedrijven die hier miljoenen aan verdienen. Een deel van de subsidie aan melkveeboeren komt zodoende terecht bij de stierenzaadindustrie.

De geboorte

Na een zwangerschap van negen maanden wordt het kalfje geboren. De moederkoe mag haar kalf na de bevalling nog even drooglikken, daarna wordt het dier in de meeste boerderijen bij zijn moeder weggehaald. Volgens sommige onderzoekers is dit beter voor de koe: hoe langer het kalf bij de moeder blijft, hoe sterker de onderlinge band wordt en hoe lastiger het wordt om ze vervolgens uit elkaar te halen. Voor de koe zou het daarom beter zijn om te doen alsof ze een doodgeboren kalf ter wereld heeft gezet. In de woorden van welzijnsonderzoeker Hans Hopster van de Wageningen Universiteit: ‘Als je het kalf direct weghaalt, dooft het maternaal gedrag van de koe snel uit, vooral bij koeien die geen ervaring hebben opgebouwd met het grootbrengen van een kalf.’

De eerste twee dagen krijgt het kalf nog de biest (de eerste melk) van zijn moeder te drinken. Die zit vol antistoffen die de weerstand van het kalfje vergroten. In de natuur stoppen kalfjes pas na 6 tot 10 maanden bij hun moeder te drinken, maar de melkveehouder schakelt al na twee dagen over op kunstvoeding. De drijfveer om de koe een kalf te laten werpen, was immers om haar melkproductie op gang te brengen en de melk te verkopen.

"De wettelijk vereiste minimale lengte van zo’n eenlingbox is 1,1 maal de lengte van het kalf"

Nadat het stiertje van zijn moeder is gescheiden, verhuist het naar een zogeheten ‘eenlingbox’. Door deze individuele opsluiting (waarbij de kalfjes elkaar wel kunnen zien) kan de boer de gezondheid, voeding en mest van ieder kalf beter controleren. Dat vergroot zijn kans op een kalf van hogere kwaliteit, en daarmee op een beter verkoopbedrag. De wettelijk vereiste minimale lengte van zo’n eenlingbox is 1,1 maal de lengte van het kalf.

Na een week of twee verlaat het stiertje de boerderij.

Tenminste, zo hoort het te gaan. Maar vaak gaat het mis. Uit onderzoek van RTL Nieuws blijkt dat de verzorging op veel boerderijen zo slecht is dat 1 op de 5 pasgeboren kalfjes binnen twee weken alweer dood is. ‘De kalfjes komen ter wereld in zeer smerige stallen waarbij ze soms tot hun knieën in de mest en urine staan. Veel boeren geven hun pasgeboren kalveren ook te weinig of vervuilde moedermelk (biest) waardoor veel dieren het niet redden. Veel dieren lopen infecties op en sterven aan de gevolgen van diarree.’ Deze problemen zouden het gevolg zijn van de toegenomen werkdruk op de boerderij.

Naar de ‘markt’

Vroeger zou ons kalfje van de boerderij waar hij werd geboren naar de veemarkt worden getransporteerd, waar de boer en de veehandelaar met elkaar onderhandelden over zijn prijs. Na de uitbraak van mond- en klauwzeer in 2001 zijn deze regionale veemarkten echter in rap tempo opgedoekt. Tegenwoordig gaan de kalveren naar een van de 32 Nederlandse verzamelcentra, waar de hygiëne beter kan worden gecontroleerd.

Hier wordt het kalf door keurmeesters beoordeeld en krijgt het een ‘kwaliteit’ toegekend. Met name het gewicht is hierbij van belang: volgens de Wageningen Universiteit hebben Holstein Friesian-kalveren die, als ze ongeveer twee weken oud zijn, minder dan 50 kilo wegen, een twee- tot driemaal hogere kans op longontsteking. Andere veel voorkomende kalverziektes zijn navelontsteking en diarree. Dat drukt hun prijs.

Een levend kalf kostte in juni 2019 minder dan twee koppen koffie in een café

Normaal gesproken worden kalveren in drie ‘kwaliteiten’ opgedeeld: een kalf dat bij geboorte al sterk is, afkomstig is van een mooi vleesras en verder geen mankementen vertoont is een kalf van ‘extra kwaliteit’. Een kalf dat juist vrij licht is en ziek is geweest, is een kalf van ‘tweede kwaliteit’. Daar tussenin zitten kalveren van ‘eerste kwaliteit’.

In de regionale verzamelcentra komen vraag en aanbod van jonge kalfjes bij elkaar. De prijs fluctueert enorm. Een ‘extra kwaliteit roodbont stierkalf’ bracht in juni 2019 bijvoorbeeld 165 euro op, terwijl voor zijn broertje in april 2020 nog maar 40 euro werd betaald. Voor een ‘zwart+roodbont stierkalf’ van tweede kwaliteit werd in juni 2019 67,50 euro betaald. Amper drie maanden later was dat gekelderd tot 5 euro. Een levend kalf kostte toen dus minder dan twee koppen koffie in een café.

Die lage prijs is natuurlijk het gevolg van overaanbod. Het komt voor dat de boer voor zijn kalf geen afnemer weet te vinden, zeker als het diertje bij geboorte wat lichter is dan gemiddeld of als het tijdens de eerste weken van zijn leven ziek is geweest. Als het daardoor niet lukt om het kalf te verkopen, wordt het geëuthanaseerd. Het tv-programma Rambam liet enkele jaren geleden zien dat het kadaver vervolgens wordt verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie en als ‘groene stroom’ eindigt.

Het merendeel van de kalfjes gaat via het verzamelcentrum naar de kalvermesterij. Daar verandert ons stiertje van een restproduct uit de melkveehouderij in grondstof voor de kalfsvleesindustrie.

Een alternatief model

Geen van de huidige melklabels eist dat het kalfje langer bij de koe moet blijven – ook de biologische en biologisch-dynamische labels niet. Als consument kun je dus niet kiezen voor melk van koeien die hun kalfjes niet meteen kwijtraken aan het vleesveebedrijf.

Wel zijn er individuele melkveehouders zoals Wim en Harriët van Roessel van biologisch koeienbedrijf De Regte Heijden, die de kalfjes minimaal vijf maanden bij hun moeder houden. Een aantal kalfjes blijft dan nog een paar jaar op de boerderij om te worden afgemest als vleesvee, de rest gaat naar een gangbare mesterij – er is namelijk geen circuit voor biologische kalfjes.

‘Wie een liter melk drinkt, moet 200 gram vlees eten. Dat is gewoon het verhaal’

Collega Hans Ariëns sprak met eigenaar Wim van Roessel: ‘De burger heeft geen idee hoe het in elkaar zit. Dan komen ze bijvoorbeeld met de Albert Heijn-koeiendagen op een bedrijf, en zien een heel grote melktank en heel grote koeienstal. Ze krijgen het idee dat die boeren alleen maar melk produceren. Achter die stal staat echter een hok met kalfjes. Dat is slechts 20 procent van wat geboren is: de rest is al vertrokken. Anders stond er nog zo’n grote stal, vol met kalveren. Als mensen dat zouden zien, zouden ze beseffen dat ze ook dat vlees van die kalveren bij de melkproductie hoort. De gemiddelde melkveehouder laat dat niet zien, voor hem is een kalf gewoon een bijproduct, een afvalproduct.’

‘Wij hebben veel vegetarische klanten, die scherp zijn op dierenwelzijn. Voor hen hebben we een bord gemaakt waarop we het allemaal uitleggen. Een koe moet elkaar jaar een kalfje krijgen. Bij ons gaat de helft van haar melk naar het kalfje, de andere helft gaat naar de consument. Als dat kalf groot wordt, moet het opgegeten worden, anders kun je je bedrijf niet runnen. Wie een liter melk drinkt, moet 200 gram vlees eten. Dat is gewoon het verhaal. Als je dat niet wilt begrijpen, moet je maar veganist worden. Je kunt niet de zuivel eten en het kalf in de vergister gooien.’

