Waarom de arbeider te weinig verdient

    Is de arbeidsinkomensquote een goede afspiegeling van de mate van loonmatiging? Robin Fransman gaat op zoek naar de nuance en maakt zich opnieuw sterk voor de werkende klasse.

    Al eerder en vaker heb ik op deze plek geschreven over de schade die doorgeschoten loonmatiging doet. De tegenwerping die ik dan vaak krijg is dat de arbeidsinkomensquote, het deel van het BBP dat naar arbeidskosten gaat, toch maar mooi constant blijft volgens het CPB. Tijd om dit eens nader te bekijken, want het argument houdt namelijk geen stand. Punt 1: De rente is gedaald De andere kant van de arbeidsinkomensquote (AIQ) is de kapitaalinkomensquote (KIQ). Die staat nu op zo een kleine 20%. Die KIQ moet je splitsen in twee componenten, rente, als vergoeding voor het vreemde vermogen, en winst, als vergoeding voor het eigen vermogen. Gemiddeld voor Nederland als geheel is het bedrijfsleven met circa 40% eigen vermogen en 60% vreemd vermogen gefinancierd. Als de rente dan daalt, maar de AIQ blijft gelijk, dan stijgt dus het deel van het BBP dat naar de winst gaat. En daar komt nog een effect bij. De rendementseisen die worden gesteld aan eigen vermogen bewegen mee met de rentestand. Je wil voor het risico van eigen vermogen natuurlijk altijd een hoger rendement dan op risicovrije staatsleningen. Dus als de rente daalt, dan nemen ook de rendementseisen voor eigen vermogen af. Als de rente daalt, dan stijgen de beurskoersen en andersom. Een gelijke AIQ bij dalende rente is leidt tot hogere rendementen op eigen vermogen! En in Nederland is de rente alleen maar gedaald sinds 1982.       Punt 2: De arbeidsinkomensquote wordt geschat met onhoudbare aanname Het tweede element is de manier waarop in Nederland de AIQ wordt bepaald. Het is namelijk een schatting. Om de AIQ te bepalen worden niet alleen de loonkosten van werknemers tot de AIQ gerekend, maar ook de beloning van zelfstandig ondernemers, hun meewerkende familieleden en ZZP’ers. Maar dat wordt niet gemeten. Alleen hun uren worden gemeten. Om die uren dan in euro’s om te zetten gaat men er van uit dat zelfstandigen gemiddeld altijd exact hetzelfde verdienen als werknemers. Dus de gedaalde verdiensten van zelfstandigen in de detailhandel en landbouw, en de gedaalde tarieven van ZZP’ers zitten niet in de arbeidsinkomensquote. Dat leidt tot een te hoge inschatting van de AIQ. Deze systematiek leidt voor sommige sectoren zelfs tot een AIQ boven de 100%. De zelfstandigen daar draaien met verlies, maar we doen net alsof ze veel verdienen. Dit effect is behoorlijk groot. Van de 7,4 miljoen werknemers in 2012 behoorden 183.000 mensen, 2% van de groep, tot de ‘armen’. Van de 1,2 miljoen zelfstandigen, behoorde 165.000 tot de groep ‘armen’, oftewel 14%. Er dus van uitgaan dat zelfstandigen altijd hetzelfde verdienen als werknemers houdt dan ook geen stand. Punt 3: Arbeidsinkomensquote moet stijgen in een (balans)recessie De ‘stickeyness’ van banen en lonen is op zichzelf een belangrijke stabilisator in de economie. Als huishoudens tijdelijk minder uitgeven en bedrijven minder investeren loopt de vraag terug, wat leidt tot een recessie. De spaarsaldi die ze dan opbouwen, of andersom, de schulden die ze dan aflossen, en de koopkracht die ze behouden, dragen dan op een later moment bij tot herstel van de vraag. Maar in Nederland, met de combinatie van flex-arbeid en loonmatiging, verliezen consumenten koopkracht en de vrije besparingen zijn negatief. Zo kan de consumptieve vraag zich moeilijk herstellen. De  winsten en bedrijfsbesparingen zijn hoog, maar groeiperspectief ontbreekt. De enige bedrijfsstrategie die dan rest zijn kostenbesparingen. Dat is ook het beeld in het bedrijfsleven, de winsten stijgen, maar bij krimpende verkopen. Geen omgeving om weer te gaan investeren. Dit geldt allemaal twee keer zo sterk in een balansrecessie, alleen als inkomen op arbeid harder stijgt dan op kapitaal kun je uit een balansrecessie komen. Dat is gewoon wiskundige logica mensen, geen ideologie. Punt 4: Constante AIQ is geen doel op zich Een lage of hoge, een stijgende of dalende AIQ is natuurlijk geen doel op zich. Het is ook geen kwestie van links of rechts, of het proletariaat versus het groot-kapitaal. De AIQ moet gewoon goed zijn. Een te hoge AIQ leidt tot verlies van banen en een te lage AIQ ook. In de jaren 80 was de AIQ te hoog voor de rentestanden en de verzwakte concurrentiepositie zoals we die toen hadden. Op dit moment, bij de lage rentestanden en de sterke concurrentiepositie zoals we die nu hebben is de AIQ te laag. Dit kost banen en welvaart. In 1980 investeerden we elk jaar nog zo een 20% van het BBP en moest de kapitaalsinkomensquote dus hoger zijn. Maar de bedrijfsinvesteringen dalen structureel, naar nu rond de 15% en kan de AIQ dus hoger zijn.   Dus herhaal ik mijn oproep aan de sociale partners. Stop met het hanteren van de arbeidsinkomensquote als richtsnoer voor de loonontwikkeling. Stop met het hanteren van een arbeidsinkomensquote van rond de 80% als doelstelling. Kijk naar de prijsconcurrentiepositie van Nederland en kijk naar de winstontwikkeling van bedrijven op lange termijn.     prijsconcurrentie                 We hebben in Nederland weinig aanbodproblemen, de binnenlandse vraag, dat houdt ons tegen. * * * Robin Fransman is bereikbaar op Twitter: @RF_HFC

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Robin Fransman

    De dwarse denker Robin Fransman was jarenlang adjunct-directeur bij Holland Financial Centre (HFC). Daarvoor werkte hij onder...

    Volg Robin Fransman
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren