Mars op de Dag van de Arbeid, Den Haag, 1 mei 2018
© ANP / Bart Maat

Waarden, waarden, waarden; de rest is bullshit

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) kwam recent met een rapport over werk, en constateerde daarin dat werkende mensen de grip op hun arbeid steeds meer kwijtraken. Hans Schnitzler vraagt zich af: wat maakt werk überhaupt waardevol in tijden van data, algoritmen en robots?

Werkenden verliezen steeds meer grip op hun werk, concludeert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in zijn meest recente publicatie, Het betere werk. Oorzaak: flexibilisering, intensivering en technologisering van werk, wat betekent dat vaste banen schaarser zijn geworden, de autonomie van de gemiddelde werknemer is afgenomen, en werk en privé steeds meer door elkaar heenlopen. Bovendien moeten mensen niet alleen harder en sneller werken, maar ook meer mensenkennis hebben en aan conflictbeheersing kunnen doen, aldus de Raad. De mondige burger annex consument laat zich analoog of digitaal immers de kaas niet van het brood eten en is assertiever dan ooit. 

Met name professionals in het onderwijs, de zorg of bij de politie plukken hier de wrange vruchten van. Volgens het WRR-rapport ervaren deze beroepsgroepen de minste grip op hun werk. De Raad wijt dit vooral aan een gebrek aan autonomie, veroorzaakt door de uit het internationaal grootbedrijf overgewaaide spreadsheet-terreur. Terwijl de vastlegging van je eigen werkzaamheden bedoeld was om de kwaliteit van dienstverlening te vergroten, is hiermee inmiddels een systeem van georganiseerd wantrouwen opgetuigd dat de professionele, zelfstandige beroepsuitoefening van de zorgverlener of de leraar in de weg staat. In de greep van allerlei managementtechnieken raken mensen de grip op de uitoefening van hun eigen vak kwijt en neemt het risico op burn-outs toe.

De auteurs van het rapport stellen dat de nadruk moet komen te liggen op de kwaliteit van werk en dat de betrokkenheid van werknemers vergroot moet worden. Goed werk voor iedereen, luidt het devies. Dat wil zeggen: er moet meer grip komen op inkomen, op arbeidsomstandigheden en op de balans tussen werk en privé.

Achter het verlies van grip op werk gaat namelijk een waardenstrijd schuil: die van marktwaarden versus publieke waarden

Hoe nobel het streven naar meer vastigheid in vloeibare tijden ook is, de aanbevelingen van de Raad doen nogal schraal aan. De WRR zet in op meer overheidsbemoeienis; dat zou de overheid niet alleen moeten doen via wet- en regelgeving, maar ook door zelf het goede voorbeeld te geven en ‘het betere werk’ prioriteit te maken in haar eigen personeelsbeleid. Daarnaast zou de overheid bij aanbestedingen de voorkeur moeten geven aan bedrijven die het ‘goed werk’-principe hoog in het vaandel hebben staan. Kortom, men moet niet concurreren op prijs maar op kwaliteit. Een sympathieke gedachte die, zo vrees ik, in het land van Calvinistische duitendieven bij het eerste zuchtje economische tegenwind meteen wegwaait.

Dat is misschien wel het grootste bezwaar tegen het rapport: de WRR tamboereert op kwaliteit en autonomie, maar dan wel binnen een economische orde waarbinnen de fetisj van eeuwige groei onaangetast blijft. Die obsessie met groei, en het hele neoliberale deregulerings- en privatiseringscircus dat daarbij hoort, heeft de macht van vakbonden en werknemers de afgelopen dertig jaar systematisch uitgehold. Ook de politiek is, op een enkele uitzondering na, nog steeds geheel en al in de ban van de ‘BV Nederland’, een koddige metafoor die staat voor verdienmodellen, efficiency-slagen en de dans om een optimaal investeringsklimaat, en die het openbaar bestuur heeft gereduceerd tot een hogere vorm van boekhoudkunde. Wie werkenden meer macht wil geven in organisatiestructuren, zoals de Raad bepleit, zal het vigerende marktdenken veel grondiger moeten bevragen dan het WRR-rapport doet. Achter het verlies van grip op werk gaat namelijk een waardenstrijd schuil: die van marktwaarden versus publieke waarden.

Hetzelfde geldt voor de technologisering van werk, een situatie waarbij steeds meer taken door machines worden overgenomen, de onzekerheden over werk toenemen en de autonomie van beroepsuitoefenaars afneemt. Ter leniging hiervan bepleit de Raad de bevordering van de samenwerking tussen mens en machine. Tijdens de presentatie van het rapport in een uitverkocht Pakhuis de Zwijger in Amsterdam gaf WRR-econoom Robert Went een voorbeeld: een appvan de Amerikaanse supermarktketen Walmart die werknemers in staat stelt onderling van dienst te ruilen, waarmee ze meer grip op hun (werk)tijd krijgen.

Door sommigen betiteld als technofoob of vooruitgangshater, ziet deze vrolijk twitterende filosoof zich eerder als cultuurcriticus met een bijzondere interesse voor onze technologische conditie. Hij is vooral geïnteresseerd in de invloed van digitalisering op onze alledaagse leefwereld. Bovendien staat hij een kritische filosofie voor: hij kijkt graag onder de oppervlakte naar mogelijke belangen of machtsstructuren die ons slimme mensen- en dingenuniversum richting geven.

