Marktwerking speelt een centrale rol in het overheidsbeleid van vele regeringen, waaronder de onze. De impliciete aanname daarbij is dat de markt een zelfregulerend mechanisme is dat functioneert volgens strikte economische wetmatigheden. Rethinking Economics laat zien dat er op dit uitgangspunt veel valt af te dingen.

    Wat is de rol van de markt in economie en samenleving? Is het de neutrale scheidsrechter van een spel waarbinnen individuen, via marktvraag en -aanbod, hun nut en behoeften kunnen maximaliseren?

    Ja, dat is zo, leren toekomstige economen tijdens hun studie. Het is aan politici, zo wordt hun onderwezen, om op democratische wijze bepaalde doelen voor de maatschappij te formuleren. Deze politici definiëren daarmee de output. Economen stellen de input beschikbaar waarmee deze normatieve doelen bereikt kunnen worden, bijvoorbeeld door aan te geven welke specifieke beleidsinterventies nodig zijn om economische groei aan te jagen. En de markt? Die is weinig meer dan het neutrale mechanisme waarlangs de input van economen tot de gewenste output leidt.

    Het is een aantrekkelijke zienswijze, zeer invloedrijk bovendien. Een perspectief dat uitblinkt door eenvoud en overzichtelijkheid — inclusief een duidelijke roldefinitie voor economen. Het is dan ook niet gek dat veel economiestudenten zichzelf dan ook al snel vrijpleiten van elke normatieve discussie over de markt.

    Het is niet gek dat veel economiestudenten zichzelf  vrijpleiten van elke normatieve discussie over de markt

    Problematisch is dit beeld echter wel, vooral omdat de visie van de markt als neutraal mechanisme ernstig tekortschiet. De simpliciteit ervan is simpelweg misleidend en biedt enkel schijnzekerheden. Markten zijn helemaal geen neutraal mechanisme met een normatieve ‘output’; ze zijn de reflectie van onze normativiteit zelf. Hoe onze markt eruit ziet, wordt bepaald door een voortdurend democratisch proces dat een weerspiegeling is van de zaken waar wij gezamenlijk waarde aan hechten.

    De vervuiler betaalt?

    Klinkt leuk, normen en de markt. Maar hoe zit dat dan precies? Wat hebben normen en waarden precies met vraag en aanbod te maken?

    Voor het beantwoorden van die vraag duiken we een tijd terug in de geschiedenis van de economische wetenschap, naar het jaar 1960. In dat jaar publiceert de Brits-Amerikaanse econoom Ronald Coase een beroemd wetenschappelijk artikel: The Problem of Social Cost. Het stuk geldt al lange tijd als standaardwerk over de noodzaak van regels binnen een economie, en de auteur kreeg er mede om die reden een Nobelprijs voor. Het is dan ook jammer dat het deel van zijn betoog waarin Coase een fundamenteel argument naar voren brengt over normativiteit binnen de markt, in de loop der tijd in de vergetelheid is geraakt.

    Coase beschrijft het simpele voorbeeld van een akkerbouwer en een veeboer die twee aangrenzende stukken grond bezitten. Omdat de kudde vee van de veeboer maar wat ronddwaalt, en er geen hek is geplaatst tussen de twee stukken land, wandelt de veestapel vrolijk het stuk grond van de akkerbouwer op. De gewassen die daar geteeld worden zijn een lekker maaltje voor de dieren. Al snel richt de veestapel daarom forse schade aan de gewassen van de buurman aan. Volgens Coase zijn we, in de traditie van de Engelse econoom Arthur Pigou (1877-1959, uitvinder van ‘de vervuiler betaalt’), geneigd te beargumenteren dat de veeboer a priori verantwoordelijk is voor de ontstane schade. We vinden daarom dat de veeboer een schadevergoeding moet betalen aan zijn buurman en dat het bovendien zijn verantwoordelijkheid is om het initiatief te nemen over de onderhandelingen over de hoogte van deze vergoeding. En omdat het schadeprobleem elk jaar terug zal keren zolang er geen hek tussen de twee stukken land staat, is de veeboer in onze ogen verplicht de verantwoordelijkheid te dragen voor de bouw van een hek tussen de twee stukken land. Mochten deze maatregelen nog niet helpen, dan is het aan de veeboer om te kijken of hij zijn veestapel misschien niet ergens anders kwijt kan.

