Dit is de hoeveelheid CO2 die er wereldwijd dagelijks uitgestoten wordt. Beeld door Carbon Visuals (via Flickr)
© CC BY

  • shout

Carbon Capture and Storage (CCS) is een techniek die snel tot ontwikkeling moet komen om de klimaatdoelen van Parijs te halen. Daarom is subsidie voor deze techniek wenselijk. En daarom is het knettergek dat fossiele brandstof van lucht- en scheepvaart van belasting is vrijgesteld.

Sinds het regeerakkoord is gepresenteerd, staat Carbon Capture and Storage (CCS) in het middelpunt van de belangstelling. De nieuwe coalitie wil een gigantisch deel van de nationale CO2-uitstoot verminderen door deze af te vangen en onder de grond op te slaan. Maar liefst 18 megaton CO2-uitstoot — bijna 20 procent van de CO2-uitstoot van alle Nederlandse industrie samen — zou middels deze techniek moeten worden voorkomen. Ter vergelijking: de gigantische hoogovens van Tata Steel, de grootste CO2-producent van Nederland, stoten jaarlijks zo’n 12 megaton CO2 uit.

Hoeveel CO2 wordt in Nederland nu al via CCS afgevangen, vraagt u? Niets. Nul komma nul CO2 slaat Nederland momenteel onder de grond op. Er zijn in het verleden wel pogingen gedaan: in Barendrecht stuitte een poging op maatschappelijk verzet, in Rotterdam strandde een groot proefproject op de onzalige strategie om de CCS-techniek aan kolencentrales te koppelen. 

De afgelopen weken werden dan ook de nodige vraagtekens bij de CCS-ambitie van het kabinet geplaatst. De vier belangrijkste kritiekpunten:

  1. CCS heeft zich in Nederland nog niet bewezen dus de gigantische ambitie geeft geen pas;
  2. CCS is een end-of-the-line-oplossing die niet zorgt voor minder CO2-productie;
  3. CCS is in vergelijking met andere duurzame oplossingen een peperdure techniek;
  4. Via CCS wordt de fossiele industrie onterecht financieel ondersteund.

De conclusie van de critici: CCS zou niet gesubsidieerd mogen worden. Als we echter die kritiekpunten nader beschouwen, dan blijven ze maar matig overeind.

Bij uitstek geschikt voor CCS

Laat ons beginnen met het punt dat CCS zich in Nederland nog niet bewezen heeft. Dat klopt, maar in andere landen wordt CO2 al wel onder de grond opgeslagen. Bijvoorbeeld in het Canadese Alberta, waar jaarlijks een miljoen ton CO2-uitstoot wordt afgevangen die vrijkomt bij de verwerking van zware olie. En ook in Noorwegen wordt bij een CCS-project jaarlijks 700 duizend ton CO2 onder de grond gestopt.

Om maar te zeggen: de techniek zelf is zich op industriële schaal al wel degelijk aan het bewijzen. CCS-proeven in Nederland zijn dan ook niet gesneuveld op technische onmogelijkheden, maar op organisatorische en politieke onkunde (in Rotterdam; zie kader) en gebrekkige communicatie en maatschappelijk verzet (Barendrecht). 

kader

Waarom CCS in Nederland tot dusver faalde

In Nederland zijn twee proeven gedaan met CCS, die de tekentafel evenwel nooit hebben verlaten. In Barendrecht ging het fout nadat de communicatie uit handen werd gegeven aan Shell; hierdoor werd het project van meet af aan door de lokale bevolking gewantrouwd.

Er ontwikkelde zich een scala aan – vrij theoretische – tegengeluiden, waarbij bijvoorbeeld werd gevreesd voor een ontsnapte gaswolk die een verstikkende deken over de regio zou leggen. Voor alle duidelijkheid: de kans daarop is nihil, zegt onder meer onderzoeksinstituut TNO. Toch keerden bewoners zich hierom tegen de plannen, waarna ze werden stopgezet.

In Rotterdam werd een project onder de naam ROAD (Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject) opgetuigd. De leiding werd hier echter aan twee kolencentrales gegeven. Dit was om vier redenen een strategische blunder:

  1. De belofte van de kolencentrales om hun CO2 te gaan opslaan is nooit juridisch afdwingbaar gemaakt; 
  2. De marges op de stroommarkt staan al jaren onder druk, waardoor op de miljarden kostende Rotterdamse kolencentrales enorme afschrijvingen zijn gedaan en de investeringsruimte beperkt is; 
  3. Juist voor kolenstroom zijn duurzame alternatieven beschikbaar (wind, zon); 
  4. CCS is bij de verbranding van steenkool technisch gecompliceerd, omdat er een mix aan uitstootgassen bij vrijkomt, waar de CO2 eerst weer moet worden uitgefilterd. Dat kost veel energie en dus geld. Bij andere industriële processen maakt CO2 een veel groter deel uit van de uitstootgassen, en is CCS dus veel goedkoper. 
Lees verder Inklappen