Lees verder Inklappen

Naar de mesterij

Misschien denk je dat ons stiertje in de mesterij wordt vetgemest tot een grote, volwassen stier, waarvan de slager uiteindelijk biefstuk en ribeye maakt. Maar dat klopt niet. Dit soort luxe rundvlees waar relatief veel voor wordt betaald, komt van speciale vleesrassen, bijvoorbeeld de Black Angus en de Wagyu. Die runderen worden speciaal om hun vlees gehouden, ze produceren geen melk. Ook wordt ons stiertje niet verwerkt tot gehakt of kattenbrokken. Dat is namelijk het eindstation van zijn afgeschreven moeder.

Ons stiertje eindigt, net als een groot deel van de vaarsjes, in de kalvermesterij. Hier wordt vlees geproduceerd in twee kleuren: rosé (40 procent van alle kalfjes) en blank (60 procent). Rosé en blank kalfsvlees smaken precies hetzelfde, maar consumenten geven de voorkeur aan blank. Vandaar het prijsverschil: rosé kalfsvlees wordt volgens de Vereniging van Kalverhouders momenteel verkocht voor ongeveer 2,80 euro per kilo geslacht gewicht, terwijl blank kalfsvlees ongeveer 3,60 euro per kilo oplevert: een verschil van 29 procent.

Hoewel blank kalfsvlees meer oplevert dan rosé, zijn de stiertjes waarvan het gemaakt wordt juist slechter af. Blanke stiertjes worden geslacht als ze tussen de 6 en 8 maanden zijn, rosé stiertjes als ze 8 tot 12 maanden zijn.

De kalfjes krijgen te weinig ijzer. Dat is doelbewust: het ijzerarme rantsoen resulteert in blank vlees

Tot enkele jaren geleden werden stiertjes die blank vlees produceren, grootgebracht op een rantsoen van voornamelijk kunstmelk. Dat is niet goed voor een kalf. Runderen hebben vier magen. Die hebben ze nodig om uit gras, blaadjes en hooi voedingsstoffen te halen – iets wat een mensenmaag niet kan. Als een kalf niet of nauwelijks ruwvoer, gras of hooi te eten krijgt, raakt zijn spijsverteringsstelsel van slag. Jonge kalfjes kregen daardoor onder meer last van maagzweren.

Daarnaast krijgen de kalfjes veel te weinig ijzer binnen. Dat gebeurt doelbewust: juist het ijzerarme rantsoen resulteert in blank vlees. De keerzijde daarvan is dat veel kalfjes bloedarmoede krijgen. Wetenschappers adviseren een minimale waarde van 6,0 mmol hemoglobine per liter bloed van elk kalf gedurende diens hele leven. Dat voorkomt dat kalfjes hun hele leven lang futloos en stram zijn. Bij een hemoglobineniveau onder de 4,5 mmol ontstaan klinische problemen: de kalfjes groeien minder goed en zijn vatbaarder voor ziektes.

In 2008 hebben de landbouwministers van de Europese Unie afspraken gemaakt over het lot van jonge kalfjes, waarna in een richtlijn de minimale hoeveelheid hemoglobine is vastgelegd die in hun bloed moet zitten. Die is bepaald op 4,5 mmol per liter. Dat is een gemiddelde waarde, geen harde ondergrens gedurende het leven van het kalf. Klinische bloedarmoede zou zo minder voorkomen, maar een waarborg tegen een futloos en stram leven is het niet.

In Nederland heeft de Dierenbescherming zich ingezet om de hoeveelheid ijzerhoudend voedsel in het rantsoen van blankvleeskalveren te verhogen. Ze krijgen nu meer ruwvoer, wat in de laatste weken voor hun dood weer fluks wordt afgebouwd om hun vlees alsnog zo blank mogelijk te krijgen. Volgens vakblad Agriholland ligt het gemiddelde hemoglobineniveau bij blankvleeskalveren hierdoor tussen de 5,0 en 5,5 mol. Dat is beter dan het minimum van de Europese richtlijn, maar volgens het Voedingscentrum hebben de kalveren desondanks ‘vaak last van lichte bloedarmoede’.