    Hoe onze markt eruit ziet, wordt bepaald door een voortdurend democratisch proces

    De vraag die we in de traditie van Pigou stellen, is dus: hoe zouden we het gedrag van de veeboer moeten limiteren? Klinkt plausibel, nietwaar? Coase dacht daar echter anders over. De werkelijke vraag zou volgens hem moeten zijn: zou de veeboer het recht mogen hebben om de kosten van het probleem op de landbouwer af te wentelen, of zou de landbouwer het recht mogen hebben deze op de veeboer af te wentelen?

    Voor het voorbeeld van de veeboer en de akkerbouwer lijkt deze vraagstelling wellicht nodeloos cryptisch; we zullen het er allemaal redelijkerwijs over eens zijn dat de veeboer verantwoordelijk is voor het oplossen van het probleem. Toch is het belangrijk om de vraag op deze manier te stellen voor het vergroten van ons inzicht in hoe economie werkt. Coase laat, door het stellen van deze vraag, namelijk impliciet zien dat normen en waarden een centrale rol spelen binnen de markt. Maar omdat verband goed duidelijk te maken, moeten we eerst een aantal tussenstappen nemen.

    Recht

    De eerste tussenstap is dat Coase door middel van deze vraagstelling beargumenteert dat het probleem van externaliteiten — waarbij economische activiteiten van de één schadelijk zijn voor een ander — wederkerig is. Op het moment dat A altijd gedwongen wordt zijn of haar economisch gedrag te limiteren omdat B daar last van heeft, is het tegelijkertijd B die de activiteiten van A limiteert. Als een trein bijvoorbeeld geluidshinder veroorzaakt en omwonenden daarom willen dat de trein minder vaak gaat rijden, zijn het tegelijkertijd de eisen van de omwonenden die een negatief gevolg hebben voor andere mensen — in dit geval reizigers, die geconfronteerd worden met langere wachttijden. Wie ‘dader’ en ‘slachtoffer’ van overlast is, is in veel situaties dus al veel minder evident dan in het voorbeeld van de twee boeren. Wie ‘vervuilt’ wie nu eigenlijk?

    De tweede tussenstap is dat, als gevolg van het veranderen van de vraagstelling, Coase met een andere definitie van ‘productiefactoren’ komt. Hij beargumenteert dat productiefactoren niet slechts de middelen (land, machines, etc.) zijn waarmee een bedrijf kan produceren, maar dat ze gezien moeten worden als het recht van een persoon, bedrijf of overheid om een bepaalde economische activiteit uit te voeren. Iemand kan dus wel een machine of een stuk grond bezitten, maar er is pas sprake van een productiefactor als de gebruiker ook het recht bezit het middel in te zetten. ‘We mogen,’ zoals hij zelf concludeert, ‘weliswaar spreken van een persoon die land bezit en dit gebruikt als productiefactor; wat de landeigenaar in feite bezit is het recht om een bepaalde activiteiten uit te voeren op dat land.’

    Mijn recht een auto op die plek te parkeren, is uw onmogelijkheid hetzelfde te doen

    Coase’s conclusie vormt onze derde tussenstap. Hij stelt dat de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het recht op productie altijd het verlies is dat ergens anders gedragen wordt als gevolg van de uitvoering van dit recht. Mijn recht land op een bepaalde manier te gebruiken, is uw onmogelijkheid land over te steken. Mijn recht een auto op die plek te parkeren, is uw onmogelijkheid hetzelfde te doen. Mijn gebruik van een akker is uw onmogelijkheid daar een huis te bouwen. Uw mooie uitzicht verdwijnt als ik met een grote fabriek produceer. Mijn activiteiten beletten u het in een vredige en rustige omgeving te wonen. Enzovoort.

    In het Nederland van de negentiende eeuw bezaten bedrijven bijvoorbeeld het productierecht kinderen in te zetten als industriële productiefactor. Los van de morele verachtelijkheid van kinderarbeid, brengt het productierecht hierop economische kosten met zich mee. Kinderarbeid is ongezond voor kinderen, slecht voor hun educatieve, psychische en sociale ontwikkeling, en het brengt kosten met zich mee voor de maatschappij als geheel, die niet kan profiteren van de kennis en vaardigheden die kinderen op school opgedaan zouden hebben als zij niet hoefden te werken. Het recht op productie wordt uitgevoerd door de fabriek die de kinderen in dienst neemt en de fabriek profiteert dus van dat recht, maar de kosten ervan worden gedragen door anderen: de kinderen en de samenleving.

    "In het Nederland van de negentiende eeuw bezaten bedrijven het recht kinderen in te zetten als industriële productiefactor"

    Hetzelfde principe geldt voor het recht dat mondiaal opererende kledingbedrijven bezitten om in landen als China productiefactoren in te zetten voor de productie van spijkerbroeken die het milieu schade toe brengen. Zo blijkt uit onderzoek van Greenpeace dat op verschillende plekken in Azië rivieren ‘spijkerbloekblauw’ gekleurd zijn, precies op de plekken waar kledingfabrieken afval lozen. De kosten van het recht vervuilende productiemiddelen te gebruiken worden, in de vorm van drinkwatervervuiling, vissterfte en andere milieuschade, gedragen door anderen. Op deze wijze worden ook de kosten van het recht grondstoffen voor mobiele telefoons te produceren niet gedragen door de uitvoerder van het recht (het grootbedrijf), noch door de consument (wij), maar door de jongeren die in Afrikaanse mijnen tewerk gesteld worden alsmede door de lokale gemeenschap.

    De arbeidsmarkt verandert als volwassenen niet langer met kinderen hoeven te concurreren om werk

    Verdelingsvraagstuk

    Wie welk recht op productie bezit, en wie de kosten draagt die gebonden zijn aan dit recht, bepaalt in belangrijke mate hoe een markten eruit zien. Zo wordt er door het recht van bedrijven om kinderen in te zetten als productiefactor, een markt gecreëerd voor kinderarbeid — een markt die na de afschaffing van kinderarbeid in Nederland gelukkig niet meer bestaat. Het toestaan of afschaffen van het recht om kinderarbeid in te zetten als productiefactor verandert markten dus. De arbeidsmarkt als geheel verandert als volwassenen niet langer met kinderen hoeven te concurreren om werk; de markt voor textiel verandert als de productieprijs daarvan stijgt; vraag naar en aanbod van docenten veranderen als kinderen vaker en langer naar school gaan; en de gehele arbeidsmarkt verandert nogmaals doordat het hoger opgeleide arbeidsaanbod in de loop der tijd stijgt. Hetzelfde principe geldt voor de Chinese kledingfabriek, waarin productierechten tegelijkertijd de markten voor goedkope kleding, productietechnologieën, lokale vis, lokaal toerisme en drinkwater beïnvloeden. Het productierecht bepaalt kortom welke goederen en diensten op wat voor wijze geproduceerd mogen worden, welke verhandeld mogen worden en wat acceptabel is om gezamenlijk te consumeren.

    Maar invloed van de kosten op het recht op productie gaat verder. In het geval van afgeschafte kinderarbeid betalen niet langer onze kinderen die, of de Nederlandse maatschappij door een gebrek aan goed opgeleide mensen. De kosten zijn voor een groot deel afgeschoven op goedkope arbeidskrachten in Bangladesh en Zuidoost China, die onder erbarmelijke omstandigheden (de kosten van het recht op productie) onze consumptiebehoeften bevredigen. Wie dus welke kosten als het gevolg van de uitvoering van het recht op productie betaalt, is in sterke mate een verdelingsvraagstuk. Who gets what?

    Productierechten beïnvloeden dus op diepgaande wijze hoe onze markten eruit zien. Niet alleen het principe van vraag en aanbod bepaalt wat wij produceren, verhandelen en consumeren, maar ook de vraag wie welk recht heeft op productie, en om de kosten hiervan op anderen af te wentelen. En laat nou juist dit laatste punt bij uitstek normatief van aard zijn. Moraliteit bepaalt voor een belangrijk deel welke productierechten de maatschappij accepteert en welke niet. Of kinderarbeid nu efficiënt is of niet, of het ons economische groei oplevert of niet, het is in Nederland verboden omdat wij het moreel abject vinden. We hebben bijgevolg geen markt meer voor kinderarbeid, geen markt voor in Nederland grootschalig en goedkoop geproduceerde kleding, en (indirect) een relatierf grote markt voor docenten en hooggeschoolde arbeid.

    Moraliteit bepaalt voor een belangrijk deel welke productierechten de maatschappij accepteert en welke niet

    Dezelfde morele afwegingen bepalen dat we tegenwoordig niet langer een markt hebben voor asbesthoudende golfplaten, maar wel een grote markt voor sigaretten: het ene gezondheidsrisico wordt benaderd met een paternalistische moraliteit, het andere met een filosofie van eigen verantwoordelijkheid. En zo is bijvoorbeeld de marktwaarde van woningen rond Schiphol al jaren lastig te bepalen door de morele vraag of de bewoners gecompenseerd moeten worden voor de luidruchtige omgeving, of dat ze beter hadden moeten weten dan daar te gaan wonen — een reden ze met een lagere woningwaarde achter te laten. De lijst van markten die wel of niet bestaan door onze eigen morele overwegingen is lang.