Er is zelfs een unieke set aan omstandigheden die ons land bij uitstek geschikt maakt voor CCS. Zo zit in Rotterdam heel veel fossiele industrie heel dicht bij elkaar. Hierdoor heb je simpelweg minder buizen en afvanginstallaties nodig. Ook zijn er in de haven genoeg fabrieken waarvan, anders dan bij de kolencentrales, een groot deel van de uitstootgassen uit CO2 bestaat (met name in de chemische industrie). Het afvangen van CO2 is dan dus relatief goedkoop. Niet voor niets maakte het Rotterdamse Havenbedrijf afgelopen week bekend een leidende rol te willen spelen rond CCS. Verder is Nederland uniek omdat we vlak voor de kust over een flinke hoeveelheid lege gasvelden beschikken, waarin de CO2 opgeslagen moet worden. Ook aan die kant zijn de infrastructurele kosten dus relatief laag.

End-of-the-line of noodzaak?

Laten we vervolgens kijken naar de kritiek op CCS als een end-of-the-line-oplossing die niet zorgt voor minder CO2-productie. Ook dat klopt, maar gaat voorbij aan de realiteit dat voor veel industriële processen nog helemaal geen CO2-arme alternatieven uitgevonden zijn. Het beste (maar zeker niet het enige) voorbeeld is de staalproductie. IJzererts smelt pas bij temperaturen boven de 1500 graden. Die temperaturen kunnen eenvoudigweg niet met elektrische verhitting bereikt worden, hiervoor wordt in de hoogovens daarom steenkool verbrand – wat een CO2-intensief proces is. De komende jaren zal staal nodig blijven: van gebouwen tot viaducten en van spoorlijnen tot windmolens – overal zit staal in. Wereldwijd wordt 1600 miljoen ton staal per jaar gebruikt, met een uitstoot van 1,7 tot wel 3 ton CO2 per ton staal.

Al die CO2 zal dus op een andere manier uit de lucht gehouden moeten worden om de opwarming van de aarde binnen de afgesproken perken te houden. Elk zichzelf respecterend klimaatgerelateerd instituut gaat dan ook uit van de noodzaak van CCS. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) denkt dat 14 procent van de wereldwijde CO2-uitstootreductie uit CCS moet komen. Het Planbureau voor de Leefomgeving: ‘De keuze om [CCS] te gebruiken, moet nu al worden gemaakt.’ En zelfs in de toekomstvisie voor de Nederlandse zware industrie van Urgenda (Urgenda ja, die van de Klimaatzaak) is een rol weggelegd voor CCS: 'Carbon Capture and Storage (CCS) is een oplossing die tijdelijk kan worden ingezet.' Dat CCS nodig is, is dus niet bepaald omstreden.

Ironisch argument

Dan het derde argument tegen subsidiëring van CCS, namelijk dat het een kosteninefficiënte vorm zou zijn van CO2-reductie. In zijn kritische beschouwing van de klimaatdoelstellingen van het kabinet stelt Jelmer Mommers op De Correspondent dat CCS in 2030 tot wel 1,4 miljard euro per jaar gaat kosten. Hierbij gaat hij uit van een (vier jaar oud) rapport van McKinsey, waarin CCS als een weinig kostenefficiënte manier van CO2-reductie genoemd wordt. Maar juist dit rapport staat vol met waarschuwingen en voorbehouden als deze: ‘Een technologie als CCS is momenteel nog vrij duur, omdat de techniek zich momenteel nog in een vroege ontwikkelfase bevindt.’ De kosten zullen vrijwel zeker dalen als de techniek zich verder ontwikkelt.

Het argument van kosteninefficiëntie is in zekere zin ironisch te noemen. Het is namelijk precies dezelfde argumentatie die ooit door tegenstanders van zonne- en windenergie werd gebruikt om subsidiëring van duurzame energie tegen te houden. Het zou te duur zijn; de kosten per kilowattuur zouden nooit opwegen tegen de duurzaamheidswinst. Maar juist door de aanhoudende staatssteun kon duurzame energie zich ontwikkelen, waardoor de kosten spectaculair daalden en het nu (bijna) concurrerend is met fossiele alternatieven. Het huidige kostenplaatje van CCS is dus juist een argument vóór subsidiëring.

"Het is ongetwijfeld goed om te debatteren over de rechtvaardigheid van ons economische systeem, maar de CO2-uitstoot moet nú naar beneden"

En die steun voor de fossiele industrie dan?