Of er nu 2,80 of 3,60 euro per kilo voor kalfsvlees wordt betaald: het is en blijft een bodemprijs. Ga maar na: een vleeskalf levert na de slacht ongeveer 150 kilo vlees op, dat is maximaal enkele honderden euro. Trek daar de aanschafprijs van het kalf vanaf en de kosten voor het maandenlang voeren, huisvesten en veterinair verzorgen van het dier, en het is duidelijk dat de marges flinterdun zijn.

in Nederland komt geen enkel kalf ooit buiten – afgezien van de paar keer dat het op transport gaat

Dat maakt alle extra’s om een kalf een beter leven te bezorgen, nagenoeg onbetaalbaar. Om de kosten te beheersen staan de kalfjes bijvoorbeeld hun hele leven binnen. Kalveren houden in kisten van 80 centimeter bij 1,80 meter is sinds 2004 weliswaar verboden, maar de wettelijk minimale ruimte voor een kalf van 150 kilo is slechts anderhalve vierkante meter. Soms staan ze in groepen bij elkaar, maar in Nederland komt geen enkel kalf ooit buiten – afgezien van de paar keer dat het op transport gaat.

Met dergelijke prijzen is het voor de kalverboer onmogelijk om het hoofd boven water te houden. Als dit een vrije markt was, dan zou de ene na de andere kalvermester failliet gaan. Maar dit is geen vrije markt. Om te voorkomen dat de kalfsvleessector kopje-onder gaat, krijgt die jaarlijks 60 tot 85 miljoen aan subsidies, waarvan de Europese basisbetalingsregeling de belangrijkste is. Hun totale subsidiestroom is kleiner dan de ruim 400 miljoen euro die naar de melkveesector gaat, maar aangezien er minder kalfsvleesbedrijven zijn, is de relatieve steun juist groter. Volgens de Algemene Rekenkamer bestaat zelfs 81 cent van elke euro die een kalfsvleesboer verdient, uit subsidie.

Met andere woorden: kalfsvleesboeren halen hun inkomen niet uit kalfsvlees, maar uit subsidie.

Naar de slacht

Van de mesterij gaat ons stiertje tenslotte naar de slacht. In Nederland zijn zeven grote kalverslachterijen, daarnaast zijn er nog flink wat kleinere. In 2019 slachtten zij volgens het CBS 1,6 miljoen kalveren. Dat zijn 4515 kalveren per dag, 3 kalveren per minuut.

Deze massale slacht blijkt niet altijd volgens de regels te verlopen. Kleine en middelgrote slachterijen worden steekproefsgewijs gecontroleerd door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). In 2018 vroeg RTL Nieuws de rapporten van deze toezichthouder op, en zag dat er regelmatig misstanden worden geconstateerd. Zo zag een inspecteur dat er werd gesneden in een kalf dat nog beweegt: ‘Ondanks de bewegingen van het kalf heeft hij [de slachter, red.] het kalf van zijn kophuid ontdaan, en wilde verdergaan met het afknippen van de voorklauwen.’ Ook zag een inspecteur hoe een kalf met een bot mes werd geslacht: ‘Ik zag dat na fixeren de medewerker vier keer moest snijden voordat hij de volledige hals van het kalf had doorgesneden.’ Voor deze misstanden kregen de slachthuizen een boete van 1500 euro.

Het OM heeft het onderzoek vorige maand stopgezet, hoewel ‘we wel weten dat er dingen gebeurd zijn die niet hadden mogen gebeuren’

Naar aanleiding van de berichten van RTL Nieuws stelde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Carola Schouten een onderzoek in naar de kleine en middelgrote slachthuizen in Noord-Nederland. Dat werd vorig jaar gepubliceerd. De belangrijkste bevinding: de NVWA faalt bij het toezicht op de slachthuizen. Er zijn controleurs die de regels nauwkeurig willen naleven en controleurs die juist zeer innig omgaan met de eigenaren van slachthuizen. Er wordt gelekt welke controleur wanneer bij een slachthuis komt kijken. Kreupele en wrakke dieren worden getransporteerd en geslacht, terwijl dat wettelijk verboden is. Vergelijkbare conclusies werden overigens ook al in 2008, 2013, 2014, 2017 en 2019 getrokken.