Lees verder Inklappen
Volg Hans

Nog los van de vraag hoe zo’n innovatie zich verhoudt tot een betere balans tussen werk en privé, is het wel een erg minimale oplossing voor het probleem van ‘te weinig grip’ op werk. De Raad constateert dat we de toekomst van werk moeten inrichten volgens ‘de waarden en preferenties die we als samenleving kiezen’, maar komt vervolgens met aanbevelingen die behoorlijk cosmetisch, of op z’n minst abstract aandoen en die het achterliggende vraagstuk van waarden nagenoeg onaangeroerd laten.

Als het zo is dat mensen hun identiteit en eigenwaarde in belangrijke mate aan werk ontlenen, is het van belang om te kijken naar het moment waarop machines deze hoedanigheden ondermijnen. Wanneer gaat het uitbesteden van beslissingen aan algoritmen – vaak onder het mom van optimalisering – ten koste van iemands verantwoordelijkheid of vakbekwaamheid? In hoeverre staat het samenwerken van mens en machine op gespannen voet met menselijke waardigheid of zingeving? Wat maakt werk überhaupt waardevol in tijden van data, algoritmen en robots? Kortom, de introductie van nieuwe technologieën brengt allerlei ethische dilemma’s met zich mee, dilemma’s die ons dwingen na te denken over wat we van waarde vinden.

Kennisnet, een instelling die scholen ondersteunt bij het nadenken over de inzet van ict in het onderwijs, heeft dit inzicht onlangs uitgewerkt in een toegankelijk rapport met de treffende titel Waarden wegen. Datagestuurd onderwijs, webcam-docenten of digiborden: de introductie van nieuwe technologieën geeft onderwijsinstellingen ongekende mogelijkheden om leerprocessen te stroomlijnen, leerlingen te monitoren of kosten te besparen. Tegelijkertijd roepen nieuwe digitale leermiddelen ethische vragen op. Is het een goed idee zoveel mogelijk data van leerlingen te verzamelen teneinde schooluitval te voorkomen? Is de inzet van webcam-docenten een wenselijk middel om het lerarentekort te ondervangen? Hangen we slimme camera's op om de veiligheid in het schoolgebouw te vergroten?

Dat menselijke arbeid meer en meer door machinearbeid vervangen zal worden, ligt voor de hand. In welk tempo dat zal gebeuren is ongewis

Wie dergelijke vragen wil beantwoorden, moet eerst inzicht krijgen in de wijze waarop nieuwe technologieën belangrijke beroepswaarden in het onderwijs, zoals de professionele autonomie van docenten of de integriteit van leerlingen, ondersteunen of juist ondermijnen. Hiertoe biedt Waarden wegen een handzaam stappenplan – een zogeheten‘ethiekkompas’ – waarmee onderwijsinstellingen aan de slag kunnen. Me dunkt dat ook andere publieke professionals, zorgverleners bijvoorbeeld, baat kunnen hebben bij deze aanpak.

Vanzelfsprekend is meer grip op ons werk krijgen nastrevenswaardig, maar in tijden van vergaande technologisering bestaan er helaas geen zekerheden. Dat menselijke arbeid meer en meer door machinearbeid vervangen zal worden, ligt voor de hand. In welk tempo dat zal gebeuren is ongewis, en nog ongewisser is het hoe samenlevingen daarmee om zullen omgaan. ‘De mens is een antiek meubelstuk in een moderne ingerichte kamer,’ stelde filosoof Günther Anders enkele decennia geleden al. Volgens hem loopt onze culturele en sociale inborst altijd hopeloos achter op de techniek; het tempo van innovaties is nauwelijks bij te benen, laat staan dat we de consequenties ervan kunnen overzien. De ziedende disruptiedwang van de hedendaagse tech-industrie, waarvan de producten veelal doordrenkt zijn van libertarische en meritocratische waarden, maakt dit inzicht actueler en urgenter dan ooit.

Juist daarom is een fundamentele bezinning op waarden zo belangrijk en is het een gemiste kans dat het WRR-rapport dit vraagstuk in zijn aanbevelingen nauwelijks adresseert. Menselijke waarden als gelijkwaardigheid, vertrouwen of zelfredzaamheid geven richting aan het handelen en bieden daarmee houvast. De remedie om in digitale en snel veranderende tijden meer grip op werk te krijgen, is het inventariseren en wegen van (beroeps)waarden. Wie dat op een systematische manier doet, kan vervolgens een weloverwogen keuze maken welke taken wel of niet aan slimme machines overgedragen kunnen worden. Prettige bijvangst van zo’n exercitie: die geeft inzicht wat de uitoefening van een vak de moeite waard maakt en vergroot daarmee de kwaliteit van en betrokkenheid met werk – precies de criteria die de WRR onmisbaar acht voor het ‘betere werk’.

Of, om het met een variant op een beroemde uitspraak van een Nederlands historicus te zeggen: we moeten het over waarden hebben. Waarden, waarden, waarden; de rest is bullshit.

Hans Schnitzler
Hans Schnitzler
Filosoof, publicist, auteur van ‘Het digitale proletariaat’ (2015) en voormalig columnist voor de Volkskrant.
Gevolgd door 689 leden