Ja, daar was ook nog het argument dat de fossiele industrie onterecht wordt gefinancierd door subsidie van CCS. Dit gebeurt natuurlijk wel vaker: de overheid ondersteunt op duizend-en-één manieren het bedrijfsleven bij zaken die het van maatschappelijk belang acht: van landbouw tot handelsmissies en van wetenschappelijk onderzoek tot boringen naar Gronings gas. Daarnaast is de realiteit nu eenmaal dat bedrijven bij dit soort technieken simpelweg een financiële afweging maken, waarbij klimaatverandering geen rol speelt. Dat is de economische structuur die we met elkaar gecreëerd hebben. Zolang het voor deze bedrijven vrijwel gratis is om hun CO2 de lucht in te stoten, zullen ze dit doen. Het is ongetwijfeld goed om een debat te voeren over de morele rechtvaardigheid van dat systeem, maar de ontwikkeling van CCS moet niet afhankelijk worden gemaakt van dat debat. Het klimaatprobleem is simpelweg urgenter dan dat, de CO2-uitstoot moet nu naar beneden.

Samenvattend: de wereld heeft CCS nodig en Nederland is door zijn unieke omstandigheden uitermate geschikt om deze techniek tot ontwikkeling te brengen. Om de kostprijs van CCS naar beneden te krijgen is het noodzakelijk dat de overheid hier nu consequent in investeert. Want van het bedrijfsleven alleen zal het nu nog niet komen. 

Krankzinnig belastingvoordeel

Daar komt nog eens bij dat er tussen overheid en fossiele industrie wel degelijk subsidiestromen bestaan waarop een kritische blik zinvol zou zijn. Onlangs bleek uit onderzoek van het Overseas Development Institute (ODI) en Climate Action Network Europe (CAN-Europe) namelijk dat Nederland de fossiele industrie jaarlijks met zo’n 7,4 miljard euro ondersteunt. De grootste fossiele-brandstoffensubsidie is de vrijstelling van energiebelasting voor de lucht- en scheepvaart. Alleen al door deze vrijstelling stroomt er jaarlijks 3,5 miljard euro minder aan belastinginkomsten de schatkist in. Ter vergelijking: dit jaar gaat er ongeveer 1,6 miljard euro naar duurzame-energiesubsidies. 

Als er één markt geen steun nodig heeft, dan is het wel die van fossiele brandstoffen voor lucht- en scheepvaart

Dit is krankzinnig. Als er één markt is die niet met belastingvoordeeltjes hoeft te worden ondersteund, dan is het wel die van de fossiele brandstoffen voor lucht- en scheepvaart. Deze sectoren zijn in Nederland volgens een studie van onderzoeksbureau CE Delft goed voor een uitstoot van, schrik niet, 29 megaton CO2 (in 2010). Dat is dus tweeënhalf keer zoveel als de hoogovens van Tata Steel. De klimaatgevolgen van die uitstoot worden volledig buiten de boeken van de boosdoeners gehouden: het verhogen van de dijken, verbeteren van onze riolering en de kosten voor het extra ruimte geven aan onze rivieren worden door ons allen samen opgehoest, de lucht- en scheepvaartbedrijven betalen daar geen cent aan mee. Het laatste wat we daarom zouden moeten doen is het goedkoper voor ze maken om fossiele brandstoffen te verstoken.

Onnodig, onrechtvaardig en slecht

Sterker nog: deze subsidie remt zelfs innovatie. Met name de scheepvaart innoveert notoir langzaam. Tot voor kort voeren schepen nog op topsnelheid van de ene naar de andere haven, met een enorme uitstoot als gevolg: de brandstof was toch spotgoedkoop. Er wordt nauwelijks geïnvesteerd in een nieuwe generatie motoren: op een enkel schip op lng na vaart de grote meerderheid nog altijd op stookolie, een dikke zwarte stroop die nog weleens wordt omschreven als ‘vloeibaar asfalt.’ Niet bepaald emissieloos, zullen we maar zeggen, maar wel goedkoop en meestal belastingvrij. 

Daarbij heeft deze industrie meer dan honderd jaar gehad om de bedrijfsprocessen te optimaliseren. Het gaat hier niet, zoals bij CCS, om een nieuwe techniek die de kinderschoenen nog moet ontgroeien, maar over een industrie die alle tijd en ruimte heeft gehad om winstgevend te worden. Waarom zou je deze bedrijfstak dan nog een gigantisch concurrentievoordeel ten opzichte van bijvoorbeeld spoorvervoer geven?

In tegenstelling tot subsidie op CCS is de vrijstelling van energiebelasting voor lucht- en scheepvaart dus onnodig, onrechtvaardig, slecht voor het klimaat en remmend voor de innovatie. En het is nog duurder ook. Met de klimaatdoelen van Parijs als uitgangspunt zou het dan ook zinvoller zijn als groene journalisten, activisten en politici hierop de pijlen richten. 

Over de auteur

Ties Joosten

Journalist. Schrijver. Haven. Klimaat. Feyenoord. Soms wat hiphop. Voorheen hoofdredacteur van Blendle.

Lees meer

Volg deze auteur
Dit artikel zit in het dossier

Klimaatverandering en de Rotterdamse haven

20 procent van de totale Nederlandse CO2-uitstoot komt uit de Rotterdamse haven. 20 procent! Nergens is de opgave om te verdu...

Lees meer

Volg dossier

Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

word lid