Het Openbaar Ministerie kwam in 2018 in actie. Het overwoog drie slachterijen strafrechtelijk te vervolgen en begon daartoe een onderzoek. Het OM vroeg bewijsstukken en informatie bij de NVWA op. Die werden echter niet geleverd. Aangezien dat te lang duurde, heeft het OM het onderzoek vorige maand stopgezet, hoewel ‘we wel weten dat er dingen gebeurd zijn die niet hadden mogen gebeuren’.


Arco Verburg, NVWA

"Als nieuwe technieken ons toezicht verder kunnen helpen, onderzoeken we die. Stap voor stap en in samenspraak met de branche."

Onlangs heeft minister Schouten cameratoezicht in de kleine en middelgrote slachthuizen verplicht gesteld. Volgens Arco Verburg, programmamanager Cameratoezicht bij de NVWA, gaat daar wellicht een preventieve werking van uit, maar moet je er geen wonderen van verwachten: ‘Cameratoezicht helpt dierenartsen vooral als je al ongeveer weet van welk moment je beelden wilt uitkijken. Steekproefsgewijs beelden uitkijken is nog beperkt van meerwaarde. Als nieuwe technieken ons toezicht verder kunnen helpen, onderzoeken we die. Stap voor stap en in samenspraak met de branche.’

Veruit het grootste deel van de Nederlandse kalveren komt aan zijn einde in een van de zeven grote kalverslachthuizen. Daar gaan vooral kalfjes naartoe die zijn grootgebracht om blank vlees te produceren. Het leeuwendeel van de blankvleeskalvermesters zijn namelijk ‘contractboeren’: ze hebben een contract met een zogeheten ‘integratie’, een holding die bedrijven in de hele kalfsvleesketen bezit.

Bij de grote slachthuizen zijn permanent controleurs van de NVWA aanwezig. Dat is echter geen garantie tegen misstanden

De Van Drie Groep is veruit de bekendste integratie. Het familiebedrijf – alle aandelen zijn in handen van de broers René, Jan en Herman – is met een omzet van 2,2 miljard euro en een winst van 92 miljoen ’s werelds grootste kalfsvleesproducent. Jaarlijks slacht dit bedrijf zo’n 1,5 miljoen kalveren. De Van Drie Groep bezit kalverhouderijen, veevoederbedrijven, slachterijen en zelfs een verwerker van kalfsvellen. Aan de boeren die bij Van Drie onder contract staan, levert het de jonge kalveren en het voer, en vertelt de boer wanneer het kalf weer zal worden opgehaald voor de slacht. Van Drie betaalt de boer voor het gebruik van zijn stallen en apparatuur, en voor zijn tijd.

Bij de grote slachthuizen zijn permanent controleurs van de NVWA aanwezig; ook België pakt het toezicht zo aan. Dit is echter geen garantie tegen misstanden. Eind 2018 bracht Animal Rights onderstaande beelden naar buiten van een slachthuis in het Belgische Hasselt (25 kilometer vanaf de grens bij Maastricht) dat eigendom is van Van Drie. Te zien is hoe kalveren geschopt en geslagen worden, aan hun staart worden voortgetrokken en (elektrische) schokken op hun kop, hun lichaam en tegen hun anus krijgen.

LET OP! Deze beelden zijn akelig:

Dat de permanente aanwezigheid van controleurs geen garantie tegen misstanden biedt, bleek onlangs opnieuw toen er beelden naar buiten kwamen uit een grote varkensslachterij in IJsselstein. Te zien is hoe de varkens geschopt en geslagen worden, niet alleen door medewerkers van de slachterij, maar ook door de controleurs van de NVWA, die juist een ordentelijke slacht moeten garanderen.

Naar de uitbeenderij

Na de slacht wordt ons stiertje in het slachthuis uitgebeend. De Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) noemt dat zwaar en belastend werk: ‘Het gaat om het doden en uitsnijden van dieren, fysiek zwaar werk, herhalende bewegingen. Soms een koude omgeving, veel geluid en met wisselende arbeidstijden. Dat is niet voor iedereen weggelegd.’