    Niet kwantificeerbaar

    Zelfs als we onszelf in de omgang met markten zouden willen ontdoen van iedere morele overweging — bijvoorbeeld door te trachten normativiteit buiten te sluiten en ‘gewoon’ voor de meest efficiënte optie te gaan — worden we gedwongen onze normen en waarden te laten spreken. Dit komt doordat de kosten die men ervaart als gevolg van het feit dat iemand het productierecht bezit, lang niet altijd kwantificeerbaar zijn. Hoe hoog precies zijn bijvoorbeeld de kosten die omwonenden ervaren als gevolg van geluidsoverlast doordat er vaak treinen langsrijden? En hoe hoog zijn de totale kosten van de extra wachttijd voor reizigers als deze treinen minder frequent rijden? Dezelfde onduidelijkheid geldt voor de spijkerbroekenproducent. Hoeveel kost het eigenlijk als er duizend vissen overlijden door het vieze water? En wat voor bedrag kleeft er aan het ontbreken van de mogelijkheid voor omwonenden om gezond te blijven na het nemen van een frisse duik? Het is vaak onmogelijk hier een geaggregeerd getal op te plakken; verschillende mensen zullen de problemen verschillend waarderen en voor sommige zaken wordt het prijskaartje pas in de toekomst duidelijk.

    Zelfs al zouden we daarom de markt willen afsluiten voor elke normatieve overweging, dan nog worden we collectief gedwongen om normatieve afwegingen te maken over hoe de markt eruitziet. Zo kunnen we niet tegelijkertijd op dezelfde plek een markt hebben voor goedkope spijkerbroeken en een lokale markt voor vis- of watertoerisme op het moment dat bedrijven het recht hebben goedkope maar vervuilende productiefactoren te gebruiken; we zijn dan gedwongen een keuze te maken tussen de ene of de andere markt. En kiezen we voor minder geluidsoverlast of iets kortere wachttijden? Allebei kan helaas niet. De invloed van onze keuzes op markten is groot.

    Deze keuze is altijd normatief. Het is een keuze die gaat over wat wij vinden dat zwaarder weegt. Het is een schijnzekerheid te denken dat de markt slechts over cijfers gaat. Zij bestaat uit zoveel meer dan vraag en aanbod. Coase concludeert dan ook: ‘Het oplossen van problemen binnen onze welvaartseconomie vergt uiteindelijk een studie van esthetiek en moraliteit.’

    Voorbij de schijnzekerheden

    Daarom is de markt in wezen een democratisch proces dat gaat over waar wij gezamenlijk waarde aan hechten. Om de kwaliteit van dit democratische proces hoog te houden, is blijvend wetenschappelijk, politiek en publiek debat nodig over hoe wij onze markt willen inrichten, over welk gewicht we toekennen aan welke aspecten van het economisch leven. Dit kan alleen als de leden van de kopgroep in dit debat — maatschappelijke en academische economen — opgeleid worden met een diepe overtuiging dat de markt zoveel meer is dan een neutraal mechanisme van productie, handel en groei.

    De markt is in wezen een democratisch proces dat gaat over waar wij gezamenlijk waarde aan hechten

    Daarom is het verhaal van ‘input–markt–output’ zo problematisch. Markten zijn helemaal geen neutraal mechanisme met een normatieve ‘output’; ze zijn de reflectie van onze eigen normativiteit. De econoom van morgen zou voorop moeten lopen in het verkondigen van deze boodschap. Alleen door dit besef te verspreiden en levend te houden gaat de maatschappij voorbij de zoektocht naar economische schijnzekerheden binnen de economische wetenschap. Dit is de enige manier waarop het debat over economische normen en waarden, dat we met zijn allen moeten voeren, ook echt plaats kan vinden.

    Zo leert Nobelprijswinnaar Coase ons dat het huidige economieonderwijs wel wat hervorming kan gebruiken.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Rethinking Economics

    Een wereldwijd netwerk van studenten en academici, opgezet om meer diversiteit aan te brengen in het economieonderwijs.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Rethinking Economics
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    De economische religie

    Gevolgd door 817 leden

    'De economie groeit, dus het gaat goed met Nederland.' Dit soort uitspraken hoor je vast wel eens voorbij komen. Maar klopt d...

    Lees meer

    Volg dit dossier en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg dossier