Tegenover dit zware werk staat een minimale beloning. Een werknemer die in het slachthuis dieren opdrijft, verdooft en aan een haak ophangt of ‘eenvoudige snijwerkzaamheden zoals het wegsnijden van ogen en oren’ verricht, krijgt in beginsel volgens de cao uitbetaald: 10,68 euro per uur. Het wettelijk minimumloon is 10,60 euro per uur.

Ook de mensen die ons stiertje slachten en uitbenen verdienen daar nauwelijks iets mee

Vanwege deze slechte beloning zijn er vrijwel geen Nederlanders meer die dit zware werk willen uitvoeren. Daarom worden de arbeidskrachten massaal uit het buitenland gehaald, voornamelijk via uitzendbureaus. Al jaren regent het klachten over hun arbeidsomstandigheden en behandeling. De vleessector heeft al ruim tien jaar weet van misstanden bij malafide uitzendbureaus, die vaak ook de huisvesting regelen voor hun werknemers en daarvoor soms torenhoge kosten in rekening brengen. Desondanks nemen slachthuizen de werknemers nog altijd niet zelf in dienst. Exacte cijfers ontbreken, maar vakbond FNV schat dat minstens 80 procent van het personeel op de werkvloer uitzendkracht is, en dat meer dan tweederde uit het buitenland komt.

Ook de mensen die ons stiertje slachten en uitbenen verdienen daar dus nauwelijks iets mee. Toch heeft het dier nu voor het eerst poot gezet binnen een bedrijf dat echt iets aan hem verdient. Een handvol spelers weet namelijk wel structureel winst in deze sector te maken. Bedrijven als Denkavit, de Pali-Group en de Van Drie Groep hebben de hele keten van kalf tot vlees geïntegreerd en sturen overal strak aan op kostenefficiëntie. Zo slagen zij erin om, ondanks de lage prijzen, toch een winst van 4 procent te maken.

Omdat Van Drie een familiebedrijf is, blijft veel van deze winst voor de eigenaren behouden. Volgens zakenblad Quote zit de familie op een vermogen van 1 miljard euro, goed voor de tiende plaats in de lijst der 500 rijkste Nederlanders.

Naar het buitenland

Uiteindelijk gaat het vlees van ons stiertje de grens over. Nederlanders eten weinig kalfsvlees: gemiddeld slechts 1,3 kilo per jaar, op een totale vleesconsumptie van ruim 77 kilo per persoon per jaar. Dat heeft verschillende redenen. Zo wordt kalfsvlees in Nederland als een delicatesse gemarket: ‘De kleur van blank kalfsvlees komt door de exclusieve voeding,’ schrijft bijvoorbeeld de Online Slager. Uit de Slagersmonitor 2017 van de Koninklijke Nederlandse Slagers blijkt dat van alle soorten vlees kalfsvlees veruit het duurst is, met een gemiddelde consumentenprijs van 23,46 euro per kilo.

Uit onderzoek van Wakker Dier blijkt dat Nederlanders kalfsvlees eten ‘zielig’ vinden. Van de ondervraagden die zeggen rekening te houden met de vraag of vlees afkomstig is van jonge, onvolwassen dieren als lammeren of kalfjes, zegt 81 procent dat te doen omdat ze het zielig of onverantwoord vinden.

Voedingsmiddelen mogen in Frankrijk niet onder de inkoopprijs worden verkocht. Dat zit de afzet van Nederlands kalfsvlees danig in de weg

Zodoende gaat liefst 95 procent van het Nederlandse kalfsvlees de grens over. Met name in Frankrijk en Italië wordt het graag gegeten. Nederlands kalfsvlees krijgt daar echter een andere status dan het hier heeft. Om het gigantische overaanbod van kalfsvlees te slijten, wordt het in Frankrijk vooral verkocht tijdens speciale reclamecampagnes met grote kortingen, zo bleek uit onderzoek in 2012.

In 2019 nam Frankrijk echter een nieuwe wet aan, die moet zorgen dat boeren een redelijke prijs voor hun producten krijgen. De wet verbiedt prijsacties met bepaalde voedingsartikelen. Zo is ‘twee halen, één betalen’ niet langer toegestaan en mogen voedingsmiddelen niet onder de inkoopprijs worden verkocht. Volgens vakblad De Kalverhouder zit de wet de afzet van Nederlands kalfsvlees in Frankrijk danig in de weg.

Sowieso is de Europese consumptie van kalfsvlees tanende. Volgens Henny Swinkels, voormalig directeur Corporate Affairs bij Van Drie, daalt de jaarlijkse kalfsvleesconsumptie de laatste jaren In de EU gemiddeld met 1 tot 2,5 procent per jaar. Inmiddels heeft de Nederlandse vleessector daarom reclamecampagnes opgezet om Amerikanen, Canadezen en Japanners te overtuigen om meer blank kalfsvlees te gaan eten. Het campagnebudget is 1,9 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen met Europees subsidiegeld is gefinancierd.

Meerwaarde

Je kunt je afvragen wat de maatschappelijke meerwaarde van de kalversector is. Er wordt werk gecreëerd dat we niet willen doen en vlees geproduceerd dat we amper eten en slechts met gesubsidieerde reclamecampagnes verkocht krijgen. Maar zoals we zagen, is de kalfsvleessector onlosmakelijk verbonden met de zuivelindustrie. Die kalfjes zijn de kinderen van de koeien waaraan we zo ongeveer onze nationale identiteit ontlenen.

Er wordt werk gecreëerd dat we niet willen doen en vlees geproduceerd dat we amper eten

Er bestaat dan ook een lezing van dit verhaal waarin de prestaties van de kalfsvleesindustrie worden geroemd: de sector slaagt erin waarde te halen uit een restproduct van de zuivelsector. Dat is ook hoe Van Drie zichzelf graag neerzet: ‘Op meerdere manieren valoriseren wij reststromen en bijproducten uit andere sectoren. Wij kopen kalveren op uit de melkveehouderij die niet geschikt zijn voor de vervanging van de melkveestapel. [..] We verwerken mest van onze kalveren en we verwaarden kalfsvellen voor de leerindustrie. Maximale verwaarding betekent voor onze slachterijen dat alle delen van het kalf worden gebruikt – dus vlees, organen, mest, bloed, vel en andere bijproducten. Naast deze producten blijft er weinig over, hetgeen dat overblijft gaat naar een destructor en wordt daar omgezet in groene stroom. We blijven daarnaast continu onze afzetmarkten vergroten zodat alle producten een goede plek krijgen.’ In deze versie past de kalfsvleessector volgens Van Drie zelfs in het ideaalbeeld van een kringlooplandbouw.

Maar er is ook een lezing van dit verhaal waarin de Nederlander meer zuivel eet dan gezond voor hem is, doch niet bereid is daarvoor een normale prijs te betalen. Het gevolg is dat koeien een enorme hoeveelheid kalfjes baren, die nauwelijks financiële waarde hebben en daarom worden vetgemest met een constante sturing op kostenefficiëntie. Ze zien hun moeder nauwelijks en hun vader nooit, staan hun hele leven binnen opgesloten en hebben vaak last van lichte bloedarmoede. In deze versie worden stiertjes vetgemest door boeren die zich het schompes werken en toch alleen met enorme subsidies op de been kunnen worden gehouden, om tenslotte te worden geslacht en uitgebeend door werknemers op de absolute bodem van de arbeidsmarkt.

En dat is als het goed gaat. Als de omstandigheden tegenzitten, sterven ze binnen twee weken in een stinkende stal, worden ze geëuthanaseerd omdat hun marktprijs te laag is, of worden ze vlak voor de slacht geschopt, geslagen en in hun anus geprikt.

Ongeacht hoe je dit verhaal leest: terwijl je het las, zijn er alweer 45 kalfjes geslacht. En hun vlees eten we niet. Want dat is zielig.

Ties Joosten
Ties Joosten
Klimaatjournalist. Onderzoekt de Rotterdamse haven, de luchtvaartindustrie, de energietransitie en de agrarische sector.
Gevolgd door 3695 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren